vrouwen

Kijk.
Ik zat te praten. Op een gegeven moment met een jonge vrouw. Veronique.
Ik mocht ’t schrijven zoals ik zelf wilde, zei ze me ooit.
‘Veroniek,’ zei ik toen.
Zij vond alles best.
Ik zat te praten. Zij heette Veronique. Zij begreep meteen. Zij wist wat de ziekte van Graves was. Ze wist er al van. Verbaasd dat ik ’t had.
Ok, geen ADHD. Dat niet. Geen verplichte ritolin.
We hebben nog veel meer gezegd. Maar ze vroeg op een gegeven moment vooral wie m’n nieuwe vriendin was.

Welke nieuwe vriendin?
Er bestaan nl vriendinnen in haar vriendenkring die ik graag mijn vriendin zou willen noemen. & Als ze mij, of als haar eigen vriend mij even vergunt, dan zou ik. Men begrijpt wel.
Al is nieuw slechts voor enkele uren. Dat doe ik graag. Nieuw is altijd van korte duur.
Nee, hoor, zei ik haar ook nog, ik ben vrijgezel. Dat zal ik waarschijnlijk ook blijven.
Zonder toelichting. Zonder aanhalingstekens.

Ik had haar kort ervoor aangeraakt.
Soms ben ik zo dapper. Snel. Plots. In haar zij.
Zij. Onderweg naar de wc.
Ze sloeg af.
‘Wat deed je wuft?’ vroeg ik later.
‘Ik raakte je alleen maar in de zij.’
‘Ik was onderweg naar de wc.’
‘Maar wie is je nieuwe vriendin?’
Nieuwe vriendin, vroeg ik. Dat is Rachel. Geen nieuwe vriendin. Ik heb haar alleen maar aandacht gegeven.

Rachel?
Dat vroeg Kika dan weer. O, jij bent Rachel! Rachel.
O, je kent me.
Ja. Van Ton. Ton z’n verhalen.
& Pieter zat er naast. Naast Rachel. Aan de andere kant Jeroen. Naast Kika.
Ik praatte met Veronique, die ik mocht schrijven zoals ik zelf wilde.

& Jeroen had een comp naar mij genoemd. Degene die alles serveerde.
De server, dacht ik.
Ik begrijp dingen redelijk snel, dacht ik toen nog.
& Zijn comp heette Vlo. Die van een ander Columbus. Maar die ertussen heette Ton. Naar mij.
‘We hebben een machine naar jou genoemd.’

& Alex. Zij is nog steeds een vrouw. Alex, zij stopte bijna een tong in m’n mond.
‘Alexandra,’ zeggen sommige mannen dan nog eigenwijs. Ze willen perse die vrouw herkennen in hun mond.
Dat mag ik eigenlijk niet zeggen.
Maar toen was alles al bijna voorbij.
Voorbij de 5 gesprekken die ik voerde.
Alex heeft grote borsten, waar je ruig in kan zwemmen. Ik liet ze tegen me aanleunen.

Ik had Rachel gebeld. Van ik wil je wel weer ‘ns een keer zien. Van anders zie ik je dinsdag of woensdag wel, want dan ben ik ook weer vrij. Maar eerder niet. Want ik werk de hele tijd.
Wat uiteindelijk best wel mee valt. Want zij kon me vanavond ook zien.
’t Leek een soort vriendinnenavond.
& We lachten. & We huilden. Hoewel ik iets minder. Dat laat zich altijd later raden. Voelen.

Maar toen ik thuis kwam, hè. Toen ik thuis kwam. Toen ik thuis kwam.
Toen Rachel & Veronique & Kika & Alex & m’n moeder & alles & de rest.
Ach, ik heb sterke ogen.
Niemand kan dat ontkennen, behalve ikzelf.
Ach, ik heb sterke ogen.
Er zijn vele vrouwen. Ze zullen zich onafhankelijk moeten maken. Mij weerstaan. M’n ogen. & Alles & de rest. Ze zullen zich sterk moeten maken.

Ik ben naar bed gegaan. Men hoeft zich niet meer ongerust te maken. Ik ben naar bed.
Of ik nog stukjes schrijf over vrouwen. Werd er ook gevraagd. Maar ik ga naar bed. Alleen.

Maar of ik nog stukjes schrijf over vrouwen in Zijperspace, werd er gevraagd.

afscheid

‘We kwamen aan & m’n moeder lag er al met open mond bij. Geel gezicht. Hoofd achterover. M’n broer zat ernaast. Die was er al de hele ochtend. M’n broer & ik waren net hersteld van de griep.
Lola schrok. Die was wel aangedaan. Carel heeft Lola toen maar meegenomen. We hadden niet verwacht m’n moeder zó aan te treffen.
Carel stelde toen voor om m’n schoonzus te gaan halen. Dat was wel een goed idee. Ook de overburen moesten ingeschakeld. Dat waren overburen van de tijdelijke opvang waar m’n moeder in terecht had gekund. Die hadden toch een tijdlang zorg gedragen over m’n moeder.
Toen zaten m’n broer & ik daar, ieder aan 1 kant. We hielden allebei een hand van m’n moeder vast. Ze zei nog wat, maar ’t was moeilijk te verstaan.
& Toen. Toen.
Ze zuchtte. Ik denk zo’n 4 keer. & Toen ademde ze de laatste adem uit. Na 4 zuchten.
’t Was zo gebeurd.’

‘Terwijl ’t de laatste tijd best wel goed met ‘r ging. Ze was weer wat opgeknapt. Ze was een week ervoor voor ‘t 1st in 2 jaar bij ons langs geweest voor Sinterklaas. Dat ging best leuk. Ze wilde ook nog een glaasje madeira. Dat was ook een tijd geleden. Ze was gewoon gezond.
Daarna werden m’n broer & ik allebei ziek. Dus hebben we haar een week niet gezien. Toen werden we opgebeld. Dat m’n moeder toch wel lag te ijlen. Dat ’t nu toch wel serieus ging. Ik was nog maar net opgeknapt.’

‘M’n broer belde al. Dan maakt-ie een grapje. Op zijn manier. Hij belde nl nooit. Hij zei: “Nou, dan moet ik jou maar bellen. Want wie moet ik anders nog elke dag bellen?”
Dat is zijn manier. Dan moet-ie er een grapje van maken.’

‘Ja, je bent opeens volwassen. Pa was al dood. Nu sta ik er echt alleen voor.’

‘Ik nam elke keer een beetje afscheid van m’n moeder. Dan streek ik over haar handen. & Gaf ‘r nog een kus. Dat zag Lola natuurlijk. Ze stond er elke keer naast. Dat ziet ze toch.
Ik waarschuwde haar wel van te voren. Dat ’t wel een koud lichaam was.
Maar ’t was een ½ open kist. Je kon er zo bij. Je kon haar zien.
Op een gegeven moment stak Lola bij afscheid ook haar hand in de kist. Dat ging heel natuurlijk. Ik weet natuurlijk niet wat ze dacht. Maar voor haar is er natuurlijk ook heel wat aan de hand.
Kinderen zijn wat dat betreft veel verstandelijker.’

‘Ze zei tegen mij: “Mam, je moet er niet zoveel over praten. Want als je er over praat, dan ga je huilen. Ik wil niet dat je zoveel huilt.”
& Dan zei ik: “Maar Lola, ze was wel m’n moeder.”
Dan zei ze: “Ja, dat is waar.”
“& ’t Is helemaal niet erg om een beetje te huilen. Dat heb ik nodig. Dan kan ik ’t een beetje verwerken.”
Je weet ook niet waar kinderen zelf om huilen. Misschien huilde Lola wel vanwege de sfeer. ’t Is natuurlijk een heel drukkend sfeertje. Ze voelt best wel aan hoe de volwassenen zich voelen.
Bij de kist, toen de kist de grond in ging, toen moest ze verschrikkelijk huilen. Misschien wel omdat ze ’t verdriet van ons voelde. Misschien ook wel vanwege de laatste week. Aan de andere kant kwamen we bijna elke week wel 1 keer bij m’n moeder langs. Ze weet natuurlijk dondersgoed wat er aan de hand is.’

‘Je merkt ook dat mensen die zelf 1 van hun ouders hebben verloren, veel meer rekening met je houden. Die hangen meteen aan de telefoon. Die laten iets van zich horen. Mensen die allebei hun ouders nog hebben, daar hoor je minder snel van. Die snappen nog niet wat voor impact ’t allemaal heeft.
Er waren toch meer dan 50 mensen bij de begrafenis. Toch allemaal mensen die m’n moeder de moeite waard vonden. Dat doet je dan toch wel goed.’

‘We hebben alles zelf gedaan. M’n broer & ik. We hebben haar zelf afgelegd. Zelf in de kist gedaan. De kist naar buiten gebracht. Dan ben je toch elke keer afscheid aan ’t nemen. Steeds een stukje.
Ik merk toch wel dat dat goed is voor de verwerking. Ik heb daadwerkelijk afscheid van haar genomen.
Maar ja, nu is ze er niet meer. We moeten ’t zelf doen.’

& Al die tijd was ’t muisstil in Zijperspace.

huis (1)

Er zijn voorwerpen in m’n huis, meubelstukken, stoelen, een trappetje, die eigendom zijn geweest van Stella. Stonden in haar huis toen ik bij haar in onderhuur ging. Zij was gaan samenwonen met haar vriend, maar om toch een woning achter de hand te hebben, verhuurde ze die van haar aan mij. Bepaalde artikelen waren te veel om dubbel te hebben & ik kon er wellicht gebruik van maken. Dus liet ze ze staan. Wasmachine, tafeltje, lamp. Ze zijn onderdeel geworden van mijn omgeving. Deel van mij. Ze hebben echter geen bezit van me genomen. Er kleeft geen verhaal aan. Ze hebben hun geschiedenis met mij nog niet bewezen.
Neem de plant die ik van m’n collega’s gekregen heb. 4 Jaar geleden. Bij ’t inwijdingsfeestje van m’n 1e echte eigen huis. Geen onderhuur, geen samenwonen, geen tijdelijke sloopwoning. Ze hadden er zelfs aan gedacht er een gele pot bij te geven. Dat past in m’n huis. Wekenlang hebben ze de gele verfspetters op m’n handen & kleren kunnen aanschouwen.
2 Maanden geleden heb ik eindelijk besloten ’t begeleidend kaartje er af te halen. 2 Weken geleden gooide ik ’t weg.
Of nee, ’t ligt hier op tafel, onder de papieren. Onder mislukte printjes van teksten. Onder mislukte teksten. Ik stond op ’t punt ’t kaartje weg te gooien & werd afgeleid door die stukken tekst. ’t Raakte er onder bedolven.

Lieve Ton,
We hopen dat je nu eindelijk in je nieuwe huisje je rust zal vinden.
En dus: “Steun de strijd tegen baldadigheid”
Peet
En de rest.
P.S. Liefs

Dat staat op de achterkant. Op de voorkant een irritante cartoon van karikaturale mensen in hun blootje. Dat van die strijd tegen baldadigheid heb ik nooit helemaal kunnen plaatsen. Maar dat was niet belangrijk. We zeiden wel meer onzin tegen elkaar. Dat doen we nog.
Tot voordien had ik nooit planten in m’n huis. Ik liet ze toch langzaam vergaan. Ik kon me niet voorstellen dat groen in huis meer huisgevoel creëerde. Bovendien leek ’t dagelijks verzorgen, 2-dagelijks, maar liever 3 of 4-dagelijks, me te veel moeite. Voor een plant die niks terugzegt.
Maar nu werd ik gedwongen. Binnen enkele maanden kreeg ik nog 2 potten met bijpassende planten. Van einzelgänger werd ik verzorger. Weliswaar van slechts 3 planten, maar ’t vereiste aandacht.
Je zal me niet zien praten met ze. Ik weiger alleen in huis een conversatie met de dingen aan te gaan. Een vrijgezel neigt al veel te snel naar mompelen in zichzelf. Ik wil geen geluiden maken die uiteindelijk slechts voor mezelf bestemd zijn. Ook al zegt men dat de plant daar bij gebaat is. ’t Zij zo.
Ik weet niet hoe zo’n plant heet. ’t Heeft lange stengels. Met dunne spits toelopende bladeren. Die waaieren naar buiten. Spietsen alles dat aan hen voorbij gaat, zonder er in door te dringen.
Meestentijds staat ’t achter de gordijnen. Ik laat niet veel licht binnen. Dat vraagt om de begeleiding van blikken van pottenkijkers. Of in ieder geval ’t idee dat ze zouden kunnen kijken.
Desondanks ziet-ie groen. Helder groen. ’t Lijkt de laatste tijd zelfs beter met ’m te gaan, sinds ik ‘m aan 2 zijden een dm meer ruimte heb gegeven. Geen gordijn meer dat de bladeren bruin slijt. & ’t Kan nu de diepte van de kamer inleunen.
’t Lijkt niet zo belangrijk, zo’n plant. Zeker niet als je beseft dat ik sommige voorwerpen die ooit bezit waren van Stella vaker gebruik dan dat ik omkijk naar de plant. De wasmachine gebruik ik minstens 1 maal per week. Ik leeg m’n broekzakken met portemonnee & sleutels dagelijks op een bijzettafeltje dat ooit ’t huis van Stella heeft gesierd. Als ik m’n nagels heb geknipt gooi ik ’t afval vaak tijdelijk in 1 van Stella d’r asbakken.
Maar ik weet nog precies waar m’n collega’s zaten, die avond van ’t inwijdingsfeestje. & ’t Kostte me moeite ’t kaartje, zelfs na 4 jaar, te verwijderen.

We stoppen ’t nog maar een tijdje weg, onder een stapel teksten in Zijperspace.

burenpraat

‘Die man met z’n pitbull zegt me tegenwoordig ook wel ‘ns gedag,’ zeg ik. ‘Hij lacht altijd wel vriendelijk.’
‘Ja, dat is een hartstikke aardige man,’ zegt Suze van 2-hoog. ‘Maar hij woont nu alleen. Z’n vrouw woont nu verderop.’
Ze wijst waar we die ex van hem moeten plaatsen.
‘Die heeft die 2 brede witte dogs meegenomen. Woont nu samen met een vroegere vriend van hem. Enkele 100-en meters verder,’ lacht ze.
‘Jemig, je raakt wel op de hoogte van de buurt bij zo’n etentje,’ zegt Nienke van hiernaast.
‘Ja, daarom is ’t zaak dat je elk jaar op dit kerstmaal aanwezig bent,’ zeg ik. ‘Maar ‘t wordt ook wel tijd dat jij je bijdrage levert. We willen nu eindelijk wel ‘ns weten hoe ’t zit met dat stelletje boven jou.’
‘Oh, daar is niks mee aan de hand. Gewoon een leuk stel.’
‘Ja, & op 3-hoog bij jou woont die duitse, toch?’ vraagt Nienke van dit huis. ‘Die had toch zo’n moeite met ’t feit dat ze in de steek was gelaten door haar man?’
‘Ja, heb jij ook wel ‘ns een praatje met haar gemaakt?’ zegt de Nienke van hiernaast. ‘Ik ook. Ik dacht dat ik niet meer van haar afkwam. ’t Ging ’t ene oor in, ’t andere oor uit. Dat soort dingen kan ik nooit zo goed onthouden. Ik weet alleen nog dat ze lerares wiskunde is.’
‘Lerares wiskunde?’ vraagt Suze enthousiast. ‘Dat kan handig zijn. Moet ook maar ‘ns een praatje met haar maken.’
‘Maar ik wilde ’t hebben over dat stelletje boven jullie,’ begin ik weer. ‘Dat vind ik veel interessanter.’
‘Wat vind je daar dan zo interessant aan?’ vraagt Hanneke van 1-hoog.
‘Oh, ik heb ze wel ‘ns ruzie horen maken toen ik in de tuin zat. Dat ging op een bepaalde manier. Misschien dat Nienke daar meer informatie over heeft. Of ze vaak ruzie maken & zo. Is toch best belangrijk dat je dat weet als buur zijnde.’
‘Volgens mij denken ze van ons ook wel dat ik vaak ruzie maak met Edward, de manier waarop ik praat,’ zegt Nienke van hiernaast. ‘Mijn stem klinkt volgens mij overal doorheen.’
‘Jammer, nog nooit gehoord,’ reageer ik. ‘Terwijl ik toch naast je woon.’
‘Maar nu we ’t over ruzie hebben,’ zegt Nico van 2-hoog, ‘hebben we de laatste tijd nog ruzie met de overkant gehad?’
‘Met Hans?’ vraagt Suze. ‘Hier recht tegenover?’
‘Hoe weet jij nou weer zijn naam?’ vraagt Nienke van hiernaast.
‘Hé, Hanneke,’ zeg ik, ‘ik zie jou wel ‘ns een praatje met die Hans maken. ‘Dus jij moet meer over hun weten.’
‘Ach, daar word je heel moe van,’ zegt Hanneke. ‘Er is altijd wel wat aan de hand dat niet klopt. Nooit iets positiefs. Hij wilde 2 jaar geleden docent worden. Handenarbeid. Volgde hij een opleiding. Maar binnen de kortste keren kwam hij met verhalen dat niets goed was aan die opleiding. Dus na een ½ jaar was-ie daar mee gestopt. Zat-ie weer in de uitkering. Kreeg ik alleen maar verhalen te horen wat dáár weer aan mankeerde. Wat-ie nu doet weet ik niet.’
‘Hij doet klusjes, toch?’ zegt Nico. ‘Dat staat tenminste op z’n bus. Kan me niet voorstellen dat je zo’n chagrijn terug vraagt als-ie langs is geweest.’
‘Maar als z’n vrouw een praatje met je maakt dan is ze heel aardig, hoor,’ zegt Hanneke. ‘Van een afstand lijkt zij ook zo, net als die Hans van haar, maar dan moet je eens een praatje maken, dan is ze heel leuk. Ze denkt er over om haar opleiding sociologie weer op te pakken.’
‘Mijn wasbak die lekte laatst,’ vertelt Nienke van 3-hoog. ‘Dus ik dacht: dan haal ik wel aan de overkant een waterpomptang; dat moet zo’n klusjesman toch wel op voorraad hebben. Wel een beetje raar, want je praat nooit met ze. Maar ik bel aan & zij doet open. Oh, was geen probleem, zei ze, kom maar even verder.’
‘Oh, je bent in ’t hol van de leeuw geweest?’ vraagt Suze.
‘Ja, & ik loop achter haar aan naar binnen. Kreeg de juiste sleutel zo mee. Toen moest ik ’t een paar uur later terug brengen. Bel weer aan, kom weer naar binnen. De hele familie om de tafel, slavinkjes eten & zo.’
‘Mmm, lekker,’ zeg ik. ‘Dus jij wordt onmiddellijk uitgenodigd aan tafel?’
‘Nee, maar die Hans zegt: ach, dat had ik zo voor je kunnen doen. Was geen moeite geweest.’
‘Zo zijn ze dan ook wel weer,’ zegt Suze. ‘Goed, zeg, dat je naar binnen ging.’
‘Ja, maar hoe is ’t nou afgelopen met die slavinkjes?’ vraag ik.
‘Ach,’ zegt Suze naast me, & ik krijg een lachende douw tegen m’n schouder.
‘Daar ging ’t verhaal toch over?’ vraag ik zachtjes aan Nico, die aan m’n andere kant zit.

’t Kerstmaal vloog voorbij, recht de monden in van Zijperspace.

loterij

Ik doe de deur open. Voor me staat een jonge dame. Geen Leger des Heils met de Vuurtoren (‘Bestaat die nog?’ vraag ik me snel af). Geen Jehova-getuige. Ik zie ’t aan de manier waarop haar blonde haren over haar sjaal hangen.
‘Goedemorgen, meneer,’ zegt ze, ‘sorry dat ik u stoor, maar misschien heeft u ’t al van 1 van uw buren gehoord ..’
Wat heb ik de laatste tijd van de buren gehoord? Dat van die rat, ja. Maar wat zou zij daarmee te maken kunnen hebben?
‘We zijn bezig met een leuk onderzoek in de buurt over loterijen.’
‘Nee, niets over gehoord.’
Met m’n linkerarm houd ik de deur open. Die heeft sinds ik de scharnieren heb geolied de neiging om langzaam dicht te vallen.
‘O, dan zult u vast binnenkort er iets over horen,’ gaat de jongedame verder, allervriendelijkst gezicht. ‘Doet u wel ‘ns mee met de Staatsloterij of iets dergelijks?’
‘Nee, nooit.’
Daar kan ik resoluut over zijn. Zal ik de rest er ook maar meteen bij vertellen?
‘Nou, wij doen een onderzoekje, hier in de buurt, om uit te zoeken hoe mensen wat meer kans kunnen krijgen op een prijs in dat soort loterijen. Want heel veel mensen winnen nooit ‘ns wat. Dus zoeken wij de mensen op om te kijken of we de prijzen misschien wat meer evenredig kunnen verdelen. Snapt u?’
Ik knik. Maar vraag me meteen af waarom ik knik. Dat meisje had thuis moeten blijven zitten bij haar man. Of anders op een uitzendbureau moeten gaan werken.
‘’t Is een heel leuk onderzoekje wat wij met de mensen hier in de buurt mogen doen. Al heel veel mensen hebben er erg veel plezier in gehad. Daarom dacht ik dat u misschien al wist dat we hier bezig waren met ons onderzoek.’
Ik ga er even wat meer ontspannen bij staan, besluit ik. Schouder tegen de muur. Linkerhand nog steeds tegen de deur, want anders staat ’t zo raar: een beetje door je houding meer belangstelling tonen & dan toch de deur langzaam dicht laten gaan.
Tegelijkertijd vraag ik me af waarom ik die lichaamstaal nodig heb.
Ze leunt over naar de map die ze al die tijd al in haar arm heeft liggen.
‘Zou u misschien mee willen doen aan ons onderzoek? U kunt er iets mee winnen.’
Ik was er al bang voor. Toch maar goed dat ik er nu ontspannen bij sta. Geeft meer zelfvertrouwen. Waar hangen al niet goed voor is.
‘Nou, eigenlijk niet.’
Ze kijkt op. De beweging van haar armen die de map zouden openen stokt.
‘U moet maar zo denken: niet gewonnen, niets verloren.’
Die heeft ze van te voren uit haar hoofd geleerd. Om mensen over te halen. Truc van de training coach, die alle onderzoekstertjes ter harte hebben genomen.. Haar armen reiken weer naar haar map.
Ik moet ’t haar nu vertellen, denk ik. Ik moet haar vertellen dat mensen die plots hoge bedragen winnen over ’t algemeen nog maar kort te leven hebben. Dat dit soort veranderingen veel te veel stress in ’t lichaam veroorzaakt, waar de mens, hoe nuchter ook, niet tegen opgewassen is. & Welzeker mijn lichaam niet.
Of wellicht dat ik advocaat van God moet spelen: ’t zou makkelijker zijn voor een kameel om door ’t oog van een naald te gaan, als voor een rijk man in ’t rijk Gods te komen. Matheüs 19:16-26.
Ik kan haar ook vertellen dat de uitdrukking die ze zojuist poogde te gebruiken anders luidt.
‘Nee, hoor,’ zeg ik, ‘ik heb helemaal geen belangstelling voor loterijen.’
Hoewel ik met Kerst wel weer een oudejaarslot in m’n pakket zal vinden. Maar ook hierbij straft God de ongelovigen van geest, bedenk ik me: totale winst in al die jaren bedraagt hooguit 30 gulden; in ‘t €-tijdperk er zelfs nog niets mee gewonnen.
Ze draait zich al om. Zonder me nog aan te kijken. Haar map hangt weer verticaal langs haar lichaam.
‘Goed, dan ga ik wel weer verder.’
‘Tot ziens,’ zeg ik vrolijk & kom langzaam overeind. Ik heb immers een Jehova-getuige van me afgeschud, zo voelt ‘t. ‘Succes nog.’
Ze is al om ’t hoekje van mijn portiek verdwenen.

De deur van Zijperspace valt langzaam in z’n slot.

rat

‘Hoi, Ton,’ zegt Suze.
‘Hoe weet je zo snel dat ik ’t ben?’ vraag ik verbaasd.
Ze heeft amper haar hoofd naar me gekeerd.
‘Wie zou anders aan jouw deur zitten morrelen met sleutels?’
‘Oh, dat is te horen als je de trap afgaat?’
‘Ja, heel goed,’ lacht ze. ‘Zeg, je hoeft niet alleen maar speciaal bier in huis te halen voor woensdag, hoor. Op een gegeven moment gaan er waarschijnlijk een paar aan de wijn. Dan lusten Panos & Nico vast nog wel een biertje, maar dat kan gewoon pils zijn. Hoeft niet speciaal.’
‘Ja, dat vermoedde ik al. Ik haal gewoon een paar flessen in huis, net als vorig jaar.’
‘Dat we weer bier kunnen proeven. Vond ik vorig jaar wel heel leuk.’
‘Ja, ik ook. Maar ’t moet geen kapitalen gaan kosten. Op een gegeven moment proef je ’t toch niet meer. Dan kunnen we over gaan op de pils.’
‘Weet je trouwens,’ schiet ’t Suze plots te binnen, ‘we hebben een rat!’
’t Nieuwtje is er uit. Zo kijkt ze. ½ Lachend, ½ verontwaardigd.
‘Oh, dus toch. Panos had ‘m .’
Ik kan m’n zin niet afmaken.
‘Ja, Nico heeft ‘m nu ook gezien.’
‘Lekker om dan bij jullie langs te komen, van de week.’
‘Ben je bang voor ratten?’
‘Ik ben zo’n beetje overal bang voor.’
‘Oh, shit, o ja. Ik had afgesproken dat ik niks zou zeggen.’ Ze houdt haar handen voor haar mond. ‘Nienke & Panos waren gister langs & toen hadden we ’t er over. Nienke zei dat ’t dan beter was om niks tegen jou te zeggen.’
‘Ach,’ zeg ik nonchalant, ‘ik durf nu hooguit niet naar binnen te komen, woensdag, & ik slaap de komende nachten niet. Maar voor de rest niks aan de hand, hoor.’
Ik lach erbij.
‘Maar zou jij dan ook last van die rat kunnen hebben?’
Heerlijk, denk ik even, er niet over mogen praten, maar als ’t er dan toch uitgefloept is wel de angst er even goed in wrijven.
‘Dat beest gaat natuurlijk door allerlei gaten die onder de grond zitten. Volgens mij kan-ie alleen niet in mijn huis terecht komen. Want alles is daar afgesloten. Zover ik weet.’
‘Als je maar niks te eten open & bloot laat liggen.’
‘Nee, daar let ik de laatste tijd erg goed op.’
‘Verrek, ben ik helemaal vergeten dat pak koekjes op te ruimen. Dat staat nog in de gang.’
‘Dat zal de rat lekker vinden.’
‘Ik ga ’t maar snel even binnen zetten.’
Suze doet haar deur weer open. Ik ga m’n eigen deur in.
‘Dan zie ik je woensdag wel. Om ½ 8 ongeveer.’
‘Is goed. Dan hebben wij kip klaar staan. Ook net als vorig jaar.’
‘Heerlijk. Kip & bier voor ons. & Voor de rat koekjes uit een pak.’

We weten nog niet of we Zijperspace wel uit durven, woensdag.

retrospectie

‘Shit,’ zei ik.
De vrouw voor me keek verschrikt op. Ze stopte even met haar tas volladen met flessen.
‘Nee, hoor,’ zei ik snel, ‘’t is niks.’
Ik toonde kort m’n vinger. Klein wondje. Met een druppeltje bloed.
‘Thomas,’ riep ik naar achter, ‘je moet nu echt even pleisters halen.’
‘Ik heb toevallig ook een pleister bij me,’ zei de vrouw voor me. ‘Mag je ook wel gebruiken, als je wil.’
‘Nee, is niet nodig, hoor. We moeten gewoon pleisters in huis hebben. & Voor de rest is ’t een klein wondje. Daar heb ik bijna dagelijks last van. Elke dag gebeurt er wel iets met dit werk.’
Ik verzweeg voor ’t gemak m’n andere baan, waar ’t nog sneller gebeurt.
Ik stopte de vinger in m’n mond. Druppeltje bloed weglikken. ’t Heeft iets instinctiefs.
‘Nou, sterkte,’ zei de vrouw, terwijl ze haar volgestouwde tas oppakte.
‘Hmmm,’ mompelde ik, vinger in de mond.
Thomas liep achter haar aan de winkel uit.

Inmiddels zit er ook een snee in de top van m’n wijsvinger.
Sas zei ‘Gadverdamme’ toen ik voorbijliep. Zij was de toiletten aan ’t schoonmaken. Ik keek om om te zien wat gadverdamme was. Een streep bloed bij de ingang van de dames. Rood tegen een witte ondergrond.
‘Oh, jij bent ‘t,’ zei Sas.
‘Wat bedoelt ze met die opmerking?’ vroeg ik me af.
Maar Sas bleef naar m’n hand kijken. Ik keek met haar mee. M’n wijsvinger roodgekleurd. Nagel niet meer te ontwaren.
‘Da’s ook gek,’ dacht ik, ‘ik voel niets.’
‘Oja, da’s de glasbak,’ zei ik tegen Sas, ‘die heb ik net geleegd.’
Ik likte een klein sneetje tevoorschijn. Een kaarsrechte glassnee.

2 Pleisters hebben de snee ingepakt. Horizontaal de onderste & verticaal er overheen om ’t te fixeren. Anders blijf je overal aan haken. Opstaand huidrandje. Vervelender dan ’t snijden zelf.
Daarmee kriebel ik in gedachten over m’n kin. Ik trek lijnen van m’n linkerkaak naar m’n rechter. Hoor daarbij ’t licht raspende geluid van de korte stoppels. Daarna voel ik een spoor van vocht. De pleisters hebben net in ’t afwaswater gezeten. ’t Gaas verliest langzaam ’t opgenomen vocht aan m’n huid. Ik teken figuurtjes. Ik ben me er niet eens van bewust. Ik lees een boek. Terwijl de krullen van een 8 op m’n wang komen te staan. Onzichtbaar in dunne streepjes nat. Ik kan nog net de afkoeling voelen.
Als ik m’n vinger op m’n lippen leg, betrap ik mezelf op de onwillekeurige bewegingen met de pleister. Ik word even wakker uit m’n boek.
‘Alsof ik mezelf ’t zwijgen op heb gelegd,’ bedenk ik me.
Waarna ik me weer verdiep in de roman. De pleister knispert ondertussen verder, over de snor in wording.

Voor de rest hoort men geen zucht in Zijperspace.

top 2003

‘t Heeft voor mij nogal wat voeten in aarde, een lijstje samenstellen van de mooiste liedjes van afgelopen jaar. ’t Neemt in ieder geval meer tijd in beslag dan een eenvoudig stukje schrijven, zoals ik gewend ben te doen.
’t Is me echter na enkele uren zoeken, herbeluisteren, overwegen, schrappen, heroverwegen, toevoegen, m’n gevoel inschatten, & wederom schrappen, gelukt. Uiteindelijk heb ik ’t voor elkaar gekregen, & is-ie hier, mijn top-10 liedjes van 2003:

Smog – Ambition
Bonnie Prince Billy – The Way
Daniel Johnston – Mountain Top
Dave Clarke – Way of Life
Elbow – Fugitive Motel
Prefuse 73 – Storm Returns
The Eighties B-Line Matchbox Disaster – Psychosis Safari
Wire – Nice Streets Above
– Beth Gibbons & Rustin Man – Romance
– Zea – Of Course It Hurts, It Always Does

‘t Mochten er ook 6 zijn, of 8, zei Bob van Mijn kop thee. Maar ik kon ’t niet over m’n hart verkrijgen minder dan 10 te bieden. Ik kon er niet om heen de bovenstaande dame & heren (wellicht dat er nog ergens verborgen, stiekem een vrouw haar bijdrage levert, waar ik geen directe weet van heb; excuses als ik die bij deze oversla) te eren door ze op te nemen in m’n lijstje.
Enkelen heb ik reeds hoorbaar gemaakt door ze op m’n server te zetten. Men wordt in staat gesteld ze te beluisteren door ze te beklikken. Nog niet alles, maar daar wordt aan gewerkt.

Op naar de top 20-2004 van Zijperspace.

gehaktballen

‘Heb ik wel ‘ns verteld hoe lekker gehaktballen zijn? Of doe ik dat alweer voor de tig zoveelste keer?’ vraag ik Thomas.
‘Nee, ik kan me niet herinneren dat je me dat eerder verteld hebt,’ antwoordt Thomas, terwijl-ie de klant verder helpt.

‘Waar is Thomas?’ vraagt Hein.
‘O, die is even gehaktballen halen,’ zeg ik. ‘Weet je trouwens dat de gehaktballen van de Albert Heijn ong gelijk staan aan de Hema-worsten?’
‘Nee, dat wist ik niet,’ zegt Hein. ‘Maar ik kan aan je ongeduld zien dat ’t bepaalde uitwerkingen op je geestesgesteldheid heeft.’

‘Zal ik alvast gaan?’ vraagt Thomas.
Ik mag de winkel niet uit. Kan Thomas niet alleen laten met allemaal klanten.
‘Nou, nee,’ zeg ik. ‘’t Lijkt me een beetje vroeg. Er staan nog te veel klanten in de winkel.’
‘Ok.’
‘Evengoed zou ’t een hele mooie tijd zijn om die gehaktballen te beginnen.’
‘Ja.’
‘Jammer.’
‘Ja.’
‘Zolang je jezelf tart, ’t verlangen uitstelt, dan wordt de beloning uiteindelijk des te meer aanvaard.’
Thomas knikt wijs.

‘Hm, lekker,’ zegt Thomas.
Hij neemt een laatste lik uit ’t zakje. Neusdiep erin.
‘Ja,’ is mijn reactie.
Ik scheur de zak open. Diep in de bodem ervan ligt de jus.
‘Je moet weten,’ leg ik ‘m uit, ‘hoe je ’t onderste uit de kan haalt.’
Ik leidt ‘m op, denk ik af & toe, maar we staan op gelijke hoogte.
Begerig steek ik m’n tong in de zak. De laatste korreltjes gehakt hechten zich aan mijn tong. Jus kwijlt over m’n wang. Een klant komt binnen.
‘Hallo,’ zeggen we beiden tegelijk, Thomas & ik.
Een veeg van ons beider rechterarm heeft ons gered.

‘Hij is te warm,’ zeg ik. ‘Veel te heet.’
Ik neem een hap.
‘Zie je. De buitenkant is heet, maar van binnen is ’t nog steeds koud. Ze hebben ‘m op een veel te hoge temperatuur in de magnetron gezet.’
‘Hm, hmm,’ kauwt Thomas als antwoord.

‘Bij Albert Heijn zijn ze echt dom,’ zegt Thomas bij binnenkomst.
Hij zet z’n muts af. Blij dat-ie geen vakkenvuller meer is.
‘Dat wisten we al. Anders hadden ze wel allemaal hier gewerkt.’
We lachen.
‘Ik zeg tegen ze,’ gaat Thomas verder, ‘ik wil wel warme gehaktballen hebben. Stopt die knul ze er in & geeft ze na nog geen ½e minuut terug. Hartstikke lauw. Warm, maar niet warm genoeg. Nee, die wil ik niet, zeg ik. Warmer. Ik moet ook een bonnetje hebben, trouwens. Is goed, zegt die gozer. Stopt de ballen weer in de magnetron. Ik reken af, maar ik krijg geen bonnetje. & Ondertussen rekent-ie iets van een andere klant af. Ik zeg: ik wil wel een bonnetje. Moet-ie helemaal naar de bedrijfsleider. Duurt een kwartier voordat-ie terug is. Met de bedrijfsleider. Die maakt uiteindelijk een geschreven bon. Is-ie 10 minuten mee bezig. Zijn die gehaktballen helemaal koud. Dus ik zeg: die gehaktballen wil ik niet meer. Stopt die gozer ze weer in de magnetron. Nee, ik wil andere, zeg ik. Die bedrijfsleider zegt ook: geef die jongen andere ballen. Krijg ik ze uiteindelijk, maakt-ie de bon vuil. De bedrijfsleider was net weggelopen. Maakt-ie dus uiteindelijk deze bon.’
Hij laat ’t me zien.
‘Ze zijn wel lekker evengoed,’ zeg ik, terwijl ik kijk.
‘Ja, jammer dat ze zo snel op zijn.’

‘Hé, Thomas!’
‘Ja?’
‘Vind je ’t nou niet een beetje tijd?’
‘Sorry, ik lette niet op.’
‘Ik wil er 2, dit keer. Op 1 been kunnen we vandaag niet lopen.’
‘Ong net zo veel als de vorige keer, bedoel je?’
‘Ja, & doe wel even de groeten aan Appie. Als-ie nog bestaat.’

’t Is een eenzijdige economie in Zijperspace.

grotgraaf

1st Was er Papillon. Een veel te dik boek. Waarom ik dat mocht lezen, werd er gevraagd. Maar ik zou ’t toch lezen, ook al zou ’t me verboden worden.
Daarna volgde Sartre. Met ‘De teerling is geworpen’. Veel te moeilijk vonden tantes nu. Dat kan hij toch nog niet snappen?
Ik had ’t in een week uit. De hele tijd een woordenboek in de buurt. Voor ’t geval m’n tantes gelijk mochten krijgen.
Een volgend boek van Sartre, enkele jaren later, stond aan ’t begin van m’n gekte. Ik zei tegen m’n huisarts dat ik ’t gevoel had dat de stenen uit de muur konden komen. Dat elke steen een eenheid was, waarvan ik me zeer goed bewust was. Ik vroeg ‘m of-ie ooit ‘De muur’ van Sartre had gelezen. Ik had ’t net uit. Hij had er wel van gehoord, maar nooit tijd gehad ’t te lezen. ’t Leek ‘m beter voor mij, nadat ik over de inhoud had verteld, dat soort boeken niet te veel te lezen. Niet in deze toestand. Hij stuurde me door naar ’t Riagg.

Maar voordat ’t zover was, las ik andere boeken. Vóór ’t begin van Papillon. Ik las alles wat los & vast zat.
Onderweg naar Zwitserland werd ik in de auto van m’n oom & tante geplaatst. Vanwege de grote hoeveelheid kinderen die m’n ouders mee moesten nemen. Achterin de auto, naast Frank & Simon, waar we veel minder lawaai mochten maken dan in de auto van m’n ouders. Dat was niet erg, want dan kon ik tenminste hun verzameling boekjes doornemen.
Een gele serie, met historische verhalen. Elk deeltje vertelde over een andere tijd, een ander personage. In 1 dag kon ik 2 delen lezen, & me weg van de wereld wanen.
Op de camping aangekomen, ging ik dagelijks naar de caravan van Frank & Simon, 2 nieuwe deeltjes halen. Totdat ik halverwege de vakantie alles uit had.
‘Nou moet je maar ‘ns andere dingen doen dan de hele tijd lezen & binnen zitten,’ vond m’n tante.

In 1 van die deeltjes kwam een graaf voor. Een wijs man. Alle hoofdpersonages in de gele boekjes waren wijze mensen, of anders waren ze dapper, voorwaardes om held te worden, maar ondanks die kwaliteiten liep ’t toch vaak slecht met ze af.
De graaf werd gevangen genomen & opgesloten in een grot. ’t Was er vochtig & koud. Hij zag er niks, behalve een klein beetje zonlicht dat naar binnen glipte, de wanden van de grot & enkele ratten & kakkerlakken.
Hij vroeg om pen & papier aan zijn bewakers & kreeg ‘t. Jarenlang bleef-ie opgesloten in de grot & jarenlang bleef-ie schrijven.
Waarover moet je dan schrijven, vroeg ik me af. Als je niks beleeft, dan is er toch ook niets om te vertellen?
Maar toen de man eindelijk, na 10-tallen jaren gevangenschap, werd vrijgelaten, had-ie een dik boekwerk bij elkaar geschreven. ’t Werd uitgegeven & ’t was een wijs boek, van een wijs man. Spoedig werd de man weer gevangen genomen. Vanwege dat boek. Hij werd in een hok gestopt waar hij niet rechtop kon staan & niet kon zitten.

Of ’t echt waar is weet ik niet. Misschien heb ik in de loop der jaren 2 verhalen tot 1 samengesmeed. Of hoorde de geschiedenis van de graaf in de grot niet tot de gele serie historische verhalen. Wat is waarheid voor een kind?

Nu ligt er een plastic tas in mijn tuin. Eigenlijk ligt-ie niet ‘ns. Hij hangt eerder. Tussen de doodse stengels guldenroede. Als een traliewerk hebben ze de tas omsloten. Sinds vanochtend. Of anders gisteravond, toen ’t al donker was, & ik niet kon zien dat ’t arriveerde.
Ik probeer me voor te stellen hoe ’t hier terecht is gekomen. Waarbij ik beelden zie die mij eerder zijn voorgeschoteld. In films. Of door uitvoerig beschrijvende romans. Wapperende beelden, van in de lucht koprollend krantenpapier, voortgedreven door de nukken van een najaarswind. ’t Draait salto’s in de herfststorm, buitelingen die ’t bijna op de grond doet rusten, maar steeds, als ’t haast zover is dat ’t gedwongen wordt te blijven plakken aan ’t aardse, wekt een onderwind ’t weer tot leven. Een oneindige reeks draaiingen & pirouettes om een denkbeeldige as doet ’t verder gaan, ’t verhaal in, daarbij een achtergrond passerend, een decor, ter introductie op dat wat verder nog gaat komen. ’t Danst, ’t neigt, ’t legt ogenschijnlijk stil in een niemandsland van oneindig diep zwart horizon, om een tel later weer uitbundig te genieten van een plotse turbulentie. Waarna ’t plots betrapt wordt door de zwaartekracht. Of in mijn geval: een bosje stengels guldenroede.
Een afzichtelijke tas van Komart De Wit. Bij mij om de hoek. Met vloekende balken geel op wit, & enkele rode & zwarte letters; ’t beeld verstorend van ’t afbraakproces dat beter past in dit jaargetij.

& Ik moet denken aan de graaf in z’n grot. Voor 10-tallen jaren gevangen met niks meer dan z’n wanden & z’n papier.
Een ekster neemt plaats op de waslijn van m’n achterburen. Hij vliegt op, om in de hoek van ’t balkon iets te pakken te kunnen krijgen. Maar ’t stoot z’n kop. Hij waande zich voor een kort moment een kolibri, in ogenschijnlijke stilte hangend, maar werd door z’n eigen onstuimig lichaam gecorrigeerd.
Daar had ik ook over kunnen schrijven.

De tas van Komart verstoorde echter ’t beeld in Zijperspace.