ergerrecept

’t Begint met de crème fraiche. Of eigenlijk eindigt ’t daarmee. Want ik voeg ’t als laatste toe. Maar altijd als ik de spullen om me heen verzamel, vandaag heb ik ’t voor me staan zoals ik ’t uit de plastic boodschappentas heb uitgepakt, zie ik de bakjes crème fraiche als 1st. De irritatie aan hen zie ik ‘t 1st. Hoewel ’t ook met fascinatie te maken heeft. Ligt aan de manier van openen. Niet de bovenkant, nee, de onderkant. Als ik ’t omgekeerd boven de maaltijd hou, de net niet bereide maaltijd, & de crème fraiche de rest moet gaan vergezellen. Je kan ’t gaan uitlepelen, met mes, vork of daadwerkelijke lepel, maar dan blijft er altijd wat achter. Ik wil de volle mep. Ondanks korting bij de kassa wil ik alles waar ik voor betaald heb. Dus prik ik in de bodem, de op z’n kopse bodem, gaatjes. Met m’n puntige mes, niet met een vork. Dat is al een paar keer verkeerd afgelopen. Vork in duim, vanwege enthousiasme voor ’t prikken. Dus met ’t puntige mes beweeg ik snel een paar keer heen & weer, gaatjes er in pogend. Tot-ie zucht. & Alles er in 1 keer uitfloept. Zelfs met m’n vinger schrapen levert geen extraatjes op.
Nadeel dus: ik moet niet de hele tijd in dezelfde regio van de onderkant van ’t bakje prikken. Dat kan ertoe leiden dat er een stukje plastic meekomt, wat mij ooit eens overkwam. Ik vond ’t een week later terug. Al kauwend wist ik meteen wat er aan de hand was. Ik zag ‘t 3-hoekig stukje nog verdwijnen, z’n schaduw in de bodem achterlatend, oplossen in dezelfde kleur als wat ’t omhuld had. Die zie ik nooit meer terug, dacht ik, of voel ’t hooguit ooit nog eens schuren langs de wanden van m’n darmen.

& Vanwege die irritatie, niet alleen ’t crème fraiche-bakje, kook ik niet al te vaak. Diepvriesmaaltijden worden ‘t. Ik sla in voor minstens 3 maaltijden. Dit recept 4. Hoewel ik dan weer te weinig Tortellini kook. Dat compenseer ik door extra verlekkerd te veel saus op de gevulde deegkrulletjes te scheppen. Dat maakt veel goed, denk ik dan. Dat maakt dat ’t zin heeft gehad, een vette bek, ’t druipt bijna langs m’n kin omlaag, & ik proef die pepers tenminste. Stel je voor dat al die moeite door de zachte dons van ’t deeg overspoeld zou worden. Ik eet ook patat om de saus. Zo zit ik nu 1maal in elkaar.

Dan heb ik ’t over die pepers. Die ik van tevoren probeer te snijden. Ik ben nog niet begonnen, nog niet officieel, ’t vuur onder de pannen moet nog ontstoken worden, als ik de pepers alvast snijd. Dat vermindert irritatie van tegen de klok in werken. Je komt altijd tijd te kort in de keuken. De ingrediënten houden geen rekening met de de traagheid van de amateurkok.
Die pepers moeten zo gesneden worden dat je vingers er niet onder lijden. Of eigenlijk m’n neus, of m’n ogen. Daar blijk je onbewust altijd een keer te krabben of te wrijven. Moet je net die pepers gesneden hebben, op juist de verkeerde manier.
Dus verwijder ik ’t kapje, van beiden, ga boven de vuilnisbak hangen, mangel ze tussen m’n 2 handen, zodat alle zaadjes los komen te zitten & schud ze dan uit. Snijd ik ze vervolgens in 4-en, ’t uiteinde laat ik vast, zodat de 4 reepjes bij elkaar worden gehouden, blijken er altijd wel een paar zaadjes te zijn blijven hangen.
Dat hadden we niet afgesproken, denk ik naar die zaadjes toe. Er volgt geklooi met een mes, zorgvuldige pogingen aanraking met de vingers te mijden & een kwartier later blijk je toch jeuk te hebben, branderige jeuk, aan de binnenkant neus.

Goed, die pepers, in kleine stukjes, ik heb ’t uiteindelijk toch voor elkaar, gooi ik op een gegeven moment bij ’t reeds lichtjes aangebakken spek. Die ik natuurlijk weer veel te goedkoop bij de Albert Heijn heb gekocht. Papperig, vet, niet krokant, een blubberige derrie. Daar had ik net zo goed voor kunnen omrijden naar de keurslager. Maar die zal dan wel weer de opmerking maken dat mager spek niet bestaat. Dat ’t een uitdrukking is voor mensen die niet meer weten wat vlees is, sinds ze ’t niet meer zelf hoeven te jagen, maar gewoon uit de supermarktschappen halen.
De knoflook, die vlak voor de pepers zijn toegevoegd, heb ik altijd weer net een week te lang laten liggen in ’t kastje, die had ik net zo goed wél mee kunnen nemen met de rest. Wat kost een zakje van 2 nou helemaal? Nu kost ’t moeite ze door de knijper te laten gaan, alle 4 de stukken, ’t wordt schrapen naar ’t midden van de knoflookknol om toch nog de gewenste hoeveelheid voor de maaltijd bij elkaar geschraapt te krijgen.
De champignons, ook een supermarktproduct, zijn van ’t kastanjesoort. Ik weet niet wat kastanjechampignon moet behelzen, maar ze zien er lekkerder, duurder, gezonder & vleziger uit dan die nepsoorten die helemaal verbleekt uit ’t onderste der aarde zijn gehaald. ’t Klinkt ook veel beter: kastanjechampignons klinkt naar een goede maaltijd.
Maar de daadwerkelijke irritatie van deze ligt vooral bij ’t feit dat ik me altijd zit af te vragen hoe ik die dingen dan schoon moet boenen. Wie schrijft dat voor? Dat kost veel te veel moeite. Dus spoel ik ze snel een beetje af. & Bedenk dan dat ik dat beetje extra door de champignon opgenomen vocht best wel in ’t eten kan waarderen. Brandt ’t bovendien niet zo snel aan.
& Terwijl de champignons bijna zwart staan te branden, alsook de rest in de pan, ben ik weer veel te laat begonnen met ’t snijden van de paprika. Die moet naar mijn zin toch elke keer weer in veel te kleine stukjes. ’t Moet wel, want anders past ’t niet bij de tortellinisaus, anders wordt ’t ook niet gaar. ’t Mag niet krokant namelijk.

Dus dan, vlak voor die ellendige bakjes crème fraiche worden leeggegooid, gaat de paturain er overheen. Zit ik met m’n vingers te wroeten & te woelen om ’t in de pan gelegd te krijgen. Blijft ’t aan de pollepel plakken terwijl ik roer. Zitten m’n vingers onder, alsook de pollepel. & De randjes van de pan, waar ’t nou juist niet moet zijn. Altijd die rottige randjes van de pan, waar je niet met de hele pollepel kan komen.

Verdomme, denk ik dan, & stop voor straf m’n héle wijsvinger in de pan. Dat zal ze, denk ik richting de inhoud van de pan, terwijl ik die vinger vervolgens volledig in m’n mond stop. Om ‘m te blussen, want die saus is best wel heet.

Enigszins afgekoeld gieten we daarna de tortellini af.

brievenbus

Ik moet ’t nog ergens tussen m’n papieren hebben liggen. Ergens tussen m’n administratie & m’n dagboeken in. Of bij de agenda’s van school. Tussen de plaatjes & schrijfsels van verloren lesuren.
Ik weet nog dat ik de ongebruikte pagina’s vulde. Heimelijk, om de les niet te verstoren, schoof ik m’n opmerkingen onder de neus van Ode. Als de vraag gesteld zou worden waarom we niet aan ’t opletten waren, konden we altijd nog zeggen dat we onze agenda’s op elkaar afstemden. In ’t belang van onze roosters. Had de docent ook belang bij, toch?
Ode glimlachte vergenoegd van onder haar oogleden tijdens ’t overlezen van m’n grappen & ontboezemingen. Haar pretoogjes spiedden mijn kant op. Ze pakte haar vulpen, of had die al de hele tijd in haar hand, maar hield ‘m nu schrijfklaar gericht op weer zo’n bijna blanco bladzij van mijn agenda & voorzag me van antwoord. Guitig lachend. De kuiltjes zaten in haar wangen.
Daar moet ’t zijn ontstaan, hun idee, ’t idee van Ode & Lilly. Lilly zat aan de andere kant van Ode. Ze deelde ook in de correspondentie door mee te lezen, losse briefjes toe te voegen, door net zo moeizaam stiekem te doen als ik, maar ’t te laten controleren door Ode, de grootste schijnheil, die met haar goudeerlijk koppie de grofste leugen om kon buigen tot een belangstellende vraag voor de docent: ze had die laatste opmerking niet helemaal gevat, zei ze als ze merkte dat deze aanstoot begon te nemen aan ’t geroezemoes & gegiechel achterin de klas.
Daar moeten ze begrepen hebben dat ik ’t wel ‘ns leuk zou vinden. Daar moet ik geschreven hebben in zo’n eigenlijk overbodige, maar voor onze saaie uurtjes o zo noodzakelijke, pagina van m’n agenda, dat ik wel aanbeden wilde worden, geruisloos, onhoorbaar, zuchtend zacht, toch merkbaar, als ik toevallig voorbij liep & een stotende elleboog net niet aan m’n aandacht voorbij zou gaan.

’t Gevoel meel te kunnen ontvangen was voor mij ongeveer ‘tzelfde als voor ‘t 1st in je leven een eigen brievenbus te mogen hebben. ’s Ochtends bij ’t geklepper even de hoek van de deur kijken om te zien of ’t post voor mij was, wat voor post, hoeveel & hoe belangrijk.
Waar ’t voorheen altijd voor m’n vader was, kwamen er nu rechtstreeks meldingen uit de rest van de wereld dat ík bestond, dat ik geregistreerd stond (dat vooral) & dat men belang in mij hechtte (vaak in de vorm van verzoeken rekeningen te betalen, maar toch).
Bij meel vertaalde zich dat in nog persoonlijker berichten, vaak zonder enig belang bij financieel gewin, speciaal aan mij gericht. Helaas had indertijd nog niet iedereen de mogelijkheid tot deze vorm van communicatie, maar binnen een jaar kreeg ik wel de gelegenheid een relatie ermee uit te bouwen, nog verliefder te worden, ’s avonds laat nog sneller de fiets te pakken om richting haar huis te vertrekken. Met slechts de telefoon tot onze beschikking was dat waarschijnlijk niet gelukt. Kon ook niet; die was bezet, omdat we de hele tijd online wilden zijn om elkaars berichten te kunnen lezen.

Of ’t antwoordapparaat. Daarvan dacht ik dat die ook als extra brievenbus zou gaan fungeren. Als student liep ik in spanning de trap naar m’n kamer op, in volle verwachting van wat ’t knipperende rode lampje me zou gaan melden, na een studiedag afwezigheid. Een extra contact met de wereld, een mogelijkheid nieuws, belangstelling te ontvangen van die ene onbekende. Of de bekende onbekende, die ’t nu toch eindelijk eens moest laten weten. Dat ik speurend in m’n geheugen naast m’n antwoordapparaat zou blijven staan, steeds rewind indrukkend, om te achterhalen waar die zwoele vrouwenstem vandaan kwam, wie de bezitter ervan was, om te genieten van ’t voortduren van de boodschap, een eeuwige aanbidding zolang ik ’t knopje maar in bleef drukken.
Nooit gebeurd.

Wel dus dat ik 2 enveloppen in m’n brievenbus vond. Of in die van m’n vader, die waar mijn vader zijn dagelijks leesvoer uit zag komen, hem dwingend in z’n stoel te gaan zitten met zijn administratie, financiën, correspondentie & ’t allemaal op orde te brengen. Dat tussen die post post voor mij zat, 2 enveloppen groot.
Ik was weer in Den Helder, had de amsterdamse schoolbanken naast Ode & Lilly vaarwel gezegd & was weer tijdelijk terug in ’t ouderlijk nest. Ik had met bijna niemand contact. Iedereen zat in Amsterdam of een andere grote stad voor studie, of anders waren ze druk bezig ’t jaartje nog een keertje, maar ditmaal met succes, over te doen, midden in tentamens, examens & een schoolwereld waar ik niet in terug wilde keren.
& Tussen die stilte van niemand die aan mij dacht, vond ik 2 enveloppen, gevuld met kaarten die beiden zeiden dat iemand van mij hield. 2 Verschillende handschriften, maar gekleurd in dezelfde thema’s, waarschijnlijk op ‘tzelfde moment in dezelfde winkel in Amsterdam gekocht (kon ik aflezen uit de poststempels, beiden gedateerd 12 februari 1985).
Ik moet ze nog ergens hebben liggen, tussen oude papieren, tussen dagboeken & agenda’s, van een studie waarbij ik in de bank naast Ode zat & daarnaast Lilly.

Maar vandaag, net als anders, ligt er niks in de brievenbus van Zijperspace.

afscheidsduik

Een enkele keer stond er in de krant vermeld dat er ingebroken was. In ’t snoephokje van ’t buitenbad. Er was dan een greep gedaan in de aanwezige voorraad snoepgoed, ’t beetje kasgeld was weggenomen. Vervolgens deden geruchten de ronde dat er ’s nachts valse honden over ’t zwembadterrein werden uitgezet.
Dat weerhield ons niet. ’t Was immers traditie. Wat voor traditie wisten we niet precies, maar we hielden elkaar voor dat men toch minstens 1 keer per jaar een illegale duik in ’t buitenbad van de Schots moest nemen. Of dan in ieder geval 1 keer in je leven. Op ’t randje van volwassendom.

Ik stelde ’t voor. Maar helaas had ik al vaker moeten constateren dat mijn plannetjes op zo’n manier door anderen werden overgenomen dat ’t niet meer te achterhalen viel dat ik de oorspronkelijke initiator was. Dus sloot ik de rij van een stoet fietsen door de nacht, onderweg van ’t laatste schoolfeest van onze jeugd naar de nachtduik in ’t zwembad. Mijn persoon enigszins verbolgen over ’t feit dat men vergat dat ik degene was die ’t had geopperd.
‘t Laatste schoolfeest. ’t Was maar de vraag of ’t m’n laatste schoolfeest zou blijken te zijn. Ik had nog 3 herexamens te gaan. Ik moest daar nog enkele weken op studeren, terwijl de rest de andere kant van de wereldbol zou bezichtigen, z’n intrek nam bij een tante of oom om alvast op kamerjacht te kunnen gaan of geld zou gaan verdienen om ’t nieuwe huis in de grote stad te kunnen betrekken & naar behoren te kunnen inrichten.
Voor mij was ’t niet zo’n definitief feest als dat ’t voor anderen was. Ik mocht wel komen, dat vooral, maar ’t zou meer in ’t teken staan van andermans afscheid. Ik moest ’t nog maar bewijzen, dat ik weg zou gaan.
Dat gaf ook niet, vond ik. Ik hield niet van afscheid nemen, ergens een punt achter zetten. Alles ‘tzelfde, & dat dan zo lang mogelijk, dat was toen al voor mij ’t uitgangspunt.

& Tradities, ik was niet de man om met tradities te breken, dus had ik ’t plan geopperd, had me daarin zelfs goed voorbereid & een handdoek van huis meegesleept. Daaraan kon je ook zien dat ik ’t was, de badhanddoek in een plastic tas op m’n bagagedrager. Dat ik ’t brein was, zei die handdoek, want wie nam iets soortgelijks mee naar ’t afscheidsfeest? ’t Zei dat ik degene was die miskend werd. Dat men eigenlijk achter mij aan zou moeten rijden ipv achter de mannen met de grote bekken.
Toch was ik degene die volgde. Ik zou straks wel bewijzen, op een moment suprème, dat ik van tevoren had geweten dat we ’t zouden gaan doen.

De fietsen werden verspreid. Vooral niet allemaal opzichtig in beeld bij de ingang van ’t zwembad. Beter tussen bosjes, om de hoek aan ’t eind van ’t fietspad, op de brug verderop of onderaan ’t hek, zodat we ’t als opstapje konden gebruiken om over de omheining te klimmen. 20 Paar voeten kreeg dat ene zadel te verstouwen.
‘Sst, sssssssst,’ werd er gesist, om iedereen aan te sporen rekening te houden met valse honden met grote tanden & een nachtwaker met een windbuks.
De noodzakelijke spanning moest er mee worden opgeroepen. Automatisch spurtte men dan ½ bukkend richting ’t diepe bad, alsof men daarvan ’t gevoel kreeg dat 20 man dan minder op zou vallen. Om beurten schoten schimmen weg van ’t hekwerk, vluchtten over muurtjes of juist in de schaduw ervan erlangs, om zo snel mogelijk de kleren van ’t lijf te kunnen rukken & in ’t water te springen.
& In die korte tijdspanne wist iedereen dat er records werden gevestigd & wiens namen er aan die records verbonden waren: Leo sprong als 1e in ’t water, Menno nam als 1e een duik; Bart was de 1e van de hoge duikplank; Suze was de 1e vrouw & Fred had als 1e de ring van Mijke van de bodem opgevist.
Ik was de 1e die ’t water weer verliet.
Ik keek rond hoe nog nooit eerder vertoonde borsten deinden op de beweging van een run richting badrand, hoe driehoekjes heimelijk waren aangepast aan de bikinirand, precies afgemeten stonden in een kader van bleek zonarm huid, hoe billen drilden & een enkele keer piemels flabberden. Dit alles zonder ook maar de schijn te wekken dat ik dat alles in de gaten had.
Nee, ik was zogenaamd bezig m’n handdoek te pakken, me er in te wikkelen, me te warmen & te wachten tot alles weer voorbij was. Onze jeugd, onze schooltijd, deze stiekeme duik, alles. & Slechts van binnen was ik verbaasd dat al die lichamen, vooral die van meisjes, tot op dat moment verpakt waren geweest, verborgen, geheim waren gebleven. ’t Best bewaarde geheim van school had zich aan mij geopenbaard.

Verzonken in die stille gedachten werd ik plots gestoord door Henny, een mager scharminkelig meisje, met kleine borstjes, zo bleek nu.
Of ze m’n handdoek ook even mocht lenen.
Hij was al nat, meldde ik haar.
Ach, ’t zou in ieder geval een beetje schelen, wist zij.
& De mannen die rondjes om ’t bad hadden gerend om zich aan de bewegende lucht te drogen, kwamen nu bij Henny in de rij staan, om om beurten hun lichaam aan de steeds nattere doek te proberen te drogen. Afgewisseld door meisjes, die nog wat zorgzamer mijn doek hanteerden. & Aangezien ’t mijn bezit was, kon ’t mij niet kwalijk genomen worden dat ik in de gaten hield waar deze heen ging & ik zodoende onder ogenschouw kreeg hoe zorgvuldig vrouwen hun lichaam van druppels ontdoen. Ik, die in een gezin van mannen groot gebracht was.

Uiteindelijk lag de handdoek op de tegels, naast ’t zwembad. Ik raapte ‘m op, stopte ‘m in de tas. Iedereen had z’n kleren weer aan, maakte aanstalten weer schielijk over ’t hek te klimmen. We kwamen aan de andere kant terecht, in de legale wereld, zeiden elkaar gedag & vertrokken ieder zijns weegs.
Ik fietste ook die van mij, een spoor van druppels zwembadwater trok achter mij aan, losgelaten door mijn bagagedrager.

& De sporen verlieten langzaam Zijperspace.

wachtkamerpraat

‘Oh, moet ik misschien de deur vasthouden?’ haastte ik mezelf voor te stellen.
Te laat echter. Met enig gemorrel had de dame haar rollator door de deur gekregen. Licht verontwaardiging stond in haar gezicht te lezen. Dat de dingen niet deden wat de mensen wilden. ’t Grote onrecht, waar vooral zij mee te maken kreeg. Met tegelijkertijd een zekere berusting, dat dit nu 1maal zo was, haar leven lang al & dat er voorlopig waarschijnlijk geen verandering in zou plaatsvinden.
Ja, ik weet oude dametjes meteen op waarde te schatten. Daardoor wist ik ook dat ik door mijn voorstel gedoemd was om tijdens ons verblijf in de wachtkamer te moeten luisteren naar wat ze te zeggen had.

‘’t Karretje is te zwaar,’ begon ze.
Ze bewoog ‘m richting hoek. Tussen mijn stoel & de toiletdeur in. De enige plek waar-ie ongestoord zou kunnen staan.
‘Ik ben wel bezig een andere te krijgen, een lichtere, maar daar gaat een tijdje overheen.’
Ze ging tegenover me zitten. Ik wierp een blik op ’t vermeende zware ding.
‘Ik heb al informatie aangevraagd. Die dingen worden tegenwoordig véél lichter gemaakt. Deze hier weegt wel 13 kilo.’
Ah, ik had een ingang. Ik mocht ’t geen monoloog laten worden.
‘Da’s net zo zwaar als mijn fiets ongeveer.’
Onmiddellijk na ’t maken van deze opmerking bedacht ik me dat ik me 10 kilo vergist had. Niet belangrijk, fluisterde ik mezelf in: voor ‘tzelfde geld had ik een licht exemplaar fiets buiten staan. Dat kon zij niet weten. Nu had ik in ieder geval medelijden met de vrouw betoond. Je moet mededogen hebben met de andere patiënten in de wachtkamer. Óf negeren, óf belangstelling tonen. In dat laatste geval in ieder geval doen alsof.
‘M’n dochter heeft de papieren aangevraagd. Ik heb al wat folders binnen. Maar m’n dochter kijkt hoeveel ik van zo’n karretje vergoed krijg. Want ’t kost evengoed een duit.’
Ik knikte. Hier was de man die geheel & al ingewijd is in de kostprijzen van de diverse soorten rollators. Zo’n knik. Een mens moet beleefd zijn, tenslotte, of pogingen ondernemen zo over te komen. Dus knikte ik ten overvloede nog maar een keertje extra.
‘Ik dacht dat ik goed verzekerd was,’ ging ze verder.
Ze wees met haar neus naar ’t foldertje dat op de deur van de wachtkamer was geplakt.
‘Bent u wel goed verzekerd voor uw fysio?’ stond er breed uitgemeten.
‘Nou, dat blijkt dan niet ’t geval te zijn,’ lichtte ze haar situatie toe. ‘Wat je allemaal wel niet moet betalen. & Wat de ziekenfonds uiteindelijk nog maar vergoed. Daar had ik een rollator met buitenboordmotor voor kunnen kopen, wat ik allemaal wel niet aan de fysiotherapeut heb moeten afstaan. Ze verdienen ’t natuurlijk wel, maar ik dacht dat mijn verzekering wel een beetje zou steunen. & Je kan niet anders, hè, je zal wel moeten. Kijk, deze rollator is te zwaar, daar kom je de stoep niet mee op.’
‘Moet je ‘m dan niet een beetje omlaag drukken?’ durfde ik te vragen. ‘Zodat de voorwieltjes omhoog wippen?’
Daar luisterde ze niet naar. Vergeefse investering van mij in wat mij tot op dat moment nog voorkwam als een conversatie. Hoewel ik natuurlijk reeds beter wist.
‘Je komt de stoep niet op,’ benadrukte ze nog maar een keer, blijkbaar in de veronderstelling dat ik niet had geluisterd, aangezien ik de euvele moed had gehad haar te interrumperen. ‘Je kan achterstevoren op de stoep gaan staan & ‘m dan optillen.’
Daarom is ze hier, dacht ik. Ze heeft last van haar schouders.
Dus pijnlijk pak ik mezelf bij de schouders. Mededogen, dat was ‘t, uit mededogen pakte ik mezelf bij de schouders.
‘Maar dan sta je 5 minuten midden op de snelweg pogingen te ondernemen te keren. Terwijl al ’t verkeer aan je voorbij raast. Je kan wel verder lopen over de snelweg, maar daar waag ik me ook niet aan. Al dat snelle verkeer ziet je niet eens staan. Daarom heb ik maar een lichtere besteld. Kijken wat ik ervan vergoed krijg. Ik dacht dat ik goed verzekerd was, maar m’n dochter is aan ’t uitzoeken of dat inderdaad zo is.’
Ik probeerde me ondertussen de snelweg voor de geest te halen die hier in de Pijp, een oude amsterdamse volkswijk, liep.
‘Ze zegt tegen me: “Ma, wil je nou een nieuwe? 1tje Die veel lichter is?” “Ja, dat moeten we dan maar doen,” zei ik. Maar dat gaat nogal wat centen kosten, dat kan ik je wel vertellen.’

Een andere vrouw kwam plots de wachtkamer binnenlopen. Verstoorde zodoende ons gesprek.
‘Hé!’ zeiden de beide vrouwen.
Ze schudden elkaar de hand. De vrouw met de rollator in 1e instantie met een vragende blik in haar ogen. Alsof ze de ander niet onmiddellijk had herkend.
‘Hoe gaat ‘t?’ vroeg de laatste binnengekomen vrouw.
Maar ’t rollatorvrouwtje pufte nog even achterover. Haar kin zakte weg in haar nek. Een krans van ringen ontstond er om haar hoofd. Als een steen in een plas water.
‘Zeg, jij kent toch die familie die daar in de 1e Jan Steen woonde?’ begon ze onverstoord. ‘Jij bent daar toch wel langs geweest?’
‘In de 1e Jan Steen?’
‘Ja, die familie die aan 1 stuk door aan ’t paffen was. Hij zat alleen nog maar op een stoel. & Niemand wilde er naar binnen.’
‘Oh, de familie Prisma. Daar ben ik 1 keer geweest. Maar daar wil niemand meer naar binnen. Ook de welzijnswerkster niet.’
‘Nou, die man is gister overleden. Trudy van Wal, die ken je toch wel? Dat is de nicht van Gijs van bij mij aan de overkant. Die ken je toch wel? Die Trudy die stond er gister voor de deur. Die sleepte me mee naar binnen. Daar lag-ie opgebaard. Helemaal verschrompelde kop. Die is dus dood. Goh, & ’t rook er ook zo vies.’

Ik zakte steeds dieper weg in m’n eigen Zijperspace.

invers

‘Misschien dat we met dezelfde strippen nog de metro richting mijn huis kunnen nemen,’ zeg ik bij ’t pakken van onze jassen.
M’n moeder kijkt op haar horloge. Ik haal ondertussen de strippenkaart tevoorschijn. Bestudeer de onduidelijke stempel.
‘5 Voor 1,’ zegt m’n moeder.
‘O, nee. Dat gaat niet meer. Er staat ¼ voor 11 gestempeld.’
We trekken onze jassen aan. Tassen uit ’t kluisje; ik steek ’t muntje weer in m’n portemonnee.
‘We kunnen ook langs de Amstel richting huis lopen,’ stel ik voor.
Voorzichtig, doe ik dat. Ik kijk hoe m’n moeder loopt. Haar houding is inmiddels al wat naar voren gebogen. Als ik met haar loop, raak ik meestal ongemerkt al snel een paar meter vooruit.
‘Ja, is goed,’ stemt m’n moeder in.
‘Dan nemen we halverwege wel de overkant. Hebben we nog een beetje warmte van de zon.’
Dat zou ik anders ook wel gedaan hebben. & Toch voelt ’t als rekening houden met. M’n moeder die net verteld heeft dat ze al 2 winters geen handschoenen heeft.
‘Nog niet nodig gehad,’ zei ze. ‘Anders had ik ze wel gekocht.’
‘Jij zit dan ook niet elke dag op de fiets,’ begreep ik.

Volgende museum, besluiten we na de lunch bij mij thuis.
‘Als we Ons’ Lieve Heer op Solder willen bezoeken, zullen we wel weer de hele straat moeten doorlopen om bij de metro te komen,’ maak ik duidelijk.
Tijdens de wandeling had ze laten merken dat ’t even niet meer ging.
‘Ton,’ had ze gezegd, ‘nu even rustig.’
Haar wangen zagen rood. De passen waren nog korter dan anders. Ze zwikte, bij haar knieën. Onderweg had ik moeten zorgen dat ik de op- & afstapjes bijtijds aanwees. & De kuilen in de weg.
Gelukkig stonden we voor een bloemenkraam.
‘Kijk ‘ns, wat leuk,’ wees ze naar een opgemaakt stukje, vol pinda’s & zaden voor vogels. ‘Dat kan je ophangen voor de vogels.’
’t Was een mogelijkheid om even bij te komen.
‘Bij die stoplichten in de verte zijn we er bijna,’ zei ik zakelijk, om haar gerust te stellen.
Maar nu gaat ’t wel weer.
‘Da’s niet zo erg,’ zegt m’n moeder, ‘ik ben wel uitgerust van ’t eten.’
‘Nou, ja, ’t is toch aan ’t einde van deze straat. We kunnen ook een ander museum nemen, dat we om de hoek op de tram kunnen stappen.’
‘Nee, hoor. Is wel goed.’

We staan op de metro te wachten.
‘Als ’t goed is,’ zeg ik, ‘stopt de voorste deur vóór onze neus.’
‘Hoe weet je dat?’ vraagt m’n moeder.
‘Ik heb wel vaker de metro genomen,’ zeg ik eenvoudig.
Ik vind ’t vanzelfsprekend. M’n moeder laat zich echter door te veel dingen afleiden. Ze staart geconcentreerd naar de deur die haar ’t meest geschikt lijkt als de metro aan komt rijden. Door de massa van de mensen heen. Terwijl ik al de 1e passen richting de voorste neem.
‘Ma!’ roep ik achterom.
Ze schrikt op. Laat met haar blik de 2e deur los om mijn stem tussen de mensen te vinden.
Ik gebaar dat ze achter me aan moet komen. Reik m’n hand uit. Ze pakt die pas vast op ’t moment dat ze van perron naar metro overstapt. Een kort moment.
Zoon die haar moeder leidt.
‘Weet je nog?’ denk ik.
Ondertussen regel ik voor haar een zitplaats. Terwijl ze gaat zitten, maakt ze met haar glimlach contact met ’t meisje op de plaats naast haar. Die kijkt snel voor zich, drukt haar oordopje iets dieper naar binnen.

Marc loopt nu mee. We hebben met z’n 3-en gegeten. Samen gaan zij de trein terug nemen.
‘We kunnen de trein van 10 voor 7 nog halen,’ zegt Marc.
‘Gaat die niet iets later?’ vraag ik.
Ik wil geen haast maken. Ma heeft al genoeg gelopen. & Ik weet inmiddels hoe dat lopen van haar gaat, tegenwoordig.
‘We zien ’t wel,’ zegt Ma.
‘Ja, anders wachten jullie nog een ½ uurtje,’ zeg ik.
Ik bedenk meteen hoe aanmoedigend dat klinkt om toch maar wel haast te maken.
We steken ’t Damrak over. Door rood, maar m’n moeder weet wel dat ik ’t verkeer goed in de gaten hou.
‘Steek je arm maar hier in,’ stel ik voor.
Ik hou m’n arm klaar voor ondersteuning. Er komt net een kuil aan, een kuil van 1000-en bussen die steeds dezelfde route hebben afgelegd. Ik voel m’n moeder in m’n arm hangen. Maar ze struikelt niet.
‘Ja, Mam,’ zegt Marc, ‘neem die van mij ook maar.’
Zo lopen we met z’n 3-en. Over de kuilen van bussen, de gaten van tramrails, tussendoor de mensen die nog meer haast hebben dan wij. Maar we hebben Moeder veilig verstopt.
‘Weet je nog wel?’ denk ik nog een keer.

Toen Zijperspace nog een klein heelalletje was.

geleden

‘’t Is alweer een maand geleden,’ zegt m’n moeder.
‘Ja, dat gaat snel, hè.’

‘Hoe gaat ’t met je, Ma?’
‘Niet zo goed.’
‘Wat is er?’
‘Ach, ik slaap slecht. Ik word steeds wakker.’
Een zucht in haar stem zegt dat er veel meer aan de hand is.
‘& Heb je hoofdpijn?’
‘Dat valt wel mee. Maar ik heb nergens zin in. Dan vragen ze of ik een weekendje langs wil komen in Enschede, of in Den Bosch, maar ik kan me daar niet toe zetten.’
‘Nee, dat moet je ook pas doen als je er aan toe bent. ’t Is nog maar 2 maanden geleden.’
‘Ja, morgen 2 maanden,’ zegt m’n moeder met een zachte stem.
De stem waarbij wij vroeger zachtjes de trap af renden, zachtjes ruzie maakten, elkaar zachtjes tikken & trappen uitdeelden. & Pa ons zonder woorden, maar gedecideerd maande stil te zijn. Écht stil.

‘Heb je er aan gedacht dat ’t vandaag 3 maanden is?’ vraagt m’n moeder.
‘Nee, ik heb er zomaar niet aan gedacht.’
Ik weet waar ze ’t over heeft. Dan denk ik er misschien niet aan, ik ben me er wel van bewust.

‘Heb je verder nog iets te melden?’ vraagt m’n moeder.
Zo beëindigen we tegenwoordig onze gesprekken. Nog een laatste voor de rondvraag. Kijken of je nog iets te binnen schiet.
‘Nee, eigenlijk niet. Ik heb alles al verteld. Jij nog?’
‘Nee, ook niet. Dan spreken we elkaar nog wel.’
‘Ja, Moe.’

‘’t Is vandaag 5 maanden geleden.’
‘Ja, & hoe gaat ’t met je?’
‘Ach, gaat wel goed. Ik denk wel aan hem. Ik mis ‘m. Maar tegelijkertijd besef ik wel dat ’t zo niet meer ging. Je denkt toch vooral aan de mooie dingen. Dat ’t de laatste tijd niet ging, vergeet je snel.’
‘Heb ik ook, Ma. Ik denk ook nog elke dag aan ‘m.’
‘Aan ’t eind van de maand is er een herdenking in de Koogh. Voor de mensen die op de afdeling van Pa afgelopen tijd overleden zijn. Op een maandag. Kan jij dan ook?’
‘Hoe laat is dat?’
‘Om 8 uur.’
‘Ik ben om ¼ over 7 klaar met werk. Dan heb ik waarschijnlijk de trein van voor 8-en. Ben ik in Den Helder om 9 uur.’
‘Nee, dan is ’t al voorbij. Nou ja, Jan komt in ieder geval. & Theo, Carel & Quint.’
‘Dan is bijna iedereen er.’
‘Ja, Marc komt niet.’
‘Verder nog wat?’
‘Nee, verder niet.’

Gister wilde ik bellen. Een ½ jaar, wilde ik zeggen. Laten merken dat ik er aan dacht.
Maar dan zou ik ’t alleen voor mezelf doen, vond ik. & Ik had bovendien al de hele week aan de telefoon gehangen. De dag ervoor nog. Om allerlei pietluttigheden. Dan zou de melding van dat ½ jaar ook een pietluttigheid worden.
Want Ma zal ’t heus wel weten. Ook van mij.

We spreken elkaar wel, later in Zijperspace.

binnennaarbuiten

Er bestaat dus een laagje, je brengt ’t kunstmatig aan door een spuitbusje op de wonde te richten, dat je lichaam kan beschermen. ’t Heet dan een pleister, maar je ziet ’t niet. Een spuitpleister, zeiden ze me; zo probeerden ze ’t me uit te leggen.
Ik spoot. & Er was geen doorkomen meer aan. Niet van buiten, niet van binnen. Niet van buiten naar binnen & andersom.
Een gedeelte zat op m’n nagel. Dat zorgde ervoor dat ik er nog íets van kon waarnemen. Laagje nagellak. Doorzichtig. Een schaats die nog net pakt op een in de winterse kou ondergespoten grasveld, zo voelde m’n nagel zich. De nagel die dat laagje wilde krabben dan. De andere nagel was ’t grasveld van de ijsvereniging.
Dat wil niet zeggen dat de reeds veroorzaakte schade verdwenen is.
Een losgeslagen velletje. Dankzij een nietje door m’n duim. Een nietje dat niet daar hoorde te zijn. Waarvan ik niet wilde dat ’t was waar ’t was. Dus moest ’t weg.
’t Spartelde. Heftig. & Tijdens spartelen drong ’t in m’n duim door. Drong ’t tot me door.
Een velletje legde m’n binnenste bloot. Een klein dun velletje. ’t Richtte zich op. ’t Ging opstaan, waar ’t eigenlijk deel uit moest maken van. Deel van mijn lichaam, deel van mijn geest. 1 Lichaam, 1 geest. Behalve de toegangspoort tot. Een rechtopstaand stukje vel.
Hoe lang houdt u dat vol: een splinter, een nagelriem, een korst, een vervellend stukje huid of een rechtopstaand velletje, getuige van een nietjes aanval? Mijn tanden staan al spoedig te smeken om toe te mogen bijten. M’n tanden zijn oneffenhedenkillers.

Maar nu wijd ik uit. ’t Gaat ergens anders om.

‘& Die anderen waren ook zo druk, plotseling. Ik kon niet met ze praten. Ik wist niet wat ze zeiden. Alles dwarrelde door m’n hoofd.’
‘Je raakt in paniek, dan.’
‘Ja, je probeert ’t tegen te houden, maar des te meer je ’t tegenhoudt des te meer ’t de overhand krijgt.’
M’n adem stokt. Ik voel mee door me 20 jaar terug te plaatsen. Ik denk aan plastic zakjes, verborgen in m’n achterbroekzak, een plastic zakje met paniekpilletjes, weggestopt in m’n portemonnee.
‘M’n moeder zei altijd dat ik ’t gewoon over me heen moest laten gaan. Ze zei dat ik er niet tegen moest strijden. Gewoon laten gebeuren. Dan was ’t ook ’t snelst voorbij.’
Ik zeg ’t rustig, zoals m’n moeder ’t zei. Langzaam de woorden ademend in de telefoon.
Er wreef een hand in m’n nek, terwijl ik voorovergebogen zat. M’n ellebogen op m’n knieën, m’n handen tegen m’n voorhoofd. Langzaam ademhalen, snel ademhalen.
Maar ik weet ook dat m’n moeder dat op een kalme manier kon doen. Geen stemverheffing. Een zelfde toon. Monotoon bijna.
‘Ja, dat kan wel zijn, Ton, maar daar denk je op dat moment niet aan. ’t Lukt je niet de hele tijd rustig te blijven & ’t te laten gaan.’
‘Nee, dat weet ik. Toch zou je eigenlijk niet bang moeten zijn, want ergens van binnen weet je dat je ’t zal overleven. Dat ’t straks voorbij is. Alles gaat voorbij, dus dit ook. Laat ’t maar komen dan.’

Er is iets vies binnen gekomen. ’t Wil er niet uit. & Omdat je jezelf wilde beschermen voor invloeden van buiten heb je een beschermend laagje aangelegd.
Tot hier & niet verder. Dit kan ik aan.
Terwijl ’t van binnen welig tiert, tekeer gaat. Dat wat binnen is, moet ook naar buiten. Wil ook.

Dus ik spuit dat goedje op m’n vinger. Nietje had ik er net uitgetrokken. Daarmee wat bloed meegenomen. Een opening gecreëerd.
’t Werk stond op m’n handen geschreven. Grauwe handen van stoffige flessen. Aanslag op m’n vingers.
Ik besluit na ’t aanbrengen van de doorzichtige laag, ‘onzichtbare pleister’ noemden we ’t ooit als kinderen, m’n handen te wassen. Handen schoon.
Behalve de duim met ’t nietje. De herinnering aan ’t nietje, & de herinnering aan ’t werk dat daar aan voorafging. Beiden gevangen gezet. Want wat al binnen zit, kan niet meer naar buiten.
Ik bijt ’t uitstekend velletje los. Er moet een opening geschapen worden. ’t Vuil moet weg.

’t Moet doorstromen in Zijperspace, maar ook daarbuiten.

naturismij

We hebben enkele foto’s genomen. Vooral van mij, want Martine wilde niet naakt.
Ik dacht: als je dan toch overal naakt bent, dan kan dat op de foto ook wel.
Zij dacht: nu kost ’t geen moeite, maar bij ’t tonen van de vakantiefoto’s waarschijnlijk wel.
Ik had meer moeite met naar de wc gaan. ’s Ochtends vroeg bloot je 1e dingen doen, dat was ik niet gewend. Bij Martine thuis was de wc ook in de gemeenschappelijke gang, naast de gemeenschappelijke keuken; daar deed ik ’t ook niet. Hier moest ik aanzienlijk meer meters lopen om te doen wat ik moest doen.
Ja, ’t was vooral móeten; zó lang uitstellen dat je ’t wel moest moeten.
& Als je andere bezoekers tegenkwam zei je doodgemoedereerd: ‘Goedemorgen.’
Dat hoorde je te zeggen: ’t was allemaal hollands bloot. Neerlands bloot onder de hete franse hemel.
‘t Maakte ’t niet minder makkelijk. Ik vond ’t bijv onzinnig om onder de douche te stappen & niks uit te trekken. Tijdens m’n tocht erheen misschien een handdoek, als ik ’t ging combineren met een ochtenddouche, maar in ieder geval een rol wc-papier. Wc-papier maakte me extra naakt. Tegen beter weten in probeerde ik juist die te verstoppen. Alsof mensen niet zouden weten wat m’n missie was als ze me voorbij zagen komen.
Daar loopt een mens dan: op slippers, met een handdoek, & een rol wc-papier. Dit was beschaving, dacht ik dan. Terwijl ik toch een groot voorstander van naturisme was. Ik kon naturisme blijkbaar niet rijmen met slippers & wc-papier.
Ik had daarentegen al wel geaccepteerd dat je voordat je op een stoel ging zitten 1st een handdoek neer moest leggen. Anders zat je in de billen van degene die voor jou de stoel bezet had. Ik wilde niet in andermans billen zitten, ik wilde ook niet dat anderen hun billen legden waar die van mij vlak ervoor waren geweest, dus accepteerde ik de handdoek gewillig.
Naturisme is wandelen met een handdoek, bedacht ik me toen.
Was iemand uit wandelen gegaan zonder, dan lag er bij de bar altijd wel een stapel schone. Die waren in de loop der tijd vergeten & werden voor tijdelijk gebruik continu verschoond.

Ik was dan wel een voorstander, maar ’t naturisme was geen voorstander van mij. ’t Paste mij niet.
Vanwege de mijns inziens verzengende hitte wilde ik in de schaduw van de parasol zitten, waar de reguliere naturist elke straal van de zon met z’n lichaam wilde vangen. & Als ik een ronde maakte wilde ik m’n billen bedekt. Die zagen nooit geen zon, dus kon ik dat beter zo houden. Je hoeft maar 1 keer in je leven je billen te branden om die wijsheid je leven lang mee te nemen. & Omdat m’n billen daardoor bleek zagen & bleek bleven, wilde ik ook m’n billen niet laten zien. Voordat ik m’n stoel verliet, om in ’t zwembad een verkoelende duik te nemen, bedacht ik hoe ik mij ten opzichte van alle campingbezoekers ’t beste kon bewegen, & koos ik ’t juiste moment uit, zodat zo min mogelijk van m’n hollandse bollebozebillenwitheid opgemerkt zou worden. Slechts weinigen hebben op die camping meer dan mijn vooraanzicht gezien. Dankzij pure berekening.

Martine had ’t maar makkelijk, vond ik. Als zij geen zin had haar handdoek te dragen, dan wikkelde ze deze om haar middel. Deed ik ‘tzelfde, dan werd ’t aanzicht bedorven door die bungelende bobbel in ’t midden van m’n lichaam.
Pas dan besef je hoe een mens geregeerd wordt vanuit dat ene middelpunt. Vooral de man dan.
Had Martine geen zin om de handdoek als sarong te dragen, was er nog niets aan de hand. In volledige symmetrie bewoog zij zich voort, met een blond ogend driehoekje om de perfectie te benadrukken, terwijl de gestalte naast haar juist op diezelfde plek van ’t lichaam enige wispelturigheid vertoonde. Ik werd me nog iets meer bewust van ’t feit dat een vrouwelijk lichaam ’t godsbeeld dichter benaderde dan de mannelijke versie ervan. ’t Stond ook zo knullig als je met enige vaart de heuvel afdaalde. ’t Klotste & kletste, ’t verontrustte m’n oren & maakte me bevreesd dat mensen zich gestoord zouden voelen in hun vakantierust als ik voorbij kwam, tegen m’n bovenbenen.

Je werd aangesproken als je te veel je kleren aanhield. Dat werd ons van tevoren verteld. Dus pasten we ons aan. We wilden geen afwijkingen zijn. We wilden tijdens ons korte verblijf geaccepteerd worden. We deden mee aan ’t spel. Ik was immers een groot voorstander van naturisme. Je was pas jezelf als je van al die moderniteiten ontdaan was. Wie heeft er iets nodig als de natuur je zegt dat er niets nodig is?
Maar ik was stinkend jaloers op die kleine tienermeisjes, die meisjes die net meiden begonnen te worden & toch met vader & moeder, misschien wel de laatste keer, op vakantie gingen, & waarvan je kon zien dat alles aan ’t groeien was, dat er dingen plaatsvonden in & buiten hun lichaam, dingen die er 1st niet waren & waarvan zij toch vonden dat ze er zelf als 1e getuige van moesten zijn, dat zij zich moesten bezinnen op hun vrouwzijn, hun plek in de wereld, hun plek ten opzichte van die bedreigende man, of eigenlijk jongen, dat kinderachtig joch van de caravan om de hoek. Ik was jaloers, want hen werd toegestaan hun lichaam te bedekken. Dat wat zij nog niet hadden, maar waarvan de vooraankondiging zich reeds deed blijken, mocht gehuld worden in een bikini & ze mochten de hele dag rondlopen met een handdoek om.
Daar mocht je vooral niet over praten. Want dat was nou 1maal zo.
& Nou moest ik toch eens stoppen met staren naar die jonge meisjes, vond Martine.

Wij prefereren stilletjes de geheel bedekte uitvoering van Zijperspace.

gestrand

Ik moet nog even verantwoording afleggen inzake de verkiezingen van de Dutch Bloggies. Men hoort natuurlijk niet er ’t zwijgen toe te doen, gewoon omdat men niet door de 2e ronde is gekomen. M’n lezers, vooral degenen die op mij gestemd hebben bij de 1e ronde (een enkeling die in de jury van de 2e ronde opgenomen was), dienen op de hoogte gebracht te worden van ’t feit dat ik ’t niet heb gehaald. Mag ik ze evengoed bedanken.
Nu was dit ook niet geheel onverwacht. ’t Is nu 1maal moeilijk opboksen tegen zwaargewichten als Geenstijl, met 100 keer meer lezers per dag, & Merel, 20 keer zoveel. ’t Was eigenlijk nog wel verrassend dat ik bij de voorronde een gedeelde 3e plaats behaalde in de categorie ‘best geschreven weblog’.
& Ach, nou kan iedereen zeggen, & dat wordt links & rechts natuurlijk ook wel gedaan, dat ’t allemaal anders moet, dat ’t vriendjespolitiek is, dat ’t niets voorstelt, etceteraenzovoorts, maar we hebben toch ons best gedaan er iets leuks van te maken (waarbij ’t hoogtepunt op 26 februari in ’t Museum voor Communicatie te Den Haag moet gaan plaatsvinden). De beste stuurlui blijven uiteindelijk nog altijd aan wal staan & met ’t medium weblog is die walpositie wel heel veilig & comfortabel bovendien.
Toch gaan we ’t volgend jaar wéér anders doen.
Rest mij te zeggen: mijn stemadvies voor de categorie ‘Lifetime Award’ zit nog steeds in de race. Als men dus nog iets te stemmen wil hebben, stem LUUK!

Houdt iedereen voor de rest zijn mond in Zijperspace aangaande de verkiezingen.

passanten

Ik hoor ‘m bijna nooit. Maar doordat ik ‘m door de kale takken heen voorbij zag gaan werd ’t geluid weer realiteit & tegelijk daarmee de trein zelf.
Een monotoon ruizen van ongeveer een ½e minuut. Niks geen ‘kedengkedeng’, niks geen onderscheidende bielsen, geen stoomfluit of een zwaar zuchtende kolos van een treinmotor.
Ik zag vluchtig enkele koppen door de raampjes flitsen. Ze hadden nog geen vaart, hadden net gepauzeerd op Muiderpoort & deden goed hun best niet aan station Amstel voorbij te schieten.
& Vanwege die vaart die nog geen snelheid had, dacht ik aan m’n onderbroek, waarin ik op dat moment stond. M’n t-shirt hing er ½ overheen. Maar ondanks dat beetje bekleding eroverheen zouden de details waargenomen kunnen worden, zogauw men de onbeschaamde blote benen zou opmerken. Van ‘t 1 komt ’t ander. Blote benen leiden naar nog meer bloot erboven & mocht dat bloot erboven niet bloot tonen, dan heeft men al snel de conclusie te pakken dat dit bloot door een onderbroek zal zijn bedekt.
Eigenlijk stond ik ademloos bij deze gedachte. De gedachte van de trein die voorbijkwam & mensen die over hun schouder mij zouden kunnen zien. M’n lange broek in m’n handen. Roerloos. Als ze dan toch naar me konden kijken, zij die met enige vaart aan mij voorbij gingen, & de moeite namen tussen de takken m’n huis & woonkamer te onderscheiden, dan mochten ze van mij die onderbroek best meepakken.
Geen exhibitionisme. Ik vroeg me gewoon wat af. & Was tijdelijk geparalyseerd doordat ’t me in beslag nam.

Elke lange reis ga ik voorbij aan m’n eigen huis. Ik hoef de stad maar te verlaten & ik kan m’n tuin, m’n gordijnen, m’n deuren, m’n ramen, m’n waslijn, m’n buren, alles zien, als ik maar goed oplet. Of als ik maar niet op Amsterdam Amstel opstap. Dat bederft de pret.
De heenreis is niet zo bijzonder. ’t Enige wat ik dan doe is kijken aan welke bomen ik de 20 meter leemte tussen de flats kan herkennen waar mijn woning tussen tevoorschijn moet komen. Zodat ik ’t op de terugweg weet.
Dit is de 1e flat, denk ik dan; kan ’t niet zijn. & Dit is de verkeerde boom. & Hier herken ik de woningen van m’n bovenburen niet. Deze doorkijk is te kaal: ik kan alles zien.
& Plots ben ik dan al voorbij de perzikkleurige flats die een groot gedeelte van ’t zicht op mijn huis belemmeren. Weer niet mezelf herkend. Weer weet ik niet waar ik sta in de wereld die ik bezig ben te verlaten. Hoe moet ik dat straks op de terugweg doen als ik verlang naar weer ‘tzelfde bedje, waarvan ik weet dat die zich achter ’t beeld bevindt, ’t beeld dat ik in een vluchtig moment zou kunnen zien opdoemen, dezelfde bank, ’t keukentje, de was die weer normaal gaat geuren, m’n schoenen op de vertrouwde plek onder stoelen & tafeltjes, m’n boeken altijd bij de hand, m’n weg-haast, m’n treuzelen, m’n wc-deur die ik altijd open laat staan, m’n slaap zonder pijn van een matje in m’n rug?

Als ik dan terugkom, dan schaam ik me wel een beetje. Ik recht m’n rug, ten overstaan van al die anderen die al uren bij me in de coupé zitten, ga ijverig m’n nek rekken, krijg een blik in m’n ogen van: ik wil herkennen, ik wil laten zien dat ik weet waar ik ben. Ik bid voor een betere doorkijk tussen de flats in & hoop dat alles toch maar wel ‘tzelfde is gebleven, vertrouwd & een heel klein beetje veranderd, toch, omdat ’t nou 1maal doorgroeit die natuur, die bloemetjes, die plantjes, de wind die waait & de regen drupt, de zon schijnt & de nacht valt, dat heeft ’t hier ook allemaal gedaan, ook al was ik er niet, dus moet ’t toch wel invloed hebben gehad. & Ik zit in spanning vanaf ’t moment dat we de 1e flats van Amsterdam in de verte zagen opdoemen, ik liet m’n 1e blik van herkenning al over m’n aangezicht vloeien bij ’t passeren van de Arena, pakte m’n rugzak alvast in, m’n boek weg, m’n huissleutels tevoorschijn, voordat we Amstel hadden aangedaan, was klaar om te kijken, te gluren voordat we die bocht van de Amstel af hadden gemaakt, & smeekte mensen zonder woorden te zien hoe ik in de buurt kwam van alles wat van mij was, waar ik vertrouwd was.
& Daar schaamde ik me dan voor, zogauw ’t voorbij was. Als ik m’n aanstellerige blik weer voor me uit richtte, in afwachting van ’t verlossende openen van de deuren, om me heen keek om te zien dat niemand zou kunnen bevroeden dat we aan mijn domein voorbij waren gegaan, waar ik binnen een ½ uur mijn rugzak op de grond zou werpen & ik in de tuin in een hangstoel zou gaan liggen, om weer een volgende trein voorbij te zien gaan.
Desnoods in onderbroek.

Want niemand die merkt dat-ie Zijperspace passeert.