uitvaartcentrum

Een strenge heer in pak. Zo leek de man vooral, de man die m’n oom heette te zijn.
Gevouwen handen. Ogen dicht. Ik had ’t al eerder gezien.
Ik zeg tegen m’n moeder: ‘Z’n mond staat een beetje open.’
Z’n gebit was te zien.
Ik zie de man al een gereedschap tevoorschijn halen. Een onontkoombaar gereedschap.
‘Gaan jullie maar naar beneden,’ had die man toen gezegd. ‘Dit ziet er misschien raar uit.’
Ik zeg nu tegen Ma: ‘Dat moet gecorrigeerd. Dat moest bij Pa ook.’
& Ik zie een man voorovergebogen over Pa hangen. Nu over m’n oom. Moeite doen de kaken bij elkaar te krijgen. Met een raar apparaat dat-ie speciaal voor dit soort gevallen altijd op zak heeft.

M’n neef zegt even later: ‘Ik snap wel dat ik er niet de hele tijd bij kon zijn, bij dat afleggen. Toen de heren klaar waren heb ik geholpen hem aan te kleden. Pyjama uit. Z’n beste pak aan. Vlak daarna nog even goed geschoren. Die mannen zorgen dat ’t lichaam nog even behandeld wordt. Daar wil je niet bij zijn. Misschien wat bloed er uit laten lopen, zodat ’t niet al te snel gaat ruiken. ’t Moet toch enkele dagen blijven liggen. Maar vast niet zo erg als dat ’t lichaam er verfomfaaid uitziet. Net na een ongeluk. Evengoed moeten al die plekken weg. Al die plekken van z’n ziekte. Dat gaat opspelen. Dan kan-ie niet al te lang blijven liggen, als je daar niks aan doet. Daarna werd ik in de kamer toegelaten. Hebben we ‘m samen afgelegd.’

Hier staan m’n moeder & ik. In ’t nu. Een lijk tegenover ons. ’t Lijk dat m’n oom heette te zijn.
Ik zeg: ‘Kijk, ze hebben hier ook een bank uit de Petrus & Paulus kerk.’
Ik wijs naar de bank tegenover de kist. Waarop je even kan rusten. Gedenken. Gebedje maken. Na kan denken over wie die man wel niet is geweest.
Wel niet.
& Ik maak sprongen met mijn gedachten.

M’n broer die Marcus Petrus Paulus heet. Alle doopnamen op een rij.
Vernoemd naar de kerk waarin hij werd gedoopt. Waar we met z’n allen in de banken zaten tot aan ’t moment dat ’t ritueel voorbij was.
Waar m’n vader stond. In ’t middelpunt van de belangstelling. Recht tegenover de gemeente gezeten in banken. Deze banken. Terwijl hij gewoonlijk de 1e lezing deed.
‘Volgt nu de 1e lezing,’ zei meneer pastoor, waarop m’n vader naast ons opstond uit de verder anonieme rijen & zich naar de microfoon voor de 1e lezing begaf.
Terwijl wij vastgeklonken zaten op deze banken. De banken die later in de kroeg van m’n broer terecht zouden komen.
‘Spotprijsje,’ zei m’n broer. ‘Ik heb er meteen maar 3 gekocht.’
Maar waarom, vroeg ik me toen af, willen ze al die banken kwijt De kerk wordt er toch niet kleiner van.
& Ik keek naar de bank, de bank tegenover m’n oom, & zag niet dat-ie uitgesleten was. Ook niet van treurende achterblijvers.

M’n neef praatte verder.
Dat-ie aan ’t wachten was. Op witte rozen.
‘Een hele bos witte rozen moet toch niet zo moeilijk zijn. De hele stad voor afgeweest. Uiteindelijk hier in ’t winkelcentrum kreeg ik wat ik wilde. Eindelijk iemand die niet al te moeilijk deed. Hij komt ze nu brengen. Witte rozen, aangevuld met een witte orchidee. Dan hoef je ’t niet voor de prijs te doen. Als ’t maar komt, had ik tegen die man gezegd. Dan kan je ’t geld zo uit m’n portemonnee krijgen.’
Ik zie ‘m die beweging weer maken. Naar z’n broekzak. De emotie zit er nog. Dat de dood van z’n vader niets met z’n geld te maken heeft.

Ik zeg tegen m’n moeder, als we later de bloemstukken zien: ‘’t Is toch heel mooi gedaan.’
Zoals je dat hoort te zeggen.
‘Maar toch heel anders dan bij Pa,’ zegt zij.
& Ze fluistert: ‘Wilde bloemen.’
Dat fluistert ze, zodat ik ’t nog net kan verstaan.
‘Toch heel anders.’
Ik zie m’n vader ook wel in een pak liggen, z’n beste pak, zo aan ’t eind van z’n leven. Strak getrokken achter z’n rug, zodat ’t er nog wel gevuld uit ziet. De dunheid van zijn dood verdoezelend.
Maar geen witte rozen, denk ik. Ik zie geen witte rozen om hem heen.

Ik hoor mijn buurmeisje zeggen, zoekend naar woorden: ‘Ik vind jouw tuin zo mooi, zo, zo, zo….. wild.’
& Ik zeg: ‘Ik noem m’n tuin dan altijd spontaan.’

& Zo gaat ieder z’n eigen weg, weg uit Zijperspace.

biermeneer

4 Studenten. Dat zie je zo. De mate van corpsballerigheid moet ik nog even onderzoeken.
Ik loop langs ze terwijl ze voor de koelkast staan. Diverse malen. Zij proberen te beslissen over wat te nemen, ik sleep met kratten, dozen & flessen.
Ik heb ’t druk, maar ik had ’t ook niet druk kunnen hebben. Of een andere bezigheid kunnen kiezen. Nu heb ik elke keer iets om langs ze heen te dragen. Ik maak onhandige stapels verderop in de zaak.
‘Zo, u heeft aardig wat te tillen,’ merkt er 1tje op.
‘Ja, ’t is een zwaar vak,’ reageer ik maar.
Ik stapel ondertussen een grote krat bovenop een kleine doos. Niet zoals ’t hoort. Maar ik ben aan ’t improviseren. Zodat ik de heren kan testen.
‘Ik kies voor ’t mooie flesje,’ zegt er 1 & pakt Orval.
‘Dan neem ik deze maar,’ zegt de volgende.
Duchesse de Bourgogne.
De andere 2 komen met Urquell & IJ-wit.
‘Hebben we een leuke keuze gemaakt, meneer?’ vragen ze me bij de kassa.
‘Ik ben geen meneer,’ zeg ik, ‘ik heb ’t wel geprobeerd, maar ’t wilde niet lukken.’
Ze gniffelen. Schakelen vervolgens meteen over op ’t onderwerp hoe de flessen te openen.
‘Heeft u een flesopener?’ vraagt de jongen met ’t streepcolbertje.
‘Nee, hebben we niet nodig,’ zegt de jongen naast ‘m. ‘Jullie hebben mij toch.’
‘Ja, wij hebben Jasper,’ beaamt de lange blonde jongen.
Jasper haalt een klein openertje tevoorschijn.
Tevreden verlaten ze de winkel.
‘Ook al schijnt de zon niet, we kunnen er evengoed van genieten,’ hoor ik ze nog net zeggen.

‘U bent klaar met sjouwen?’ vraagt Jasper een kwartier later.
Hij is teruggekomen met ’t streepjescolbertje.
‘Nee, ik moet ook af & toe pauze houden,’ antwoord ik. ‘Anders red je ’t niet.’
‘Kunt u voor ons 4 lekkere biertjes aanwijzen?’ vraagt streepjescolbert.
‘Ik ben geen u,’ zeg ik.
Ik vertik ’t om daar aan mee te doen. ’t Blijken best aardige jongens te zijn, maar ik doe niet aan hun spelletje mee.
‘Ok, maar we willen een lekker biertje. Volgens mij heeft u wel verstand van lekker bier.’
‘Dat heb ik, maar daarom ben ik nog geen u,’ corrigeer ik nogmaals.
Ik wijs 2 duitse bieren & 2 belgische bieren aan.
‘Die zijn lekker?’ vraagt Jasper.
‘Nee, ’t liefst verkoop ik alleen maar vies bier,’ zeg ik, ‘& dit leek me een goede gelegenheid om daar ‘ns volledig in te slagen.’
Toch nemen ze m’n suggesties mee naar de kassa.
‘Heeft u ook….’ begint streepjescolbert weer.
‘Nee,’ zegt Jasper, ‘we hebben Jasper.’
‘O ja,’ zegt streepjescolbert. ‘Ga nooit de deur uit zonder je Jasper.’

Nu staat Jasper met de lange blonde voor de koelkast te staren.
‘Ha, jullie zijn er weer?’ zeg ik.
‘Ja, we zaten te kijken,’ merken ze op als ze hun rug rechten, ‘heeft u ook misschien Heineken?’
‘Heeft je moeder je niet geleerd dat je niet moet vloeken in de kerk?’ vraag ik.
‘U heeft geen Heineken?’ zegt de lange blonde.
‘Nee. Als je dat wil hebben kan je naar dat getto aan de overkant. Die supermarkt zit er helemaal vol van. Hier vind je alleen maar speciaalbier. Wij willen kwaliteit vekopen.’
‘Heineken is toch ook lekker. Waarom verkoopt u dat niet?’ vraagt Jasper.
‘Heineken is uilenzeik. Daar wil ik niet aan meedoen.’
Ze pakken 4 flessen Brand uit de koelkast.
‘Brand is ook van Heineken.’
‘Weet ik. Maar die smaakt tenminste nog ergens naar.’
‘Eigenlijk voel ik me een beetje beledigd,’ zegt de lange blonde. ‘Ons huis wordt gesponsord door Heineken.’
‘Dan moet je thuis gaan zitten,’ zeg ik. ‘Dan komt meneer Heineken straks vast wel langs om z’n bijdrage te leveren.’
‘Fred is dood.’
‘Reden te meer om te wachten. Z’n dochter ziet er vast leuker uit.’
Ze betalen de 4 flessen & verlaten de winkel.
‘Ik voel me best beledigd,’ zegt de lange blonde. ‘’t Is best een mooi huis.’
Jasper legt een hand op z’n schouder & begint met de ander alvast te zoeken in z’n broekzak.

We verplaatsten nog wat kratten in Zijperspace.

achteraf

Bij terugkomst vond ik m’n bed op de grond. Alsof dat nu niet meer vanzelfsprekend was.
Ik herinnerde me heus de vraag nog wel: ‘Zal ik ’t matras op de grond leggen?’
Niet zo hoog. Niet zo veel kraak. Stoot je je hoofd ook niet zo snel. Nou was er bovendien de hele kamer, de héle kamer, om spullen in weg te smijten, te doen verdwijnen in tijdelijke afwezigheid.
Dan vind je de dingen terug bij ’t definitief aan kant maken.
Hoewel ik wist dat dat nog wel enkele dagen kon gaan duren.
Ik trok m’n t-shirts uit. Zwetend van de fietstocht. M’n lichaam moest weer kunnen ademen. ’t Station is toch wel ver weg voor iemand die heen & weer moet.
M’n maag rommelde. Dat deed-ie al vanaf vroeg vanochtend.
‘Pannenkoeken,’ had ik toen gezegd.
Ook: ‘Veel te laat gegeten. Dan blijft je maag bezig met verteren. Tot laat in de ochtend. Hij is nog niet klaar.’
Maar vaker zei ik pannenkoeken. Om herinnering, mijlpaal te scheppen.
Weet-je-nog-wel-pannenkoeken.
Op die manier. Dat je dan kijkt & lacht. ’t Gaat als vanzelf bij zo’n woord.
Ik moest maar weer ‘ns gaan liggen, dacht ik. Pannenkoeken hun verdiende rust geven. Dat ik me eventjes niet met ze bemoei. Ze hun gang kunnen gaan.
Ik twijfelde tussen bank & bed.
Bank, daar was niet zoveel gebeurd. M’n knieën waren hooguit geschaafd.
‘Die bank is ruw,’ had ik gezegd. ‘Dat heb ik nooit eerder gemerkt.’
Waarna dus die matras naar beneden was gegaan.
Alles heeft z’n volgorde. Ook de volgende dag.
Nu zou ik opnieuw voor ’t matras stemmen. Niet democratisch. ’t Was een alleenheerschappij voor een 1-koppig volk. De man die alles opnieuw in zichzelf overwoog. Hij & zichzelf; ze zouden ’t samen in hun 1tje wel kunnen vinden.
T-shirts uit. Broek dan ook uit.
Oubollig sokken aanlaten. Niets zo intiem als de man in onderbroek met sokken zo hoog mogelijk aangetrokken.
’t Is tegen de kou, dacht ik, tegen de kou die nu is ingetreden.
Maar terug in ’t bed bleek de damp van de nacht in ’t bed geslagen. Een vochtigheidsgraad die als een klamme doek zich over je lichaam uitspreidt.
Sokken uit. Met een boog ’t bed uit. Zoals alle kleren met een boog uit bed gegooid dienen te worden. 1 Voor 1; ik had nog geweten dat ’t zo hoorde. Niet achter elkaar. Er dienden spannende pauzes ingelast te worden.
Ik & mijn sokken oefenden de generale repetitie in de spiegel van de tijd.
De kreukels hielden me wakker.
M’n bed zou nooit meer ‘tzelfde worden als niet ’t corrigerende karakter van de wasmachine zich erover zou gaan buigen.
Maar voorlopig liet ik me bedwelmen door de geuren van iemand die er niet meer was. & In die aanwezige afwezigheid vond ik voor een uurtje de rust die afgelopen nacht aan mij voorbijgegaan was.
‘Wat een stilte, hè, in deze straat,’ had ik ’s ochtends willen zeggen.
Die zondagmorgen had zich echter niet door mijn stem willen laten beroeren. Niet mijn gewone stem.
Nu klonken er kinderen. Ze speelden oorlogje. Schoten elkaar neer in ’t middagschijnsel van de dag des heren.
‘Tatatatatata. Dood! Aaarrgggh. Nee, ik heb jou neergeschoten! Je moet blijven liggen! Tatatatatatata,’ susten ze mij alsnog in slaap.

& ’t Nam me mee naar daar waar ik eerder was geweest in Zijperspace.

belletje

Ik bel meestal 1 maal per week. Vaak vanaf m’n werk. Tussen de bedrijven door. Als er niemand is.
‘Met Ton,’ zeg ik dan meestal, op een zangerige toon, van hoog naar laag.
Of, als ’t even duurt voor ik een stem hoor, begin ik over de knopjes.
‘Die nieuwe telefoon heb je nog steeds niet helemaal door, hè, Moe.’
Dan gaat zij als vanzelf in de verdedigingsmode. Vertelt ze over dat de telefoon al contact maakt zogauw ze ‘m oppakt. Dat ze dan nog een knopje in moet drukken om haarzelf verstaanbaar te maken. Maar zo snel zijn haar handen niet.
Iets dergelijks.
‘Nee,’ zeg ik dan, ‘ik bedoel alleen maar te zeggen dat de producenten van die apparaatjes geen rekening houden met mensen die niet zo snel aan de moderne technologie kunnen wennen.’
Waarom ik ’t dan evengoed op zo’n negatieve manier had moeten zeggen, vraag ik mezelf dan ook af. Misschien omdat we met elkaar vertrouwd zijn. Je weet dat je niet al te groot risico loopt als je dingen wat duidelijker zegt dan dat je bij anderen zou doen. M’n moeder blijft toch m’n moeder.

Ik bel Quint.
In gesprek.
Jan neemt niet op. Van Carel weet ik z’n mobiele nr niet. Ik weet niet waar Marc uithangt. Maar die heeft z’n mobiel waarschijnlijk toch niet bij zich.
Ik zou Theo nog kunnen proberen. Hoewel, die is toch aan ’t werk op dit moment. Niet gehoord dat hij Ma van ’t vliegtuig af zou halen.

Waarom ik dan toch elke keer van m’n werk bel. Niet rustig thuis.
Dat doe ik wel. Maar da’s altijd óf ’s avonds laat, met risico dat m’n moeder al richting bed is, óf ’s ochtends vroeg. Als ik ziek ben, pijn heb, m’n moeder als vraagbaak nodig heb.
‘Nee, hoor,’ zegt ze in zo’n laatste geval. ‘Ik was wakker. Heb net de krant gelezen.’
Of ze moest er toch ‘ns een keertje uit. Was al opgestaan, maar nog even in bed een boek gaan lezen & weggedut.
Vanaf m’n werk, omdat ik er de rest van de dag niet aan denk. Alleen als er iets urgents is dus. Ik verveel me, & dan pas denk ik aan m’n moeder.
Ik vergeet ook altijd dat ze afspraken heeft. Een dagje weg. Wat ze me toch écht duidelijk verteld heeft.
‘Ik had ’t vorige week nog verteld,’ is een vaak terugkerende uitspraak.
Die kan ik de laatste tijd ook wel ‘ns terugkaatsen.
‘Ach, ’t zal wel van de emoties van de laatste tijd zijn,’ zegt m’n moeder.
‘Ja, Moe,’ zeg ik dan vergoelijkend. ‘’t Is ook niet niks.’

Quint belt mij. Nog geen 2 minuten later.
Of ik wat korte omschrijvingen wil maken voor zijn bierkaart.
Wanneer?
Zo snel mogelijk.
‘Ik probeerde jou net op je mobiel te bereiken,’ zeg ik. ‘2 Minuten geleden.’
‘Oh? Nam ik niet op?’
‘Nee, je was in gesprek.’
Waarvoor ik belde.
Om te weten wie er een mobiel bij zich had, van degenen die Ma van ’t vliegveld op zouden halen.
‘Ach,’ reageert Quint, ‘die mensen weten niet hoe ze met een gsm moeten omgaan. & Carel heeft z’n mobiel niet aanstaan als-ie vrij is. “Ja,” zegt-ie dan, “als ik niet aan ’t werk ben, heb ik ‘m ook niet nodig.”’

‘Hoe gaat ‘t?’
Daar beginnen we altijd mee. Kijken wie er ‘t 1st met die zin komt. Die kan dan wachten tot de ander uitgesproken is. & Vertellen zogauw-ie weet wat-ie zelf te melden heeft.
’t Heeft meestal niet veel om ’t lijf.
Een enkele keer is er iemand dood. Of gaat ’t met iemand anders niet zo best. Eigenlijk gebeurt dat de laatste tijd steeds vaker.
‘Oh?’ reageer ik dan.
Ik hoor ’t mezelf zeggen. Licht geschokte toon. Ja, er zijn er nogal wat dood gegaan, de laatste tijd.
Ik heb alleen maar lichaamsklachten te melden. Soms hoe ’t met m’n vriendinnen gaat, wanneer ik op vakantie ga.
‘& Wanneer ben je nou ook alweer in Canada?’
‘Weet je dat nou nog steeds niet?’ zegt ze dan voor de zoveelste keer. ‘Ik heb ’t je allemaal vorige week nog verteld.’

Ik bel m’n moeders nr. Misschien is ze er al.
‘Met Marc,’ klinkt ‘t.
‘Ben jij er?’ zeg ik. ‘Is Ma er al?’
Nee, hij is er sinds een kwartiertje. Carel had gebeld. Ze zijn onderweg.
‘Alles goed gegaan?’
‘Ja, hoor. Ze zijn straks hier. Rond 1 uur.’
‘Oh, dan ben ik al naar m’n werk waarschijnlijk.’
’t Loopt toch altijd uit, denk ik, met zo’n vliegtuig & een autorit.
‘Dan bel je toch,’ stelt Marc voor.
‘Nee, want dan ben ik aan ’t werk.’
‘Ok. Dan zal ik wel zeggen dat je gebeld hebt.’
‘Ja, doe dat.’

Toch maar een interlokaaltje aan besteden vanuit Zijperspace.

help

‘Hai,’ zegt ze.
Ik zeg even niks. Ik moet 1st ademhalen. Dat lijkt niet te lukken. Niet op de normale manier.
‘Ik heb m’n tekst weggegooid,’ gooi ik er dan uit.
‘Wat?’ zegt ze.
‘Ik was klaar met m’n tekst & toen heb ik ‘m op een stomme manier weggegooid.’
Ik loop zenuwachtig heen & weer. Van de deur naar de computer. Daar werp ik een snelle blik op ’t beeldscherm & ga dan door naar de tafel in ’t midden van de kamer.
‘Wacht even,’ zeg ik. ‘Ik ga even naar buiten.’
Er moet meer ruimte om me heen zijn.
‘Doe dat maar,’ zegt ze.
‘Ja,’ zucht ik, terwijl ik de deur van de huiskamer open & door de gang naar de keuken loop.
‘Hoe kan je dat nou doen?’ vraagt ze als ik buiten aangekomen ben.
‘Ik zou een tekst gaan plaatsen & toen deed ik iets verkeerds.’
‘Wat gebruik je? Word?’
‘Ja. Ik deed Control-a om de gehele tekst te selecteren & vervolgens dacht ik Control-c in te drukken om die tekst te kopiëren. Maar toen heb ik waarschijnlijk een verkeerde knop ingedrukt. Control-d of iets dergelijks. Er kwam in ieder geval iets tevoorschijn dat ik vanochtend ergens vandaan gekopieerd had. & De tekst was verdwenen.’
‘Oh!’ zegt ze.
Op de toon van: sufferd. Maar ’t klinkt mild.
Ik buk voorover. Hou m’n hoofd voor even vast. Wrijf in m’n haren. Dat hoort erbij als je iets onherstelbaars hebt gedaan, besef ik me. Daarom wrijf ik ook nog maar even in m’n linkeroog.
Jammer dat ze me niet kan zien. ’t Is levensecht. Hier zit de gebroken artiest die z’n manuscript in vlammen heeft zien opgaan.
Als ik dat bedacht heb, bedenk ik me dat ik me niet moet aanstellen & ga rechtop zitten. 1st Nadenken over wat er nu eigenlijk gebeurd is. Perspectief, denk ik, ik moet ’t in perspectief zien. Vraag me tegelijkertijd af wat ik daar nou weer mee bedoel.
‘Afgelopen 2 dagen kon ik niet schrijven,’ zeg ik. ‘Ik wist niet wat. Ik had ’t gevoel dat ik alles al gehad had. & Nou lukte ’t eindelijk, ik was eindelijk klaar & dan gooi ik die tekst zó weg.’
Zo, nou hebben we ’t melodramatische aspect van de gebeurtenis wel gehad. ’t Wordt tijd dat we weer normaal gaan doen, besluit ik.
‘Heb je ‘ongedaan maken’ al geprobeerd?’ vraagt ze.
‘Wat?’
‘Ongedaan maken,’ suggereert ze nogmaals geduldig.
‘Wat is dat?’
‘Da’s een pijltje, een pijltje dat terug wijst. Op de menubalk.’
Ik stommel naar binnen. Dezelfde weg terug als heen. Stoot nu echter tegen de aanrecht & de deurpost aan.
‘Ouwe man,’ denk ik.
‘Ik ben nu weer bij de computer,’ zeg ik gespannen.
‘Bovenin zit er iets van een pijltje. Da’s ‘ongedaan maken’.’
‘Ja, ik zie ‘t. Moet ik die indrukken?’
‘Dan krijg je misschien de oude situatie terug.’
Na wat aarzelen doe ik wat me gezegd wordt. De tekst verschijnt weer.
‘Pff,’ zucht ik. ‘’t Is er weer.’
& Als ik even later ben bijgekomen: ‘Hoe gaat ’t met jouw plannen?’
‘’t Lukt met mij ook niet.’
‘Zit je vast?’
‘Ja, er komt niks uit.’
‘Ah, je hebt de hele dag,’ zeg ik bemoedigend. ‘Maar ik zal je verder niet afleiden. Je hebt vast je tijd nodig.’
‘Ja, da’s waar.’
‘Ik zal wel de hele dag aan je denken,’ stel ik voor.
‘Alsof dat zal helpen,’ zegt ze mismoedig.
‘Dat geeft misschien een positieve uitstraling,’ zeg ik. ‘Ik geloof er zelf ook niet in, maar je weet ’t nooit.’
‘Pf, nou, ik voel ’t waarschijnlijk toch niet.’
‘Dan krijg je een kus.’
‘Ha ha. Omdat we denken dat ’t ene niet werkt, krijg ik maar een kus. Misschien dat dat helpt.’
‘Je hebt er in ieder geval wat aan.’
‘Je moet tegen me zeggen dat ik ’t kan. Dat helpt bij mij altijd.’
‘Volgens mij kan je ’t wel,’ zeg ik krachtig, maar gespeeld.
‘Ja,’ zegt ze.
‘Ik denk dat je ’t kan,’ voer ik de pressie op.
‘Ja.’
‘Ik geloof in je,’ zeg ik nu overtuigd.
‘Ja, mooi. Nu gaat ’t vast wel lukken. Ga ik maar weer verder.’
‘& Je krijgt evengoed ook nog een kus.’
‘Oja, ja.’

Want anders helpt niks in Zijperspace.