Erfeniks

’t Was vanzelfsprekend dat alles in ’t teken van de natuur stond. Als m’n vader niet met z’n andere hobby’s bezig was dan. Maar tot z’n grote tevredenheid had hij daar enkele onder zitten die gemakkelijk met de eerstgenoemde te combineren waren.
Dus werd ’t wandelen, in de natuur. Op vakantie, op een camping, midden in de zwitserse natuur (soms België, Luxemburg & wat andere nog minder voorkomende bestemmingen). Ritje met de auto, naar ’t Robbenoordbos (of de bossen van Schoorl & Bergen).

De plantjes werden aangewezen, geplukt als er niemand keek, zorgvuldig platgedrukt dat-ie speciaal voor dat doel meegenomen had. Handig als-ie dat doel kon verenigen dmv een wandelrouteboekje.
Thuis werd de vondst zorgvuldig geprepareerd & aan 2 kanten in plakplastic gezet.
Buiten de plantenwerkgroep was-ie ook lid van de vogelwerkgroep.

’t Was niet vreemd dat hij 2 zoons had die later z’n weg zouden volgen in ’t niet naar buiten gaan zonder verrekijker om de nek.
In mijn jeugd bleek echter iets mis te zijn gegaan. ’t Zouden de altijd noodzakelijke reispillen kunnen zijn geweest, die ik heimelijk van m’n moeder kreeg toegediend (gepropt in banaan die plots veel bitterder smaakte). Of m’n onvoorspelbare behoefte om in den vreemde, als de omgeving te veel groen zag, terug te verlangen naar de wc. Dan had ik ook nog enkele jaren te maken met hoofdpijn in een bepaalde onvoorspelbaarheid.
Slechts dan was er een reden om me thuis te laten, want Ma had in zo’n geval ontheffing. In de andere gevallen hadden we dus altijd reispilletjes bij ons & wc-papier.
M’n broers hadden nagenoeg geen problemen zoals ik. Misschien was ik wel een aandachtsvrager, verzuchtten m’n tantes m’n moeders oor in, & was niets waar van m’n angsten.

Ik was niet voorbestemd voor natuur.
Terwijl ik afgelopen woensdag niet mijn vinger opstak toen als introductie op de lezing van de expert, de vraag gesteld werd wie er bang voor spinnen was.
Nee, dat was ik niet meer. Ik pak ze weliswaar niet op, maar ze mogen best over me heen lopen als ’t hun zo uitkomt.

Vlak na ontwaken, Vroege Vogels volg ik met m’n rechteroog sluiks via de laptop schuin voor me, met m’n linkeroor dankzij ’t boxje 2 meter naast me op luid, zet ik ’t computerscherm aan om uren achter elkaar wetenswaardigheden over insecten te verzamelen. Ik ben 100-en tijdschriften aan ’t doornemen om artikelen te verzamelen die naar m’n gading zijn, die te maken hebben met m’n specialisme binnen de ongewerveldenwereld.
Ik besteed op een dag meer tijd aan natuur dan m’n vader in al z’n hoedanigheden van toen binnen een week.

Zelfs tijdens een week insecten inventariseren met een groep enthousiastelingen die een urban jungle onder wetenschappelijke begeleiding willen ontdekken, wordt me de vraag gesteld waar m’n belangstelling voor insecten is ontstaan. Ik had hen ‘tzelfde kunnen vragen, ook al weet ik inmiddels behoorlijk wat meer dan hen. Ik strooide zelfs zo af & toe met wetenschappelijke namen van de beesten. Waarbij ik mezelf indien mogelijk snel corrigeerde door op de telefoon een begeleidend plaatje erbij te zoeken.

Ik ben zo oud als m’n vader die op wandeltocht ging naar Santiago de Compostella. Ik ben jaloers op de beestjes die hij onderweg nog heeft kunnen zien (inmiddels in aantal verminderd), maar waar hij nooit echt oog voor had. Slechts vogels & plantjes.
Pas in ’t verzorgingstehuis waar hij terecht kwam ivm Parkinson, zag hij dankzij de medicatie de beestjes uit de muur komen kruipen.
‘Ach, kijk eens,’ wees hij, waarbij z’n wangen van verwondering weer even kleurden als z’n couperose-adertjes van 10 jaar ervoor.

Die beestjes komen nu continu tevoorschijn in Zijperspace, voorlopig geen pillen voor nodig.

Uithuizig

Bijna 24 uur thuis.
Alsof ik 4 dagen weg ben geweest & niet in m’n eigen bed heb geslapen. Mijn pannen heb ik niet gezien, maar de vriezer waar ik mijn brood bewaar wel. M’n voorraad sojamelk is elke ochtend vroeg beetje bij beetje met me meegetrokken.

Al ’t witgoed dat m’n huis moest belemmeren te heet te worden, hangend voor de tuindeuren, heb ik vanmiddag verwijderd. In de goede hoop dat ‘te heet’ dit seizoen niet meer terugkomt.
& Hoewel ik die periode van opsluiten me niet heb verveeld, zou ik graag weer willen dat zich weer een mogelijkheid voordoet dat ik onbekommerd naar buiten kan om de insecten te begroeten. Ik flits ze wel weer tot leven terwijl ik ze stil zet.
Stiekem beweert m’n hoofd dat de vergankelijkheid van de seizoenen zich niet voor zal doen als alles weer aangenaam is.

Ik had overigens niet te klagen terwijl ik 4 dagen in de Slatuinen hielp zoeken naar alles wat klein was. Ondanks de vochtige warmte was ’t zelfs bij 26 ℃ goed vol te houden tussen de bomen van deze omsloten tuin. ’t Is een koelte-eiland dat de wereld tot voorbeeld kan dienen.
Dan maar geen trek van steeds nieuwe zuidelijke insecten richting koel Holland. Laat de biodiversiteit maar blijven waar hij oorspronkelijk thuis hoort.

Behalve ’t Aziatisch lieveheersbeestje kwam ik nog een exoot tegen. De cicade Orientes ishidae. Zo fotogeniek als je van een oosters beest, bereid de halve wereld te bereizen om ons te bereiken, zou verwachten.
De saaiheid sloeg toe toen ik ‘m vanmiddag ook op de volkstuin registreerde. ’t Verschuurde de glinstering van speciaal tot inmiddels algemeen in nog geen 3 dagen tijd, rafelrandjes aan m’n ontdekking, m’n instagramfoto ook, veroorzakend.

& Daar is ook waar ’t stokt, m’n reis (4 ochtenden afgelopen week) naar ’t verborgene, dat wat niet te ontwaren is met ’t blote oog, maar met enige moeite tevoorschijn te toveren is.
M’n brillen voldoen niet. Zeker niet met een corona-masker op, want ze beslaan zo gauw je een zucht slaakt & niet meer ziet of de foto slaagt.

Ik ben te laat begonnen, besef ik me eens te meer. Ik had lang voor de slijtage in moeten stappen. Zodat ik vóór de noodzakelijkheid van brillen & ingebouwde uitvergrotingsmechanismen binnen m’n camera, telefoon & computer mezelf een routine had ingebouwd die me uit ervaring de zekerheid had kunnen aanreiken dat iets speciaals zich voordeed.
& Dan pas de hulpmiddelen om te zien of m’n intuïtie gelijk had.

Ik bedacht vanmiddag tijdens ’t drinken van een welkomthuisbiertje dat de zintuigen smaak & geur niet zo snel slijten. & Voelde een zekere onzekerheid in de wereld die ik bezig ben mezelf eigen te maken.
Heb ik wel eens verteld over de heimwee die mij steeds noopte terug naar huis te keren tijdens m’n reizen naar niet eens zo ver gelegen oorden?
Bij terugkeer zocht ik de plekken op waar ik dacht dat ze op me zaten te wachten & kreeg daar slechts de vraag te horen waarom ik alweer zo vroeg terug was. Ik dronk bier & vertelde vervolgens honderduit over die paar dagen weg, laat ’t 8 dagen zijn geweest.
Hooguit.

4 Dagen buiten Zijperspace overleeft de mensheid daar nog net.

Taxon (II)

Schrijven op ’t terrein (de Slatuinen, nog geen eenduidige reden te horen gekregen waarom ’t zo heet) is voor mij misschien niet makkelijk mogelijk. Wat ik eerder schreef als poging aan een afgelegen tafel, heb ik gebackspaced. Hoewel ik rustig zat, was ik te opgelaten om ’t feit dat ik schreef waar anderen dicht in de buurt waren. 2 Mededeelnemers aan de Taxon-expeditie zaten niet al te storend met elkaar te praten, maar er was blijkbaar geen mogelijkheid om tot de essentie te komen.
’t Is ook maar de vraag of dat in zo’n kort tijdsbestek mogelijk is. Voor mij dan. Ik ben geen verslaggever. Hooguit van mezelf. Niet van een evenement waar te veel tegelijk afspeelt waarvan de details pas laat tot me doordringen.

Ze vroegen me op een gegeven moment waar ik dan over schreef. In veel te veel woorden uitgelegd. Terwijl ’t 1e antwoord al kloppend was: mezelf.
Ik suggereerde: soms insecten, of natuur. Maar zelfs daar stop ik een groot deel van mezelf in.
M’n vertraagde correctie was uiteindelijk: vooral over mezelf. Met zo’n ‘maar’ daaraan voorafgaand.
Heel veel van mijn uitgesproken zinnen beginnen met ‘maar’. Een ongemakkelijkheid voor de toehoorder, die ik in schrift kan voorkomen.

Laten we dan maar doorgaan op dat thema.
Uitleg was nodig waarom ik over mezelf schreef, hóe ik over mezelf schreef.
Niet alles is waar nl hier, niet helemaal waar. Legde ik uit in ’t engels.
M’n engels is goed; als ik over dit soort onderwerpen moet vertellen zijn de juiste woorden er niet. Hier kan ik echter nadenken, ’t enigszins verbeterd formuleren tijdens typen.
Ik ben uitvergroot, kreeg ik er met moeite uit. Waarbij ik niet mezelf wil ophemelen, zei ik, maar dat er eerder, omdat ’t leuk lezen moet zijn tegelijkertijd, om m’n gedrag & m’n manier van denken te lachen valt.
Vaak. Niet altijd. Grappig moet zijn. Geen schater.
Dat laatste niet verteld.

Tijdens de avondlezingen probeerde ik op een vraag van een ander groepslid uit te leggen waarom ik best wel wat wist van insecten ondertussen. Hoe mijn burn-out me vorig jaar noodzaakte de natuur in te gaan, m’n in de loop van enkele jaren nieuw ontstane hobby, m’n hyperfocus van ’t moment, probeerde te gebruiken voor een tijdelijke genezing.
Ik kwam in ’t Diemerbos, legde ik uit, & binnen enkele minuten was ik alles kwijt. Alles wat me zenuwachtig maakte, waar ik stress van kreeg; niets anders dan insecten bestond er nog. & Binnen een jaar waren de inmiddels officieel ontdekte soorten van ’t Diemerbos verdubbeld. & Snapte ik mijn plek in de wereld beter.
1 Stap per keer.

Ik ben de laatste tijd over de toekomst aan ’t nadenken.
Wellicht voor de toehoorder niet zo boeiend. In een omgeving als dit. In een verhaaltje over mijn verblijf in ’t Taxon Slatuinen-project.

Maar in Zijperspace een groot enzovoort.

Changez

Eigenlijk weet ik nooit wat jij denkt. Je laat me daar in de steek.
Ik heb die voorstellingsvermogen niet. Is niet toereikend genoeg. Ik word gedwongen, door m’n eigen wensen te voldoen, me daarop aan te passen. Op al dan niet gewenste eisen.

Je leest. Maar meestal doe je dat niet.
Ik schrijf. & Ga ondanks de tegenwind van bovenstaande zin daarmee door.
Waar ik stormen zou moeten zeggen. Schrijven. Steeds weer door, met veel nadenken vooraf.

Begrijp je me nog.
Eigenlijk weet ik dat nooit. & Tegelijkertijd wil ik ook geen vragen stellen. Ik ben niet degene die vragen moet stellen. Ik ben degene die ze moet openen, ze in staat moet stellen te bestaan.
Begrijp je me nog.
Jij bent ’t vraagteken. Ik ben een invulling van de mogelijkheden. Zonder eerder genoemde voorstellingsvermogen.

Niet alles komt overeen met de werkelijke beleving van een zeker moment. Ze hebben echter wel elke keer mij gemeen. Ik probeer slechts te verwoorden wat ik ben, óf, heel flauw, dat te verworden.
Hoe ik een stap heb gezet, waar ik terecht ben gekomen & onderweg iets tegen kwam. Terug beredenerend.
Ik hoef daar niet ’t juiste pad voor te bewandelen. Van: recht is goed. Of: waar.
’t Is de weg, niet de kleine afwijkingen onderweg die ’t pad de enige juiste maken. Onjuiste, zo jij wil.

Voor jou ben ik wellicht de hele tijd dezelfde persoon, maar ik ben onderwijl continu pogend mezelf uit te vinden. Als in ‘her’, als een achter de feiten aan lopen door de komst van ouderdom.
Niet van herhaling dus; ’t is meer een continuüm. De rest laat ik aan jou.

Ik blijf tegelijkertijd heel beperkt mezelf dezelf. Ik heb weinig andere mogelijkheden.
Door enkele lichte afwijkingen schiet ik uit in verrassingen, is er iets onvoorspelbaars. Dat is ook waar ik mezelf niet vertrouw, maar waarvan ik wel weet dat wat ik schrijf de moeite waard is om gelezen te worden.
Evengoed vermoeiend, concentratie vergend.

Vanaf morgen ben ik 4 dagen druk. Insecten vangen, bestuderen, hun essentie achterhalen. Of anders misschien slechts de beestjes hun namen benoemen plus wat kneepjes van ’t begeleidend vak.
Ook daar schiet ik wat mee op tenslotte.
Druk dus. ’t Zal veel tijd opzuigen. Mijn bed zal blij zijn mij uiteindelijk te ontvangen op een manier die zij zich bedacht heeft, nacht op nacht. Terwijl ik dromen tegemoet ga waarin de toekomst mij een sprei heeft uitgevouwen voor een warm welkom.
Dromen van welkom.

Ik wil mezelf daarin nog een keer heruitvinden, m’n bestaan in teksten, ingekort & bondig, compact & niet veel tijd vergend, maar niet ontdaan van dictie.
& Als je niets van me hoort, dan had ik inderdaad geen tijd, is ’t niet gelukt, gaat mijn ik niet verder…

Dan Zijperspace waar geen linksomrechtsom of achterom nodig is.

Grafgeheugen

M’n geheugen & ik hebben een niet al te goede relatie. ’t Ligt er vooral aan dat hij wil functioneren waar ik denk daar niet al te veel belang in te hebben & dat mijn wensenlijstje van mogelijk mooie herinneringen door hem door de shredder zijn gehaald.
& Bij ’t vinden van woorden als bijv bovengenoemde ‘shredder’ geeft hij ook niet thuis.
Voor dat soort onvolkomendheden zijnerzijds heb ik een simpele taal uitgevonden die over ’t algemeen goed scoort als een zoekopdracht (‘machine’ + ‘papier’ + ‘vernietigen’) nodig is om de frustratie niet te lang te laten duren. Naarmate ik ouder word, schakel ik die kindertaal vaker & sneller in. Da’s beter dan oeverloos & op niets af functies van m’n geheugen te proberen in te schakelen, terwijl de zich voortzettende verroesting zich onzichtbaar verstopt houdt onder ’t drukvlak van de schaars beschikbare knoppen.

Ik heb al eens de wens geuit ooit op de leeftijd te komen dat als uit ’t niets herinneringen, langvergeten gewaand, weer opkomen. Beroemde literatoren zijn mij voorgegaan in die fase in ’t vinden van hun schatkist.
Hoewel ze dat lang niet allemaal zo wilden noemen. Vaak bleek ’t juist een last te zijn, die plots opdoemende schimmen van vroeger, die als flarden met niet al te veel structuur zich opdrongen. Een geluk misschien dat zij zich gedurende hun leven zichzelf hadden getraind te noteren wat er in hun opkwam. Als je genoeg van dergelijke bierviltjes bij elkaar verzameld hebt gedurende de jaren, kan je er op een gegeven moment door de veelheid ervan nog wel een structuur in aanbrengen.
Een geluk bovendien dat ze ’t naar een niet al te beroerd boek wisten te vertalen. Degenen die ’t niet konden schreven een slecht boek & hebben we niets van gehoord.

Ik heb waarschijnlijk iets verkeerds gedaan. Hasj, bier, m’n aandacht er niet goed genoeg bij gehad. M’n duim niet leeg gezogen & de inhoud ervan niet als waarheid opgeslagen.
Maar eigenlijk vind ik dat ik niet eens zo extreem gezondigd heb.

M’n broer, ik ben nog steeds bezig zijn mate van drankgebruik in te halen, brengt me regelmatig op de hoogte van wie er zoal onlangs, of lang geleden (maar vergeten te vertellen), is heengegaan. Ik heb af & toe ’t idee, ergens in m’n late jeugd ontstaan dat beeld, dat men daar een speciaal talent voor ontwikkelt, daar in Den Helder. Ik heb indertijd wel eens zitten tellen hoeveel mensen ik kende die al vertrokken waren. De junks, de zelfmoorden.
Ik verkeerde in de kringen om mezelf wat extra handen te wensen zodat ik meer telvingers voor de doden had.
Als dat zo hard gaat wordt ’t op een gegeven moment niet zo moeilijk een andere kring te zoeken waar nog wel wat leven in zit.
Als m’n broer namen noemt, dat is ook ’t nadeel van niet meer allebei dezelfde omgeving om ons heen te hebben, moet ik ‘m ook elke keer vragen waar ik die persoon dan van zou hebben moeten kennen. Welke omgeving, welke tent, wanneer. Dat ik een plaatje krijg & er iemand van toen dat plaatje werd gemaakt in blijkt te staan.

De laatste tijd gaan er echter niet meer zoveel mensen dood. Of die ik heb gekend zijn allemaal al vertrokken.
We praten tegenwoordig over andere dingen, geloof ik. ’t Zou ook raar zijn als ik een zoekopdracht invoer tijdens ons gesprek. Laat de anderen maar naar hun mobiele beeldscherm kijken & denken dat ze leven.
Misschien bestonden de mensen die ik volgens mijn broer voortaan zal moeten missen niet in de tijd dat zoekopdrachten mogelijk werden.

& Raakten ze zo vermist in Zijperspace.

Servetterigheid

De man die z’n lichaam al niet mee had, waarschijnlijk een rechterbeen dat te kort schoot voor de linker, waardoor zijn gezicht al lopend naar de bar grote afstanden aflegde, rechtsbeneden naar linksboven, om uiteindelijk na een korte afwezigheid op ’t hoogste punt aan de andere kant van de bar te voorschijn te komen; die man had z’n baard nooit moeten laten staan.
Elke keer vroeg-ie om een servetje. Terwijl we hem bij zijn vorige bezoek al verteld hadden dat we die niet hadden. Dit was een brouwerij, geen eettent.
Hij keek kwaad, continu kauwend & een zakdoekje van z’n vrouw vasthoudend, vanwege een week later opnieuw de slechte service. We gaven hem in gedachten & al pratend met elkaar gelijk. We wilden dat ook niet pretenderen. ’t Ging hier om bier, ja!

Ik eet bepaalde dingen niet buitenshuis, heb ik ergens rond die tijd besloten. Nu heb ik wat dat aangaat een gunstige positie om dat te verkondigen: ik heb ’t geld niet om me die luxe te permitteren. Hooguit patat, hoewel de corona-inflatie in die sector al heeft toegeslagen. Maar mocht ’t zo ver komen, ik weet dat een servetje noodzakelijk is. Alleen al vanwege ’t feit dat mijn manier van patat eten daartoe noopt.
M’n broers zullen bij ’t lezen van deze bekentenis, wat een ietwat overdreven uitdrukking zou kunnen worden bevonden, tevreden glimlachen & geen moeite hebben m’n schrokophanden & -mond tijdens ’t verorberen van patat van een mensenleven geleden voor de geest te halen.
Ik heb ’t me nooit meer geheel af kunnen leren. Patat hoor je nou 1maal efficiënt met enkele tegelijk in de mond te steken, zeker ook omdat je dan een gemakkelijke methode hebt om de saus mee te vervoeren.

Enige nadeel is dat er bij ’t dragen van een baard van bepaalde lengte er ongemerkt iets van die saus in m’n al die jaren gespaarde kin- of bovenlipharen blijft hangen. Dat zie ik dan pas bij thuiskomst, als ik toevallig nog een plasje, wel zo prettig vóór verzadigd languit op bank met boek, wil gaan doen.
De spiegel passeert vanzelf onderweg naar de pot.

Tosti’s eet ik dus niet buitenhuizig. Onverstandig, gezien mijn behoefte die te bekleden met dat wat anderen alleen maar op patat doen. Nou ja, men zal vast ook wel eens mosterd voor een dergelijk maal hebben gebruikt.
Er hangt buiten die saus een grote mate aan onvoorspelbaarheid aan een tosti op een locatie waar je niet op de hoogte bent van de bereidingswijze & de hoeveelheid kaas die ’t herbergt.
Gestolde kaasslierten sieren de baard niet. ’t Siert hooguit de onwetendheid van de drager, in negatieve zin dan voor de persoon, in gesmoorde hilariteit van gezelschap of een toevallige voorbijganger.

Gestolde baardslierten, onderweg naar huis zijn ze van hoedanigheid, structuur & afwasbaarheid veranderd, zijn niet leuk om tijdens dat plasje te ontmoeten in ’t voorbijschieten van je evenbeeld.
Al die tijd heb ik in alle onschuldigheid zitten nakauwen (als men mij toestaat om nagenieten van een goed bereidde tosti op een dergelijke wijze uit te drukken) van kaas, een melange van spaarzaam toegevoegde groenten, ’t prettig gekrokanteerde brood, niet te dik niet te dun, niet te zwart evenmin, voorzien van een kaassoepelheid die ’t zo je keel in doet glijden, gepaard gaande met de juiste combi & hoeveelheid saus, dat in gedachten engeltjes een uitdrukking van vervoering in m’n mond proberen uit te beelden.

Nee, patat is voor buiten, maar resten-tosti-spiegelingen laat ik mij bij thuiskomst niet meer gebeuren. Je kan nog zo je best doen op verschoning van de baard, maar je wast de eerder verkeerd geïnterpreteerde lach van ’t daarvoor gezellig lijkende gezelschap, dan wel passanten, nooit meer van je ziel.

Een reden te meer om vanavond Zijperspace niet te verlaten, of ze moeten ergens Vlaamse friet samourai in de uitverkoop hebben gedaan.

Welkomstbabbel

In reactie op Mirjam die blij was hier terecht te zijn gekomen dankzij ’t feit dat ik haar op ’t bestaan van Zijperspace wees (met begeleidend plaatje om de inhoud wat te verduidelijken):

Leuk om jou te kunnen verwelkomen. Als ik geweten had dat je de weg naar hier nog niet gevonden had, dan had ik zeker sneller met een helpende digitale wijsvinger geholpen.

Ik prefereer overigens ‘teint’, eventueel met ‘-je’ er op volgend, zoals jij schreef. Hoewel ik dan bij de uitspraak moeilijkheden krijg: automatisch valt die gedistingeerde ‘è’-uitspraak dan weg. Dat kriebelige daarvan vind ik nou juist zo leuk aan dat woord & er doemen gelijk deftige haagse dames in m’n hoofd op, met parasolletjes tegen de zon bij derby’s voor paarden.

’t Vreemde daarbij is dat er totaal geen associatie met mensen op ’t strand bij me opkomt. Pas toen ik de zon er bij haalde, kwam ’t plaatje dat ik al gedurende deze gehele hete periode op de KNMI-site krijg voorgeschoteld als ik weer eens kijk of de regen er al aankomt & telkens weer teleurgesteld word.

Daar kan de KNMI natuurlijk niets aan doen, maar ik neem ze wel kwalijk dat die good old time toen al m’n vriendinnen nog topless over ’t strand paradeerden totaal vergeten wordt door ’t tonen van huisvrouwen die hun spullen pakken & zo volledig mogelijk ingepakt daar op ’t strand verblijven.

Borsten zijn er niet meer om normaal gevonden te worden, met of zonder teint. Je mag slechts verwonderd kijken naar een perongelukse stijve tepel om iets van de verborgen geheimen te zien gloren. Wat er alleen maar voor zorgt dat juist die vrouwen, bij wie dat lichaamsdeel onverwachts &/of voortdurend op emoties, stemmings- & temperatuurwisselingen reageert, te maken krijgen met glurende blikken van mannen met een zonnebril.

& Mij natuurlijk. Hoewel ik mezelf gedurende de jaren dat ik op de hoogte ben van m’n belangstelling voor ’t vrouwelijk deel van de samenleving een manier heb aangemeten die ong neerkomt op de techniek van een geplande vertraagde reactie van iets dat mij voorbijkomt (hoewel ik, ondanks mijn inmiddels in de verte falend zicht, puur intuïtief al ruim van tevoren weet of iets de moeite van een blik waard is).
Ik heb zogezegd geen verhullende bril nodig & weet dat mijn blik doorgaans niemand stoort dan wel op zal vallen door de gehanteerde slow-motion in werking stelling.

Tenzij ik natuurlijk weer eens in gedachten verzonken ben & mijn ogen doelloos rond laat gaan & deze daarbij alleen maar aangetrokken wordt door duidelijke ‘markers’.
Daar gaat m’n gentlemenschap wel eens fout, moet ik eerlijk bekennen. Maar ik weet niet of de vrouwen zowiezo getuige zijn van de gevangenschap waar de blik van menig man door de massale afschaffing van de ooit vrijelijk onthulde borsten tegenwoordig mee te maken heeft.

Ach, die tijden van weleer in Zijperspace toen er tenminste nog een reden was voor strandbezoek…

Deurbel

’t Is eigenlijk vreemd dat je als mens onder bijna alle omstandigheden je inmiddels ’t meest op je gemak voelt als je iets om je lijf hebt. Ik word momenteel keihard geconfronteerd met die door gewoonte gedreven noodzaak.
Al enkele dagen hou ik me verstopt voor de buitenwereld. & Hoewel ik dat niet goed uitdruk, ’t heeft tenslotte vooral te maken met ’t ontwijken van de temperatuur buiten, merk ik tegelijkertijd dat ik geen behoefte heb mijn zelfverkozen isolatie kenbaar te maken aan de rest van de wereld.

Ik zou dus de hele dag naakt door m’n huis kunnen bewegen zonder dat iemand daar aanstoot aan kan geven.
Maar buiten de linker sok die ik noodzakelijkerwijs op voorschrift aanhoud (vanwege een ‘orthese’, ‘een uitwendig gedragen hulpmiddel ter correctie van standafwijkingen’, in mijn geval om mijn grote teen zo te laten staan dat de hallux valgus niet verdere ongemakkelijkheden veroorzaakt; zie google voor kennisverwerving) is er geen enkel bezwaar de rest van m’n menselijke kunstmatige omhulsels weg te laten.
Maar omdat bijna alles in de wereld moet spiegelen heb ik natuurlijk ook een rechter sok.

Niemand die me ziet. Nergens aanstoot. Geen afwijkende geluiden voor buren.

Behalve natuurlijk als afval richting vuilnisbak moet. Die staat buiten; achtertuin.
Of de was opgehangen moet worden. Droogt daar sneller.
…& Er ook weer af.
& Ik die locatie tevens gebruik omdat ik energie wil besparen & de hitte aldaar in mijn voordeel wil gebruiken. Magnetron voor ontdooien niet nodig. De verwarmde was wordt gecompenseerd door de afwezigheid van onnodig ronken van die masjien.

Bovendien doet een mens dat niet in z’n onderbroek. Op risico dat de bladeren inmiddels alweer dun hangen.
’t Is dat ik geroezemoes, kindergejengel & barbecueleut tot me hoor komen, anders was ’t boomblad van de 1e bewoners op aard een goede naïeve oplossing voor m’n schaamtevolle bescherming tegen niets geweest.
Hoe moest ik uitleggen aan een plots te voorschijn gekomen lotgenoot (’t zal wel weer een vrouw zijn in dat geval, laten we alle stereotypen & voorspelbaarheid maar weer herhalen) dat ik mijn omhulsel bij de Hema had gekocht?

De vrouwen zouden minzaam lachen. De Hema is tenslotte, misschien wel niet door hen uitgevonden, maar wel voor hen geschapen.
Ik heb, voor de zekerheid, de vergelijkingen met de bijbel inmiddels losgelaten. Voor de iets te goede verstaanders.

’t Is alweer enkele dagen geleden dat ik de deur moest openen vanwege de bel die aankondigde dat er iemand was die zo’n actie van me verlangde.
Zoiets gebeurt me wel vaker. Meestal op zondagmorgen als de coronafeestjes voorbij zijn & de afterparty bestaat uit ‘tzelfde spelletje dat ik speelde tijdens luilakken.

Dit keer was ’t een vrouw, eindelijk een vrouw, dacht ik. Geen postbode met een pakketje voor de buren.
Of 1 van die buren evenmin. Ik had tenslotte geen pakketje afgelopen dagen van de postbode aangenomen in afwachting van bezoek van 1 van hen. Tenminste, ik kon ’t me niet herinneren & er stond ook zeker geen pakketje in de hal te verjaren.

Ik had snel een t-shirt aangetrokken. Ik had ook nog ergens een lang geleden verlaten broek liggen die ik middels de daar aan hangende riem aan m’n middel kon binden. Tijdens ’t rukken & zuchten door de lange gang richting voordeur trok ik met m’n met moeite enig overgebleven rechterhand m’n haar recht.
& Ik kwam dus die vrouw voor m’n deur tegen die zei dat ik ’t niet was.

Ik kwam er niet eens aan toe om haar te vertellen dat ik (g)een pakketje klaar had staan in Zijperspace.

Cursus Lijfloggen: Deel 9

Slurp!

Ik weet dat m’n oma het in ieder geval deed. Waarschijnlijk wel meer oudere mensen. M’n tantes hebben het ook nog wel een paar jaar gedaan. Het was een gewoonte. Je koelde je thee er wat sneller mee af. En ik denk dat het tevens gezellig klonk. Een paar monden aan ’t schoteltje gekleefd om de licht afgekoelde thee naar binnen te slurpen. Het spetteren tegen de mondholte aan. Lucht en vocht die tegelijkertijd naar binnen worden gezogen. En als dat eerste beetje thee via het schoteltje binnen was gekomen, de mond niet gebrand, dan kon het echte theedrinken beginnen, werden de kopjes zelf naar de mond gebracht.
Later mocht het niet meer. Slurpen. Dat hoorde niet. Het was niet netjes.
‘Neem nou gewoon slokjes,’ werd er dan gezegd.
‘Maar het is veel te heet,’ probeerde je als weerwoord.
‘Dan blaas je maar wat langer.’
En bij het blazen zoog je dan per ongeluk toch nog wat naar binnen. Om adem te kunnen halen. Om het gezellige geluid van het slurpen weer te horen.
Slurpen klonk als de open haard waar je met de hele familie omheen kon zitten. Het kampvuur tijdens de vakantie.
Maar uiteindelijk ging het er om dat men zijn mond niet wilde branden. Door een klein beetje over te gieten naar het schoteltje koelde dat alvast af. Een groter oppervlak. En door de combinatie van thee en lucht naar binnen zuigen koelde het onderweg ook nog een beetje af. Het kwam niet meer gloeiend heet de mondholte in.
Hetzelfde zou men met teksten moeten doen. Eerst een voorproefje, een tipje van de sluier oplichten, zodat de lezer alvast de smaak te pakken krijgt. Zodat hij verlangt naar meer. Het wordt niet al te heet opgediend, zodat men niet hoeft terug te schrikken. Waarna de lezer er zin in krijgt de rest van de tekst binnen te slurpen, behoefte krijgt zich in het diepe te storten. Want die eerste slok deed smaken naar meer.
De lezer zal meer bereid zijn zich in de rest van de tekst te verdiepen als de opening op een soepele manier wordt opgediend. Als hij zich niet eerst hoeft te branden aan scherpe standpunten, maar slechts terloops krijgt voorgeschoteld wat de uiteindelijke essentie van de tekst blijkt te zijn. Hij proeft, maar de scherpe randjes kan hij nog niet ontwaren.
Daar zal hij ook minder gevoelig voor zijn als hij geleidelijk aan de tekst in wordt getrokken. Op zijn beurt door de tekst naar binnen wordt geslurpt.
De kerk was afgelopen, de familie kwam bij mijn oma bijeen. Er werd door haar dochters koffie en thee gezet. Kopjes op een dienblad verzameld, uitgeschonken en rondgedeeld.
Mijn oma in haar vaste stoel, bij het raam, gericht naar de deur, kon alles overzien: de activiteiten van haar dochters, de gesprekken van haar zonen, de familie die laat arriveerde, de auto voor de deur parkeerde.
Zij kreeg als eerste een kopje thee aangereikt. Mater familias. Zij liet als eerste wat thee van het kopje overlopen naar haar schoteltje. Om dat vervolgens naar de mond te brengen en leeg te slurpen.
Ze keek rond. Naar wie er aanwezig waren van haar elf kinderen en aanhang. Wie van haar kleinkinderen.
En als iedereen een kopje, de kinderen een glas limonade, had ontvangen, was zij gereed om een heet hangijzer aan te snijden.
‘Zeg Anny, kan jij van de week misschien een uurtje eerder komen schoonmaken?’
‘Carel, je moet van de week even langskomen om de pensioenpapieren en dergelijke van vader na te kijken. Ik geloof niet dat ik genoeg krijg om dat huisje aan de Middenweg te kunnen betrekken.’
‘Corry, je moet je kind even wat strakker houden. Kijk nou wat hij in de slaapkamer met zijn neefje uithaalt.’
Wij zaten in de slaapkamer. Kabaal te maken met de neefjes en nichtjes.
Soms dook ik onder het tafeltje in de hoek van de slaapkamer, naast de deur richting woonkamer. Dan kon ik alles horen. Ik luisterde naar het haardvuur van de familie. Kopjes thee die naar de mond werden gebracht.
Ik slurpte van m’n limonade.
Huiswerk: Beschrijf hoe jouw grootouders hun koffie of thee pleegden te drinken.

(Deel 0 staat hier, als introductie op wat ik 50 afleveringen lang heb volgehouden te schrijven voor ‘t weblogmagazine about:blank, maar verloren werd gewaand. Deel 1, Deel 3  [daar kan je ook lezen wat er aan de hand is met Deel 2], Deel 4, Deel 5, Deel 6, Deel 7 & Deel 8 zijn reeds herverschenen alhier. De komende tijd zal ik de rest van ‘t materiaal dat ik ondertussen geheel heb teruggevonden alsnog hier gaan publiceren.)

Slurpen

Door al die zonuren die ik in huis doorbreng (ik vertoon werkelijk zeer veilig gedrag door slechts naar buiten te gaan als ’t niet anders kan, veroorzaakt bijv als noodzakelijke boodschappen of fysio-bezoek mij daar toe nopen), ben ik bezig met een kennisinhaalslag.
Was ’t wat minder warm, ik kwam er vanochtend achter, dan is er lust om ’t bos in te gaan om te aanschouwen wat er zoal rondhangt, -vliegt & -steekt. Optimistisch vervuld bij een lekker relatief koel luchtje op ’t tijdstip dat ik deze ochtend de fysio verliet, besloot ik door te trekken om dergelijke avonturen te beleven. Waar dat avontuurlijke natuurlijk pas begint als ’t steekgedeelte een rol van betekenis gaat krijgen. Doorgaans hou ik niet zo van avontuurlijk waar pijn, onvoorspelbaarheid & gevaar de boventoon voert.
Maar ik droop snel af, m’n zweet deed ’t mij voor, want de gezwind oplopende temperatuur had mij ingehaald.

Dus op mijn geheel eigen wijze slurp ik tijdens mijn thuisverblijf tijdschriften leeg aan informatie. Boeken evenzo (maar dan op een iets andere wijze).
’t Is maar de vraag of ze na mijn gebruik opnieuw voor ‘tzelfde doel ingezet kunnen worden, gezien de manier waarop ik me van ’t toe-eigenen van kennis bedien door middel van deze media.
’t Is jammer dat ik deze manier niet eerder heb ontdekt, want tegenwoordig stroomt ’t weliswaar allemaal bij mij naar binnen, maar een groot gedeelte neemt onderweg zeg maar een spontaan ontstane zijrivier, die met dezelfde vaart m’n hoofd uit glijdt. Dankzij een bepaalde mate van meanderen, zoals dit soort stromen plegen te doen, blijft er af & toe wat langer hangen.

& Juist omdat ik al een tijdje op de hoogte ben van de lekken in m’n hoofd, was ik enigszins verbaasd dat tijdens een wandeling door ’t fenomeen natuur, waar ik al mijn lees-uren aan besteed, ik, mijn vader gelijkend, alles met naam & toenaam wist te benoemen voor m’n gezelschap.
Nou ja, een heleboel. ’t Viel me mee. Soms zat ik er 20% naast. Een andere keer kwam er een 100%-score minstens een kwartier te laat.

M’n gezelschap trok zich daar niets van aan. Soms kwam ze met iets aanzetten met de vraag wat dit nou weer was.
& Hier gaat ’t verhaal de verkeerde kant op.

Zij kwam met iets aan.
Waar ik dat nooit in m’n hoofd zou halen.
Ik realiseerde mijn rol als huiskamergeleerde (waarbij men heus wel dat laatste gedeelte weg mag gummen, maar ’t is omdat ik geen alternatief toevoegsel aan ‘huiskamer’ kon vinden in dit geval), die constant slurpt, maar een ietwat weinig datgene wat geslurpt lijkt te worden, slechts in getypte, gedrukte zo men wil, in meer dan slechts woorden tot zich neemt.

& Ik durfde die wants niet zomaar zelf ter hand te nemen.

Ik wist slechts waar-ie huis hield in Zijperspace.