zeven

Ik kon niet zien of ’t ging om 4 pootjes of 6. Misschien waren ’t er wel 7. Daarvoor was de tijd voor ’t gebeuren plaatsvond te kort.
Achteraf een gecomprimeerde tijd. ’t Moment dat ik ‘m zag lopen & ’t moment dat ik keek naar wat er overgebleven was. Ik weet ook nog dat ik naar m’n vinger keek. M’n wijsvinger. Van de rechterhand, om precies te zijn. Maar of dat nou vóór of ná de actie was, dat weet ik niet meer te zeggen.
Raar dat een gebeurtenis plots dan nog maar bestaat uit enkele beelden. Waar ‘t grootste gedeelte aan overtolligheid, dat wat niet van belang is om ’t me te herinneren, al uit is weg gefilterd.
Een gebeurtenis, ik noem ’t een gebeurtenis. Terwijl ’t kleinood plotsklaps stopte met ademhalen, zichzelf terugvond in een platte uitvoering, niet ’t doel gehaald had waarnaar ’t aan ’t streven was: ’t einde van ’t aanrecht.
Ik stel me nog veel grotere doelen. Ik ga straks naar m’n werk. Ik heb vanavond trek in een warme maaltijd. Ik wil vanavond voldaan slapen. Morgen wil ik gezond weer op.
Daar heeft ’t wezentje dat onherstelbaar geschonden onder m’n vinger vandaan kwam nooit aan gedacht. Dergelijke doelen waren voor hem te hoog gegrepen. Ik zou met redelijke zekerheid kunnen stellen dat ’t niet in staat was zich van dergelijke gedachtes een voorstelling te maken. Daar was de hersencapaciteit niet groot genoeg voor. De hersencapaciteit die een kort moment nadat je nog daarvan kon spreken gebroederlijk geminimaliseerd lag te wezen naast bijvoorbeeld de restanten van de ogen & de pootjes van ’t beestje. Misschien waren ’t er wel 7. Van die pootjes dan.
’t Enige wat ik deed was m’n ontbijt bereiden. Een boterham had ik klaargelegd om belegd te worden met tonijnsalade. In slaghouding. Ik hoefde slechts de kwak salade balancerend op m’n mes om te keren & ’t brood was bekleed met een oranjeachtig goedje. Een ochtend als andere ochtenden. Ik deed niet echt iets speciaals. Of ’t zou moeten zijn dat ik nog geen bakje thee gedronken had. Dát was voor mijn doen iets uitzonderlijks. Voor de rest was alles heel normaal verlopen. Ook zonder thee voor ’t ontbijt zou er niets noemenswaardigs hoeven gebeuren vandaag.
Ik verschoof m’n snijplank. Ik bereid m’n boterhammen nl altijd op de houten snijplank. ’t Is tegelijkertijd m’n ontbijtbord. Hoef ik niet zoveel af te wassen. Blijft ’t leven in de keuken overzichtelijk.
Ik verschoof m’n snijplank om geen last te hebben van de koelkast achter me. Die staat, vanwege enig ruimtegebrek in de keuken, vrij dicht op ‘t aanrecht. ’t Zorgt er bijv voor dat ik ’t linkeraanrechtkastje moeilijk kan openen. Alsook de la erboven. Ze kunnen slechts voor een gedeelte open. Dit feit weet ik reeds meer dan 4 jaar; ik ben er aan gewend. Vandaar dat ’t verschuiven van m’n snijplank niet meer dan normaal voor mij was. Een automatische beweging. Ik zou nu makkelijker een kleine hoeveelheid tonijnsalade op m’n boterham kunnen mikken.
& Toen kwam dat beestje dus aangerend. Waarschijnlijk definieerde ik ’t op dit bewuste tijdstip als mormeltje, gaf ’t mij de sensatie van een mormeltje te zijn, aangezien ik liever niet gewild had dat ’t tevoorschijn zou komen vanonder de snijplank waar al mijn boterhammen van weg gegeten zouden gaan worden. Een mens ziet nu eenmaal, in zijn ver gevorderde staat van geciviliseerdheid, liever niet een levend stuk wezen in zijn maaltijd. Als ’t dood is, dan is ’t nog tot daar aan toe; vlees van dode beesten is men gewend te verorberen, maar de fase van ’t genieten van bijv nog levende vlooien is men in de westerse beschaving allang voorbij.
Ik wil dus ook niet, of liever niet in ieder geval, tijdens vakanties ben ik wat meer gewend & bereid tot enige concessies richting andere levende wezens op deze aarde; ik wil dus ook niet dat er levende wezens plots van tussen mijn maaltijd tevoorschijn komen lopen. Rennen in geval van dit onderkruipertje.
Ik weet niet hoe de ontlasting van insecten er uit ziet, ’t grootste deel van hun afvalproducten zal ik niet met m’n blote oog kunnen zien, maar ik wil liever niet ’t idee hebben dat ze, terwijl ik eventjes in de huiskamer me aan ’t opwarmen was aan de kachel, hun behoefte gedaan hebben terzijde van m’n plakken brood. Straks zouden die excrementen in mijn mond, even later in m’n ingewanden, terecht komen.
Niet dat ik daar aan dacht, op dat bewuste tijdstip, op ’t moment dat ik ’t diertje weg zag floepen vanonder m’n snijplank. Daar was de lengte van tijd tussen ’t voor ‘t 1st waarnemen & ’t verpulveren van ’t lichaampje te kort. Er gaan ontelbaar veel gevoelens & gedachtes door m’n hoofd, dat stopt nooit, ik ben wat dat betreft haast een gewoon mens, tenzij ik evenzo gedwongen word ermee op te houden middels overlijden, maar ik weet met enige zekerheid dat een dergelijke hoeveelheid inzichten een ietwat te veel zouden zijn voor dat korte tijdsbestek. Ik kan echter beter niets uitsluiten met betrekking tot de motieven ’t beestje met onmiddellijke ingang te beroven van z’n levensadem.
Kort gezegd: ik heb m’n vinger op ’t dier geplaatst, waardoor ’t, enigszins platgedrukt, niet meer in staat was zich voort te bewegen. Ik heb niet gecontroleerd of ’t nog ademde. Ik ben vervolgens gewoon verder gegaan met ’t bereiden van m’n ochtendmaal. Ik heb nog wel even gekeken of ik kon ontwaren hoeveelheid pootjes ’t had. Misschien waren ’t er wel 7, dacht ik.

Dit bekend hebbende, verblijf ik in Zijperspace.

gekker

Zij wilde niets van de wereld weten.
Dat was wel gek.
We waren allemaal gek, ieder op z’n eigen manier. ’t Meisje met een dominante vader. De jongen die z’n omgeving slechts als rechte lijnen kon beschouwen. De jonge vrouw met smetvrees. & Ik.
Samen moesten we er over praten. Als dat niet ging, dan gaf onze begeleider wel weer een voorzetje.
‘Welk bericht in de krant heeft je de laatste tijd ’t meest aangesproken?’
Een paard in de sloot. Een voortijdig gestaakte voetbalwedstrijd. Meisjes van 14 die in sexy kleding de stad in gaan. & Ik zei dat ik me druk maakte over de prijzen die weer omhoog zouden gaan.
Zij zei niets.
Ze zei wel iets, maar ’t kwam niet uit de krant. Dat zei ze erbij, want die had ze niet gelezen.
‘’t Mag ook iets zijn dat je bij ’t nieuws op radio of tv hebt gehoord,’ stelde onze begeleider voor.
Daar keek ze niet naar, luisteren ook niet.
‘Je moet toch weten wat er gebeurt,’ zei iemand.
Ik denk dat ’t de rechtlijnige jongen was. ’t Was een opmerking. Hij dacht niet in vragen. Meer in vaststellingen. Hij kon zeggen dat je onzeker was, maar stelde nooit de vraag waarom.
Zij zei: ‘Nee, ’t gaat heel goed zonder.’
‘Waarom lees je de krant niet?’ vroeg de jonge vrouw smetvrees.
Zij wilde altijd weten wat ergens achter stak. Zij liep nergens omheen. Zij was eerder bang voor dingen waar ze niets van wist. Als je een sessie lang je mond hield, wilde zij weten wat er mankeerde. Lag ’t aan haar?
‘Gewoon, ik lees de krant niet,’ probeerde ze ervan af te komen.
‘Maar dan weet je toch ook niet dat er ergens oorlog is?’ zei ’t meisje met de dominante vader. ‘Of dat er bij jou in de buurt een ramp heeft plaatsgevonden?’
Die zat in een geweldsspiraal. Bedreigingen waren voor haar fysiek. Ze probeerde ’t in ieder geval altijd fysiek uit te leggen. Ze mocht niet te lang bij ons blijven, van haar vader, want anders zouden er dingen gebeuren. Ze zei dat ze dan woorden met hem had, maar ’t klonk gewelddadiger.
‘Dat wil ik juist niet weten,’ zei zij.
‘Je hebt toch vroeger wel een krant gelezen,’ stelde ik voor. ‘Je kan toch ook iets opnoemen van de tijd dat je nog wel een krant las?’
Ik was een man van compromissen. Om ’t allemaal dragelijk te maken. Als iets niet ging, dan moest ’t maar op een andere manier, of helemaal niet. Als ik er maar geen last van had, als ’t me maar geen angsten bezorgde. Ik had een potje ergens, om te negeren dingen in te stoppen. Die zou ik later, ooit, wel eens openen. Op dat moment zat ’t potje echter al propvol.
‘Nee, dat kan ik me niet herinneren,’ zei ze.
Ze was gek. Gekker dan wij, op dat moment.
Ze leek zo rustig, gecontroleerd. Belangstellend als ’t mis ging met 1 van ons, een arm om de schouder, een kneepje in de knie, een hoofd schuin naar ons gebogen om door de tranen toch te zien of ’t nog wel ging. ’t Was geen stevige dame, maar ze stond met haar schouders recht, neus in de wind. Haar ogen vertelden dat ze wist waar ze was.
Maar daar was ’t loos. ’t Ging niet verder dan dat ze zag. Ze wilde niet méér toelaten.
‘Ik ben bang,’ zei ze, & ze zette haar ellebogen op haar knieën.
Haar knuisten verborgen haar mond.
‘Ik wil niet meer weten wat er aan de hand is,’ hoorden we nog zachtjes fluisteren.
Er schoot me een plaatje uit Asterix te binnen, over een man die bang was dat de hemel op hem neer zou storten.
Zij was gek, dacht ik, & was blij dat ik in ieder geval nog ’t nieuws durfde te volgen. Jammer dat ik ’t huis niet meer uit ging om te zien waar ‘t & wat er allemaal gebeurde, maar ik kon ‘t in ieder geval van een afstandje volgen.
Zij zat voorovergebogen. Haar schouders waren naar elkaar toe gekrompen, zo smal als ze op dat moment leek.
Wij hingen achterover, in onze stoelen. We wachtten op wat er nu ging gebeuren.

Maar er gebeurde niets, er gebeurde niets wezenlijks, daar in Zijperspace.

gieg

Ik stapte op de fiets met alleen de gedachte te gaan kijken.
‘Kijken,’ dacht ik, ‘& niet meer.’
Ik had m’n rugzak volgestopt. Met dingen die uitkwamen voor ’t geval dat. Voor ‘t geval dat ik terug zou komen als ’t donker was: lichten voor op m’n fiets. Voor ’t geval dat ik me zou vervelen als ik ergens zat: een boek. Voor ’t geval dat ik hoofdpijn zou krijgen: 1 paracetamolletje. Voor ’t geval dat ik ergens tegenaan zou lopen: nagelknippertje. Voor ’t geval dat iets me te binnen zou schieten: schrift.
’t Zou wel een paar uur duren voordat ik weer thuis zou zijn.

Ik weet nog dat ik onderweg ingehaald werd door een jongen die fanatiek trapte. Ik hoorde ‘m van ver achter me aan komen. Een rammelend spatbord.
Ik dacht: ‘Hij mag me inhalen, maar ik zal laten zien dat je ’t met snelheid alleen niet redt.’
Bij de brug over de Amstel pakte ik ‘m alweer terug. Hij anticipeerde niet op ’t verkeer, zag ik. Liet zich de pas afsnijden door een meisje dat nog minder oplette.
Ik liet ‘m nog een 2e keer komen. Bij ’t Oosterpark.
‘Wedden dat ik ’t nog een keer kan,’ daagde ik ‘m in gedachten uit.
Nog geen 30 meter verder liet-ie zich insluiten door een geparkeerde & een rijdende auto. Ik was ondertussen al langs de linkerkant, via de trambaan, gepasseerd.
Toen ik bij de pin-automaat naar m’n saldo aan ’t kijken was, m’n pasje zat er al in, kwam hij pas weer tevoorschijn. Hij keek naar mij. Wie die man toch was, die ‘m steeds te slim af was. Beetje zelfgenoegzaam ook, van ‘Kijk, ik ben toch sneller’.
Ik wist beter.
Maar daardoor had ik weinig tijd gehad om na te denken. Na te denken over wat te doen als ik gekeken had.

Daar staat dan een rekening met geld. Getalletjes op een beeldscherm. Getalletjes die ik meestal niet in de gaten wil houden. Omdat ’t me meestal niets bijzonders te bieden heeft. Slechts als ik er een hele tijd van af weet te blijven, dan stelt ’t iets voor. Meestal niet dus.
& Met die getalletjes moet je dan aan de gang. Sommetjes maken.
Zoveel ben ik anderen nog schuldig, zoveel krijg ik nog, zoveel moet ik reserveren, zoveel kost iets, zoveel weken heb ik nog te gaan.
Maar dat had ik van tevoren moeten doen.
Je moet je inademen. Je laten zakken in ’t bad dat geld heet, financiën. Je laten omringen door de realiteit, ’t tastbaar maken, tot de essentie komen, weten van de hoed & de rand. Weten wat de waarde van ’t leven is, de waarde van ‘tgeen je reeds hebt, ‘tgeen er aan zit te komen. ’t Waarom, ’t hoe, ’t nut, ’t doel, de loosheid, de lol, ’t overwegen, de tijd die jou met zich meesleept & de achteloosheid die je jezelf kan permitteren.
In plaats daarvan troef ik een fietser af die niet zo slim kan fietsen als ik.

Ik plaatste m’n fiets voor ’t verkeerde raam. ’t Raam van de concurrent.
‘Straks komt er een verkoper naar buiten,’ dacht ik, ‘straks als ik klaar ben, die dan tegen me zegt: “Hé, je had ook wel wat bij mij kunnen kopen.”’
’t Leven hangt van zoveel dingen af. ’t Leven dat op je afkomt. ’t Leven dat je niet verwacht, de hoeken die ’t omslaat, terwijl je dacht rechtdoor te gaan.
Daarom probeer ik alles van tevoren in te calculeren.
‘Dat maakt ’t leven saai,’ zeggen mensen.
‘Nee, dat maakt ’t niet zo overdonderend,’ zeg ik.
& Voordat ik ’t weet sta ik in de rij van de kassa. De snelkassa noemen ze dat hier. Een gebiedend bordje maakt duidelijk dat je hier slechts eenvoudige vragen mag stellen, 3 artikelen in 1 keer mag kopen, er niet veel uitleg over de producten wordt gegeven.
Met de catalogus in de hand begin ik me af te vragen of mijn usb-aansluiting wel de juiste usb-aansluiting is. Belangrijker: mag ik die vraag wel stellen aan de verkoper & weet ik dat binnen de beperkte snelkassa-tijd te achterhalen?
Angstvallig laat ik iemand voor gaan, om me onverwacht snel toch met de verkoper geconfronteerd te zien.

‘Nee, nee,’ zei ik, ik had geen tasje nodig, want ik had een rugzak.
& Met dat rugzakje voorop de fiets geladen, gevuld met alle gevallen dat, keerde ik terug naar huis.
‘Ik ben nog geen ½ uur weggeweest,’ dacht ik even later, na een fietstocht waar ik me nergens van bewust was, ‘& ‘t is nog licht; sterker, ik heb ook geen hoofdpijn gehad.’
Ik haalde de minst belangrijke spullen uit m’n rugzak, de meest belangrijke, voor ’t geval dat, liet ik zitten. Maar ook daar was ik me niet bewust van. Dat zou ik pas merken als ik weer de deur uitging. Straks, als ik andere mensen m’n mp3-speler moest laten zien.
Tijdens ’t uitpakken oefende ik alvast ’t zinnetje: ‘Met maar liefst 20 gieg.’

Zodat ’t goed zou klinken in Zijperspace.

reparatie

‘Kunnen we ‘m niet beter buiten uitproberen?’ vraag ik.
‘Nee, dat kan niet,’ zegt Quint.
‘Jawel, toch? Dan gebruiken we de tuinslang om ‘m vol te laten lopen.’
‘Nee, dat kan niet.’
‘Oja, ik zie ‘t. De watertoevoerslang zit er aan vast.’
We trekken de wasmachine naar voren. Zodat we ’t geheel kunnen overzien.
‘We moeten weten waar ’t vandaan lekt,’ legt Quint aan m’n moeder uit.
‘Ja,’ zeg ik kundig. ‘Niet alleen maar van de voorkant.’
We sjorren & rukken.
‘Kan ik gelijk ’t zeil schoonmaken, daar waar de koelkast stond.’
Ik zie nl zwarte slierten liggen. Wat afgevallen korreltjes roest.
‘Nou, daar gaan we,’ zegt m’n broer. ‘Hoe zet je ‘m aan?’
‘Kraan open?’
‘Ja.’
‘Dan draaien we een kort programmaatje.’
Ik draai aan de knop. Trek ‘m er uit, zodat-ie aanslaat. Sla vervolgens de ontwikkelingen gade. ’t Water loopt de machine in & de schakelaar tikt.
‘Hier zit ook een gat,’ wijs ik aan de achterkant naar een soortement ontluchtingsgaatje. ‘Daar kan ’t ook door gelekt zijn.’
We blijven kijken.
‘Oh, shit, ’t stroomt al,’ zeg ik. ‘’t Komt van binnenuit.’
‘Ok, dan moet ik binnen in de machine kijken.’
‘& Ik moet ’t zeker weer bij gaan dweilen? Ma, kan jij even die doekjes aangeven?’
M’n moeder gooit me wat toe. Ik ga op m’n knieën.
‘Marc,’ roep ik naar m’n jongste broer, ‘kan jij even dat teiltje gooien?’
Iedereen doet wat, maar ik doe ’t meest. Quint is ondertussen bezig de machine aan de achterkant te openen.
‘Ton, maak ’t hier ‘ns droog,’ zegt-ie.
‘Waar denk je dat ik mee bezig ben?’ reageer ik geprikkeld.
Zo schoon heeft de vloer nog nooit gezien, denk ik ondertussen. Alsof dat m’n bedoeling was. Op dit moment lijk ik liever een vieze vloer te hebben. 10-talle malen knijp ik dweiltjes & theedoeken uit boven de teil.
‘Geef me in ieder geval een doekje,’ zegt Quint. ‘Ik ga niet met m’n rug in de nattigheid liggen.’
We kunnen goed samenwerken, bedenk ik me. Alleen op een snauwtoon kan iemand de leiding verkrijgen.
Quint ligt op z’n rug. Hij kijkt de machine in. Hij gebruikt z’n mobieltje als zaklantaarn.
‘Oh, d’r zit een slangetje los,’ zegt-ie. ‘Die is losgeraakt tijdens ’t vervoer.’
‘Is dat alles?’ vraag ik.
‘Ja,’ zegt Quint. ‘Kon ook niet anders. Een ½ jaar geleden deed-ie ’t nog. Nooit gelekt.’
Hij staat weer op.
‘Zet ‘m maar weer aan.’
‘Ja, jij mag dweilen als ’t weer nat wordt.’
Ik ben nog maar net klaar met de vorige vloedgolf.
‘Er gebeurt niks meer.’
‘Is ’t al gebeurd?’ vraagt m’n moeder vanuit de tuin.
‘Ja, zullen we naar een museum gaan?’ vraagt Quint. ‘Die machine heeft maar 5 minuten geduurd, dus nu hebben we de hele middag de tijd.’
‘1st Kijken of-ie niet gaat lekken,’ zeg ik nog ietwat onzeker.
‘Ja, laten we maar naar een museum gaan,’ zegt Marc.
‘Of naar de Artis,’ stelt m’n moeder voor.
‘Nee, niet naar Artis.’
‘Ik ga 1st even een was doen,’ zeg ik. ‘Ik heb geen schone dweiltjes & theedoeken meer.’

Voor een mogelijke volgende vloedgolf in Zijperspace.

drupsgewijs

’t Drupt. ’t Drupt de vuilnisbak nat. De oude vuilnisbak, geïmporteerd uit Den Helder.
M’n moeder had haar oude vuilnisbak, zo’n ijzeren bak, met de stad als opdruk op ’t deksel, bij de vuilnis gezet.
Er zat dan wel geen bodem meer in, maar ik zei: ‘Moe, dat is zonde. Ik had ‘m graag willen hebben.’
Toen ’t al te laat was. Ze had geen vuilnisbak meer. Vervangen door de rolcontainers. Ieder gezin in Den Helder heeft 2 rolcontainers, groen & zwart, maar beiden esthetisch onverantwoord. Zeker in vergelijking met de oude ijzeren bak, Den Helder op ’t deksel.
Ze heeft haar vrienden & kennissen ingeschakeld. De volgende die de oude vuilnisbak bij de vuilnis wilde zetten, kon overwegen ‘m aan m’n moeder te doneren. Zij had een zoon die er veel plezier aan zou beleven.
Zo kreeg ik m’n vuilnisbak. Zo’n oude, met Den Helder op ’t deksel. Hij maakt lekker veel lawaai als je de klep toedoet. Dan weet iedereen weer dat je in de stad woont. In een gezellige stad, waar ijzer klinkt op ijzer, & je de buurvrouw zingend de was hoort ophangen.

’t Is de was die drupt. De was die niet gelukt is. We moesten de wasmachine nog maar een keer uitproberen. M’n broer dacht een oplossing te hebben, tegen ’t lekken, tegen m’n keukenvloer onder water zetten.
De oplossing was niet goed. M’n keukenvloer weer onder water. & De was wilde zodoende ook niet lukken.
Ik kon de testhanddoek & ’t testtoiletmatje wel uit gaan knijpen, maar van al dat wasmiddel krijg je van die ronde vingers, van die vingers waar niks aan wil beklijven. Ik heb ’t gewoon maar opgehangen. Nat. Dat drupt bovenop ’t vuilnisvat.

Ik hoorde een jongen op tv zeggen, ’t was lokale tv, dat hij zich afvroeg hoe ’t kwam dat je zag dat iets nat was. De tegels nat van de regen zien donker. Een t-shirt evenzo. Hoe kan dat nou, vroeg-ie de camera in. Ze lieten kort de straat zien, die net een regenbuitje achter de rug had. Daarna zoomden ze in op ’t t-shirtje dat de jongen aanhad. Maar die was droog.
Terwijl ’t eigenlijk over een heel ander onderwerp ging.
Toen stopte ’t korte interview. & Ik bleef denken.
‘Ja, dat komt doordat de druppels, ’t vocht, dat trekt er in, ligt erbovenop, & dan…….’
Verder kwam ik niet.
Ik wist inmiddels ook niet meer wat ’t oorspronkelijke onderwerp van ’t interview was. Ik dacht aan de kleur van nattigheid & hoe dat kwam.

Ik kan wel een tijdje blijven kijken, naar de druppels die op de vuilnisbak vallen. Ze gaan 1 voor 1. Soms met z’n 2-en. Ik wacht tot ’t hele deksel verkleurd is. Donkergrijs ipv licht. Er vormt zich een stroompje, de beste weg die een straaltje water, een verzameling druppels, kan volgen om naar beneden te komen. Sommige stukken deksel blijven daardoor droog. Omdat ’t niet op de route van de zwaartekracht ligt.
& Ook de wind heeft invloed. Die wiegelt de handdoek, zodat de druppels anders vallen, naast ’t deksel, op ’t randje van ‘t deksel, midden op ’t deksel, bijna ’t hele deksel nat, maar toch niet helemaal.
Stiekem volg ik ook de cementplekken. De stukadoors hebben die achtergelaten. Harde klodders cement op mijn vuilnisbak. Te hard om met m’n vingers af te krabben. Ik ben dan aan ’t lange-termijn-kijken. Kijken of de druppels, die gestaag doorgaan, invloed hebben op de klodders. Misschien worden ze geleidelijk aan week, vervolgens weggewassen, is mijn stille hoop. Ik besef dan wel dat ’t héél erg lange-termijn kan worden, maar ik heb geduld als ik naar druppels kijk.

Ik laat m’n blik afdwalen. Er is genoeg te doen terwijl je druppels kijkt. Ik kijk m’n tuin, ik kijk de vogels in m’n tuin. De 1 vliegt, de ander fluit. Sommige zoeken voedsel in mijn tuin.
Dat bekijk ik vanuit m’n huiskamer, vanachter de tuindeuren, of vanuit de keuken, terwijl ik thee aan ’t zetten ben.
Tenminste, dat wilde ik. Thee zetten.
Ik had de waterkoker in m’n handen, de thermoskan stond klaar voor ’t hete water. Maar terwijl ik schonk, hoorde ik een ander geluid. Anders dan ik gewend ben.
Je kan wel blijven kijken. Naar water dat druppelt, naar vogels die vliegen, naar alles wat je blik maar wil vangen. Maar je moet ook blijven luisteren, zei ik tegen mezelf.
& Dat water dat klinkt niet. Dat klinkt niet als heet water.

Ik heb ’t teruggeschonken. De waterkoker ditmaal wél aangezet. Terwijl ’t bezig was, ben ik weer gaan kijken. ’t Drupte door. Ik zag ’t kleuren. Lichtgrijs werd donkergrijs. Cement werd weggespoeld, hoewel ik dat nog niet kon zien. & Den Helder was inmiddels helemaal nat. Ik hoorde in de verte een buurvrouw een kinderliedje voor haar kleine zingen, terwijl ‘t water begon te borrelen.

Op een gegeven moment is ’t klaar met druppen, maar dat duurt nog wel een tijdje in Zijperspace.

dienst

Soms mochten we alleen met Pa. Moest-ie een lezing doen.
Ik probeer ’t me te herinneren. Er was een 1e lezing & een 2e lezing. De 1e was uit ’t Oude Testament. De 2e ’t Nieuwe Testament. Ik geloof dat de pastoor 1 van beide deed. De ‘leek’, mijn vader, deed de ander.
Daarom moest mijn vader op de voorste rij. Of daar in de buurt. Dan was-ie sneller bij ’t spreekgestoelte. Zal ook wel een naam hebben.

‘Ma, hoe zat ’t nou, Pa nam ons toch ook wel ‘ns mee? Dan ging er slechts 1 zoon mee naar de mis waar hij moest voorlezen.’
‘Ook wel meerdere. We gingen heel vaak met z’n allen.’
‘Ja, dat weet ik, maar ’t kwam volgens mij ook wel ‘ns voor dat Pa maar 1tje meenam.’
‘Oh, dat kan ik me niet meer herinneren.’

We gingen om beurten. De ene week Carel, de andere week mocht ik. De mis van 9 uur. We moesten vlak na de Ko-de-boswachtershow ons snel aankleden, Pa ook, om bijtijds bij de kerk te zijn. Lopend. Een enkele keer met de auto, als Pa niet uit bed had kunnen komen.
Om beurten, zoals we ook om beurten een tijdlang mochten opblijven. Carel op zaterdag & ik op zondag. Dan miste ik Catweazle & had er een stom programma voor in de plaats. Maar ik had nu 1maal zelf voor zondag gekozen, omdat ik dacht dat dat gezelliger was.
’t Was een strategie van m’n ouders, vermoed ik. Dan waren we minder tot last. Haal de 2 drukste uit elkaar & je hebt minder last van ’t groter geheel. & 1tje Was altijd makkelijker in toom te houden. We waren vaak ademloos. Voor de tv of tijdens de dienst.
We kregen ’t boekje in de hand gedrukt, mochten Pa z’n pen lenen. Hij trok ‘m uit z’n binnenzak.
‘In m’n handen terug.’
Met die zin gaf-ie normaliter z’n pen te leen. Een parker. Behalve als we in de kerk waren. Dan hield-ie z’n mond, gaf-ie hem stilzwijgend. Ik gebaarde dat ik ging tekenen, in ’t misboekje van 2 samengevouwen blaadjes, tikte hem op de mouw. Pa haalde z’n pen tevoorschijn, terwijl hij recht vooruit bleef kijken.
Soms knielde ik achterstevoren. Knieën op de bidplank, boekje op de bank, naast Pa. Af & toe opzij buigend om te laten zien wat er getekend was. Pa een vinger naar z’n mond dat de mis nog niet afgelopen was, juist nu in een cruciale fase terechtgekomen was. Hij haalde een pottertje uit z’n potterpotje, een 2e omdat 1 niet genoeg was, & dwong je tot stilte. Volgende tekening, pottertjes rollend door de mond. Als we pottertjes hadden, leken we op Pa.

Hij gaf een stootje als-ie bijna aan de beurt was. Dan ging ik recht zitten. Ik keek alvast een keertje om me heen. Wie er in de buurt zaten. Bekenden, kinderen, andere mensen die wel eens voorlazen. Of ik zocht de koster. Minder belangrijk als Pa. Die moest alleen maar de kaarsen doen, de nrs van de liederen op ’t bord noteren, de collectemandjes ophalen.
Pa moest de lezing doen. & Hij hielp bij de communie. Gaf net zoveel hosties weg als meneer pastoor. Ik zag ‘m zelfs wel ‘ns mensen de hostie in de mond leggen. Die waren ouderwets. Maar m’n vader kon ’t evengoed. Zo bovenop de tong. M’n vader bewoog z’n mond dan een beetje mee met die van degene die de hostie in ontvangst nam.
Als Pa me er op attendeerde schoof ik m’n billen zover mogelijk naar achter. M’n knieën in. Dit in geval hij er langs moest. Maar meestal zat-ie bij ’t gangpad. Dan stapte hij gewoon uit de bank. & Ging ik recht zitten. M’n benen bungelden van spanning. Vingers onder de blote benen van de korte broek.
‘Kijk eens,’ dacht ik naar de andere mensen toe, ‘dat is mijn vader.’
Ik vond ‘m dan belangrijk. Hij was immers de enige die tijdens de mis bewoog. Uit de rij stapte. Even door z’n ene knie ging op dat moment, een korte buiging met de hand aan de leuning van de bank, nog een keer voor ’t altaar, een kruisje, terwijl ik omkeek wie dat zag.
& Terwijl hij voorlas keek ik verder. Ik zag de ramen die soms ’t verhaal illustreerden, de bijbel in glas in lood. Ik zag ’t orgel, dat vroeger in onze huiskamer had gestaan. Ik telde de kaarsen & vroeg me af wat er zich allemaal achter de deuren bevond, waar de pastoor later door zou verdwijnen, of hoe wijn zou smaken, ’t bloed van Christus, waar Pa een slok van mocht nemen.
Als-ie terugkwam, pakte ik zijn pen weer op, knielde neer, maakte de volgende tekening.

Op weg naar huis hield ik z’n hand vast, zodat mensen konden zien dat ik bij hem hoorde.

Dan liep ik naast zijn schoenen door Zijperspace.

zelfregulering

De kreunende pot, denk ik. Ik trek door & denk: ‘de kreunende pot’.
Snap ik ook niks van. Ik zie ‘m langzaam weer adem halen nadat ik doorgetrokken heb. De knop die daarvoor dient komt geleidelijk aan omhoog. Als om ruimte te creëren voor ’t volgende reservoir water. De vorige hoeveelheid stort naar beneden, spoelt weg; wat zijn plek in moet nemen, komt er zo aan. & Daar gaat de plee van kreunen. Omdat ’t niet door de buis past. Omdat er te veel water in 1 keer door dat aangetaste buisje wil.
Waar ’t door aangetast is & of dat de werkelijke oorzaak is, ik zou ’t niet weten. Ik hoor slechts ’t kreunen van de pot, of eigenlijk van de toevoerbuis, & ik zou willen dat ’t een keertje ophield. Maar ik zou niet eens weten wie mijn probleem moet oplossen.
Ja, eigenlijk, bedenk ik me, eigenlijk is ’t niet eens míjn probleem; eigenlijk is ’t een probleem voor de toeleverancier van ’t water. Want al dat water dat onzinnig doorstroomt, dat de hele dag door de plee in drupt, als een klein stroompje, daar betaal ik niks voor, dat zit al in m’n rekening verwerkt. Dus ook al verbruik ik meer, ik betaal niets extra.
Mijn probleem is alleen maar dat ik niet weet wie ik moet inschakelen om ’t daadwerkelijke euvel op te lossen. & Anders durf ik ’t niet, bang dat ik de verkeerde instantie aan de lijn krijg.
‘Wat mot je?’ zullen ze dan zeggen.
Waarop ik met een mond vol tanden sta. Kan ik moeilijk nog beginnen over de kreunende pot.
‘Meneer,’ zal de stem aan de andere kant in zo’n geval zeggen, ‘er zijn mannen die daarvan dromen, van kreunende potten. Daar hebben ze de wildste fantasieën over.’
Dus besluit ik maar niet te bellen naar ik-weet-niet-wie.

Mijn manmoedigheid vanochtend overviel me, wat dat betreft. Ik zag een telefoonnr & besloot die te draaien. Pardoes.
Ik maakte ’t me nog wel even moeilijk, door te bedenken dat ’t lastig was een nr te moeten onthouden onderweg van de geiser in de keuken naar de telefoon in de huiskamer. Pen & papier zag ik nog niet direct als een oplossing, dat leek me alleen maar een extra keer op & neer lopen. & Terwijl ’t water welig doorstroomde & ik mijn gedachten probeerde te ordenen, schoot mij te binnen dat ’t niet verplicht was je ‘vaste’ telefoon te gebruiken wilde je de Nuon bellen.
Nuon, de eigenaar van ’t apparaat, stond op de geiser aangegeven. ’t Telefoonnr dan. Met daarbij vermeld dat dit ’t telefoonnr van Nuon was. De eigenaar van dit apparaat. Nou ja, eigendom van GEB-Amsterdam stond er. Daarvan wist ik me nog net te herinneren dat die overgenomen was, of was overgegaan in de Nuon.
‘Bij storing: telefoonnr.’
Dat stond er.
Dus terwijl ’t water olijk alle kanten op spetterde, ik met een heetwaterreguleerknop in 1 van m’n handen stond, besloot ik m’n mobiel te gebruiken om die instantie ‘ns te benaderen.
Helder denken. Ik complimenteerde mezelf alvast met deze daadkrachtigheid, dit overzicht over de situatie, de euvele moed toe te slaan als ’t nodig is.

‘Met de storingsdienst van de Nuon,’ zei de man aan de andere kant.
Ik vertelde hem mijn naam & viel vervolgens met de deur in huis. Dat leek me ’t beste. Dan weten die mensen van de storingsdienst tenminste dat ze met een echte storing te maken hebben.
‘M’n geiser is plotseling gaan lekken.’
Waarop hij m’n postcode wilde hebben, vervolgens ’t huisnr.
‘Geiser?’ vroeg-ie.
‘Ja, hij lekt,’ zei ik.
‘Wacht even hoor,’ zei hij.
Hij ging iets opzoeken. Mompelde ondertussen iets over ’t weekend. & ‘Maandag’ voegde hij daar ook murmelend aan toe. ’t Woord ‘tarieven’ ontglipte hem ook tijdens zijn zoektocht.
Na zoveel informatie al prijs gegeven te hebben, besloot-ie mij daadwerkelijk te gaan inlichten.
‘Ja, ik ben aan ’t zoeken of er geen eigen bijdrage geleverd moet worden als er in ’t weekend voorgereden moet worden in geval van een storing aan de geiser. Met de verwarmingsbronnen voor binnenskamers is dat niet zo, maar met heet-waterregelaars wel, zie ik hier staan.’
‘Shit,’ ontglipte mij, terwijl ik mijn improviserende talenten onderwijl aan ’t botvieren was op de genoemde geiser.

Ik had nl in de tussentijd bedacht, zwaar noodzakelijk leek mij, gezien de informatie die mij door ’t mompelen & murmelen van m’n gesprekspartner ter ore kwam, dat ik beter zelf een list kon bedenken, anders zou ik óf zwaar moeten betalen, óf zwaar op zoek moeten gaan naar assistentie, óf voor de 2e maal deze week te maken krijgen met een keuken die zwaar onder water zou komen te staan. Men begrijpt mijn bezwaren.
Dit bedenkend, besloot ik de stoute schoenen aan te trekken, de gsm in mijn hand, luisterend naar ’t brabbelen van de man die mij met raad & daad bijstand moest verlenen, maar daar blijkbaar geld voor gepresenteerd wilde zien, & op zoek te gaan naar een schroevendraaier.
Er was mij nl een schroefje opgevallen. Op de plek waar 1st die heetwaterreguleerknop zat, die ik overigens nog steeds in m’n linkerhand hield (ik begon me blijkbaar aan ’t knopje te hechten). Daar waar dat ding eerder zat, was nu een schroefje tevoorschijn gekomen. Misschien dat een schroevendraaier daar iets mee kon. ’t Had in ieder geval een gleuf waar mijn gereedschap in paste.
Dus, op ’t moment dat ik ’t woordje ‘shit’ bezigde, in consternatie over de mij gepresenteerde toekomstige rekening, in geval ik dit weekend gebruik wilde maken van de diensten van de storingsdienst, ad € 32,-, draaide ik, de telefoon aan m’n linkeroor, de heetwaterreguleerknop legde ik voor ’t gemak even op de aanrecht, met de schroevendraaier aan ’t schroefje. & Wist daarmee de lekkende geiser tot een niet-lekkende geiser te maken.
‘Wat grappig,’ dacht ik, ‘zou ik ‘m nog verder kunnen draaien?’
Dit omdat ’t allemaal zo simpel overkwam.
‘Weet je,’ zei ik ondertussen tegen de man van de storingsdienst, ‘terwijl jij zat te praten, heb ik even een schroevendraaier gepakt & daarmee wat geïmproviseerd.’
Dat laatste vond ik wel goed klinken.
‘Dus wat ik doe,’ ging ik verder, ‘ik kijk ’t even aan, & als ’t maandag nou nog niet in orde is, dan bel ik gewoon nog een keer.’

Er volgde een triomftocht van de keuken naar de huiskamer van Zijperspace.

teuten

‘Hoe was ‘t?’ vraagt m’n moeder met een zachte stem.
’t Is alsof je een vleugje zout in je thee proeft. Iemand die nooit thee drinkt, zal ’t niet opmerken. & Toch ook door de grote hoeveelheden suiker die ik per bakje gebruik heen, neem ik ’t waar.
1st Maar haar vraag beantwoorden. Als ze ’t kwijt wil, dan hoor ik ’t straks wel.
‘Was leuk,’ antwoord ik. ‘’t Zeil is gelegd, de wasmachine aangesloten. Een nieuwe harde schijf in m’n computer. De waslijn hangt weer. ’t Is maar goed dat ik Quint heb laten komen.’
‘Mooi,’ zei m’n moeder. ‘Van je familie moet je ’t toch wel hebben.’
Een breuk in haar stem. Ik kan er nu niet meer aan voorbijgaan. ’t Kost haar moeite om de zinnen er uit te krijgen. Ik zie de rimpels in haar voorhoofd staan, de hoofdpijn, de traan in haar ooghoek.
We zijn er voor getraind, vroeger. Een spartaanse school. Zogauw ’t gezicht van m’n moeder asgrauw stond, wisten we dat we stil moesten zijn. Geen ruzie maken, geen vriendjes binnen op bezoek, beter buiten spelen, geen woordenwisselingen om de grootste gehaktbal. Overtreding werd door m’n vader streng afgestraft met een blik die je 20 cm in de grond deed zakken. Geen geluid. Slechts een blik. Een kneep in de arm, hooguit, als je naast hem zat. & Er werd verder opgeschept uit de pannen. De opscheplepels raakten op zulke dagen de borden niet.

‘Wat is er, Moe?’ vraag ik. ‘Gaat ’t niet?’
‘Nee.’
Ik voel een traan rollen aan de andere kant van de lijn. Fluisterzacht wordt-ie opgevangen door een zakdoek. Verfrommeld. Haar duim & wijsvinger drukken ’t weg in haar vuist. Ze kijkt schuin voor zich.
‘’t Is vandaag 2 maanden geleden.’
‘Ja, ik weet ‘t,’ zeg ik. ‘Ik moest er vandaag ook aan denken.’
‘Ik mis ‘m.’
M’n adem stokt. Terwijl m’n lichaam zich in een rustige houding dwingt, m’n gat vindt als vanzelf de meest comfortabele zitplek op de stoelleuning, wervelt er een horde aan emoties op in m’n hoofd. ’t Lag er rustig, een plotse windvlaag doet beseffen dat ’t slechts de vloer bedekte, wachtend tot ’t weer beroerd zou worden.
‘Ik wil zo graag nog wat tegen ‘m zeggen,’ zegt m’n moeder. ‘Ik mis de gesprekken die we hadden.’
‘Ja.’
Meer niet. & Ook dat met moeite.
‘& Dan weet ik heus wel dat we die de laatste tijd ook niet meer hadden,’ gaat m’n moeder verder, ‘maar toch is ’t alsof ik dat niet heb afgemaakt. ’t Kan niet dat-ie weg is.’

We zwijgen beiden.

‘Ik denk de hele tijd dat ik nog een wandeling met ‘m moet maken,’ zeg ik. ‘Jij wilt nog met ‘m praten & ik wil nog een wandeling maken.’
‘Ja,’ zegt m’n moeder.
‘& Dan wil ik dat opschrijven, maar dan lukt me dat niet. Alsof ik alle emoties al heb gehad, zo voelt ’t dan, maar toch kan ik de juiste woorden niet meer vinden.’
‘Misschien moeten wij nog eens een wandeling gaan maken,’ zegt m’n moeder.
‘Ja, dat zou leuk zijn.’
& Nog een hele hoop zinnen vormen zich in m’n hoofd, maar ze dienen zich allemaal tegelijkertijd aan, net als ’t samentrekken van m’n keel, waardoor er niet meer dan dat ene zinnetje uitkomt.

‘Moe,’ zeg ik.
‘Ja?’
Stil.
Ze hoort me ademen. Hortend, stotend. Ze ziet hoe ik de hoorn in m’n handen heb. Hoe ik opgestaan ben, onrustig schuifel, ’t geluid van de installatie wegdraai. Ze ziet me wriemelen aan m’n neus.
‘Dat was toch leuk, hè,’ zeg ik eindelijk, ‘vorige week in Amsterdam?
‘Ja, dat was leuk,’ zegt ze. ‘Dat moeten we maar ‘ns vaker doen.’

‘Maar ach,’ zegt ze even later, ‘ik moet niet als een oude vrouw gaan teuten.’
Ze recht haar schouders. Hoewel ze wat krom zullen blijven staan. Ze haalt de trilling uit haar stem.
‘Wel, Moe,’ zeg ik. ‘Je moet wel teuten. Je was 47 jaar met hem getrouwd. Dan mis je hem.’
‘Da’s waar,’ zegt m’n moeder.

& Wilde bloemen bedekken nogmaals ’t graf in Zijperspace.

lamlendig

‘s Nachts besluit ik niet naar m’n werk te gaan. ’t Wordt te gek. M’n adem schuurt door m’n keel. Alleen door wakker blijven heb ik ’t idee de nacht te kunnen overleven. M’n hoofd bonkt.
½ 10 Bel ik op. Beide werkgevers. Zielig verhaal: verkouden & hoofdpijn, maar ’t zit wel goed.
Ik ga een was doen. Dat kan ik beter vroeg doen, want dan heb ik met alle loomte de hele dag de tijd de was op te hangen. Kijken of-ie ’t doet: de nieuwe 2e-hands.
Terwijl ik boterhammen smeer, zakdoek gereed om druipen te voorkomen, voel ik nattigheid aan m’n voeten. ’t Gisteren neergelegde keukenvloerzeil staat blank. Nieuwe 2e-hands werkt niet.
Ik ben een uur bezig de vloer weer droog te krijgen. ’t Zeil moet, na nog geen 24 uur op z’n plek gelegen te hebben, de rest van de dag opengeslagen liggen. De ondergrond moet drogen. De was trek ik uit de machine, laat ik in de tuin op een stoel uitdruipen tot ik een oplossing ervoor heb gevonden.
Ik probeer een boek te lezen. Nog maar 100 blz. Maar met ’t vooruitzicht dat ik de hele dag binnen zal moeten blijven, kan ik me niet concentreren.
Ik vlieg internet op, op zoek naar spelletjes. Ik haal binnen, ik gooi weg, tot ik laat in de middag een écht verslavend spelletje gevonden heb.
De was heb ik ondertussen bij de bovenbuurvrouw gebracht, 3-hoog ditmaal. Net terug uit Griekenland. Ondanks m’n verkoudheid, een andere opgang, & ’t feit dat ik hun van 3-hoog 3 maanden niet gezien heb, voel ik me thuis. Zo vaak gebeurt ’t niet dat ik ziek thuis ben. Zie gebeuren wat er gebeurt op een paar vierkante meter. Boven & onder mekaar.
Ondanks dat neem ik ’t mezelf kwalijk dat ik niet genoeg dankbaarheid toon. Ik besef ’t me later pas. Dan ben ik echter al bezeten van ’t spel dat ik een uur lang op proef mag draaien op mijn computer, zodat ik ’t schuldgevoel snel vergeet.
Ik probeer meeltjes te versturen. ’t Aanslaan van de spatietoets gaat pijnlijk; gisteren is er tijdens ’t schoonmaken van de keukenapparatuur een ijzersplinter achter m’n nagel geschoten. De nagel van m’n spatie-duim. Ik beperk ’t schrijven daarom tot een minimum. Afwassen trekt me ook niet. ’t Hete water lijkt de wond in te trekken, alsof er zout in ’t afwasmiddel zit.
Ik beperk me tot ’t beeldscherm. Als de proefperiode van ’t ene spel verstreken is, probeer ik een volgende uit. Elke keer besluit ik dat ’t ‘t laatste is, ’t boek is belangrijker dan spelletjes, maar verslaving heeft me te pakken.
’s Middags heb ik een maaltijd in elkaar geïmproviseerd. Dermate veel dat ik ’t als middag- & avondmaal gebruik. Ik stop de restanten in een bakje om morgenavond ook iets te eten te hebben.
Ik sta m’n collega’s in de vroege avond te woord, dat ik morgen weer ga werken, overmorgen ook.
Ik wil niet te lang meer opgesloten zitten. Daar ga ik te veel niets van doen. ’t Boek ligt er maar, op z’n kop opengeslagen, nog 75 blz.

& Een stukje voor Zijperspace komt er waarschijnlijk ook niet van.

zestien

Om een glas beter te kunnen bekijken, boog de man voorover. Waarbij z’n rug even krom bleef als ervoor. Er veranderde niets. Hij deed slechts een stap vooruit. Misschien dat z’n hoofd zakte, maar meer niet. Dat was zijn buigen. Terwijl hij ondertussen z’n ogen toekneep & ‘hmf, hmf’ brabbelde.
‘Mag ik dat glas daar zien?’ vroeg-ie.
‘Deze?’ vroeg ik.
‘Volg m’n vinger,’ corrigeerde hij mij. ‘Daar, die pul.’
Terwijl zijn verschijning steeds krommer oogde, werd mijn rug rechter. Ik moest ergens ’t geduld vandaan halen. Dan maar uit m’n houding.
Hij hield ’t glas voor z’n ogen. Vlak ervoor. Z’n neus raakte ’t voorwerp bijna. Een neus met dezelfde kromming als z’n kale magere voorhoofd. Z’n lippen smakten ‘hmf’, legden hun waardering of afkeuring in ’t glas. Alleen voor hem zelf te verstaan. Hij hield ’t schuin, dan weer recht, bewoog ’t omhoog, tegen ’t licht, om daarna de bodem te bestuderen. Z’n hand aaide de buitenkant, op zoek naar oneffenheden.
‘Ja, ja,’ zei hij, ‘volg mijn vinger. Dat glas daar. Weihen…..?’
‘Weihenstephan?’ maakte ik de naam af. ‘Deze ½e literpul?’
‘Nee, ernaast. Links.’
Ik wilde ’t voor hem neerzetten, maar z’n beetgrage handen hadden ’t glas al vast.
‘Ik zet ’t liever op de toonbank,’ zei ik.
Maar z’n aandacht was al gezonken tot ‘t ‘hmf’-niveau. Zelfde ritueel.

Z’n keuze was gemaakt.
‘2 Maal deze pul, graag.’
Ik pakte er 1 exemplaar bij. Plaatste de afgekeurde modellen terug in ’t schap.
‘Nou wilde ik vragen,’ begon hij ondertussen traag. ‘Misschien een lastige vraag. Er bestaat een heel zwaar bier. Even kijken, hoe heet ’t ook alweer? Bij mij in ’t dorp kan ik ’t niet meer krijgen.’
‘Belzebuth? Bush? Kanon?’
‘Iets met een ‘e’. Hm, eek, eem, emu. Zoiets.’
‘Eku? Een duits bier.’
‘Ja, heeft u dat? Bij mij in ’t dorp kan ik ’t niet meer krijgen.’
‘’t Staat daar boven. Bij de andere duitse bieren. Op de bovenste plank. Als u er niet bij kunt, dan kunt u op een houten kratje staan.’
Ik wilde hem wel zien reiken. Reiken naar de bovenste plank, met z’n kromgetrokken houding. Ik wil mannen die me 10 minuten nutteloos bezig houden graag hun lichaam zien rekken. Ik zal die binnenskamersteruggetrokkenheid er wel eens uittrekken, uitrollen tot z’n volle lengte.

Ik ging in de deuropening staan. Even frisse adem. Even weg uit de dwangbuis van de toonbank.
Thomas kwam me gezelschap houden. We lachten naar elkaar. Gekke vent.
‘Die vent was écht gek,’ begon Thomas.
Ik lachte. Maar ’t gezicht van Thomas betrok.
‘Shit,’ zei hij. ‘Die vent staat er nog.’
Ik volgde z’n blik. De man stond enkele meters verder z’n glazen & flessen opnieuw in te pakken. Z’n stevige linnen boodschappentas werd geherstructureerd.
Schielijk stapten we weer naar binnen.
‘Ja, hij is gek,’ fluisterde ik.

Hij kwam weer binnen.
‘Ik wilde nog iets vragen,’ vroeg-ie met z’n neus naar voren.
Een neus die lang geen zon had gezien.
‘Weet u de postjesweg?’
Ik schudde m’n hoofd.
‘& De van der Helststraat?’
Ik trok een peinzend gezicht.
Een klant kwam van achter uit de winkel de helpende hand bieden.
‘De van der Helststraat is in de Pijp,’ hielp deze.
‘Hoe kom ik daar?’ was de volgende vraag.
‘U kan lijn 24, 25 of 16 nemen.’
‘Lijn 24 of 25,’ herhaalde de zonderling.
‘& 16,’ voegde ik toe.
‘Weet u ook de postjesweg?’
‘Jazeker,’ zei de klant.
‘Is die in de buurt van de postjeskade?’
‘Ja, dat klopt.’
‘Oh, dan weet ik die wel te vinden. De van der Helststraat is dus in de Pijp & de postjesweg in de buurt van de postjeskade?’
‘Klopt.’
‘Lijn 24.’
‘& Lijn 25,’ voegde de klant toe.
‘& Lijn 16,’ fluisterde ik weer mee.
‘Goed, lijn 24 & 25 dus,’ zei de man.
‘& Lijn 16,’ was ik weer aan de beurt.
‘Lijn 24 & 25, stoppen die voor ’t paleis?’
‘Ja, inderdaad.’
‘Lijn 16 ook,’ voegde ik weer toe.
‘Goed, de postjesweg is in de buurt van de postjeskade & voor de van der Helststraat neem ik lijn 24 & 25.’
‘Of lijn 16.’
‘Bedankt hoor.’
‘Graag gedaan,’ zeiden de klant & ik in koor.
‘Lijn 24 & 25,’ mompelde de man.
‘& 16,’ mompelde ik.

We werden meegetrokken de diepste diepten van Zijperspace in.