sterven

Er is iemand overleden op FriendFeed. De social media-service die ik nog als enige nederlander gebruik.
Michael McKean.

Hij is zondag overleden.
’t Ging vrij snel.

Ik zal ‘m niet de hemel in prijzen. Wat zowiezo niet zo’n goede uitdrukking is in een situatie als deze.
Maar Michael was wel degene die als 1 van de weinige amerikanen reageerde op de muziek waar ik mee was opgegroeid.
Hij bleek van ’tzelfde te houden.

Dus ging ik ervan uit dat-ie ouder was.
Niet stukken ouder. Gewoon iets ouder.

Bijna iedereen is ouder in m’n belevingswereld. In ieder geval als ze er jonger dan 30 uitzien.
Dat lukt niet zo vaak.
Als ik in de spiegel kijk zie ik een oude kerel van 16. Ik blijf die kop verdomme eigenwijs vervormen.

Tuurlijk blijkt Michael, god hebbe zijn ziel (want stel je voor dat al die gelovige amerikaanse friendfeeders kunnen lezen wat ik hier nu opschrijf), helemaal niet zo oud te zijn.
Ik zag foto’s in kleur.
In kleur!

Toen ik geboren werd & geleidelijk aan lichtelijk ouder, bestond kleur niet eens.
Als wel, dan toch zeker vervormd. Of anders waren die kleuren in de loop van de tijd door ’t licht verschaald geraakt.

Nee, dit was puur zoals ’t ooit plaatsgevonden had. Geen zwartwit nostalgie.
’77.
Weet je (zo spraken ze me normaliter aan in dat jaartal), toen luisterde ik naar een album van The Talking Heads met dezelfde titel.
’t Was weliswaar een plaat van m’n 6 jaar oudere broer, maar ik heb die plaat gehoord toen Michael geboren werd.
Daar moet ik GVD bij zeggen.
GVD.

Dat is dus de gozer die meer wist van punkbands dan ik. Maar waarbij ik me er niet om negeerde, netzomin om m’n nl-taalgebruik bij tijd & wijle.
Nee, die jongen, want zo moet ik ‘m nu dus eigenlijk gaan zien, bleef heel gewoon.
& Stierf.

Hij had wel een raar brilletje die niemand ooit zou dragen in Zijperspace.

sperti

Ik geloof dat een mens er heel vreemd uit gaat zien als-ie in z’n 1tje verkouden zit te zijn.
Niet alleen bij verkoudheid trouwens. Vast ook bij een gekneusd middenvoetsbeentje.
Maar ik ben me plots terdege bewust van ’t op een kier staan van m’n mond. M’n bovenlip krult een beetje omhoog, m’n onderlip pruilt omlaag.
Pruilen, dat is wat-ie doet. ’t Is niet eens een alternatief zoeken voor de zuurstoftoevoer nu de neus verstopt is, nee, ’t is gewoon een zielig voor me uit zitten staren met als emotionele drager dat stomme gewillig aan m’n gemoedsstemming aanpassende onderlipje.

Goed, niet iedereen zal daar last van hebben, maar bij gebrek aan een levenspartner zie ik me gedwongen mezelf de hele tijd te vertellen hoe ik er eigenlijk voor sta. Al is ’t op zo’n nonverbale manier als ’t in zekere positie dwingen van ’t 1 of ander lichaamsdeel.

Daarnet constateerde ik bovendien dat er behoorlijk donkerblauwe wallen onder m’n ogen waren ontstaan.
Dat hoort bij een verkoudheid, dacht ik onmiddellijk. Je gaat er een beetje van afzien, van zo’n grootscheepse aanval van ziekmakende bacterieën. ’t Is nog geen makkie om de gehele dag te moeten niezen (een geweldsexplosie neigen m’n buren doorgaans te denken) & snuiten. Daar wordt een lichaam van gesloopt. Om ’t over de directe schade aan ’t lichaam veroorzaakt door die hordes ziektekiemen maar niet te hebben.

Sperti.
Dat zou de 1e keer hebben kunnen zijn dat ik Sperti zou hebben ingezet.
Ik heb ’t vorige week nog aan een stelletje meisjes uitgelegd. Ze zaten gezellig aan een tafeltje te babbelen toen ik langskwam om de lege glazen op te halen. Ik reik naar een glas & ik hoor 1 van de dametjes giebelig klagen over ’t ontstaan van wallen.
‘Sperti,’ zeg ik dus.
Ze keken me allen een beetje glazig aan. Terwijl ik dus in de veronderstelling was dat meisjes over ’t algemeen wel op de hoogte waren van de wonderlijke werking van Sperti op de huid.
Ik zal de oorspronkelijke wijze van gebruiken van dit heilzaam medicijn buiten beschouwing laten, maar men mag gevoeglijk van me aannemen dat ’t een voortreffelijk effect kan sorteren als men een stukje uitgerekte huid weer wat meer ineen wil laten krimpen.
Ik ben hiervan op de hoogte gesteld door vrouwen die ’t bij ’t vroege opstaan hun hele verschijning zagen opfleuren dankzij dit zalfje.

‘Ja, Sperti,’ zei ik dus nogmaals na enkele seconden stilte.
Waarna ik ’t 5-tal in telegramstijl heb uiteengezet wat je ermee kon bereiken.

Ze waren verstomd. Zeiden om beurten ‘Nou, dank je’, waarna ik mij verder begaf voor ’t verzamelen van lege glazen. Daar ben ik tenslotte voor aangenomen.

Ik zelf gebruik ’t dus niet. Ik wil op deze dag van opperste treurnis mijn aangezicht in volle glorie op standje uitgeput in de spiegel zien staan. Liefst met m’n mond op apengapen. Iemand moet tenslotte medelijden met me hebben.

Bij gebrek aan toeschouwers in Zijperspace.

zakdoekjes

Ik heb een probleem met zakdoekjes. Niet per se in ’t gebruik ervan, maar vooral bij aankoop.
Wat dat betreft zijn oudere mannen toch nog enigszins bevoordeeld, met de stoffen zakdoeken die moeder de vrouw elke dag weer schoon wast. Een generatie die heel moeilijk uit te roeien lijkt. Vroeger waren ’t vooral vaders & opa’s die daar gebruik van maakten, tegenwoordig zijn zakdoekenmannen nog steeds van hogere leeftijd, maar kom ik in jaren toch steeds dichterbij.

Die zakdoeken gebruik ik dus niet. Ik ben van de weggooi-generatie. Ik probeer me in dat weggooien zuinig & zorgvuldig te gedragen, maar met zakdoekjes (als ze van papier zijn heten ze ‘zakdoekjes’, vreemd genoeg), wordt in de verkoudheidsperiode menig afvalbak gevuld. ’t Meest besmettelijke object in huis is momenteel waarschijnlijk de prullenmand die bij mij in de huiskamer staat.

Maar m’n moeder heeft me nooit uitgelegd hoe ik zakdoekjes moet kopen.
’t Schijnt belangrijk te zijn dat je 1st leest wat er op de verpakking staat. Dochters krijgen dat soort zaken voorgekauwd, gedurende de opvoeding, heb ik nav ex-vriendinnen kunnen constateren, maar de mannen worden slechts mondjesmaat daarin onderricht.

Mijn moeder had met 6 zonen (men heeft altijd gedacht dat ze ’t wel zwaar moet hebben gehad) nergens geen omkijken naar. Geen maandverband-instructies, geen hygiënische uitleg over onderbroekjes, geen wasvoorschriften voor maandelijkse stondes, laat staan enige begeleiding bij de 1e verkenningstochten omtrent ’t aanbrengen van make-up.
Bij nader omzien kan ik wel constateren dat, ondanks de hoeveelheid zoons, m’n moeder een makkelijke taak toebedeeld had gekregen.

& Wij zoons lijden er onder. Nog altijd.
Ik koop bijv ook altijd ’t verkeerde wc-papier. Slechts een enkele keer kan ik zeggen dat ik werkelijk ontspannen van ’t toiletbezoek terugkeer.

Vrouwen lijken ook altijd veel eerder ingelicht te zijn over nieuwe innovaties mbt artikelen die in ’t teken staan van ’t lichamelijk gebruik. Ze krijgen naar alle waarschijnlijkheid van moeders met de paplepel ingegoten dat ze dagelijks de foldertjes in de bus door moeten nemen, om geheel voorbereid de warenhuizen te kunnen betreden. Men hoeft alleen al op een doordeweekse dag in de HEMA om zich heen te kijken om te beseffen dat vrouwen geheel voorbereid rond staan te snuffelen, ze hoeven slechts nog even ’t juiste product bij de juiste voordelige actie zien te vinden, terwijl mannen hopeloos om zich heen kijkend op zoek zijn naar ’t schap voor de mannenonderbroeken.
Wat tot gevolg heeft dat de onnozelaar bij ’t vinden van ’t juiste gangetje op de onderbroekenafdeling snel datgene naar zich toe trekt dat ’t meest lijkt op ’tgeen hij nodig heeft, want stel je voor dat ook maar iemand door heeft dat-ie zich al 30 minuten in dit grootwarenhuis bevindt.

& Hoewel ik me zeer wel bewust ben van dit verschijnsel, me tijdens ’t verblijf in dergelijke gelegenheden nonchalant & ondanks m’n onwetendheid toch recht op m’n doel af richting een willekeurig schap voortbeweeg, ondertussen zogenaamd de vrouwen bewonderend waar ik eigenlijk helemaal geen tijd voor zou moeten hebben wil ik binnen een redelijke tijd de winkel hebben verlaten, toch, elke keer weer, weet ik ’t voor elkaar te krijgen om zakdoekjes te kopen waar een raar geurtje aan toegevoegd is. Zodat ik al moet niezen voordat ik ’t papier volledig heb kunnen ontvouwen.

De spetters hangen aan de wand van Zijperspace.

conversatie VII

‘Ik heb er altijd moeite mee gehad.’
‘Waarom? Je ligt toch lekker tegen elkaar aan?’
‘Ja, de 1e uren met elkaar is ’t prachtig. Dan lijk je nooit pijn te kunnen lijden.’
‘Pijn lijden? Ik heb nog nooit pijn geleden naast een vrouw in bed.’
‘Oh, ik weet meerdere redenen op te noemen waarom je iets op kan lopen terwijl je met een vrouw in bed ligt. Ik had bijv korte tijd een vriendin die zelfs in ’t donker door wilde gaan met meeëters van m’n neus te verwijderen.’
‘Jij hebt altijd al extreme vriendinnen gehad.’
‘Ja, ik zal ’t wel op me af roepen. Maar om ’t bij ’t onderwerp te houden: ik hou ’t gewoon niet vol, de hele tijd in dezelfde houding.’
‘Oh, ik kan niet lang genoeg m’n vriendin vast blijven houden. ’t Is heerlijk om te voelen dat alles precies voegt met elkaar.’
‘Ja, daarom heb je ook al een relatie met haar die terugvoert tot de Middeleeuwen. Ik weet na 5 minuten al niet meer waar ik m’n arm moet houden.’
‘Maar waarom dan?’
‘Hè, heb jij dan werkelijk nooit ergens last van?’
‘Ik zou niet weten waar ik last van zou moeten hebben.’
‘Bijv dat als je lepeltjelepeltje met elkaar ligt je op een gegeven moment niet meer weet waar je rechterarm is. Niet omdat-ie ergens verstopt zit, maar omdat er geen bloed meer doorheen stroomt. Zo’n 1e nacht met een vrouw durf ik nooit m’n arm terug te vragen. Laat staan dat ik ‘m vanonder haar nek zou willen weg trekken.’
‘Als je dat weet van jezelf, dan zorg je toch dat je op een andere manier gaat liggen.’
‘Heb ik ook geprobeerd. Gewoon dicht tegen haar aan gaan liggen met m’n arm níet onder haar lichaam door.’
‘Dat bedoel ik.’
‘Ik wist werkelijk niet meer waar ik m’n hand moest houden. Hij zat precies op de verkeerde plek. & Als ik ‘m een klein beetje bewoog dan dacht zij uit dat stoten van m’n pols dat ik weer van voren af aan wilde beginnen met ’t liefdesspel.’
‘Huh?’
‘Ja, ook een pols kan hard aanvoelen, als je begrijpt wat ik bedoel.’
‘Ik bedoel: Huh, dat is dan toch niet erg?’
‘Op dat moment wel. We hadden alle gevoelige plekken op onze lichamen al ontdaan van 1 cm huid tijdens onze woeste 1e nacht samen.’
‘Heeft je moeder je dan nooit verteld dat je voorzichtig moet zijn de 1e nacht met een nieuw vriendinnetje?’
‘Jawel, maar die vriendinnetjes zijn nooit voorzichtig met mij.’
‘Dus daarom heb je ’t afgeschaft.’
‘Nou ja, afgeschaft… ’t Lijkt er meer op dat vrouwen gewoon aan m’n gezicht af kunnen lezen dat ik degene ben die pijn zal lijden.’

& ’t Wordt allengs stiller in Zijperspace & omstreken.

meisje

Het zijn moe-dagen. Dat heb ik net geleerd. Moe-dagen.
1 Van m’n 2 werkgevers had dat moeten weten. Dan hoefde hij me niet uit te lachen.
Ach ja, ’t zal wel als ’toe’-lachen worden uitgelegd als ik er nog ‘ns over begin.

Ik zei ‘m: ‘Maar ik was elke dag misselijk toen ik niet mee ging met dat uitje.’
‘Jajaja, da’s waar,’ gaf hij toen toe.
& Hij wuifde ’t weg met z’n hand. Van: je hebt gelijk, misschien had ik dit niet moeten zeggen, maar ’t was grappig bedoeld.
Een mens kan wuiven op zo’n manier. Taal is helemaal niet nodig.

Moe-dagen. Zou dat vertaald worden naar dagen die eigenlijk alleen maar voor vrouwen gelden? Moeders.

Ik ben nog ‘ns naar de gastro-enteroloog geweest. Specialist in darmen & ontlasting.
Ik zal de details, die ik overigens niet heb meegemaakt, weglaten.
‘Spastische darmen,’ concludeerde die specialist zo’n 15 jaar geleden.
Toen bestond de ziekte van Graves blijkbaar nog niet. Toen functioneerden schildklieren nog niet te snel.
‘Vrouwenziekte,’ voegde hij er aan toe.
Dus die moe-dagen passen er goed bij. Als ze op die ene manier worden vertaald.

Wanneer was ik nog meer een meisje? Toen ik als scholier als enige jongen tussen 15 meisjes m’n pauzes vierde? Toen ik met m’n vader-de-directeur zijn huishoudschool bezocht? Of als ik tegenwoordig gefascineerd naar die uitstulpende tieten in zomerhempjes zit te staren op jacht naar doorschijnendheid bij de minste geringste windvlaag?
Ik ben waarschijnlijk m’n leven lang al een vulgaire lesbiënne geweest.

Maar ik speelde m’n rol met verve & niemand nam ’t me kwalijk in Zijperspace.

about

Voor ’t 1st in m’n blogbestaan heb ik een about-pagina, zo’n pagina waarin doorgaans verteld wordt van wie ’t weblog is & wat die persoon dan wel niet allemaal doet in z’n on- & offline leven.
Nou, daar moest ik ook maar ‘ns vulling aan geven. Dus met een beetje schrijven & schrappen kwam ik tot ’t onderstaande. Misschien nog altijd ietwat mager, maar de rest kan men vinden in de teksten zelf.
Hoewel die ook niet altijd op volledige waarheid berusten. U bent gewaarschuwd.

Zo, ik ben dus Ton. De enige inwoner van Zijperspace.
Een zelfverkozen eenzaamheid overigens. Ik heb daar best lol in. Ik & mezelf zijn goed op elkaar ingesteld.

Ik schrijf te veel. ’t Wordt al sinds mensenheugenis van mij gezegd. Niet dat ik te veel teksten produceer, dat is ’t niet. ’t Is meer dat als ik iets schrijf ’t vaak resulteert in ellenlang.
Mijn welgemeende excuses daarvoor.

Nu niet langer op deze about-pagina getreuzeld & gezwind die ellenlange verhalen van me lezen. Tijd is kostbaar weet ik inmiddels. Wat dat aangaat heb ik m’n leeftijd mee. Ik heb er in ieder geval inmiddels veel te kort van. Ik wil er dus niet de oorzaak van zijn dat de toevallige bezoeker dat ook gaat ondervinden & daardoor er niet aan toekomt dat te doen waar ’t bezoek aan Zijperspace eigenlijk toe had moeten leiden: ’t lezen van de wederwaardigheden over dat hele kleine universumpje ergens in een uithoek van dat o zo grote Cyberspace.

Gegroet!

Vanuit Zijperspace natuurlijk.

herinnering

Zit ik weer ‘ns midden in een boek van een man die zijn leeftijd mee heeft. De leeftijd dat alle jeugdherinneringen als vanzelf weer op komen borrelen.
Sommige mensen schijnen daar last van te hebben. Ik verlang er al jaren naar.

Ik moet geen Parkinson krijgen, zoals m’n vader. Dat zou funest zijn voor mij. Pa was gefascineerd door de beestjes die hij voorbij zag komen dankzij de medicijnen die de ziekte moesten bestrijden. Af & toe hoorde hij ook stemmen uit de muur komen, maar niets kon ‘m ongerust maken.
Ik zou horendol worden. Dat heb ik me nu alvast voorgenomen.
Kroop er zogenaamd een beestje over z’n magere arm. Zei hij heel aangedaan: ‘Hé, kijk nou.’
& Met z’n ogen volgde hij waar ’t dier blijkbaar dankzij de verkeerde werking van enkele neuronen in z’n hersenpan naartoe kroop.
Ik zou dat niet-bestaande kreng allang vermorzeld hebben met duim & wijsvinger. & Dan nog even op de vloer met m’n hakken definitief platstampen.

Als ik bij m’n broer langs ben, we drinken een biertje in een café & kijken naar de mensen die buiten voorbij komen, moet m’n broer me altijd melden wie die mensen toch zijn die er inmiddels 20 jaar ouder uitzien.
Jaja, ok, zet ik m’n beste beentje dan voor.
‘Maar waar was die gozer dan van?’ vraag ik toch nog even.
“Nah, weet je dat niet meer? Je speelde altijd met hem.’
Terwijl ik dacht dat ik buiten m’n broers niemand om mee te spelen had.

Ik ben een tijdje gek geweest.
Dat zei ik van de week maar tegen een meisje dat me vroeg of ik uit Den Helder kwam. Ze had me daarna gevraagd of ik al die tijd sinds school al in Amsterdam gewoon had.
Nee dus.
Niet dat zij uit Den Helder kwam. Haar vriend.
Ze wees haar vriend aan. Die ik natuurlijk niet herkende.
Heeft bij je broer in de klas gezeten of zoiets, vertelde ze.
Ik keek nog een keer, maar dat had ik net zo goed kunnen laten.
Was ik even blij dat ik al verteld had dat ik een tijd gek geweest was. ’t Verklaart nl ontzettend veel. Vind ik zelf dan.

Ik heb ’t m’n broer proberen uit te leggen.
‘Ik ben gek geweest.’
‘Ja?’
‘Nou, dat kost verschrikkelijk veel energie.’
‘Ja, maar je hebt toch dezelfde dingen evengoed meegemaakt die ik heb meegemaakt?’
‘Hm, ja. Maar onder die stress heb ik gewoon de beschikbare hersencellen niet gebruikt om alles op te slaan.’
‘Ach man, je zoop gewoon te veel.’
‘Ja, maar jij zoop altijd meer.’
‘O ja, da’s waar.’

Voorlopig hebben we ’t gaatje niet gevonden in de lekke band van Zijperspace.

schoonheid

Schoonheid

2 Jaar latijn gehad. Speciaal voor dat 2e jaar ben ik blijven zitten. Maar toch gestruikeld.
Daar ging m’n toekomst als theoloog, gespecialiseerd in ’t godendom van de oudheid.

’t Leek me sterk dat een theoloog zich kon specialiseren in de religie van de oude grieken & romeinen, maar iemand moest de 1e zijn.
Nooit m’n ouders verteld overigens. Die moesten maar blijven geloven dat ik m’n interesse voor latijn wilde reserveren voor ’t paterdom of iets dergelijks.

Naast me zat een jongen die net als ik alleen maar 10-en haalde. Hij deed dat 1e jaar latijn voor ’t 1st. Ik mocht ’t nog een keer overdoen.
M’n wraak op hem was dat ik er helemaal niets aan deed. Zodat ik langzaam van een gemiddelde keiharde 10 naar een zachte 7 afzakte.

Kwam laatst ’t meisje dat de Week van de Klassieken had georganiseerd bij mij in de winkel.
‘Hé, jij bent ’t meisje van de Week van de Klassieken,’ zei ik, maar dan anders.
‘Hoe weet jij dat?’ vroeg zij.
Ik vertelde dat ik zoveel mogelijk lezingen had bijgewoond. & Dat ik liefst nog meer van de activiteiten had bezocht.
‘Grappig,’ vond ze, ‘dat een bierverkoper ook geïnteresseerd is in de klassieken.’
‘Oh, maar ik wilde vroeger theoloog worden,’ reageerde ik.
& Ik voelde me voor een kort moment erg sexy.

Maar daar lijken klassieke meisjes in Zijperspace niet zo gevoelig voor.

stuiteren

Misschien had ik dat filmpje niet moeten kijken. Nu zit ik me af te vragen of ik ooit wel heb meegemaakt wat blijkbaar iedereen ooit heeft beleefd.
Niet ook zomaar een herinnering. Als je iets dergelijks is overkomen, dan staat ’t vast voor eeuwig in je geheugen gebrand. Of je moet (als man dan, hè; ik probeer dit even te schrijven zonder me te verplaatsen hoe vrouwen zich er onder zouden kunnen voelen)  ’t elke keer dat je in je leven een vrouw ’t bed op trok op die manier hebben gedaan.

Ik verknal de romantiek ook meteen die aan ’t plaatje is verbonden. Ik zie dat stel op ’t bed terecht komen, stuiterend op & neer dankzij de vering van ’t matras, & ’t 1e wat mij te binnen schiet zijn de tanden die tegen elkaar aan ketsen.
Kijk, dat heb ik dan wel meegemaakt. Op zo’n manier zelfs dat ik even 5 minuten niet aan vrijen of zoenen wilde denken.
Of wat te denken van een wel heel onnauwkeurige actie van beider partijen, waarbij de tanden van de 1 ’t topje van de neus bij de ander toucheert. & Dan niet van dat zachte waar makkelijk overheen te komen valt, nee, meer van dat je ’t gevoel hebt dat ze die tanden in je huid heeft achtergelaten en touché eindigt met een uitroepteken.

Ik zie dus dat stel in dat clipje op ’t bed terecht komen, een korte shot van nog geen 1½ seconde, & ik krijg tijdens dat ene moment ’t gevoel dat ik m’n leven alleen al voor deze scene opnieuw zou moeten doen.
Of mankeert er iets aan mijn geheugen?
’t Komt me in die verlengde tel opeens voor de geest dat dergelijke liefdesuitingen in ’t collectief geheugen staan opgeslagen. Vroeg in de jeugd moet dat ergens gebeuren, word je er deelgenoot van. Dan weet je onbewust bewust dat ’t straks ’t niet waard was als je niet 1 maal in je leven gezamenlijk hebt geboemst dankzij de vering van een bed.

& Dat boemsen, zoals ik dat nu maar even noem, dat hoeft voor de rest niet al te veel gevolgen hebben gehad. Het kan bij die omarming, ’t stuiteren & een lieve kus zijn gebleven. Als ’t maar heeft plaatsgevonden. Ooit.

Au, au, dat ‘ooit’ is als een dolksteek in m’n niet geleefde leven. Alsof ik hier even geestelijk harakiri zit te plegen, met als messcherp wapen m’n eigen toetsenbord.

Volgens mij is ’t Jan Wolkers geweest die ik als schuldige moet aanwijzen. Van diep weggeborgen in m’n geheugen borrelt er tijdens ’t typen een zwartwit foto op, van een man die zich van ’t randje van ’t bed op een vrouw laat vallen. Jaren 60.
Op 1 of andere manier koppelen enkele van mijn hersencellen dat beeld aan Jan Wolkers. Ik heb die man al nooit gemogen. Hij wist met zijn verhalen beelden op te roepen over seksuele escapades waar zeker 75 % van de bevolking nooit aan zou weten te voldoen.
Of anders was ’t Jan Cremer. Ook een lul, wist ik als maagdelijke tiener al snel. Ja ja, in de jaren 60 wisten ze ons voor te spiegelen dat we seksueel waren bevrijd & in de jaren 80 moesten we die boeken daarover lezen van onze docenten nederlands. Een nieuwe generatie met een collectief complex was geboren.

Nou ja, ik maak er maar even collectief van. Dat zorgt er wellicht voor dat ’t leed minder zwaar zal wegen op de weg die ik nog moet gaan.
Maar ben ik verdorie met 72 vrouwen naar bed geweest & ben ik onderweg vergeten ons gezamenlijk te laten stuiteren op ’t matras.

Dat laatste, dat heet overcompensatie in Zijperspace.

crème

Zo onoverzichtelijk is de wereld niet. Het is alleen een beetje overdonderend wat er op je af kan komen als je probeert klein te denken.
Klein denken, is dat wel een uitdrukking? & Als wel, bestaat ’t dan niet in een andere betekenis dan dat ik hier hanteer? Ach, laat ik ’t dan maar ter plekke uitgevonden hebben.

Klein denken doe je om ’t grote niet te hoeven zien. Dat is de hapklare uitleg. ’t Is een manier om jezelf te beschermen tegen grote levensvraagstukken.
Dus kijk ik, om ’t met dagelijkse voorbeelden te illustreren, niet naar de verkeersonveiligheid aan de voorkant van m’n huis & alles waar de straat waarin deze staat naartoe leidt, maar bestudeer ik liever de fles handencrème die mijn moeder ooit hier heeft achtergelaten.
Maar, & daar begon ik mee, dit kan ook behoorlijk uit de hand lopen. ’t Vormt zelfs een groot probleem bij de associatief ingestelde mens.

Mijn moeder hielp me enkele dagen bij ’t opknappen van dit huis, de maand voorafgaand aan ’t moment dat ik er definitief introk. Op de kop af 10 jaar geleden.
Anderen waren haar al voorgegaan, m’n moeder kwam vooral langs tijdens de afwerking. Zodat ze kon boenen, poetsen & afstoffen. Zij was heer & meester in de keuken, specifiek: ’t warme water.
Opmerkingen als: ‘Ach Moe, dat komt later wel,’ kaatste zij af met: ‘Nee, nu ben ik er toch.’
& Ze had daar gelijk in. Ze was als altijd de meest praktisch ingestelde van de club.
Dus had ze ook handencrème meegenomen. Een grote tube van 1 gulden 50.
Ondanks de lage prijs mocht ik daar niets aan meebetalen.
Maar ja, ik vond ’t dan ook onzin.
‘& Als jij er dan niets om geeft, laat mij dat geld dan maar uitgeven aan die onzin. Anderen weten dat vast wel te waarderen.’
Waarop ze natuurlijk steun kreeg van alle vrouwen die me die dag hadden geholpen. Demonstratief smeerden ze, ’t was aan ’t eind van de werkdag, allemaal hun handen in, schraal getrokken van ’t behang verwijderen, de plinten ontvetten, de kozijnen schuren.

’t Is geen ramp om nav zo’n tube terug te denken aan de maand dat ik dit huis aan ’t inrichten was, ’t is alleen dat ’t zoveel extra’s met zich meesleurt.

M’n vader was er niet bij. Die was toen al behoorlijk aan ’t parkinsonniseren. Hij had niet geweten wat-ie op deze lege plek zou moeten doen. Hij had m’n moeder constant gevraagd of ze niet beter naar huis konden gaan.
’t Was ’t 1e huis in de familie dat m’n vader niet eigenhandig van behang zou voorzien.

Ook niet erg, aan m’n vader denken. ’t Is eerder van: hé, daar is-ie weer. Na 6 jaar dood komt-ie toch nog even de hoek om kijken.
Als ’t daar maar bij bleef.

Die tube ligt al 10 jaar in datzelfde kastje, onder de wasbak in de keuken. Tussen m’n wanordelijk weggestopte medicijnen, pleisters & verbanden.
M’n buurman de fotograaf, had 1 maal ’t prachtige idee om juist dat soort kastjes van binnen te fotograferen. Hij had alle kastjes al gehad. Van boven naar beneden was-ie bij mij als laatste aangekomen.
‘Zo, prachtig,’ zei hij. ‘Voor dit soort kastjes doe ik ’t dus.’
Ja, ’t was dan ook ’t spreekwoordelijke huishouden van Jan Steen onder de keukenkastjes. Voor buitenstaanders ongelooflijk dat ik daarin toch elke keer ’t juiste doosje van levensbelang zijnde pillen uit weg zou weten te trekken.

Waarop de dood zijn intrede doet.
Eerder deed ’t seksisme dat al, bij mijn vooronderstelling dat handencrème slechts gebruikt wordt door vrouwen. Bij mijn gedachtengang dat vrouwen blijkbaar gevoeliger zijn & ’t niet gewend zijn oneffenheden tegen te komen op hun huid. Niet dat ik dergelijke gedachtengangen als waarheid beschouw, ze spelen slechts met me, terwijl ik weggetrokken wordt van ’t oorspronkelijk onderwerp.

Maar dan de dood. Die zijn aandacht wil als ik aan dat kastje met medicijnen denk & hoe die zo wanordelijk goed gevuld is geraakt gedurende de tijd.
Waar zijn de doden, denk ik dan, & nemen ze ’t me kwalijk dat ik er zo luchtig over doe? Zou Carel, als-ie maar enigszins de mogelijkheid had, mij op willen bellen, net als toentertijd, om mij even haarfijn uit te leggen dat ik geen recht heb om dit op te schrijven? Dat ik hem niet bezit?

Maar ondertussen. Ondertussen kriebelt ’t in m’n neus van die 10 jaar oude handencrème, die ik toch maar gebruikt heb omdat ’t koude weer ’t noodzakelijk maakte.
’t Heeft nog steeds ’tzelfde effect op me, Ma.
Ik word wee, ik wil niezen. & Ik wil denken aan vrouwen die hun hele lichaam insmeren met dat spul, waardoor ik ze niet meer aan wil raken, bang als ik ben dat ik m’n neus leegproest.

Zou die handencrème de reden zijn dat ik hier alleen zit in Zijperspace?