ademen

Ik vind ’t prachtig staan. 3 Dikke delen naast elkaar. Leer, standvastig, robuust. Maar ik verbaas me er over, plots schiet die gedachte me te binnen, dat ik ‘m toch elke dag nodig heb. Dat ik opsta uit m’n boek, naar de kast schuifel, ’t juiste deel de kast tevoorschijn kantel, & een woord opzoek.
Verlies ik er evenveel als dat ik onderweg verzamel?

Ik ga op een laag krukje zitten. Kijk door ’t raam onder de was door. Er ontstaan nu gaten in de tuin. De stengels worden ijl. ’t Wordt een Mondriaan met strepen & vlakken, maar minder kleurrijk. Een eigenwijze roos stipt rood. Geen boogie-woogie; ’t leven is er uit. Hoewel ik weet dat er stiekem, heel stiekem, zich iets aan ’t voorbereiden is. Ik weet niet hoe ik er dan tegenaan zal kijken.
Nu laat ik ’t maar. Ik beschouw slechts m’n eigen schilderijtje, dat zich laat omkaderen door een vensterbank, een schutting & een rijtje t-shirts.
Ik laat een boer. Een oprisping die me doet denken aan de tijd dat ik nog appels at.

Ik leef m’n dag in een ritme van medicijnen. Een ½ uur voor ’t ontbijt. Zo snel mogelijk na ’t ontbijt. Een ander als ik voorbij m’n portemonnee loop. Vlak voordat ik de deur uitga. Na ’t middageten. Na ’t avondeten. Vlak voor ik naar bed ga.
Op een gegeven moment zit er slechts nog een herinnering van pijn in m’n rug. Alsof m’n heup iets meer naar achteren wil, maar ’t haar aan kracht ontbreekt. Maar de enige getuigenis van dat wat eigenlijk werkelijk aanwezig is, maar er niet is, zijn de borrels in m’n buik. Trage borrels, grote bellen lucht, die zich moeizaam door m’n darmen begeven.
‘Weet je of je een gevoelige maag hebt?’ vroeg de huisarts.
‘Nou, m’n darmen,’ zei ik. ‘M’n darmen, die kunnen wat raar doen. Vanwege . Ja, ik heb de ziekte van Graves, zie je. Ik slik strumazol & thyrax.’
‘Maar dat is je schildklier.’
‘Ja, die is nu goeddeels uitgeschakeld. Ik weet niet wat dat voor invloed heeft?’
‘Oh, dat kan geen kwaad,’ zei ze, nadat ze ’t beeldscherm had bestudeerd.
M’n maag voelt vol. M’n darmen zijn stijve, gelijktijdig gewillige ledematen. Geen organen. Daar bewegen ze te veel voor.

Ijverig komen de koolmezen & pimpelmezen de takken bestuderen. Schuren hun snavel aan de knopen. Schichtig kijken ze om zich heen. Zien me evengoed niet vanachter ’t keukenraam spieden. Niets staat stil aan hun lijf. Ik zou hun hartjes kunnen zien kloppen, als ik niet zoveel aandacht had voor de kleuren van hun verenkleed. Want alles moet snel. Elk moment kan de aanblik alweer voorbij zijn. De seconde moet genoten.
Dat lijken zij ook te denken. Ze zijn zich blijkbaar bewust van hun veel grotere tijdelijkheid. Tijdelijk nog groter gemaakt in z’n kortstondigheid. Snel schieten ze ervandoor als de struik of plant al z’n schatten heeft prijsgegeven. Ze verdwijnen tussen takken & bladeren die geen ruimte bieden voor zulke hoge snelheden. Maar toch wijkt alles om mij een vloeiende verdwijntruc voor te schotelen.
Zouden ze daarom korter leven? Vanwege hun kleine hart, dat driftige overuren maakt. Vanwege alles dat zo snel mogelijk beleefd moet worden. Vanwege ’t kleine, dat ’t grote niet aankan.
Ik snapte vroeger nooit dat Gulliver de naalden van de kleine mensjes niet kon zien. Een oog is een oog, dacht ik. Hoe kan ’t dat als je kleiner wordt, dat je dan meer kan overzien? & Zijn er andersom dingen die niet bestaan, omdat er een kolossaliteit tegenover staat die niet te bevatten valt?
Misschien bestond Gulliver wel helemaal niet voor de kleine mensjes. Zijn zij slechts ontsproten aan z’n eigen fantasie.

Elke keer als visite zich aankondigt, probeer ik de vlekken op ’t gele behang met resten verf te verdoezelen. De plek waar m’n vingers voorbij de gordijnen de muur aanraken. De omlijning van de lichtknop van de wc. De spetters in de keuken. De muren waar m’n fiets tegenaan schuurt. Geleidelijk aan moet ’t dikker worden. Uiteindelijk moet dat te zien zijn. Vooralsnog kijk ik ’t aan van de voorkant. Plat blijft ‘t. Zijaanzicht wordt niet noodzakelijk geacht. Nog niet.
M’n huis verandert & ademt mij.

& Ik adem Zijperspace.

koffie

‘Niek, loop jij even met Ton mee,’ zei m’n moeder, ‘dan haal ik ondertussen koffie.’
Ze maakte de ingehaakte arm los. Probeerde ‘m over te geven.
Ik stond er onhandig bij. Ik was niet gewend m’n vader te begeleiden. Ik wilde z’n arm net zo laten inhaken als m’n moeder ’t gewoon was, maar ’t leek alsof ’t bij mij niet wilde passen. Ongemakkelijk pakte ik z’n hand vast. M’n moeder ging naar ’t zelfbedieningsbuffet.
Pa & ik liepen naar ’t tafeltje met de 3 stoelen in de hal. Ik trok ‘m een beetje mee. Voordat-ie eraan dacht dat m’n moeder ook mee moest. Hij leunde al schuin achterover, maar dat kon ook z’n afwijking naar links zijn.
(‘We hebben ‘m gister vroeg op laten staan,’ had de verpleegster gezegd, ‘misschien dat ’t daaraan ligt dat-ie vandaag zo moe is. Maar hij hangt inderdaad weer heel erg naar links. Vooral nu hij in z’n stoel in slaap is gevallen.’
& M’n moeder vertelde me even later dat een neuroloog langs zou komen. Ze hadden haar daarvan op de hoogte gebracht. Ze was akkoord gegaan. Maar niks meer gehoord over wanneer de man nou zou komen.
‘Dan weet je ook de hele tijd niet waar die afwijking naar links nou aan ligt,’ zei ze.
‘Maar ’t ligt toch zowiezo aan Parkinson?’ zei ik.)
’t Was slechts 15 meter. Even de hoek om & dan door de gang naar ’t tafeltje. Een kruispunt langs, waar rolstoelen, bewoners & personeel af & aan gingen. Maar op ’t moment dat wij passeerden was er toevallig geen verkeer.
Ik hield de hand van m’n vader vast & probeerde er niet aan te denken. Ik wilde niet weten hoe lang geleden ’t was dat de rollen omgedraaid waren. Dat ik me veilig in zijn omvattende handen waande. Ons voortbewegend door een drukke winkelstraat in den vreemde.
& Door de poging ’t weg te drukken dacht ik er aan. Ik was ook al bijna een kop groter dan hij, bedacht ik me; hij krimpt.
We kwamen bij de bewuste tafel aan.
‘Wil jij hier zitten, Pa?’ terwijl ik ‘m naar de 1e de beste stoel manoeuvreerde.
Hij keek over z’n schouder. Waar Ma bleef. Maar ondertussen schuifelde hij toch naar de plek waar-ie zodirect zou gaan zitten. Ik had de stoel even aan de kant geschoven, zodat-ie erbij kon.
‘Blijf staan,’ zei ik, ‘dan schuif ik de stoel gewoon onder je gat.’
Maar nog ging ’t moeizaam.
‘Ja, ga nu maar zitten.’
Ma kwam er ook aan. We zaten nog maar net. 2 Koffie & 1 thee, met een gevulde koek. Die laatste deelden ze altijd.
‘Wil jij ook een stukje?’
‘Nee,’ antwoordde ik, ‘ik heb net in de trein gegeten.
M’n moeder zei passanten gedag.
‘Is dat 1 van die dokters?’ vroeg ik.
‘Nee, ik ken ‘m niet,’ zei m’n moeder. ‘Maar hij heeft wel iets dokterigs.’
Ze gaf onderwijl ’t bakje koffie aan m’n vader. Die pakte ’t met beide handen aan & bracht ’t voorzichtig naar z’n mond.
Er kwam een verpleegster voorbij. Ze keek ons vriendelijk aan & zei gedag.
‘Ken je ook niet?’ vroeg ik
‘Nee. Iedereen zegt elkaar hier gedag.’
‘’t Is ook net een dorp,’ zei ik.
‘Ja, maar dan een treurig dorp,’ zei m’n moeder.
‘Ja, da’s misschien wel waar.’
M’n vader haalde iets van z’n trui. Alsof er een pluisje zat. Hij hield ’t tussen z’n vingers & bestudeerde ‘t. Wij zagen niks.
‘Dat is weer 1 van die waanbeelden,’ zei m’n moeder. ‘Dan ziet-ie weer dingen.’
M’n vader keek op. Vragend naar m’n moeder.
‘’t Gaat niet zo goed met Wil,’ zei ze, wat luider nu.

Zijn we gebleven waar we gister begonnen zijn in Zijperspace.

peettante

Ze zei ’t tegen m’n vader.
‘’t Duurt niet lang meer met Wil.’
M’n tante Wil. M’n peettante Wil.
& Zich naar mij kerend zei m’n moeder: ‘Pa kent haar vanaf dat ze klein was. Pa was de 1e in de familie. Hij was erbij toen ze 1e communie deed.’
Bij ’t afscheid zegt ze ’t nog even tegen de dienstdoende zuster.
‘Ik bel jullie misschien op als ’t zover is met m’n zuster. Want ze loopt op de laatste dagen. Ik zou toch graag willen dat-ie ’t weet. Anders is ’t zo raar als we plots naar de begrafenis gaan. Hij heeft ‘r toch erg goed gekend.’

M’n moeder laat merken hoe ze zich voelt. Ze kan niet anders. Als ze vroeger hoofdpijn had kon je dat van haar gezicht aflezen. Ze is een open boek, ook al zou ze zo nu & dan liever wat verzwijgen. Aan de minste zucht over de telefoon weet ik of er iets aan de hand is, denk ik soms. Dan blijkt ze net naar binnen gerend te zijn, om toch op tijd de telefoon aan te kunnen nemen.
‘& Hoe gaat ’t met u?’ vroeg Laura, nadat ze mij kort had gesproken.
‘Nou, niet zo lekker,’ antwoordde ze. ‘’t Gaat niet zo goed met m’n zus.’
Ze krijgt een aai over haar schouder.
Ik zie de laatste tijd vaak dat m’n moeder een bemoedigende aai over de schouder krijgt. Dat verdient ze.

We arriveerden bij tante Dien. Door de schuifdeuren aan de achterkant gingen we naar binnen. Tante Dien aan de eettafel lachte door ’t raam heen. Haar wangen gloeiden rood.
‘Hoe was ’t met Wil?’ vroeg ze.
‘Nou, niet goed.’
‘’t Zou toch beter zijn als er een eind aan kwam,’ zei tante Dien. ‘Zo heeft ze er toch niets meer aan.’
M’n moeder & ik beaamden dat. Maar tante Dien kon zulke dingen beter in woorden brengen.
‘Ze lag er zo bij vanochtend,’ zei m’n moeder.
M’n moeder kantelde haar hoofd naar achteren. Ze probeerde weer haar ogen weg te draaien, zoals ze ’t me ’s middag had uitgelegd. Haar mond wijd open.
‘Er is dus helemaal geen contact mogelijk?’ vroeg ik.
‘Nee, ze zegt niets meer. Ben die werd ’t vanochtend toch ook een paar keer te veel.’
‘Ja, ’t begint nu natuurlijk tot ‘m door te dringen,’ zei tante Dien. ‘Die staat er straks helemaal alleen voor.’
‘Maar hij heeft toch de laatste tijd wel een beetje bewezen dat-ie ’t alleen kan?’ vroeg ik.
‘Nou, nee hoor. Hij kan nog niet ‘ns water laten koken. Misschien om thee te zetten, maar dan houdt ’t op.’
‘Tot ’t laatst heeft Wil nog eten voor hem gemaakt,’ vulde m’n moeder aan.
‘Ja, vorige week dat ik langs was, toen heeft ze nog in de keuken soep voor me opgewarmd,’ zei Tante Dien. ‘Dat had ze van de buurvrouw gekregen. Maar dan loopt ze toch nog naar de keuken om ’t in de gaten te houden.’
‘Ik denk wel ‘ns,’ zei m’n moeder, ‘dat er in de familie Zegers erg weinig gebeurd is, maar dat ze hier boven nu toch ‘ns besloten hebben dat we nu toch ‘ns aan de beurt zijn.’
‘Maar ach, An,’ reageerde tante Dien, ‘als je nou kijkt: de oudste van de 11 is 78. De jongste 60. & Er zijn er nog 10 over. Dan mogen we toch evengoed van geluk spreken.’
‘Maar dan komt ’t wel extra hard aan als ’t zover is,’ zei ik.
‘Ja, we zijn niet echt gewend dat er veel leed plaats vindt in de familie,’ beaamde tante Dien.
Ze haalde voorbeelden aan van families waarvan meerdere broers & zussen in een opvanghuis lagen, of reeds gestorven, een enkeling nog gezond over. Zo slecht had de familie van m’n moeder ’t uiteindelijk toch niet getroffen, was de boodschap.
‘& Gaan doen we uiteindelijk toch.’
‘Maar wat denk je,’ zei m’n moeder, ‘dat als ze vanmiddag overlijdt, dan zal ’t voor ’t weekend toch niet gebeurd zijn, de begrafenis.’
‘Nee, die moet over ’t weekend heen.’

Ze zetten me voor ’t station van Anna Paulowna af. Even verderop moesten ze ’t kleinkind van tante Dien ophalen.
Ik gaf m’n moeder 3 zoenen. Daarna boog ik naar achteren voor tante Dien.
Terwijl ik nog in de deuropening stond, zei ik: ‘Bel je me wel op als tante Wil overlijdt? Dan kan ik misschien nog vrij regelen voor de begrafenis. Als ’t maandag gaat plaats vinden.’
‘Ja, ik bel.’

In de trein terug dacht ik aan tante Wil. Hoe ik haar elke dag zag. Ik bracht de reservekrant bij haar langs, aan ’t eind van m’n wijk. ’s Middags. Op zaterdag in de ochtend. Dan had ze om 10 uur nog steeds haar nachtpon aan. Ik kreeg altijd een bakje thee, als ik geen haast had. Een jodenkoek erbij. We maakten een praatje. Ik pestte m’n nichtjes, of m’n tante & zij mij.
Ik hoorde haar plagerig piepstemmetje weer: ‘Nou, Ton, heb je al een vriendinnetje?’
Dan giechelden de nichtjes.
Op m’n verjaardag kwam ze meestal met een envelop aanzetten. Er zat bijna altijd 5 gulden in. Daar moest ik blij mee zijn, zei m’n moeder dan, want tante Wil & ome Ben hadden ’t niet breed.
’s Zondags kwamen ze langs. Vlak na de kerk. Dan aten ze een kop soep mee. Weer een praatje. Ome Ben alleen maar over ’t weer. Dan liep tante Wil maar naar de keuken. Praatte een beetje met m’n moeder. Maakte een grapje met mij.
Ze wist hoe ik reageerde. We zagen elkaar 7 dagen in de week. Dat leek te komen doordat ze m’n peettante was, maar ’t kwam vooral door de krantenwijk.
Maar jaren later, ik woonde al jaren in Amsterdam, bleef ze specifiek naar mij vragen.
‘Ton, je moet ‘ns een kaartje sturen,’ zei m’n moeder dan.
Dat heb ik 1 keer gedaan. Toen lag ze al in ’t ziekenhuis.
Daar ben ik een paar maanden geleden met m’n moeder geweest. ’t VU-ziekenhuis, hier in Amsterdam. Tante Wil vroeg weer hoe ’t met me ging.
‘Heb je al een vriendinnetje?’ vroeg ze met haar plagerig piepstemmetje, waar evengoed oprechte belangstelling uit klonk.

Ik kwam thuis. Ik legde m’n rugzak op de bank, trok m’n jas uit. De telefoon ging.
‘Met mij,’ zei m’n moeder. ‘Tante Wil is vanmiddag overleden.’
‘Oh, god,’ zei ik. ‘Hoe laat is ’t nou uiteindelijk gebeurd?’
‘Om 3 uur.’
‘Toen zaten wij met tante Dien te praten over haar. Dan hebben ze hierboven misschien toch nog naar ons geluisterd.’
‘Ja, ’t kon niet lang meer zo duren.’
‘Had ome Ben gebeld?’
‘Nee, Karin belde. Ik stond net op ’t punt om bij tante Dien weg te gaan. Ze vroeg of we vanavond nog een laatste maal bij elkaar wilden komen. Om 7 uur. Dan willen ze daarna nog even alleen zijn. Dan zal ’t lichaam vanavond wel weggebracht worden.’
‘Sterkte, Moe.’
‘Ja, dank je.’

Hoe gaat ’t nou met je, tante Wil, zo plots ver verwijderd, maar toch langzaam, ijselijk langzaam weggetrokken van Zijperspace?

klar

‘Ga je een beetje flesjes bier leeg zitten schenken, die je voor de helft van de prijs hebt gekocht als je ’t gewoon aan de bar had besteld,’ zei ik verontwaardigd. ‘Als je flesjes bij ons koopt, dan is dat om mee te nemen, niet om hier uit te schenken.’
Hij knikte. Hij aarzelde. Hij stond op ’t punt zichzelf te verdedigen.
Ik pakte ’t flesje. ½ Leeg. Ik pakte ’t glas ook, ½ vol. Ik keerde me om naar de bar, bedacht me, & pakte ’t andere glas ook.
‘Maar ’t was zo druk,’ kwam-ie achter me aan. ‘Ik wilde die mensen ’t bier van hier laten proeven.’
‘Ik hoef geen uitleg. Ga jij maar lekker weg. Vandaag ben je niet meer welkom.’
‘Alles klar,’ zei hij met z’n duitse accent, ‘maar ik wil gewoon de normale prijs betalen.’
‘Nee, hoeft niet meer. Je kan nu beter gaan. Ik hoef je niet meer te zien.’
‘Kunnen we er niet over praten.’
‘Ik wil er best over praten, maar dat doen we dan de volgende keer.’
‘Alles klar.’

Ik herkende haar nog net. ’t Meisje dat naast de duitser zat. Of ertegenover. Ik peilde haar blik. Ze stak 2 vingers op.
‘Nee,’ zei ik terwijl ik dichterbij kwam. ‘Ik ga jou niet helpen als die andere man nog steeds binnen is.’
‘Ja, maar ’t is voor ons.’
‘Dat maakt mij niet uit. Ik heb tegen hem gezegd dat-ie kon gaan. Als-ie hier blijft wil ik ook niet dat-ie de kans krijgt nog wat te drinken.’
Ik wende m’n hoofd. Ook al zag ik dat ze verder wilde gaan. Ik schudde nog 1maal m’n hoofd. Om m’n besluit kracht bij te zetten.
M’n collega’s zoefden voorbij. Af & toe een blik werpend op de gang van zaken. Ze hielden ’t in de gaten. Ze leken 2 keer zo snel te zijn in hun bewegingen dan ik. Ik deed een stap naar achteren, om ze de ruimte te geven. Zodat ze makkelijker langs me konden. Om afstand te nemen ook.
Ik vroeg aan een klant wat-ie wilde hebben.
Achter me pakte ’t meisje haar gezicht beet. Ze legde ’t in haar 2 handpalmen. Haar ogen ½ verborgen. Haar hoofd schokte. Ze keek me aan, tussen de spleetjes van haar vingers. Smekend. Ze haalde haar haar handen voor haar gezicht weg, waardoor ik de tranen te zien kreeg.
Von ook. Ze pakte een glas, stak ’t onder de kraan van de spoelbak & zette ’t vol voor haar neer. Resoluut. Zonder een woord.
Klanten maakten plots ruimte voor ’t meisje. Ze stond opeens in haar 1tje aan de bar. Er werd een schouderklopje gegeven. Een aai over haar hoofd.
Haar tranen kwamen nog. Ze veegde er een paar weg. Waardoor ’t er nog treuriger uit ging zien.

Plots stond ik naast haar. Ik tikte op haar schouder.
‘Waarom huil je nou?’
‘Sorry, ik ben altijd een beetje emotioneel.’
Ze slikte. Probeerde nog wat te zeggen. Maar een brok weerhield de woorden er uit te komen. Ze slikte nogmaals. Toen ging ’t wel.
‘’t Is een aardige jongen. We zaten heel leuk met ‘m te praten.’
‘Ja, ’t kan best een aardige jongen zijn, maar hij moet hier niet de boel willen belazeren.’
‘Hij was gewoon een beetje lui. & Een beetje dronken. Daarom wilde hij niet in de rij gaan staan.’
‘Maar mensen die dronken zijn & dan niet meer kunnen zien dat ze zich niet aan de regels houden, die schenken we niet meer. Die kunnen beter naar huis gaan. Dat heb ik tegen ‘m gezegd. & Als-ie er over wil praten, dan ben ik de volgende keer daartoe bereid. Maar nu niet. Ik vind ’t nu niet een goed moment om met hem te praten.’
Ze knikte.
‘& Jij mag best nog wel wat drinken van me,’ ging ik verder, ‘maar dan moet hij 1st weg zijn. Want anders drinkt-ie misschien toch mee. & Dan moeten we de hele tijd hem in de gaten houden.’
‘Ja, ik begrijp ‘t.’
Ze legde haar hand op m’n onderarm. Kneep kort. & Ging naar de plek waar de anderen nog steeds zaten.

‘Volgens mij is ’t jaren geleden dat ik een meisje aan ’t huilen heb gemaakt,’ zei ik teruggekomen achter de bar tegen Von.
‘Ja, erg hè? Ik dacht toen ik ’t zag ook meteen dat ze die tranen aan ’t opwekken was.’
‘Nee, dat geloof ik nou ook weer niet.’
‘Maar volgende keer moet je 1st maar met zo’n meid naar bed gaan, dan heeft ze tenminste een reden om te huilen.’

De duitser liep voorbij. Hij ging naar buiten. Gaf me een onderweg een kort knikje. Vlak erachter werd-ie gevolgd door ’t meisje. Ze reikte over de bar naar me & gaf me een hand. Ze lachte verontschuldigend. Ik wist niet waar ik kijken moest. Mijn blik ontmoette slechts een kort moment haar ogen. Er stond een glimlach in.

Die straalde rechtstreeks Zijperspace in.

als zij

Als ik m’n hoofd zou wenden
als zij er was
zou ik dan ook pijn hebben
zo’n steek in m’n nek
van ’t niet willen voegen
als zij er was

Die onnozele wending
toevallig bevindt zich daar iets
een lichtstraal
een beweging
een gedachte
die aandacht nodig heeft

Als zij daar was
had ik die aandacht
die beweging dan ook nodig gehad
& had ik gevoeld dat ’t niet klopt

Als zij er was
die ene zij
was ik dan door blijven gaan met lezen
was ik vermoeid geraakt van geroezemoes
bestaande uit ademhaling
was ik onrustig geworden
omdat er nou 1maal onrust bestaat
daar waar beweging is
daar waar 2 eenheden samenkomen

& Nu zij er niet is
nu ik alleen m’n boek lees
m’n dagen doorkom
m’n geluiden produceer
slechts voor mezelf
mediteer, verzwijg, verwijder
dichterbij kom tot alles
dat niet is
& alles dat ooit zal zijn.

& Daarachter dan een zinnetje dat eindigt op Zijperspace, want anders is ’t niet kompleet.

matras

Ik wentel me naar de zijkant. Keer op keer. Ik wek me wakker genoeg om in ieder geval aan de zijkant te liggen. ’t Dekbed strak om me heen geslagen. Geen kiertje lucht mag ontsnappen of binnensluipen de andere kant op.
Maar ook in slaap kan ik niet stilliggen. Beweging is noodzakelijk, een andere houding, een nieuw uitzicht over dromenland. Waardoor ik gedwongen word mezelf te corrigeren, omdat ik niet in de kuil terecht mag komen. De kuil die een verkeerde hoek in m’n rug slaat. 1tje Die ik de rest van de dag zal voelen, heb ik afgelopen dagen gemerkt.
Ik had alleen tot gisteravond de kuil nog niet ontdekt.

Hij moet nu 12 jaar oud zijn. Gekocht aan ’t einde van de zomer met Pam.
Ik belde haar op. Zij klonk verveeld. Getergd. Maar ik had slechts een beetje hulp nodig. Ik wist niet hoe ik er anders aan moest komen. Ze hadden ‘m al klaar staan in de V & D. Ik moest ‘m zelf op komen halen.
Pam deed geen uitspraken. Ze kon niet beslissen voor haar vader. Ze wist wel dat-ie ’t zou doen, maar ik moest wel weten dat ’t niet zomaar kon. ’t Moest zwaar noodzakelijk zijn, anders zou ze ‘t ‘m niet vragen.
1 Week daarvoor was ’t nl voor de 2e keer uitgegaan. Elke keer als ik haar tegenkwam keek ze me aan alsof ik haar achtervolgde.
Alsof dit onderdeel was daarvan.
Ik had slechts hulp nodig. Hij paste niet in m’n vaders auto.

De vader van Pam hielp nors. Op instructie van z’n dochter, vermoedde ik. Pam legde ’t echter uit als pijn in z’n rug, toen-ie weg was. Ik moest ‘m ook niet zoveel laten tillen.
Dan moet-ie maar laten merken dat-ie pijn heeft, vond ik.
Maar dat hoorde niet in die familie.

Hij heeft niet lang in ’t ouderlijk huis gelegen waar we ‘m toen naar vervoerd hadden. Jan heeft geholpen ‘m te verhuizen naar de Ferdinand Bol.
Bij elke verhuizing was ’t steeds weer 1 van de belangrijkste voorwerpen. ’t Mocht niet vouwen, vanwege de binnenvering. Maar elke keer vouwde ’t toch. Ook al stond ik er met m’n neus bovenop. ’t Touw dat ‘m naar beneden moest takelen trok zichzelf strak. Er kwam een kromming in de matras die ‘m net niet deed dubbel slaan. Waardoor ook ’t plastic, ’t beschermende plastic, niet alles meer omvatte. Zorgvuldig bewaarde ik ’t plastic, precies op de omtrek van ’t matras afgemeten. Met steeds meer scheuren. Vieze vegen van verhuisbusjes kwamen er daardoor op ’t matras te staan. Sommige onmogelijk te verwijderen. Vet langs de zijkant. Stof die tot in ’t binnenste leek door te dringen. Ik was aan ’t eind van ’t verhuizen meestal te vermoeid om onmiddellijk in te grijpen. Tussen stapels onuitgepakte dozen legde ik m’n matras neer & viel in slaap.
’t Matras werd steeds meer voor mijn leven getekend.

’t Lag op de grond. ’t Had een harde ondergrond nodig, moest ik m’n moeder steeds weer uitleggen, vanwege z’n binnenvering. Ik mocht niet zomaar een lattenbodem voor ‘m bouwen & dat ophangen tussen wat rechtopstaande planken.
Bovendien was alles tijdelijk. Onderhuur. Sloopwoning. & Lange tijd leefde ik ’t leven van een student.
’t Matras met mij. ’t Hechtte zich vooral niet te veel aan de lichamen die bij tijd & wijle kwamen logeren.

Ik heb ‘m al eerder een keer omgedraaid, in de tijd dat-ie in een echte hoogslaper ligt. Een matras heeft variatie nodig, moet kunnen ademen. Maar ik deed ‘t bovendien omdat ik ’t vermoeden kreeg dat-ie ging zakken. Zakken in z’n binnenste. Ik kon de kuil niet vinden, maar de afwijking in m’n rug wel. Dus draaide ik.

Elke keer als ik me nu weer naar de zijkant wentel, zo min mogelijk inspanning, want daar word ik alleen maar wakker van, hoor ik ’t bed zuchten. Zuchten dat steeds meer klagen wordt. Hoewel m’n broer ’t bed aan de muur heeft gekluisterd met ellenlange bouten. ’t Bed wil dat ik naar ’t midden zak, me onderdompel in ’t vanzelfsprekende dieptepunt van ’t matras. Maar ik vind dat ik de laatste tijd overdag te veel nadenk over de afgelopen nacht. Dus wek ik mezelf een beetje wakker, & schuif terug, plak mezelf tegen de muur, & bekijk van de zijkant hoe de wereld erbij ligt.
Niet te lang, want ik wil verder waar ik gebleven was.

Ik heb ‘m daarnet nog maar even opgemeten, hoewel ik ’t jarenlang uit m’n blote hoofd wist. 135 x 195 cm.

Waar vind je nog zo’n maatje in Zijperspace?

gemist

Ik hoop dat men ’t mij kan vergeven. Weer ‘ns geen stukje vandaag. Ik moet me ervoor excuseren, maar ’t is nu 1maal niet anders.
Ik zei gister nog in Utrecht dat ik om 11 uur moest beginnen. Waarop gereageerd dat dat toch best wel meeviel.
‘Maar ja, ik moet ook nog een stukje schrijven,’ voegde ik er aan toe.
& Dat is ook zo. Er moet een stukje geschreven worden. Er dient continuïteit geboden te worden.
‘Oja, ja,’ zei Jenneke.
Ze begreep ‘t.
De laatste trein, volgens mijn berekeningen de meest gunstige trein om nog een beetje bijtijds thuis te zijn, zou vertrekken om 23.08 uur. Die miste ik. Want ’t was prettig om nog een laatste biertje te accepteren.
Om ¼ over 10 dacht ik nog: ‘’t Is nog lekker vroeg. Maar dat betekent dat vanaf nu de tijd opeens veel sneller zal gaan.’
Dat is een wet. Ik weet niet waar ik die wet vandaan heb. Maar ’t komt altijd zo uit. Vanaf ’t moment dat ’t einde nadert, gaat de tijd zich onevenredig versnellen. Waardoor je geneigd bent de bus of de trein te missen.
Niet met opzet. ’t Gebeurt gewoon.
’t Werd de trein van 23.37. Waarbij de conducteur opeens de deuren sloot. Op ’t moment dat ik samen met een andere heer juist de trein had betreden. Dan ga je denken dat dit degene is die richting remise gaat.
Bestaat er ook een remise voor treinen? Of geldt dat slechts voor trams?
‘Nee,’ legde de conducteur ons snel uit, ‘julie waren er al ingestapt voordat ik ze kon sluiten. We openen met deze trein altijd alle deuren, op 1 na, zodat iedereen langs de conducteur moet om binnen te komen.’
‘Maar dat ben ik toch helemaal niet gewend,’ was mijn reactie.
Braaf m’n kaartje laten zien. & Ik begon ook al te wriemelen naar m’n kortingskaart, maar dat geloofde meneer de conducteur wel.
Meneer de conducteur zag ik 5 minuten later weer. Toen we reden. Ik stond in ’t donker van ’t toilet, een onverlaat had de lamp tot onnuttig & niet werkend omgebouwd, waarbij hij bovendien de plee had volgestopt met een drol, gehuld in kms wc-papier; ik stond dus in ’t donker van ’t toilet te pogen of ik kon plassen, deur op een kier, toen de conducteur z’n hoofd de hoek om stak.
Ik laat m’n plasser nooit vrijwillig aan een conducteur zien, dus dat diende verklaart. Maar dan moest ik wel klaar zijn met de boodschap.
Hij bleek om de hoek geduldig te staan wachten. Dat dwong mij tot een extra verklaring.
‘Ja, niet alleen ’t licht is uit,’ zei ik, ‘hij zit ook helemaal verstopt.’
‘Ik was al van plan ‘m helemaal af te sluiten.’
Hij voegde de daad bij ’t woord.

In die trein zat ik dus. De trein van net te laat. De stoptrein tussen Utrecht CS & Amsterdam CS. Omdat ik had bedacht dat Amsterdam Muiderpoort een handige opstapplek was voor mij.
Ik weet inmiddels beter.

Thuis gekomen zat er onrust in m’n lichaam. Dat dwingt mij altijd tot ontspannend vertier. Wat op zijn beurt weer tijd vergt.
’t Is allemaal niet makkelijk, moet men begrijpen, zomaar een avondje ’t huiselijke verlaten voor buitenstads.
Ik werd vanochtend wel op tijd wakker. Hoewel ‘wakker’ misschien niet ’t juiste woord is. Ik wist me ertoe te zetten ’t bed te verlaten. Maar vervolgens heb ik me op de bank gelegd. Een bakje thee was ondertussen ’t enige dat zich in m’n maag bevond. Ik wilde even niet nadenken, geen boek lezen, geen stukje schrijven. Moe, vooral moe.
Vandaar dus.
Als ik me nu nog een beetje haast, dan kan ik me nog net voorzien van een 2e bakje thee. M’n boterhammen heb ik gegeten, terwijl ik u deze mededeling doe. Dan ga ik na de thee mezelf een ietwat verschonen, zodat ik fris & toch nog redelijk fruitig op m’n werk verschijn. Maar geen stukje dus. ’t Spijt me. Geen stukje.

Maar een gek die daar op let in Zijperspace.

blind

Weken later hebben we ’t er nog over. M’n broer lachend. Ik kwaad. Een jaar later nog. Nog steeds kwaad. Verontwaardigd. Carel lacht onder z’n bril door. Hij had toen nog een bril.

Elke maandag gym. ’s Avonds van 7 tot 8. Met een maag die nog redelijk vol zat van de maaltijd. We moesten daarom extra vroeg eten. Speciaal daarvoor had Ma ’t eten voor ons vroeg op tafel. Een tafel voor 2 personen. Tafelkleed opzij, & een kort stukje zeil aan ’t eind. Ook al was de rest van de familie er niet, ik wilde evengoed aan ’t hoofdeind zitten.
Gym van Ruud. Een jonge vent nog. Maar dat wisten we pas op latere leeftijd. Toen wij zijn leeftijd bereikt hadden.
Ruud drilde ons. Wist elke keer weer een nieuwe oefening te verzinnen. Wist precies wie er goed waren & wat er aan ons mankeerde. Keihard probeerde hij meer soepelheid in ons lichaam te kweken.
‘Verder!’
& Hij duwde onze achterwaarts gekruiste armen nog wat hoger boven de schouderbladen.
‘Als je dat vaak genoeg doet dan komt er vanzelf rek in.’
’t Zal wel, dachten Carel & ik. ’t Enige dat wij deden was niet de slechtste worden. Er waren altijd nog wat dikkerdjes die minder lenig waren. Voor hen was OKK een strafkamp. Oefening Kweekt Kunst. Daar waren de dikkerdjes & stijf van leden ’t niet mee eens. Wij waren tenminste nog bereid die naam te aanvaarden.
& Met dat beetje gym bij OKK waren we tenslotte leniger dan de rest van de klas. Op de lagere school, & later op de middelbare school. Zo slecht als we bij OKK waren, zo goed waren we ten opzichte van de leerlingen in de schoolklas. Elke keer werden we naar voren geroepen om ’t voorbeeld te geven. Bij OKK was dat altijd iemand anders. Daar dienden wij hooguit om te laten zien hoe ’t niet moest.
We waren echt niet slecht. Maar de rest was beter.

We wilden van gym af, niet langer elke maandag naar de gymzaal. Omdat ’t geen bevrediging gaf. Nooit ‘ns de beste zijn. Altijd ging ’t om jezelf. Niet om een team. Andere kinderen zaten op teamsport.
Maar daar hadden wij de padvinderij voor, vonden onze ouders.
Eigenlijk vonden wij padvinderij toen al kinderachtig. Dat vonden de andere leerlingen van school in ieder geval ook. Dus moesten we wel tegensputteren.

Maar braaf liepen we elke maandagavond naar gym. Verderop in de Marsdiepstraat. 5 Minuten lopen. Zo laat mogelijk vertrekken om zo min mogelijk mee te maken.
& Opgelucht weer naar huis. Als ’t voorbij was. Als we nog genoeg energie overhadden om met elkaar te klieren. Wedstrijdje wie ‘t 1st thuis was. Of met een blikje trappend omstebeurt. Hoewel we niet op voetbal zaten. Daarom stopten we daarmee zogauw er een voorbijganger aankwam.

Blind lopen. De 1 houdt de ander vast, die z’n ogen dicht heeft. Om te voelen hoe ’t is om blind te zijn.
‘Ik ga wel als 1e,’ zei Carel.
Waarna we 100 meter liepen.
‘Nou mag ik.’
‘Nee, ik ben nog niet klaar.’
‘Ja, maar we zouden omstebeurt.’
Hoewel ik rekening moest houden met ’t feit dat hij de oudste was. Hij had meer macht. Meer kracht om gelijk te hebben.
Maar toch zei hij: ‘Ok.’
‘Hoever zijn we nu?’ vroeg ik na een tijdje.
Want die vraag had Carel tijdens zijn beurt ook gesteld. Je moest weten hoe ’t was om blind te zijn, maar je moest ook weten waar je was. Ook wel handig als je de stoep af moest.
‘Wat?’ vroeg Carel.
‘Hoever zijn we nu?’
Waarschijnlijk heb ik die zin nooit afgemaakt. De lantaarnpaal zal dat wel belet hebben. Keihard liet-ie weten waar ik was, waar hij stond. Dat ik al die tijd dichter op ‘m toegelopen was. M’n hand in de hand van m’n broer. M’n broer die niet blind mocht zijn, maar evengoed ook z’n ogen dicht had. Tot de lantaarnpaal liet weten dat ik niet verder kon.

M’n broer lachte. Elke keer weer.
‘Ik had gezegd dat ik blind zou zijn,’ smaalde hij.
‘Ja, maar ik was aan de beurt.’
& Iedereen kon zien dat ik ongelijk had. Want ik had een blauw oog. & Carel lachte. Waarop iedereen mee ging lachen. Carel zag er grappig uit met z’n bril als-ie lachte.
Ik wilde niet meer met ‘m meelopen naar OKK. Of terug. Dus ging ik alleen. & Oefende ik mezelf in ’t heel snel aankleden, & ’t nog sneller veters strikken. Om weg te zijn als hij klaar was.

Oefening kweekt kunst in Zijperspace.

wie

Mij bedonderen ze niet. Ik weet wie wie is. Men hoeft zich niet te gedragen als een keurig nette man, met sjaaltje nonchalant achterover geslagen, of vrouw met kinderwagen, zodat ik niet door zou hebben dat ze respectievelijk een gebruiker van een door mij nooit ervaren drugs, of een jong wulps meisje dat naarstig op zoek is naar een nieuw vriendje blijken te zijn.
De gebruikers gaan dagelijks aan mij voorbij. Of in ieder geval 3 van m’n wekelijkse werkdagen. Ik beschouw ze wel ‘ns als studiemateriaal. Studiemateriaal van mezelf.
Waarom weet ik ’t al bij 1e oogopslag? Waarom is ’t voor mij zo makkelijk om ’t te doorzien dat ze slechts op weg zijn naar de volgende score?
Voor de rest weet ik niks van ze. Ik hoor wel ‘ns verhalen van de vaste klanten die zich in dezelfde scene bevinden. Maar meer niet. Ik herken ze alleen. Ik kijk hoe ze achter iemand aanrennen. De straat volproppen met hun gegil & geschreeuw. Hoe ze gebaren dat er opgepast moet worden omdat er politie op de loer staat. Meer niet.
Ik ben een toeschouwer die zichzelf vragen stelt.

De vrouw houdt de deur open voor haar vriendin. Die heeft moeite met de kinderwagen. Ze lachen om ’t stuntelen. & Komen traag ’t café binnen.
Ik lees door. Om slechts af & toe op te kijken. Afgeleid door geluid. Andere klanten. Bewegingen buiten.
Vriendin is geen moeder, zie ik. De vrouw wel. Hoewel de vriendin de hele tijd met ’t kind zit. Ze lacht & kirt. Een hoog stemmetje weerklinkt als ’t kind terug in de kinderwagen wordt gestopt omdat de broodjes zijn gearriveerd. ’t Broodje krijgt pas later aandacht. Vriendin moet 1st afscheid nemen van ’t kleine hummeltje. Ze bukt voorover, haar v-hals valt open, maar daar houdt ze geen rekening mee. Ze lacht hoog om de blijkbaar vertederende lach die ik niet kan zien.
‘Kijk nou,’ zegt ze tegen de vrouw.
De vrouw is de moeder, zie ik. Die kijkt zakelijk. Moe ook. Ze gedraagt zich alsof ze nog maar 1 taak heeft. ’t Opvoeden van haar kind. Blij dat ze er even van verlost is dankzij ’t enthousiasme van vriendin.

Ik verzamel feiten. Ik wil dat ’t aangetoond wordt.

Moeder draagt een lang t-shirt. Tot bijna bij de knieën. ’t Verhult. Een sombere bruine kleur. Ze loopt op gympen waar ze geen moeite voor hoeft te doen. Waarop ze ’t lang volhoudt.
’t T-shirt van vriendin komt nog maar net tot haar broek. Af & toe glimpt een reepje huid tevoorschijn. Op gegeven moment wrijft ze onnadenkend over haar buik. Voelt aan ’t teveel dat mijns inziens geen teveel is. Kriebelt onopgemerkt onder haar shirt & steekt héél, héél kort haar vinger in haar navel.
Schijnheilig lees ik weer m’n boek. Op zulke momenten mag men me niet betrappen op staren.
’t Kind laat wat vallen. Aan moeders kant. Efficiënt wordt ’t onmiddellijk opgepakt & teruggegeven.
Een tel later valt ’t aan de kant van de vriendin. Zij bukt met gratie. Of is dat inbeelding van me? Ik zie opeens dat ze lange laarzen draagt. Met hoge hakken. Ze reikt ’t speeltje terug naar ’t kind, maakt er geluiden bij. Ze wil bekoren. Hoge toontjes komen uit haar mond. Toontjes. ’t Zijn geen tonen. Te kort & te zingend.

Ik wandelde ‘ns met Corry & kind. Sytze was nog jong. Nog geen ½ jaar.
Corry vroeg of ik niet af & toe met Sytze wilde lopen.
‘Mannen worden altijd aangesproken door vrouwen als ze met een kind lopen,’ zei ze lachend.
Om me over te halen.
‘Net de verkeerde vrouwen,’ dacht ik per ongeluk.

Dan vraagt de moeder of de fles misschien even in de magnetron mag staan. Doelbewust was ze op de barman afgestapt. ’t Is iets vanzelfsprekends. Terwijl vriendin kijkt hoe ze ’t aanpakt. Benen over elkaar. Waar moeder de benen de hele tijd naast elkaar had staan. Vriendin steekt haar hand tussen de benen. Lekker warm.
De moeder komt terug met de fles. Geeft ‘m aan ’t kind. & Keert weer terug in haar oorspronkelijke houding. Recht achter de tafel. Armen over elkaar heen gevouwen.
Haar vriendin heeft haar armen wijd uit elkaar. De 1 op de leuning van de stoel, de ander rust op tafel. Een open houding, zouden mensen zeggen die aandacht hebben voor lichaamstaal.

Ik ben klaar. Ik heb een biertje gedronken, met de barman gepraat, ben naar de wc geweest (onderweg zag ik dat op ’t biljart de luier van ’t kind werd verschoond), & heb zin om weer thuis te zijn.
Ik reken af.
‘Bedankt, Ton,’ zegt Wieger, de barman.
‘Bedankt,’ zeg ik. ‘Ik zie je volgende week wel weer.’
& Loop naar buiten.
’t Kind wordt teruggeplaatst in de kinderwagen. Kan rusten op z’n schone luier. Ik loop net voorbij. De vriendin steekt hulpvaardige handen richting kind. Ze lacht weer. Haar stem haalt weer de hoge registers tevoorschijn. Ze bukt voorover om ’t kind over z’n borst te strijken. Terwijl ik zie dat dat niet kan met een v-hals.
Toch kijk ik.
Maar snel wend ik m’n hoofd af. Want ik betrap me op de gedachte dat vriendin misschien wel de moeder is.

In Zijperspace weten we niets zeker, hoewel we denken van wel.

lootje

‘Hé, we hebben lootjes getrokken,’ zeggen Jasmijn & Johanneke enthousiast aan de bar.
Voor 10 december, bedoelen ze. Of ik daar aan mee wilde doen, was de vraag in een meeltje van Jojanneke. Met jas, jo, door, bas, jeannine, michiel, yohann. Moest ik wel snel reageren, want dan konden ze lootjes-trek-datum plannen.

Bij ons in de familie moesten we voor Sinterklaas ook 2 keer bijeenkomen. 1 Keer om de cadeaus uit te pakken, & een keer vóór die datum, liefst een maand, om de lootjes te trekken.
Er waren toen nog niet al te veel kleinkinderen. Maar wel schoonzussen. Er was er altijd wel 1tje die niet op de lootjes-trek-datum niet aanwezig kon zijn. Dat was niet erg, in ieder geval overkomelijk, want m’n vader vergat toch altijd wie hij trok. Hij bewaarde dan ’t lootje voor de bewuste schoondochter.
‘Ik weet in ieder geval wel dat je mij jammer genoeg niet getrokken hebt,’ zei hij bij de uiteindelijke overhandiging van ’t lootje, ‘want dan hadden we vast de hele avond marsepein kunnen eten.’
Een guitig glimlachje tekende z’n gezicht. Marsepein was ’t lekkerste dat er op aard bestond, & zou ten allen tijde zo min mogelijk gedeeld moeten worden, behalve dan met schoondochters. M’n vader was een schoondochtercharmeur.

‘Oh, dus jullie hebben al getrokken?’ zeg ik als ik langskom om lege glazen te halen. ‘Ik had anders een perfecte methode gehad om lootjes te trekken zonder dat iemand te weten komt wie wie getrokken heeft.’
‘Ja, dat heeft Jasmijn ook,’ zegt Jojanneke.
Jasmijn kijkt vrolijk op de achtergrond.
‘Maar die methode hebben we ook niet gebruikt,’ gaat Jojanneke verder met een sarcastisch lachje.
Jasmijn blijft vrolijk kijken.
‘Nee, we hebben iemand anders laten trekken,’ zegt Johanneke. ‘Dat werkt ook.’
‘Jammer, want ik heb echt een perfect systeem.’

Ik had er genoeg van dat er van Pa altijd gezegd werd dat-ie toch vergat wie hij voor iemand anders getrokken had. Ik wilde ’t nog eerlijker dan eerlijk laten verlopen. Die voldane glimlach van m’n vader na afloop van de trekking moest maar ‘ns achterwege blijven.
‘Hij weet wie hij zelf getrokken heeft, hij weet wie er getrokken heeft voor een schoonzus, waardoor-ie van 4 personen tijdens de viering zelf weet wat er staat te gebeuren.’
Ik wilde ’t even scherp stellen.
‘Terwijl ’t heel simpel is.’
& Omstandig legde ik m’n methode uit.

Voor iedereen die aan de loting mee moet doen, maakt men 2 lootjes. Elk met de naam van die persoon er op. Men vouwt ze dubbel, voegt de 2 bij elkaar, doet er een elastiekje omheen, waarna ze in de grote hoed verdwijnen. Er wordt gehusseld. Vervolgens worden alle lootjes er uit gehaald, elastiekjes weer los, & elk paar krijgt op de buitenkant van ’t lootje een nr toebedeeld. Beiden ‘tzelfde nr. Men legt van elk persoon, een nr representeert nu een persoon, maar men weet echter niet welk er achter schuilt, een lootje neer. Op een rij. Van 1 tot 10 bijvoorbeeld. Onder die rij maakt men van de overige corresponderende lootjes een zelfde rij, maar dan zo dat de nrs niet overeenkomen met degene die erboven liggen. Iemand anders kan nu 1 van de 2 rijen openvouwen, liefst zonder daarbij de nrs te bekijken, de nrs liggen bijvoorbeeld aan de onderkant van ‘t papiertje, enveloppe voor de betreffende persoon (van tevoren zijn de enveloppen reeds van de deelnemende namen voorzien) wordt erbij gepakt, waarin ’t lootje vanuit de andere rij wordt gestopt.

Maar dat was veel te ingewikkeld. Terwijl ’t zo simpel was als Pa gewoon vergat wie hij voor iemand anders getrokken had.
Waarna er keer op keer opnieuw getrokken moest worden, omdat iemand zichzelf getrokken had.
‘Volgend jaar doen we mijn methode,’ zei ik nurks.

‘Wanneer krijg ik m’n lootje nou?’ vraag ik als ik weer met lege glazen passeer.
‘Oh, die heeft Johanneke.’
‘Johanneke, wanneer krijg ik m’n lootje nou?’
‘Hier, wacht even.’
Ze moet ‘m blijkbaar uit haar jas halen. Ik maak van de gelegenheid gebruik om nog wat glazen aangereikt te krijgen van een tafel achter me. Ik ben tenslotte aan ’t werk.
Ik heb m’n handen vol als ik me weer omkeer.
‘Hier is je lootje.’
‘Stop maar in m’n achterzak.’
Wend m’n billen toe. Johanneke duikt diep in m’n achterbroekzak met hand & lootje.
‘Hé, je moet niet van de gelegenheid gebruik maken, hè!’
Maar bij die opmerking voel ik ouderwets blozend bloed langs m’n wangen omhoog kruipen.
‘Ja, jij gaat met je reet uitdagend naar achteren staan,’ zegt Jojanneke.
Ze doet ’t voor. Zoals ik ’t gedaan zou hebben. Ze lachen.
‘Maar met mijn billen moet ’t er toch heel anders uitgezien hebben,’ denk ik erbij.
‘Ik vind dat je geen gebruik mag maken van een man die zichzelf niet verdedigen kan,’ zeg ik. ‘Tenslotte ben ik een fatsoenlijke barman.’
& Parmantig loop ik met de glazen richting bar. Op m’n achterwerk brandt een lootje.

Niemand in Zijperspace, behalve ik, die m’n achterbroekzak mag raken de komende maand.