lusjes

Een groene legerbroek, die allang al geen legerbroek meer is, omdat-ie wordt ontworpen om er uit te zien als legerbroek. Lange zakken, minstens 6. Touwtjes, knopen, lussen, aantrekkoordjes.
Je koopt zulke broeken bij de Dumpstore. De Dump, zoals ik me weet te herinneren dat we ’t vroeger afkorten. Of misschien heette ’t alleen maar in Den Helder de Dump.
Zouden ze ’t zo genoemd hebben omdat je gepaste kleren onopgevouwen terug moet leggen op een bepaalde plek?
De verkoper zei tegen mij: ‘Leg die maar op de dumpplek.’
De broek die ik niet wilde hebben. Op de dumpplek. Want ik had opgemerkt dat zij vast goed waren om kleren weer in de juiste vorm terug te hangen. De dumpplek was een stapel rekjes, waar onnoembare plastic zakken met inhoud lagen. Ik kon er niets in herkennen. Geen handel, geen verlangen evenmin zoiets te willen bezitten. Ideaal voor een dumpplek, maar niet makkelijk als dusdanig te herkennen.
Behalve dat ’t in de buurt van de toonbank stond. Dat weer wel. Dat als je wil afrekenen, je spulletjes op je arm, je automatisch op zoek gaat naar een plek waar je de overbodigheden kwijt kan. Dumpen. Weer dat woord.

Ik wist de Dump nooit te vinden. Had daar ook moeite mee met die in Amsterdam, toen ik ’t advies had gekregen daar ‘ns voor een nieuwe broek te gaan kijken. Ben er 3 keer voorbij gereden. Dumpstores hebben camouflagekleuren aangenomen, zoals de kleren die ze verkopen, om te beantwoorden aan hun eigen aanbod.
Maar er uiteindelijk binnenkomend, bleken ze slechts een enkele groene broek te verkopen. Dat was in ’t begin van ’t seizoen. Vlak voor vakantie. Dus kocht ik een grijze. Zodat ik niet te ontwaren zou zijn tegen de verte van de grijze lucht, die de zomer tot op dat moment bepaalde, dacht ik er maar bij.
De 2e keer een groene. Zomerdun, waar zwetende benen in bleven plakken, maar de wind welig door kierde.

‘De vorige keer heb ik deze broek hier gekocht,’ wees ik naar m’n grijze aan m’n benen. ‘Heb je nog zoiets? Maar dan liefst groen.’
De man was in een ijverige stemming. Ging uit zichzelf voor me zoeken, daar waar ik ook wel ‘ns voor ’t broekenrek gezet ben & men wachtte tot ik de winkel weer zou verlaten.
‘Wat voor maat heb je?’ vroeg-ie.
‘Dat weet ik dus nooit,’ antwoordde ik. ‘Dat vergeet ik elke keer.’
Telefoonnrs weet ik me wel te herinneren, maar de maten van m’n kledingstukken raak ik gemakkelijk kwijt. Goed, dat ik schoenen van maat 42-43 heb, dat weet ik nog wel; & dat t-shirts mij ’t best passen in ’t maatje large, maar de onderbroekenkwestie voor de schappen van de Hema baart mij elke keer toch zorgen. Welke moeder onder ’t werkend personeel weet ik te herkennen om hierover raad te vragen? & Bij ’t telkens opnieuw aanschaffen van broeken in ’t steeds ‘tzelfde winkeltje op de Albert Cuyp liet ik dochterlief aan de achterkant van de broek frummelen om ’t labeltje van de maat tevoorschijn te kunnen peuteren.
Ik bedacht me er maar bij dat ik niet lenig genoeg was om dat bij mezelf te kunnen doen. Lichaam draaien, nek meekrommen, schuin achterover buigen & ogen uit de kassen staren op zoek naar ’t achterwaarts tevoorschijn gepulkte labeltje.

Hij gaf me 2 broeken mee.
‘Pas die maar,’ zei hij erbij. ‘Als je een andere maat nodig hebt, dan hoor ik ’t wel.’
Ik gaf even later een gil, vroeg om iets kleiner, & hij reageerde dat-ie alleen nog maar groter had.
Maar de spiegel stond goed. Die mocht er zijn, dacht ik. Even overbodige touwtjes verwijderen & ik was ’t heertje. Hoewel je dat niet zou zeggen, in zo’n broek waar vroeger soldaten in hadden gezeten. Of die in ieder geval de schijn moest ophouden dat dat soort mantuig er in gehuisd had.

Thuis nog even gekeken of m’n eigen spiegel ook zo goed stond. Even wat meer ruimte ook om te paraderen. Stoer kijken, zonder dat iemand over je schouder mee kan kijken.
De wijdbeenstand uitgeprobeerd. Waarin je laat blijken dat je best wel een goedje hebt bungelen in dat laaghangend hobbegezak in ’t midden. De wijdbeenstand: vol uitzicht op ’t kruis. Kijken of alles er nog wel is.
Toen zag ik opeens 2 lusjes. 2 Volledig overbodige lusjes. Als hangzakken in ’t midden onderaan. Dat wat van binnen zat, werd daardoor aan de buitenkant gesymboliseerd. Misschien om je broek op te hangen aan een knaapje, na een lange dag arbeid, of een regenachtige dag, zodat ’t snel zou drogen, maar buiten militaire diensttijd kon ik me alleen maar vrouwen voorstellen die me in m’n gezicht zouden uitlachen, wijzend naar een kleine meter lager.

Ik heb een schaar gepakt, na een dag binnenskamers op proef gelopen te hebben met m’n nieuwe aanschaf, diverse malen m’n spiegel daarbij raadplegend, & ben gaan snoeien. M’n kruis moest korter. & Hangend in de hangstoel, met goed uitzicht op daar waar de operatie moest gaan plaatsvinden, ben ik aan de gang gegaan.
Achteraf bedacht ik dat ik de broek ook uit had kunnen trekken om ‘tzelfde resultaat te behalen, maar dat had vast niet ‘tzelfde bevredigende gevoel van zelfzorgzaamheid gegeven.

We durven ons weer te tonen, ook met dat wat onder de gordel zit in Zijperspace.

letteren

Ik wacht. Tussen 12 & 1. Dan zou er gebeld worden. Dus wacht ik.
Ondertussen een boek. Wachten is niet erg als je een boek hebt. Vind ik in ieder geval. Als ik een boek heb, dan kan alles. Zolang ik me maar kan concentreren.

¼ Voor 1 is er nog steeds niet gebeld. De aandacht wordt minder.

¼ Over 1. Ik besluit ’t ziekenhuis te bellen. Waarom ik niet gebeld ben. Ik heb toch duidelijk een belafspraak staan.
Na kort overleg & wat uitzoeken word ik teruggebeld met de mededeling dat er een afspraak staat voor donderdag.
‘Kan niet,’ zeg ik, ‘want op donderdag werk ik altijd. Dat heb ik vorige week nog duidelijk gezegd, bij ’t maken van de afspraak.’
De assistente zou haar best doen om mij evengoed nog gebeld te krijgen.

Ik wacht. Ik probeer te lezen. Niets anders. Ik kan niet schoonmaken. Niet tandenpoetsen. Nog maar net plassen. De afwas blijft staan. Ik kan alleen nog maar net lezen. Naast plassen. Zover ’t gaat. Ik moet wel klaar staan om de telefoon aan te nemen.

‘Ik lees veel,’ zeg ik tegen Rachel.
Ik moet m’n tijd opvullen, dus ga ik anderen bellen. Niets gebeurd, behalve dat m’n benen vermoeid geraakt zijn van ’t languit liggen. De beste houding immers om lange tijd achter elkaar te lezen.
‘Wat lees je dan?’
‘Boeken.’
‘Ja, dat weet ik. Dat dikke boek?’
‘Nee, die even niet meer. Daar heb ik geen tijd voor nu. Boeken die genomineerd zijn.’
‘Voor de Ako-literatuurprijs?’
‘Nee, die ook niet meer. Die heb ik al bijna allemaal gelezen.’
‘Heb je ze allemaal gelezen?’
‘Ja, die van de shortlist in ieder geval wel. Behalve Emmerik.’
‘Voor de rest heb je alles gelezen?’
‘Nou, ja. Bijna allemaal. Ik moet er nog een paar van de longlist lezen. Maar daar heb ik even geen tijd voor.’
‘Wat ben je dan aan ’t doen?’
‘De shortlist van de debutantenprijs. De Geertjan Lubberhuizenprijs, geloof ik dat ’t heet.’
‘Dan lees je weer de hele lijst?’
‘Ja, als ik er zin in heb.’
‘Maar je hebt er zin in?’
‘Ja. Ik vind ’t leuk. Erg leuke boeken kom je dan tegen. Ik heb ze bijna allemaal uit.’
‘Ton, je bent verslaafd!’
‘Ja, leuk hè. Verslaafd zijn is leuk.’

Ik bel m’n moeder. Na nog weer 40 bladzijdes.
‘Laat Quint mij maar bellen,’ zeg ik na kort overleg.
‘Je bent gewoon thuis?’ vraagt m’n moeder.
‘Ja, nog zeker wel een uur. Anders heeft-ie m’n mobiele nummer toch?’
Ik laat me op de bank vallen om verder te gaan.

Ik word gestoord door de telefoon. Ik leg m’n boek opzij.
‘Ja,’ zeg ik even later tegen m’n internist, ‘ik kreeg van m’n opticien letters voorgeschoteld & m’n linkeroog kon ze niet scherp krijgen.’

De letters zetten vervolgens hun dans voort in Zijperspace.

punt

Op een gegeven moment ga je je afvragen waar bepaalde personen moeite mee hebben. Wat heb ik ze aangedaan dat ze zo hardvochtig moeten zijn? Ongenuanceerde uitspraken. Steek onder de gordel. Afbekken. Beledigen.

Dat ik hypochonder ben, dat wist ik allang. Daar kan ik mee leven. Ik doe dat al langer dan dat bepaalde personen weet hebben van ’t woord dat ervoor bestaat. Ik kan er mee leven als mensen de conclusie van hypochondrisch trekken over mijn gedrag, mijn schrijven, mijn houding, mijn gebrek aan durf. ’t Kost me al te veel moeite om bij tijd & wijle een beslissing te nemen, waarom zou ik me dan druk maken als mensen die indruk van me krijgen? ’t Is immers waar wat ze denken. Ze mogen ’t van mij meedelen aan anderen. Ik zal m’n zwakke punten moeten accepteren, ook al worden ze uitgesproken door een andere mond, om sterker te kunnen worden. Zo heb ik altijd gedacht. Weet waar je achilleshiel is, dan zal men je minder snel kunnen raken.

’t Is niet mijn gewoonte om via dit weblog actualiteiten naar voren te brengen. Dingen die spelen binnen weblogland. Dat is iets van ’t verleden; dat doen andere mensen wel. Ik ben beter in ’t schrijven over mijzelf, verhaaltjes, stukjes, columns. Net zoals men ’t wil noemen. Daar heb ik in de loop van de tijd een vorm in gevonden. Waarin ik mijn persoonlijkheid naar voren breng. Overdrijf, verzwijg, benadruk, blootleg.
Er zijn vele boeken die nog geschreven moeten worden. Ik schrijf een klein hoofdstukje. Een alinea over mezelf. De rest van ’t reeds geschrevene, dat wat voor zich spreekt als men mij ontmoet, zal men zelf moeten willen openen. De witregels, dat wat volgt achter een punt, wat tussen de zinnen door wordt gezegd, zal men zelf moeten willen opvullen.
Mij te kennen in ’t dagelijks leven kan daarbij helpen.

& Dat juist iemand die ik in ‘t ‘echte’ leven ken, iemand waarmee ik in ieder geval 1 keer per jaar op een bierfestival in Canterbury bier sta te verkopen, een weekend lang mee omga, mij perse kwetsend moet bejegenen, me zonder argumentatie moet neerzetten als een ‘neuzelaar’, daar kan ik met m’n hoofd niet bij.
Ik heb ’t nooit begrepen.
Ik heb Pieter van de middelbare school nooit begrepen, die altijd ten overstaan van al z’n vrienden mij in de zeik moest zetten als ik van de wc afkwam, daarbij opmerkend dat ik waarschijnlijk weer naast de plee had gepist. Brian niet, in ’t jongerencentrum, die kleine Bas z’n keel toekneep, omdat Bas teveel toenadering tot de meisjes zocht. Etterbuiltje, met z’n stinkende parfum, werd Bas genoemd. Bekius niet, m’n docent, die mij klassikaal voor schut wilde zetten, omdat ik drukker was dan de rest & telkens naar de wc moest als ik zenuwachtig was. Nog enkele anderen niet.

Ik heb een kwaaltje. Daar schrijf ik nu over. Ik kan niet tegen mensen die van zichzelf vinden dat ze een grote bek op moeten zetten tegen mensen die hun zwakheden durven tonen. Dat ze daar over heen moeten walsen. Anderen daarbij willen betrekken, om gezamenlijk ongenuanceerd zo’n persoon uit te kunnen lachen.
Ze noemen hem ‘neuzelaar’ & blijven er in hangen.
Want verder komen dat soort personen blijkbaar niet. Iemand ‘iets’ noemen. Denken dat ’t daarbij blijft.

Maar er is een weg verder in Zijperspace, niets stopt na een punt.

duinpan

In de verte zagen we over ’t strand een groepje mensen aan komen lopen. Een meisje draaide om de groep heen terwijl ze voortschreden door ’t zand. Haar hand hield ze vreemd hoog. Ze rende, schreeuwde, maakte buitelingen, terwijl haar hand klaarblijkelijk iets vasthield.
Wij zaten in de duinen. Verborgen tussen enkele pannen. We waren al enkele malen naar beneden gekletterd, de broekzakken zaten vol, hadden elkaar nagejaagd, een kuil dieper dan de duinpan gegraven om zo een bunker te verbeelden, waar vanuit we de vijand, de ander, konden aanvallen, hadden rondgerend, waren stervend achterover van de helling gevallen, m’n broer nog levensechter dan ik, & hadden de buurt afgezocht naar vrijende koppeltjes. Niets gevonden bij dat laatste.

‘Als je je vingers om je ogen doet,’ zei m’n broer, ‘dan kan je verder kijken.’
Hij krulde z’n duim & wijsvinger tot ronde gaten, vormde een koker van de andere vingers & tuurde door deze verrekijker naar ’t rondhuppelende dametje. Ik volgde zijn voorbeeld & had zodoende ’t te bespieden object duidelijk in ’t vizier.
‘Zie jij al wat?’ vroeg ik m’n broer.
‘Ja, volgens mij heeft ze een geheim wapen bij zich,’ antwoordde hij.
Zijn verrekijker was natuurlijk weer van betere kwaliteit. Daar was ik ’t jongere broertje voor.

We hielden ons stil. Kropen na fluisterend overleg naar een andere plek, met nog meer prikkend helmgras, waarvandaan we zeker wisten dat ze ons niet konden zien kijken. We leverden aan elkaar verslag uit, hoewel we beiden ‘tzelfde waarnamen.
Ze hielden halt. Een 100 meter van ons verwijderd. Wij konden van schuin boven hen zien wat er gebeurde.
Ze spreidden enkele doeken uit, een rugzak werd leeggehaald. & ’t Meisje dat nog steeds met haar hand hoog bleef rondhuppelen. We konden haar nu horen.
‘Ho, Bruno. Stoppen. Ga maar even zitten.’
&: ‘Zo, rustig. Kalm. Kijk eens wat ik voor je heb. Een grote kluif.’
Ook: ‘Pak de stok. Pak de stok. Goedzo. Brave Bruno.’

Ik rapporteerde zachtjes mijn bevindingen aan m’n broer.
‘’t Is geen geheim wapen, Carel. Volgens mij heeft ze een hond.’
Hij sprak mij tegen.
‘Nee, geen hond. Want ik zie geen hond.’
Hij had gelijk.
Toch hield zij nog steeds haar hand hoog, alsof ze een reuzenhond aan de lijn vasthield.
‘Ik probeer stiekem verder te kruipen,’ zei Carel. ‘Dan bespied ik ze vanaf de volgende heuvel. Blijf jij hier.’
‘Nee, ik wil mee.’
‘Dat kan niet. Jij moet de bunker verdedigen.’
Op zulke momenten waren we opeens weer bezig met ’t spel dat we al een ½ uur geleden hadden stopgezet. Maar bunker was een magisch woord. & Verdedigen was een plicht. Dus bleef ik. M’n broer was immers commandant.

’t Meisje bleef doorgaan. Ze rende, ogenschijnlijk een hond naast haar aan de lijn. Ze stopte. Gooide een stok. Die in ’t zand bleef liggen, maar die tegelijkertijd, getuige haar reacties enkele tellen later, werd geapporteerd.
‘Oh, Bruno. Brave hond.’
Volgens mij had ze toch een hond. Een onzichtbare hond. Ik zou ’t Carel straks vertellen.
Verveeld van ’t kijken naar niets ging ik bij onze niet-bestaande bunker zitten. Ik stapelde kleine stukjes hout tot een piramide, om me aan denkbeeldig vuur te warmen. Ik had geen lucifers.
Tot Carel me weer kwam opzoeken.
‘Ze is gek,’ zei Carel.
‘Ja, want ze heeft een hond die niet bestaat,’ reageerde ik.
‘Zullen we naar huis gaan?’ vroeg Carel verveeld.
‘Ja, ik heb honger.’
We kwamen tevoorschijn uit onze schuilplaats. Denderden gillend als woeste soldaten de duinhelling af. Zandverstuivingen veroorzakend.
‘Hé, Truus,’ werd er vanuit ’t groepje naar ’t meisje met de hond geroepen, ‘doe nou even normaal & kom erbij zitten.’
Ze had opeens geen riem meer. Misschien een heel klein hondje nog maar. Die konden we net zo goed niet zien toen we voorbij de groep kwamen lopen.
‘Ze is gek,’ fluisterde Carel.
‘Hartstikke,’ zei ik.
We begonnen te rennen om vlugger thuis te zijn.

We waren snel terug in ’t echte Zijperspace.

vorks

In Engeland gebruiken ze de vork vaak op z’n kop. Is mijn conclusie na vele keren ontbijten in the Sportman’s cafe, in Canterbury.
Zat ik tegenover iemand met wel 2 eieren, gebakken tomaat, bacon en nog een sausage bovendien. Werden de restantjes bij elkaar geschraapt dmv een stukje witte boterham, tussendoor een slokje thee, met die bewuste vork dus in omgekeerde houding.
Schrapen is nog niet zo erg. ’t Is meer dat vervolgens de vork op dezelfde wijze richting mond wordt gebracht. De bolle kant boven.
‘Hé, dan prik je met de punten in je tong,’ zegt dan m’n misschien wat bekrompen hollandse geest.
Ademloos aanschouwde ik de vlucht van de vork, gestuurd door de hand, de arm, ’t lichaam, maar door z’n verkeerde ligging in de lucht ervoer ik de entiteit als volledig zelfstandig. Ik vergat er zelf van te eten. Hoe kan dat? & Dan werd er een dropshot gepleegd in de mond van de etende persoon.
Overigens meestal mannen. Ik at zelden met een vrouw aan tafel. Ons team in Canterbury heeft slechts 2-maal een vrouw bevat. Die heeft slechts 2 keer meegegeten in de Sportsman.
Dus die man. Die kwakt ‘m van boven de lip tot vlak achter ’t gebit. & Hij had medestanders in ’t volk, verzameld aldaar in de Sportman. Gelijkgestemden.
Ik word me daar erg veel meer bewust van, van zo’n dropshot, waarvan ik dacht dat de amerikanen dat tbv ’t basketbal hadden uitgevonden, als ik dergelijke taferelen zie, met een vork die ‘t niet doet zoals-ie ’t normaliter hoort te doen.
Als nederlanders de vork hadden uitgevonden, of anders de dropshot, dan zouden ze ‘m niet overzees hebben gebracht. Zo onachtzaam, zo slordig als daar mee omgegaan wordt.
De bolle kant hoort te schuiven. 1st De punten over de onderlip, neervlijen voor ondersteuning, coördineren, peilen wat de situatie is, een woest & snel verkeer van gegevens van & tussen mond & hersens, & dan schuift langzaam, behoedzaam zou een mooi nederlands woord hiervoor zijn, waarbij ik de engelsen ervan verdenk die subtiliteit in ’t uitdrukkingsvermogen te ontberen; behoedzaam dus, verdwijnt ’t hapje dat opgehoopt ligt op de verzamelkant van ’t instrument richting gehemelte. Om dmv afsluiting door de lippen & eventueel nog aanwezige tanden verhindert te worden dezelfde weg weer naar buiten, achter de leverancier aan te gaan.
De bolle kant neemt bij de engelsen de verzamelfunctie in. Waar eigenlijk geen ruimte bestaat voor ophoping.
Sla ik nog ’t feit over dat ’t schuiven van ’t etensmateriaal nare gevolgen kan hebben op deze wijze. Want een vork is krom. Over ’t algemeen. Zodat ’t voedsel zich automatisch bijeengaart op ’t diepste punt: de holte, ofwel: de bedding. Onderhevig aan de nimmer aflatende kracht die de zwaarte van de aarde ook op voedsel uitoefent, wil ’t rusten op een veilig plekje, waar niet zoveel neerwaartse druk wordt uitgeoefend, waar ’t in ieder geval zonder vergaande risico’s neergedrukt kan worden.
Of, zoals bij de engelsen: naast de vork. Over de vork heen. Misschien daarbij wel op ’t colbertje, de broek, of in ieder geval naast ’t bord belandend.
Eigenwijs vervolgde ik m’n maaltijd, ietwat aangepast aan de engelse standaard, door in ieder geval bacon, tomaat & ei, tostietje & schuin gesneden sandwiches daarin op te laten nemen. M’n vork in continentale aanslag. Schuivend onder ’t gebodene, dat wat voor verorbering mij voorgeschoteld was, ’t oplepelend op vorkse wijze, een enkele keer spietsend in geval er gesneden & niet verschoven moest worden, maar daarbij alras de vork draaiend om ’t onderlangs m’n bovenlip te manoeuvreren.
De nederlander heeft niet veel bereikt, bedacht ik me, maar ’t eten van de maaltijd, ’t vervoer van de hap van bord richting mond, heeft ons volk toch maar even tot in de puntjes geperfectioneerd.
& Meewarig keek ik om me heen. Men smakte luidkeels, doch zwijgzaam, zijn commentaar over de randen van de borden.

In Zijperspace heeft men altijd als 1st ’t bordje leeg.

knijples

‘Ik heb eigenlijk altijd alleen maar mannen gekend die niet al te macho zijn,’ zegt Arisca. ‘Ik neem aan dat jouw handen ook niet al te los zitten als je een vrouw tegenkomt?’
Arisca, van 20 jaar geleden. Samen op de middelbare school. De reünie van april gaf aanleiding om nog eens een keertje af te spreken. ’t Hele leven gaat in een avondje aan ons voorbij. Of in ieder geval de 20 jaar dat we niet van elkaar weten. We tasten af. We kijken of we nog steeds dezelfde zijn, welke conclusies we in de tussentijd hebben genomen.
‘Ach, ik raak wel ‘ns de billen aan van een collega,’ zeg ik, ‘maar dat kan je niet voorkomen als je samen achter de bar staat. Er ligt ook wel eens een borst in m’n nek. Dat probeer ik altijd uit de weg te gaan. Ik mag van mezelf vooral niet bewúst een vrouw aanraken, hooguit per ongeluk.’
‘Je zult niet een keertje expres in de billen van een vrouw knijpen?’
‘Nou, als ik door haar 1st wordt geknepen, dan geeft dat natuurlijk aanleiding om ’t terug te doen, maar ik zal ’t niet uit mezelf doen.’
Als ik even later voor Arisca uit een trapje richting kroeg oploop, knijpt Arisca me hard. Ik schrik. Ik had er even geen rekening mee gehouden.
‘Je weet wat dat betekent,’ weet ik er nog net uit te brengen.

We nemen afscheid. Zij moet links, ik iets verderop naar rechts.
‘’t Was leuk.’
‘Ja, ’t was leuk. Ik bel je wel na m’n vakantie, dan spreken we nog een keer af.’
We buigen over onze fietsen heen, geven elkaar een zoen. Ik laat ondertussen m’n hand onopvallend zakken & knijp haar uiteindelijk terug. 2 Uur later, want je moet ’t doen op ’t moment dat ’t ’t minst verwacht wordt.
‘Au,’ zegt Arisca lachend. ‘Ik dacht wel dat ’t nog zou komen.’
‘Ja. Je had er om gevraagd. & Nu mocht ik.’
‘Maar je kneep wel hard.’
‘Jij kneep ook zo hard.’
‘Je moet niet met je vingers knijpen.’
‘Waarom deed jij dat dan wel?’
‘Kijk, zo moet ’t.’
Ze steekt haar hand naar voren. Haar 4 vingers naast de duim vormen een platformpje. Ze schuift ze richting duim.
‘Doe maar.’
Ik buig weer wat voorover & sla weer toe.
‘Nee, te hard nog.’
Ze pakt m’n hand die nog aan haar billen staan verkleefd.
‘Rustiger. Zo.’
Zachtjes lift ze haar eigen bil in mijn hand omhoog.
‘Oké. Nu weet ik ’t.’
Ik laat zien dat lessen aan mij goed besteed zijn & breng een groot deel van haar rechterachterwerk samen tot een kleiner oppervlak door de 4 vingers met inhoud richting duim te bewegen. Langzaam, niet te snel.
‘Ja, zo. Je bent een snelle leerling.’
‘Maar waarom kneep jij dan zo hard?’
‘Kijk, vrouwen moet je altijd een andere behandeling geven. Die houden meer van subtiliteit.’
Reünie, ja, reünie in perfectie doorgevoerd. Ik voel me weer de les gelezen als ’t jochie op de middelbare school.

We zullen niet meer spijbelen in Zijperspace.

voorbijgegaan

Ik heb er wel excuses voor. Hoewel ik ’t evengoed slordig vind. Ik had evengoed wel een paar redenen om ’t te vergeten.
Vanaf 7 uur ’s ochtends verwachtte ik al dat de deurbel zou gaan. Ik zou dan lekker blijven slapen, had ik me voorgenomen. Hadden ze me maar moeten inlichten.
& Hoewel ze niet aanbelden, kwam er van dat lekker blijven slapen niet veel. De onrust was er. De adrenaline straks gestoord te gaan worden. Dus stond ik gewoon om ½ 9 op. Na vanaf 7 uur geen oog meer dichtgedaan te hebben.
Ik zou ze wel leren, had ik van tevoren bedacht, maar ik leerde mezelf weer kennen. Alsof ik van mezelf nog niet wist hoe ik in dat soort situaties zou reageren.

Ik ging meteen maar voor ’t beeldscherm zitten. Verhaaltje schrijven over de avond ervoor. Over kontknijpen. & Hoe je dat moet doen. Niet met de vingers, maar met de hand.
Toen de bel alsnog ging. Iets voor 9.
Ik trok m’n meest verbaasde gezicht.
‘U was niet op de hoogte dat wij vandaag de steiger zouden verwijderen?’ vroeg de woordvoerder van de 3 mannen me al snel.
‘Ik had gisteren wel gehoord dat de werkzaamheden voorbij waren, maar niet dat de steiger vandaag weggehaald zou worden,’ zei ik schijnheilig.
Ik zou ze leren, wist ik nog.
‘Maar kunnen we aan de gang?’
‘Ik moet om ½ 11 weg zijn.’
Ze gingen in ieder geval maar vast beginnen. Te kort tijd, maar dan was in ieder geval een gedeelte van de steiger ontmanteld. Morgen de losse onderdelen uit de tuin. Als dat tenminste schikte. Ging de woordvoerder ondertussen op zoek naar een huis via welk de 2 ontmantelaars weer de straat op zouden kunnen.

‘Je hebt een aangename buurvrouw,’ kwam de man me enkele minuten later weer storen.
‘Ik heb alleen maar aangename buurvrouwen,’ reageerde ik naïef.
‘Maar ze is om 10 uur weg. Ik moet even verder zoeken.’
Kort overlegde hij met de 2 duitse werkers. Hij liet ze zien waar ze de spullen konden neerleggen, zodat niet de gehele tuin geplet zou worden.
In Duitsland bestaat ’t fenomeen ‘tuin’ blijkbaar niet, dacht ik, want hij was nog niet m’n deur uit voor ’t vervolg van z’n zoektocht of de ene duitser gooide van hoog boven de steiger z’n jas diep de tuin in, waarop z’n landgenoot enkele planten uit elkaar rukte om de jas op te kunnen rapen. Weer een extra meter tuin die ik me ga laten vergoeden door de woningbouwvereniging, dacht ik. 10 m² Waar ik me inmiddels al druk om had gemaakt.

Ik liet m’n gordijnen voor 3-kwart gesloten, zoals ik ’t de afgelopen weken gewend was te doen. Weinig zon die binnenkomt, maar bovenal een maximale beperking voor de heren werklieden om bij mij naar binnen te kunnen gluren. Ik wilde niet ’t idee hebben dat ze mij van achteren konden bekijken, terwijl ik de dagelijkse dingen deed.
Zoals pogingen m’n verhaaltje over kontknijpen uitgetikt te krijgen.
Maar de coördinator kwam weer aanbellen om te melden dat-ie enkele deuren verder iemand bereid had gevonden tot 11 uur inhuizig te blijven, zodat z’n collega’s een vluchtroute hadden. Bovendien wilde hij van de gelegenheid gebruik maken om bij mij te informeren rond welk tijdstip ’t uit zou komen op vrijdag de restanten te ruimen.
Ik liet ‘m vervolgens uit, smeerde een boterham in de keuken, met uitzicht op de 2 werkende lieden, schonk mezelf een kop thee in & bedacht me ondertussen dat dit niet de optimale omstandigheden waren om over kontknijpen te schrijven. Laat staan over iets anders.
Ik wilde me even niet concentreren.

Zodoende, & niet anders, is ’t feit volledig aan m’n aandacht voorbij gegaan, aangezien ik niet de moeite heb kunnen nemen een datum te geven aan ’t stukje dat ik gister had willen schrijven, waardoor ’t me wel te binnen zou zijn geschoten (hé, ’t is vandaag 9 september!); ’t feit dat ik vandaag, inmiddels dus gister, 3 jaar besta.
& ’t Meedelen van deze blamage kost mij door de reeds beschreven voorvallen een dermate grote hoeveelheid woorden, dat waarschijnlijk niemand ’t voor elkaar krijgt tot aan ’t eind van deze tekst te komen om tot de conclusie te komen dat ik daar weer ‘ns mee gefeliciteerd dien te worden. Dat kost de lezer op zijn beurt weer te veel moeite.

Evenzogoed: Hiephiephoera, Zijperspace bestaat 3 jaar (plus 1 dag).

Ps: Neem nou ajb niet de moeite die 1e datum op te zoeken, want ten 1e is ’t waarschijnlijk niet terug te vinden (ook door mijzelf niet), aangezien er door meermaals overzetten naar andere programma’s stukken tekst verloren zijn gegaan of anderszins op een verkeerde plek zijn terecht gekomen, & 2-ens ’t zeker niet interessant is wat ik toentertijd allemaal te melden had.

afleiding

‘Ton, je let gewoon niet op!’ zei Rachel.
Ik pakte snel m’n stuur weer vast. Wendde m’n blik af van ’t tafereeltje in ’t park & keek Rachel aan.
‘Wat dan?’ vroeg ik. ‘Is er wat?’
Stotterend, overdonderd, wakker geschud.
‘Als ik tegen je praat, dan ben je aldoor met iets anders bezig. Je bent de hele tijd afgeleid.’
‘Oh, oh, ja, maar, hm,’ stamelde ik.
Ik kreeg ’t er niet uit.
‘Sorry,’ zei ik dus maar.
‘Heb je wel goed geslapen, de laatste tijd?’
‘Ja, dat gaat wel weer goed. Geen last meer van een muis. Maar ik voelde me wel nog erg slaperig toen ik vanochtend terug kwam van boodschappen.’

We gingen op ’t terras van de Sarphaat zitten. Marloes kwam er even later bij.
‘We hadden ’t er net over,’ zei ik tegen Marloes, ‘dat we misschien beter bij de IJsbreker konden gaan zitten. Hier hebben we straks geen zon meer.’
‘Wacht,’ zei Marloes, ‘ik bestel nog wel even 1 drankje.’
Ik keek om me heen terwijl Rachel & Marloes ’t laatste nieuws uitwisselden. ’t Was fietsenspitsuur op de sarphatistraat, zo leek ‘t. Een constante stroom ging aan mij voorbij.
‘’t Is wel druk hier,’ zei ik.
‘Vind jij toch leuk, als er veel vrouwen voorbij komen?’ zei Rachel.
‘Ja, maar er zijn ook heel veel auto’s. Die leiden af. Dan zit ik liever voor de IJsbreker.’
‘Jaja,’ reageerde Marloes, ‘1st even m’n glas legen. Ik snap de hint.’
‘Nee, sorry,’ zei ik. ‘Ik was gewoon even in gedachten. Ik was enkel aan ’t bedenken waarom we beter bij de IJsbreker konden zitten.’

‘Zo, hé,’ zei ik, ‘wat is ’t druk hier.’
‘Ja, genoeg te kijken voor jou,’ zei Rachel.
‘Ik zit in ieder geval met m’n gezicht de goede kant op.’
‘Wij ook.’
Ik keek naar de fietsers die voor de IJsbreker langs trokken, Rachel & Marloes deden hun ogen dicht voor de aanbidding van de zon, die over de Amstel scheen.
Vroeger kon ik alles tegelijk, dacht ik. Dan was ’t nooit te druk. Terwijl ik iedereen aan me voorbij zag trekken, volgde ik tegelijkertijd de conversaties aan belendende tafeltjes & wist ik evengoed waar mijn tafelgenoten ’t over hadden.
Ik werd van deze gedachte afgeleid door de glanzende stof van de broek van Rachel. Daar had ze onderweg iets over gezegd. Op de fiets door ’t park. Toen ik m’n ogen voor de zon had afgedekt om de mensen langs ’t pad te kunnen zien.
Ik pakte de stof van de broek vast. Wriemelde ’t tussen m’n vingers.
‘Dat bedoelde ik daarnet nou,’ zei Rachel.
‘Dat die stof van jouw broek zo glad is dat je ’t niet voelt?’
Om even te laten merken dat ’t heus wel tot me doorgedrongen was.
‘Nee, dat als ik ’t ergens over heb, dat jij dan plotseling overgaat op iets anders.’
Stil. Weer betrapt.
‘Ja, sorry. Ik ben er niet helemaal bij vandaag.’
‘Niet alleen vandaag.’
‘Ja, zo ben ik nu eenmaal.’
‘& Dat zeg je ook altijd. Dat je er niets aan veranderen kan.’
‘Maar ik ben wel veranderd. Ik ben veel rustiger geworden sinds m’n schildklier is uitgeschakeld.’
‘Ja, da’s waar,’ gaf Rachel toe. ‘’t Ligt vandaag misschien ook een beetje aan mij.’
Dat drong niet meer tot me door. Ik ben veel rustiger, dacht ik. Daarom kan ik al die fietsen niet meer volgen. & Die gesprekken. Terwijl de gewoonte om met m’n hoofd alle kanten op te schieten, nog niet uit m’n systeem is.
De ogen van de dames stonden weer gericht op de Amstel & de zon. Hoewel dat niet te zien was door de dikke zonnebrilglazen.
Ik zei een passerende fietser gedag, wenkte de ober dat ik nog wat wilde bestellen & luisterde ondertussen ’t gesprek links van onze tafel af.

Alles is rustig in Zijperspace, of anders dringt ’t niet tot ons door.

verslaafd

Ik fietste langs. Telde de nummers van de huizen aan de overkant. Liet m’n blik langs de etages gaan. Ik taste de openstaande raampjes af. De raampjes die de hitte van de zomer af moesten voeren.
Dáár kon ’t niet zijn, dat blok daar op de 2e etage. Je laat niet een raam open staan als je 2 weken weg bent.
Ik keerde aan ’t eind van de straat om. Dezelfde weg terug. Nu zou ik dichter langs de huizen komen, ik zou de nummers nog beter kunnen zien.
Wacht. Ik had nog sigaretten nodig. Aan de overkant, op de hoek, was een snackbar.
Door ’t raam van de snackbar, wachtend op m’n beurt, telde ik opnieuw de huizen. Ik tuurde naar de bordjes. Die deur zou ’t moeten zijn, dáár, op 2-hoog.
Er stond toch een raam open. Maar Margriet zou weg zijn, had ze gezegd.
‘Zeg ’t maar,’ zei de man van de snackbar.

We fietsten hand in hand, ’s ochtends vroeg. Alleen bij de bruggetjes lieten we even los. Gaf ik haar nog een zetje, een slinger. Om haar vlak voorbij ’t hoogste punt weer bij te halen. Hand tikte op haar bil, waarop zij haar hand weer uitstak. Haar lach zag mijn hand naderen.
We wisten precies welke bochten we moesten nemen. Hoek om & meteen naar de overkant kijken of er tegenliggers te verwachten waren. Zonder iets te zeggen bleven we in zo’n geval aan deze kant van de gracht rijden, tot de volgende brug. ’t Loslaten 150 meter uitstellend.
Uiteindelijk achter ’t station langs. De laatste minuten. Op een gegeven moment moest haar fiets in de buurt van de pont naar Noord vast gezet worden. Dan moest ze beginnen met wachten, binnen, in ’t station. & Ik kon verder naar m’n eigen huis, alleen, om nog even de slaap in te halen. Dan was de nacht voorbij. Dan pas was de nacht voorbij.

We maakten afspraken. Die vaak niet verder gingen dan dat we elkaar ’s avonds zouden zien. Meeltje heen, meeltje terug. Plannen voor later in de week. Die meestal niet werden uitgevoerd. We bespraken de plannen nogmaals als ik laat in de avond toch nog de fiets had gepakt om bij haar te kunnen zijn.
Plannen werden voorstellen, & die werden vervolgens op ’t laatste moment uitgesteld, afgevoerd. Omdat ze iets anders had, moe was, een vriendin zou ontmoeten, de afspraak met de tandarts vergeten was. Keer op keer.

Ik hoefde haar even niet te zien. Zei ik haar. Ik moest m’n vertrouwen weer terug zien te winnen. Ik was te afhankelijk geworden door steeds te zitten wachten tot een afspraak wél doorging. Ik kon niet alleen maar bij haar slapen, verder niks, om ’s ochtends haar naar de trein te brengen.
’t Gaf niet. Zei ze. Ze zou toch 2 weken weggaan. & Ze zou een andere tijdelijke woning betrekken. Weer een logeerpartij van 2 maanden. Ze had zelf trouwens ook rust nodig. Die ze vast wel zou vinden in Parijs, voor 2 weken.
Haar kin schoof iets naar beneden. Ze keek me vanonder haar wenkbrauwen aan. Haar lippen krulden de verkeerde kant op om haar keus voor Parijs vrijwillig te noemen.
Ik gaf haar een zoen.
Laten we daarna dan weer contact opnemen. Zei Margriet.
Als ik er aan toe ben. Zei ik.
Haar kin nog een stukje lager. & Toen plots weer fier omhoog.

Dus fietste ik na de 1e week voorbij. Om te weten waar ’t huis was waar ze bij terugkomst zou wonen. Logeren.
De afhankelijkheid bonkte door m’n lichaam.
Ik had gelukkig nog een week te gaan.

Nee, ik doe ’t niet. Zei ik. Na de 2e week. Ik heb geen vertrouwen. Ik weet niet of je liegt. Ik weet niet of wat je zegt ook echt is. Ik wil dat ’t echt is, maar ik word er daardoor te afhankelijk van. Ik raak er aan verslaafd. Ik voel me als aan een koordje bungelen. Een elastiek, die strak gespannen kan staan & losgelaten kan worden, daardoor steeds weer terugschietend naar ’t andere uiteinde. & Weer terug afstand nemend.
Ik heb er 2 weken over nagedacht. Zei ik. Maar ik kan ’t beter niet doen. Ik ga er aan onderdoor. Ik ben verslaafd. Da’s erger dan alleen maar verliefd. & Elke dosis die ik krijg doet me naar meer verlangen. Ik krijg zulke kleine doses dat ik niet af kan kicken, dat ik toch steeds weer wil.
& Nu wil ik niet. Zei ik.

Waar ben je trouwens geweest in Parijs? Vroeg ik.
Parijs? Zei ze. Parijs? Ik ben niet weggeweest. Ik was de hele tijd ziek. Heb alleen maar binnen gezeten.
Ik heb aan jou gedacht. Hoorde ik haar fluisteren, toen ik de deur achter me dicht deed.

Clean trokken we verder Zijperspace door.

muismot

‘Hoe gaat ’t nu met je?’ vroeg Rachel.
‘Ach, ’t gaat wel,’ zei ik. ‘Ik slaap alleen erg slecht.’
‘Oh?’ zei ze.
Uitnodiging voor meer. Details.
‘Er zit een muis, geloof ik, boven m’n bed.’
‘Boven ’t plafond?’
‘Ja. Die begint ’s nachts rond te kruipen. Totdat ik me beweeg. Maar ik ben al meerdere keren ervan wakker geworden, midden in de nacht.’

Ik dacht 1st: dat is een mot, op zoek naar de buitenwereld. Ik weet niet precies hoe motten zich voortplanten, maar op dat moment had ik er enig idee van. Dat moment van slaperig wakkerdom, besluiteloosheid voor ’t nachtelijke plasje, & consternatie van ingeslapen te zijn terwijl ’t licht nog brandde. Zo rond dat tijdstip weten m’n hersenen mij bepaalde oplossingen als zeer plausibel voor te schotelen. Moedermot had in de tijd dat m’n huis nog toegankelijk was, de periode voordat de bouwsteiger in m’n tuin werd geplempt, haar eitjes achtergelaten, ergens in een vergeten hoekje, & zoonmot was nu bezig zich te laten leiden door z’n instincten.
Ik hoorde een soortement flapperen. Alsof vleugeltjes wild tegen ’t raam aan sloegen. Omdat buiten de lantaarnpaal de straat belichtte.
Ik schrok, richtte me op & deed onmiddellijk ’t aantrekkelijke licht van ‘t nachtlampje uit. Ik had geen zin in vleugels die in de buurt van mijn mond zouden komen terwijl ik zou liggen snurken. Ik stelde me al een droog gehemelte voor die door iets anders veroorzaakt zou zijn dan ’t constante in- & uitademen van lucht. Een tong die tijdens de zoektocht naar restjes speeksel een mensvreemd orgaan zou ontdekken, een wel zeer groot orgaan, een trilling, de laatste stuiptrekking van ’t insect.
Ik richtte me nogmaals op, besloot de fantasie te doven middels ’t geluid van m’n ontnuchterende nachtplas, & daalde daartoe af uit mijn hoogslaper.
’t Plafond is niet zo ver van mij vandaan. Slechts een ½e meter hoger gelegen dan mijn hoofd. Zo lijkt ’t als ik in bed lig.
Bekijk ik ’t objectief vanuit de huiskamer, dan moet ik concluderen dat ’t toch nog evengoed wel een meter is, maar ik hecht veel waarde aan de gevoelsbeleving van de nacht.
Terugkerend van de wc bedacht ik dat een mot die tikkende geluiden niet had kunnen maken. Tikkende geluiden tegen ’t systeemplafond. Tikkende geluiden die ik ook tijdens m’n ontwaken had gesignaleerd. & Dat flapperen van vleugels kon ’t trillen van een muizenstaart zijn.
‘Ik heb een muis boven ’t plafond zitten & die kan elk moment naar beneden vallen,’ was de volgende gedachte.
Ik weet mezelf altijd op een vindingrijke manier gerust te stellen.
‘’t Zou ook een rat kunnen zijn,’ ging ik verder, terwijl ik me weer in bed neerlegde, ‘want die heeft een krachtiger staart; beter geschikt om de flapperende vleugels van een mot te imiteren.’

‘Maar da’s niet zo erg,’ zei ik. ‘Ik weet dat-ie niet door ’t plafond heen kan. Erger is dat ik afgelopen week een paar keer huilend wakker ben geworden.’
‘Vanwege je vader?’ vroeg Rachel.
‘Weet ik niet. Ik weet dat ik droom & tijdens m’n droom opeens iets meemaak. Vervolgens lopen er tranen over m’n wangen & word ik wakker.’
‘Hè, vervelend. Ik heb ’t ook wel ‘ns.’
‘Nou, zo vervelend is ’t op zich ook weer niet, maar ik slaap dan een paar uur niet. Afgelopen nacht heb ik hooguit 3 uur geslapen. Lig ik de hele tijd aan motten & muizen te denken. & Aan m’n vader. Voor de rest gaat alles goed, hoor. Ik voel me nu kiplekker, ben evengoed uitgerust. Maar ik slaap gewoon slecht. Dan duurt de nacht zo lang. & ’t Is natuurlijk helemaal niet leuk om een groot gedeelte van de nacht te denken dat elk moment een muis naar beneden kan vallen.’

In Zijperspace hebben muizen een vreemde manier om zich voort te bewegen.