Tuin (II)

’t Is even omschakelen. We leven nu op powerbanks als we op de tuin zijn. Want we maken ’t altijd te laat om ’t zonder te kunnen doen. ’t Wordt langzaam beter, naarmate de wintertijd verstrijkt.
Straks een ‘big leap’ van een uur, waardoor je plots nog een uur langer door kan gaan. Dan wordt ’t tijd om warm eten te kunnen maken. Een salade, een diepvriesmaaltijd die je overdag hebt laten ontdooien.
We hebben eigenlijk alleen nog maar de winterperiode meegemaakt, zo vers lijkt de tuin nog. Alles wat kapot was aan ’t huisje is nog steeds kapot. Paar gaatjes extra in de vloer.

Ik stap elke dag, de dagen dat ’t niet op de verkeerde tijdstippen regent, net aangekomen op de tuin, over in werkschoenen van de buurman. Hij had alweer nieuwe gekregen van z’n werkgever.
Maar 1tje lekt er al modder naar binnen; ’t valt niet tegen te houden door de minuscule kieren, zie ik als ik m’n steunzolen er weer uittrek.
Dan moet ik altijd aan m’n vader denken, m’n opa ook. We zijn verdoemd tot ondersteuning, heeft 1 of andere duivel ons toegefluisterd. We vervullen tot mijn generatie die voorspelling.
Dat is niet waar, natuurlijk, dat is wat ik bij elkaar fantaseer als ik in de modder sta te scheppen. Daar word je hard van, waag ik mezelf te bedenken, dan kom ik dichter bij wat echt is. Zogenaampjes, hoopgevertjes & doordouwertjes. Geen grootse woorden; jezelf bezig houden.

Terwijl er ondertussen de meest saaie nummers door m’n hoofd spelen. ‘Toen wij uit Rotterdam vertrokken…’ wilde van de week niet uit m’n hoofd verdwijnen. ’t Tureluurt als de fietspomp van ’t koolmeesje 2 bomen verderop.
Ik vraag me af hoe ze ’t vroeger deden, zich wapenen tegen herhaling van dezelfde liedjes.
Wellicht hadden ze daar geen behoefte aan, waren ze erger gewend.

Ik vind ondersteuning in de zanglijster, hoewel hij elke keer wat laat op gang komt. Ik ondertussen bezig met afsluitbier & in te pakken wat verborgen of mee moet.
’t Is er niet zomaar 1tje, die lijster, er zijn er wel 3 op een afstand van ieder hooguit 20 meter. Duidelijk verstaanbaar elk: 3 maal een reportoire van verschillende deuntjes 3 keer snel achter elkaar. Verschillend dus, andere geluiden gekopieerd ook, zodat ze niet op elkaar lijken voor ’t passerend vrouwtje met een toevallig luisterend oor.
Ik verzoek haar de keuze nog een tijdje uit te stellen, zodat Rotterdam zelf uit m’n hoofd vertrekt & niet de mensen die ’t maar laten blijven zingen.

Wachten op ’t moment dat er niet meer gereisd hoeft te worden in Zijperspace.

De berk

Ik ben de laatste tijd een beetje bezeten van alles wat dankzij iets anders leeft. Nou is de wereld opgebouwd uit dergelijke structuren van ecologisch evenwicht, eten doet leven en piramidemodellen van voedselketens, etc.., maar ik doel eigenlijk meer op organismen die dankzij een ander (groter) organisme een ‘riant’ leven kunnen leiden.

In ’t geval van de berk, want daar moest ’t tenslotte in dit stuk over gaan: Engels onderzoek heeft uitgewezen dat zo’n 334 soorten insecten en mijten genieten van ’t blad van de berk. Jammer dat mijn bron daarbij niet aangeeft over welke berk dat gaat, de zachte of de ruwe, maar interessant blijft ‘t.
Meestentijds blijft de berk in goede staat onder de aanwezigheid van zijn gasten. Slechts zo’n 40 ervan richten daadwerkelijk schade aan. Dat vreten aan zijn bladeren doet ‘m blijkbaar niet echt veel. Sterker, als de ruwe berk ’t op een zomerse dag te warm krijgt, ontdoet ’t zich zelf van een deel van zijn bladeren, om zodoende een teveel aan verdamping te voorkomen. Is-ie misschien wel gelijk van een zooitje profiteurs af die zich in dat gebladerte genesteld had.
Ik bedoel maar te illustreren dat de berk wel tegen een stootje kan.

Bij z’n bast heeft de berk over ’t algemeen minder te lijden van visite. Er zit nl betuline in de schors van de boom. Dit is een harsige stof met een sterk conserverende werking. De mens profiteert hiervan door er olie van te maken waarmee juchtleer bewerkt kan worden. Denk aan wandelschoenen die bij aankoop zo lekker kunnen ruiken dat je meteen je rugzak om wil trekken voor een 5-daagse wandeltocht.
Maar betuline heeft een nog belangrijker functie voor de mens. ’t Wordt nl ingezet bij de bestrijding van kanker. Ditmaal wordt ’t echter niet rechtstreeks uit de berk gewonnen, maar uit zwammen die parasiteren op de boom. De Berkenweerschijnzwam (Inonotus obliquus), zeldzaam in NL, en de Berkenzwam of Berkendoder (Piptoporus betulinus) herbergen nl naast de betuline en ’t daarvan afgeleide betulinezuur, nog wat andere stoffen die kankerpatienten kunnen helpen.
Nadeel van die zwammen is dat ze de berk dood wensen, want dan smaakt-ie blijkbaar ietwat malser. Parasieten zijn ‘t, om bij overlijden van de berk de functie van saprofiet op zich te nemen. Wat zoveel wil zeggen als dat de moordenaar zichzelf bevordert tot uitvaartverzorger.

’t Is zeer waarschijnlijk dat de Echte Tonderzwam (Fomes fomentarius) dankzij de betuline die ’t uit de berk wint eenzelfde kankerbestrijdende kracht heeft als de 2 bovengenoemde. Aziaten trokken er 2 jaar geleden in de Veluwe op uit om 100-en van die zwammen van de berken los te hakken. In China fungeren ze als middel tegen oa hartproblemen en kanker.

Er zijn nog een aantal schimmels die de berk wel aardig vinden, waarbij de bekendste de Vliegenzwam (Amanita muscaria) is. Eetbaar zijn oa de Hanenkam (Cantharellus cibarius) en de Gewone Oesterzwam (Pleurotus ostreatus). Giftig (net als de Vliegenzwam overigens): de Kastanjeparasolzwam (Lepiota castanea) en de Viltige Maggizwam (Lactarius helvus). Er zijn er nog veel meer, de berk lijkt zich tot 1 van de grootste delicatessen in dit aardrijk te mogen rekenen; ik heb de lijst echter maar beperkt tot de namen die ’t meest tot de verbeelding spreken.

Laat ik ’t ook nog even over wantsen hebben. Er zijn er twee die vaak door elkaar zijn gehaald, de Berkenwants (Elasmucha grisea) en de Berkensmalsnuit (Kleidocerys
recedae). Die laatste heeft z’n naam pas kortgeleden toegekend gekregen. Noodzakelijk, want regelmatig werd de Berkenwants op sites vermeld met een plaatje van de Berkensmalsnuit.
Wat beiden buiten hun geliefde boom gemeen hebben: ze ruiken. De Berkenwants echter alleen als je ‘m dood slaat. Dat gebeurt echter nogal eens: ze kunnen in grote getale op berken voorkomen en dan, vooral op terrassen, de mens lastig vallen met overvloedige aanwezigheid. Een spontane pets op ’t beestje verspreidt een heerlijke stank over ’t terras.

En dan heb je ook nog gallen. Sinds ik ’t Gallenboek (herziene versie) van W.M. Docters van Leeuwen in huis heb, zijn dat m’n grootste vrienden. Nou ja, totdat de uitleentermijn van ’t bibliotheekboek is verlopen, daarna doet zich vast weer iets nieuws fascinerends voor.
Zoals ik al eerder vermeldde: de berk is populair. Dus ook onder de galproducerende bacterieën, schimmels en insecten. Maar eigenlijk moet ik niet zeggen dat die beestjes de gallen maken; ze nodigen slechts de boom uit dit te doen door op een of andere plek van de boom op een of andere manier een onderdeel van z’n gastheer te irriteren.
Niet dat de berk ’t er heel erg van op z’n heupen krijgt. Over ’t algemeen ondervindt ’t niet al te veel last van zijn galbezoekers.
Dit lijkt niet ’t geval bij de bacterie Agrobacterium tumefaciens die zich bij de berk aan de wortel hecht en dikke, onregelmatige knobbels veroorzaakt. ’t Verschijnsel wordt Kroongalziekte genoemd. Hoeveel de berk er onder te lijden heeft is mij onbekend, maar dat ’t als ziekte wordt beschouwd heeft wellicht te maken met ’t feit dat deze bacterie ook andere planten aantast, waardoor de verbouwing van dergelijke gewassen minder oplevert voor de mens.
Naast deze genoemde wortelgal zijn er knopgallen (Berkenknopmijt – Acalitus calycophthirus), bladgallen (Berkenbladnerfgalmug – Massalongia ruber, Berkenbladblaargalmug – Anisostephus betulinus en Groene berkenbladmijt – Eriophyes leionotus, alsook nog enkele anderen), vruchtgallen (oa Berkenzaadschubgalmug – Semudobia skuhravae en Late berkenzaadgalmug – Semudobia tarda) en takgallen (Berkenspruitvreter – Lampronia fuscatella), onder welke categorie zich ook de beroemde heksenbezems mogen rekenen (Berkenheksenbezem – Taphrina betulina).
Als ik ’t allemaal goed geteld heb, zijn er zo’n 20 verschillende soorten gal mogelijk te
ontdekken op de berk.

Maar er is meer, er is veel meer, zoals onze voormalige Ombudsman dat altijd op tv
wist te beweren.
Er is meer, want van wat leeft op de berk in de vorm van een gal, kan ook vaak geprofiteerd of gegeten worden.
Galmuggen (Cecidomyidae) behorende tot ’t geslacht Dasineura maken gebruik van de gallen die galmuggen van ’t geslacht Semudobia hebben helpen creëren. Deze Dasineura worden wel inquiline genoemd. Oftewel: koekoek. Ze vreten de eiwitrijke gal aan, waardoor de Semudobia-larve in de gal niet aan voldoende voedsel komt.
Op zijn beurt kan de larve van de Dasineura weer slachtoffer worden van de galmug. Een echte carnivoor. De koekoek in galmugkleren wordt opgevroten.

Jaja, er leeft nogal wat in die achtertuin van mij. En ook al neemt-ie dan veel zon weg, ik zou m’n berk niet meer durven snoeien, laat staan kappen.

Voor afsluiting van dit verslag nog eenmaal kijkend naar m’n berk bedenk ik me dat ook mossen en korstmossen vriendjes met hem willen zijn. Maar helaas zijn de twee veldgidsen die ik op Marktplaats op de kop heb weten te tikken nog niet hier gearriveerd en zal men ’t moeten doen met de hierboven verworven wijsheid.

Er is al genoeg informatie gespuid in Zijperspace.
(Bovenstaande is enkele jaren her geschreven tbv de cursus tot Natuurgids IVN)

Hoe de bij, uiteindelijk, een volgende bij wordt…

In april van afgelopen jaar is in het kader van de Nationale Bijentelling Nederland voor de tweede keer massaal bijen geteld in de achtertuin. Erg belangrijk dat we op deze manier beter op de hoogte raken van de huidige bijenstand; bovendien raken de mensen wat meer betrokken bij het wel en wee van de bij. Want laten we nou eerlijk zijn, hoeveel bewoners van Amstelveen wisten daadwerkelijk dat er naast die alom bekende honingbij nog 358 andere bijensoorten in ons Nederlands luchtruim rondvliegen?

Waar veel mensen ook niet al te veel stil bij staan is dat er nog andere dieren kunnen bestaan dankzij de bij. Het is wellicht een minder populair verhaal hoe dit soort parasieten werken aan hun voortbestaan, maar ook zij hebben hun functie binnen het ecosysteem waar bijen en bloemen het middelpunt van vormen. En vaak spreken de verhalen die je over parasieten kan vertellen meer tot de verbeelding dan de brave verhalen van de bij en hommel.

Hoewel, onder de bijen komen ook gevallen van luiigheid en profijt van andermans inzet voor.
Koekoeksbijen gedragen zich net als de vogel met die naam: ze leggen hun ei in ’t nest van een ander, waarna de larve de oorspronkelijke bewoner doodt en het voedsel dat door de moeder was achtergelaten consumeert. Ook een favoriete hobby onder knots- en hongerwespen.
Niet in alle gevallen doodt de larve een medebewoner: hij kan ook gewoon eerder beginnen met het eten van de voedselvoorraad, waardoor degene waarvoor dit oorspronkelijk bestemd was uiteindelijk van honger sterft.


Rosse metselbij – ©Piet de Boer

Graafwespen vangen en verdoven andere insecten en leggen de prooi bij het nageslacht. De verdoving zorgt er voor dat de maaltijd niet te snel bederft en de larve er lang over kan doen. Ook roofvliegen volgen deze methode, maar het volwassen insect lust ook wel een dergelijke hap.
Nog een mogelijkheid: moeder wesp legt een ei ín de bij, zodat het nageslacht het beest van binnenuit kan opeten. Die methode bestaat ook in een externe vorm, waarbij het slachtoffer van buiten uit wordt opgepeuzeld. En zo bestaan nog wel meer vormen van parasitisme waar de bij last van heeft.

Vindt u dit maar zielig voor de bij? Dan moet men zich maar bedenken dat deze parasieten zelf ook ooit sterven, misschien worden ze wel gevangen door een insecten-etende vogel. En die heeft ook niet het eeuwige leven en ligt ooit een keer zelf in een verborgen hoekje bij een boom te vergaan, voer voor bacteriën en andere microben, waarna al die stoffen omgezet worden in voedsel voor de boom, die in het nieuwe seizoen kan gaan bloeien en daarbij maar wat graag een bij aan ziet komen, ten bate van een volgend nageslacht.

Zo doen we in Zijperspace ook iets met recycling.

(Bovenstaande verscheen eerder in ’t Amstelveens Nieuwsblad)

Tuin (I)

Om verwarring te voorkomen een kleine toelichting mbt de titel (die, heb ik me bij aanvang mezelf voorgehouden, onderhevig is aan verandering mocht de luim daartoe neigen; dat moet echter niet te lang duren, want dan kan ik alle oude posts, ’t moet een serie worden tenslotte, zeker als je er een romeinse 1 aan toevoegt, handmatig aan gaan passen): dit gaat niet gaan over mijn achtertuin (hoewel ik daar aan mag refereren, vind ik zelf; ’t is mijn leven, mijn ervaring & alles wat mij kan helpen om ’t verhaal van tuin & alles wat daar mee te maken heeft is geoorloofd, wel zo makkelijk ook om af & toe iets in perspectief te zetten & niet eindeloos rond te dolen in ‘tzelfde krappe universumpje van een volkstuin die groot lijkt, als je daar maar een beperkte aantal organismen tegenkomt, de mens incluis).
Dat gaat niet gaan is natuurlijk een verkeerde uitdrukking, bedacht vanuit de voorkeur voor enige stilistische poging tot vervoering, maar ik stoor me daar niet aan. Ik hoop de toevallige voorbijganger ook niet. Ik heb me niet zo lang geleden laten vertellen dat mijn soort mensen een bepaald talent (lees, eventueel: afwijking) heeft om ‘out of the box’ te denken & sindsdien hou ik me daar dan ook enigszins aan. Mocht ’t me dit op enig moment uitkomen dan.

Dit moet dus gaan over m’n volkstuin, die ik samen met Tineke sinds augustus deel.

Ik spit, knip takken, zaag, ben de stratenmaker, pis de tuin vol als ik geen zin heb om modderige schoenen uit te trekken (bovendien hebben we geen water om door te trekken momenteel), kijk op als er een andere tuinder voorbij komt & zeg altijd gedag als me dat wordt gegund, drink bier als ’t einde van ’t klussen in zicht komt, maak een houtstapel van ‘tgeen ik knip, ben eeuwig in overleg met Tineke, zij maakt foto’s waar ik een hekel heb aan mensen fotograferen & alleen maar insecten, vanaf vandaag wormen erbovenop, op de kiek zet & verder wordt ’t natuurlijk fantastisch, want al binnen 2 weken had ik een wants in de tuin ontdekt die nog niet eerder zo noordelijk was waargenomen in NL.
Daar volgt vast meer.

Deze serie in oprichting wordt mijn versie van de foto’s van Tineke.

Vastleggen wat anderen niet kunnen zien van de laatste uitbreiding van Zijperspace.

Vertweet (III)

Dat wordt weer ff wennen. In deze broek zitten geen gaten in de linker broekzak. Dat wordt straks geheid paniekerig zoeken naar m’n sleutels die zojuist hun oude plekje hebben teruggewonnen.
Dat ze nog geen pasje voor mijn voordeur hebben uitgevonden. Zo’n klik-deur-springt-open-pasje als ik ermee naar mijn woning wijs.

Zucht…

Ff tellen.

…Dan had ik nu ten volle kunnen profiteren van alle functies die ze in zeker 4 andere broeken van mij verwerkt hadden.

Allen zijn eender in Zijperspace (behalve de plek waar de slijtage zich voordoet).
(Incl correcties & een ietsiepietsie oog-wil-ook-wat-aanpassing in de vorm van witregels.)

Overkomsel

Ik begin mezelf wel een beetje te leren kennen.
Waarom ik van die pietluttige dingen doe & denk, bijv. ’t Zou best kunnen dat andere mensen dat ook hebben, maar aan hun merk ik ’t nooit zo. Of ze gaan er gewoon niet in op.
’t Is ook niet perse dat ik de hele tijd vraagtekens zet bij elk ding dat me ‘overkomt’ (ik zet dat tussen aanhalingstekens omdat ik ’t vermoeden heb dat anderen bij zoiets niet aan overkomen denken als ze zouden hebben meegemaakt wat ik had meegemaakt; ze zouden ’t ook niet als ‘meemaken’ omschrijven, dus zouden ze er ook al niet over beginnen, want ze wisten niet dat er iets gebeurde, omdat er gewoon niets was dat aan ’t gebeuren was)(maar voor mij dus wel).
Er is natuurlijk nog wat meer aan de hand naast ’t feit dat  ik ’t kleinste uitvergroot. Enige toelichting is wellicht noodzakelijk.

Neem de boterhammen van vanochtend; ik zal daarbij proberen ’t simpel te houden, zodat ik bijv niet hoef uit te wijden over ’t moment dat ik van de 2 boterhammen ong gelijke stukken afsnijd om daar een gedeeltelijk andere boterham van te maken. Een mens mag wel eerlijk willen zijn, maar moet ook af & toe z’n mond kunnen houden, tenslotte.

Er overkomt me dus een boterham, of eigenlijk wel twee…

Die boterhammen krijgen nadat de humus, de chilli pickles & plakjes vlees er op zijn gelegd, de plakjes kaas vervolgens toebedeeld.
Daarbij moet ik niet vergeten te vermelden dat de plakjes vlees me al een beetje moeite oplevert, omdat ik eigenlijk ze volledig binnen de randen van ’t brood wil laten liggen & liefst zó dat de hele boterham erdoor wordt bedekt (die andere boterham komt aan ’t eind erbovenop te liggen: een doorgaans normaal verschijnsel bij ’t beleggen van ’t brood door een doorsnee NL-persoon; ik kan mij dus met hen meten in deze).

Soms denk ik: hé, ik kan die plak ook laten liggen zoals-ie er op terecht is gekomen., maar dat soort spannende gedachten worden geloochenstraft door een soortement wandelende schaduw die de rest van de dag met mij oploopt & niet veroorzaakt wordt doordat míjn silhouet de lichtval tegenhoudt.

Maar dan komt de kaasschaaf er aan te pas. ’t Ligt niet aan dit instrument dat hier regelmatig een kink in de kabel komt: ’t is de kaas die aan de zijkanten af wil brokkelen (de goedkoopste Extra Belegen ligt bij Appie altijd op de onderste plank van de zuivelkoeling; een aan mij geleerde les die me al enkele jaren begeleid).
Goed, om ’t toch weer niet te laten verzanden in ellenlang: 1 van de 3 stukken verkreeg door dat afbrokkelen hedenmorgen een schuin randje. Die bleek miraculeus precies te passen aan de zijkant van de snee, waar ’t brood bij mij altijd een uitstekend randje heeft (als in: ’t steekt uit, dat randje, om precies te zijn: richting bovenkant van de liggende snee).
Mooi hoor, nu hoefde ik me niet meer te bekommeren over de uiteindelijke totale bedekking van de kaas op ’t brood. Wat ik over zou houden stopte ik gewoon in m’n mond.

Zie daar! Dat is dus wat ’t is: ’t geheel moet kloppen, er mogen zich geen onevenwichtigheden in bevinden, er moet een bepaalde perfectie nagestreefd worden, want anders ontstaat er alleen maar onnodige onrust.

Vraag ik me echter wel af wat me ertoe gedreven heeft om te gaan schrijven, want eigenlijk is dat bij vlagen ’t toelaten van een totale chaos, want veel regels ben ik daarin nog niet tegengekomen naast die zijn opgelegd door de taal die men spreekt.

Verder mogen sambal-olijven niet ontbreken op de Zijperspace-boterham, komkommerplakjes zijn facultatief.

Boom is lekker

Boom is lekker. Nou ja, de meeste bomen dan. En je moet er vooral niet op proberen te kauwen. De lignine, de stof die voor een groot deel verantwoordelijk is voor het feit dat de boom rechtop blijft staan en tegen een stootje kan, zorgt er tevens voor dat een dergelijk maal geen prettige ervaring is.

Je kan beter van een boom genieten in vloeibare vorm. Bierbrouwers (niet alleen zij overigens) hebben dat eeuwen geleden al ondervonden. Stop je bier voor rijping in een houten vat en de boomsoort laat als vanzelf iets van zijn karakter achter in het uiteindelijke resultaat.


De smaak van beuk bestaat niet, zeker niet in bier. ©Diana Erkelens

Heeft u echter een beuk in uw achtertuin, dan doet u er goed aan die daar te laten staan, want beuk is wat smaak betreft zo’n beetje de saaiste van alle bomen.
Hoewel een grote internationale brouwerij al jarenlang zijn bier promoot door ‘Beechwood Lagered’ op zijn etiketten te plaatsen, heeft het toevoegen van beuk alleen maar tot doel om de gistcellen op een gemakkelijke manier na de vergisting uit het bier te verwijderen. Daar wordt het bier sneller helderder van. En wat snel gaat, kost minder geld. En wat helder en sprankelend ziet, verkoopt beter. Eigenlijk wil deze brouwerij dus zo min mogelijk houtsmaak aan zijn bier toevoegen; daar kunnen we beter niet te lang bij stil staan als we het juist willen hebben over de lékkere smaak van hout.

Gelukkig smaakt elke boom anders. En veel bomen geven veel meer smaak af dan beuk. Een eik in uw tuin doet een moderne brouwer al wat verlekkerder kijken. Zeker als het om een zomereik gaat. Jammer evengoed dat uw zomereik in Amstelveen staat en niet in Zuid-Frankrijk, zal een beetje expert op het gebruik van hout in bier er bij opmerken.

Zo’n 50 % van de jaarlijkse eik-oogst in Frankrijk wordt besteed aan de fabricage van vaten voor de drank-industrie. Daarvan gaat tegenwoordig maar een heel klein beetje rechtstreeks naar een brouwerij. Bierbrouwers willen namelijk liever dat het hout eerst voor een andere drank is gebruikt. Stoppen ze hun bier in een vat waar bijvoorbeeld eerst traditionele Schotse whiskey heeft gezeten, dan gaat het bier dat hij daar één of twee weken in heeft laten ‘rijpen’ niet alleen naar eikenhout smaken, maar krijgt het ook een boel mee van zo’n fijn gerookte whiskey. Al die alcoholen (of in ieder geval een groot deel ervan) die in de poriën van het hout zijn blijven hangen trekken tijdens een weekje lageren in het bier en doet zijn karakter aanzienlijk veranderen. Complex bier krijg je daarvan. Daar zijn de laatste tijd veel liefhebbers voor. Ook whiskey-drinkers zijn bier daardoor lekker gaan vinden. Dankzij hout dus. Fatsoenlijke whiskey wordt nl niet zonder gebruik van hout geproduceerd.

U heeft dus geen eik in de tuin om uw brouwer om de hoek (ze zitten tegenwoordig tenslotte overal) een handje te helpen? Er zijn zat andere mogelijkheden om bier met meer boomsmaak te verrijken. Wat dacht u van bomensap, houtsnippers, vruchten als appels, peren, sleedoorn, etc… hars of gewoon hele dennenappels? U kunt op vele manieren de brouwer terzijde staan.

Alleen… De taxus, vertel een beginnende brouwer dat hij de taxus beter kan laten staan.
Ook de vruchten? vraagt hij daarop.
Beter ook de vruchten, antwoordt u dan.

We kunnen wel alles over boom in bier vertellen, maar we moeten het ook weer niet in één
keer veel te ingewikkeld maken.

Bier is al ingewikkeld genoeg, hoewel ’t drinken ervan in Zijperspace geen moeite lijkt te kosten.
(Bovenstaande verscheen eerder in ’t Amstelveens Nieuwsblad, maar deze is uiteindelijk nogmaals lichtelijk geredigeerd door de auteur zelf)

Vertweet (II)

Als ik al pielend in de keuken sta, vraag ik me vaak af waarom die supers & de verpakkingsfabrikanten (& nog wat ander zooi) geen handleiding voor ’t uitpakken van hun ‘spul’ ergens online posten. Oproepbaar op soort, naam, winkel, etc. Daar worden vast veel mensen gelukkig van.

Soms zitten mijn vingers gewoon in de knoop van ’t ene flapje peuteren & onderwijl ’t andere flapje op z’n plaats houden. Een mens wordt daar kriebelig & ongemakkelijk van, zeker als ’t om de nog langer uit te stellen maaltijd gaat.

Er komt regelmatig zelfs gereedschap aan te pas. Een mes, een schaar, men weet vast wel wat er allemaal bij kan komen kijken. Ik vind mezelf best vindingrijk wat dat aangaat.

& Achteraf, of zelfs mogelijk tíjdens ’t uitpakken, krijg je behoefte om ’t er met iemand over te hebben. Zeker als bijv de kaas er niet meer uitziet zoals behoort.
Ik heb ’t dan over dure franse kaasjes, die in de verdrukking raken als je uitschiet, want zacht.

Ik denk eigenlijk dat zo’n uitpakregister verplicht gesteld moet worden.
Ja, dat denk ik.


Uitpakplastic

Zo’n tweet wil in Zijperspace ook af & toe lichtelijk gecorrigeerd worden, diep van binnen.

Pullekies

’t Gebeurt met me als er niets is om door afgeleid te worden. Dan gaat ‘het’ met me aan de haal. Die snijplank bijv, waar ik ’t eerder over had. Of vanochtend nog, onder de douche. Er zijn er nog meer hoor, dergelijke momenten, maar die laatste illustreert ’t wel redelijk.

Ik mag nl van mezelf niet meer de straal m’n mond in laten lopen, al wassende bewegingen makend door m’n baard. Dat is nl ’t moment waarop ’t begint.
Of anders, als ik weet dat die gewoonte niet valt te voorkomen, moet ik eens proberen niet vlak voor de dagelijkse wasbeurt m’n ochtendlijk broodje te eten.
Ja, dan kan ik ook nog bedenken dat ik eens met de thee m’n mond kan spoelen. Verder heb ik wel eens gedacht dat tandenpoetsen ook vóór ’t douchen kan plaatsvinden.

’t Gaat om die pullekies (niet als in ‘tand aan de zijkant van ’t gebit’; eigenlijk gewoon pulkjes, maar dat zegt in ’t dagelijkse leven niemand behalve de koningin), de kleinste korreltjes, afkomstig van m’n brood, die zijn achtergebleven tussen de spleten & krochten tussen & in m’n tanden. ’t Hele gebit zit ermee vol, denk ik wel eens. Thee helpt niet, weet ik inmiddels. Als dit verhaal ooit wordt uitgeprint kunt u deze alvast doorstrepen hierboven. Nou ja, pennen zullen dan vast allang niet meer bestaan.

’t Begint dus eigenlijk niet met die straal van de douchekop die gedeeltelijk m’n mond in stroomt. ’t Begint net iets eerder: op ’t moment dat ik beslis te gaan douchen. Of beter nog: als ik dat alles al achter de rug heb, m’n ogen heb geopend (als ik zwem doe ik ook altijd m’n ogen dicht) & die pullekies, men begrijpt ondertussen welke reis die hebben gemaakt, vastgeplakt zie op de douchewand.

Ik besluit wel eens om ze weg te spuiten met m’n toch al gevulde mond.
Is niet de oplossing.
Wegvegen met de hand evenmin. Die pullekies hebben een té groot vermogen tot plak. Ik zou m’n nagels er onder kunnen zetten, zou men geneigd zijn te suggereren. Maar dan zit ik op de fiets, overhandig geld, wandel door een bos of spit in de tuin & overal krijg ik dan de neiging om nog een keer te inspecteren of ze er mogelijk onder zijn geraakt, die pullekies. Zelfs in ’t laatste geval, waarbij ik dus donkere aarde mijn nagels zwart heb doen kleuren, denk ik dan dat de pullekies er nog zijn. Dat ik ze wel weg was als ’t zwart er af moet. O nee, er is geen zeep bij de volkstuinkantine-wc.
Maar dat bedenk ik dus al-le-maal onder de douche.

Daarom moet er dus iets gebeuren als er zich zo’n situatie voordoet. Dat ik dus wél afgeleid word.
’t Was weliswaar niet te harden, maar ’t ging goed toen de buren bezig waren met hun verbouwing.

Glipte daar een nieuw woord binnen in Zijperspace?

Christine Buisman, Christine Buisman, Christine Buisman…

Fiets je wel eens langs de Amstel? Niet de stille zij, zoals Nescio dat zo mooi wist uit te drukken: dat is Verweggistan: de overkant voor Amstelveners. Nee, aan deze zijde, vanaf de Kalfjeslaan richting Amsterdam, waar het vanaf de rotonde best rustig is, behalve dan dat er
wat meer mensen aan diverse soorten van lichaamsbeweging doen. Buiten het gehijg van inspanning heb je weinig last van hen.

Als je daar wel eens komt, weet je dan dat dit een belangrijke plek in de boomhistorie is? Dat wat hier staat een geschiedkundig monument is voor wat er een eeuw geleden fout liep op boomgebied, maar dat zich dat ten goede gekeerd heeft dankzij de inzet van een jonge wetenschapster, die juist hier een monument in ‘natura’ heeft gekregen voor haar
verdiensten?


Christine Buisman, Christine Buisman, etc – ©Diana Erkelens

Hier staan allemaal ‘Christine Buismans’. Kijk richting park en je ziet ze staan.
Christine Buisman, Christine Buisman, Christine Buisman, etcetera… 43 Christine Buismans lang. Bewoners aldaar wisten eerst van niets, maar nadat de Amsterdamse boomconsulent ze had verteld wat voor eerbetoon het was deze bomen hier te plaatsen, gingen ze blaken van trots. De iep, want daar gaat het hier over, werd in de loop der tijd in een lange rij langs de Amstel geplant.

Oorspronkelijk droeg deze iep de naam ‘Kloon Nr. 24’. Naast Kloon Nr. 1 de enige variant die, halverwege de jaren ’30 van de vorige eeuw, na een snel kweekproces van 24 voor de iepenziekte mogelijk resistente bomen was overgebleven. Kloon 1 viel echter ook af, dus Kloon 24, geboren uit zaad dat in Madrid was verzameld, bleef als enige gezonde kweek over.

Christine Buisman was in 1927 de opvolger van Bea Schwartz, die als eerste had ontdekt dat de Iepenziekte (die ondertussen een bedreiging was voor alle iepen ter wereld) veroorzaakt werd door een schimmel. Schwartz verhuisde kort na haar ontdekking naar Nederlands-Indië. Buisman nam haar werk over, wist de kenmerken van de schimmel al snel nog beter te beschrijven, en breidde het werk aan het voortbestaan van de iep uit door een kweekprogramma op te zetten om bomen te vinden die de iepenziekte konden weerstaan. Verschillende klonen werden steeds opnieuw met de schimmel besmet en Nr 24 was uiteindelijk de enige hoop.

Christine Buisman mocht niet meer meemaken dat Nr. 24 op de markt kwam als eerste resistente iep. Bij een operatie in het ziekenhuis kwam zij in 1936 te overlijden. Ter nagedachtenis aan haar en haar werk werd de iep omgedoopt tot Ulmus minor ‘Christine Buisman’, de wetenschappelijke naam voor de boom.

In de zestiger jaren ontstond een tweede golf van de iepenziekte. Veel bomen die eerst resistent leken, ook de Christine Buismans, begaven het alsnog. Het is een eerbetoon aan die jonge dame dat ze evengoed steeds weer opnieuw langs de Amstel worden geplaatst.

Nu is haar naam zo vaak genoemd in Zijperspace, dat de zoekopdracht je naar hier leidt.

(Bovenstaande verscheen eerder in ’t Amstelveens Nieuwsblad)