Instaspaced (LII)

Ik pietepeuterig alle blaadjes, zoals ze een een aantal jaren meldden op de bijeenkomst voor bryologen & lychenologen: hoeveel meter ze wel niet voortbewogen tijdens excursies; nou dat ‘wel’ in die vraagstelling kon je net zo goed weglaten, want, grote bryolichenohilariteit is de leukste humor, 3 meter was de uitslag (& dan gemiddeld er toch nog zo goed uitzien, dacht ik); maar verheugd over m’n ontdekking van 10 wapendragers, zo zwart ziet ’t bij mij van binnen: alhoewel ik meer dan 10 meter wilde gaan die middag, zo gauw ik na 1 uur gras plat trappen op een vierkante meter m’n horizon wilde verbreden benauwde de poging m’n lust daartoe m’n kunst te beleven & had ik willen blijven krullen in 10 rupsen van gelijkertijd 1 bijéén.

Zijperspace was niet zo groot die dag, maar eerder aan krimp onderhevig.
(Foto [in betere kwaliteit, want rottig kopiëren als je je eigen foto’s ergens anders wil plaatsen & ‘t je onmogelijk wordt gemaakt door FB] & tekst eerder geplaatst op Instagram)

Instaspaced (LI)

’t Was rupsendag vandaag (hoewel er soms beweerd werd dat ’t om een sluipwesp ging: dus larve ipv rups; een soortement terminologiegegoochel), waarbij ik ondanks hun minieme & anders doorgaans trage bewegingen toch moeite had ze zuiver & helder op de korrel te nemen, waardoor determinatiemoeilijkheden ontstonden op m’n telefoon & goedkeuring (validatie), uitbleef; pas als ik ze zo keerde dat de najaarszon, daar kan geen ander seizoen tegenop, subtil- & fragiliteit kon strooien over de dunne huidjes van de op dat moment nog naamlozen kon er iets van identiteit & karakter waargenomen worden, maar aan dat laatste had de vervanger van A’dam (hier deed dat stomme A’correct in de originele publicatie van zich spreken), naamgever in opdracht van god, geen boodschap.

Net zo min er een boodschap van die opdrachtgever was binnengekomen in Zijperspace.
(Foto [in betere kwaliteit, want rottig kopiëren als je je eigen foto’s ergens anders wil plaatsen & ‘t je onmogelijk wordt gemaakt door FB] & tekst eerder geplaatst op Instagram)

Leeskater

Een kersenpit is onontbeerlijk in geval van gekneusde ribben, is mij inmiddels duidelijk. Niet dat ’t geneest, weet ik in de actualiteit van de volgende dag, maar verlichten des te meer. Voor een zekere tijd althans.
Jammer dat ik er voor de bedsituatie nog geen oplossing voor heb; ’t zou ’t daadwerkelijk wakker worden & ’t daarop volgende moeizaam oprichten zo veel prettiger te verdragen maken.

Nou is ’t niet mijn intentie te gaan klagen – men zou dit beter kunnen beschouwen als een poging naar waarheid de huidige omstandigheden te omschrijven – dat ik hier ga opsommen wat de redenen zijn om moeite te hebben met zoiets als ‘de dag opstarten’ momenteel, hoewel hedenmorgen ’t ochtendlijke pakket van lichaamsongemak er wel om lijkt te vragen.

Zoals hierboven al aangestipt heb ik een prettige manier gevonden om de beperkte zin die mijn borstkas heeft om de longen te laten uitzetten te onderdrukken. De pijnscheuten worden door de warmte van de kersenpit goeddeels weggepoetst. Dat maakt me, al liggend op de bank, van zins de hele avond te besteden aan ’t in 1 ruk uitlezen van weer een boek, zij ’t een ietwat rozig. ’t Gevoel voor even verlost te zijn van die pijnband van diepe-ademhaalbeperking, alsof ik geheel vervuld ben van een lichaamszucht die tenentrippelend zacht ’t huis ontvliedt.

Maar zoals eerder vermeld heb ik ook te maken met een bult die op onbekende wijze op mijn hoofd terecht is gekomen. Om ook maar iets van schuldwijzende vingers te voorkomen heeft die zogenaamd onnozele bobbel bij aankomst m’n geheugen van belastend materiaal ontdaan, wat er voor zorgt dat ik al piekerend regelmatig met vingers richting zijn locatie tast. Alsof de toppen van m’n vingers m’n vragen kunnen injecteren & de bijbehorende antwoorden los kunnen peuteren uit die plek, heimelijk verstopt onder m’n, evengoed schaarse, haar daar. Maar ja, probeer eens een spiegel zo te positioneren dat je je daar een beeld van kan vormen.
& Als verder excuus voor die rare gewoonte van m’n vingers die kant op te kruipen: ’t lijkt niet meer dan natuurlijk voor dat lichaamsdeel om – als ’t hoofd verzonken in een boek voor de rest op gedachteloos staat – op bezoek te gaan naar korstige wondjes om dan stiekempjes de huid te ontdoen van al wat rafelt.

Verder schepten diezelfde vingers, ze hadden ’t waarachtig druk gisteravond, er veel genoegen in om de schade aan m’n linkeroog (veroorzaakt door een tijdens ’t fietsen invliegend insect) steeds opnieuw te inspecteren. Ter meerdere glorie van de afgod Jeuk, die zich dus al op meerdere plekken van mijn lichaam aan ’t manifesteren was.
De enige mogelijkheid ter bescherming die mijn oog voor handen had, was zich er in te schikken & z’n lid te laten hangen (jaja, een ander onderdeel zou daar niet al te trots over zijn, hoor ik menigeen al denken; flauw hoor) om zo enige onbereikbaarheid & frustratie bij mij m’n nog immer tastende vingers te veroorzaken.
Daarbij lust tot slaap veroorzakend.

Terwijl mijn boek gelezen wilde worden. & Mijn hoofdsteun een actief lezend hoofd wilde stimuleren.
Mijn boek viel neer & m’n hoofdsteun verloor daarop z’n enthousiasme & liet m’n hoofd & nek aan hun lot over.

Hier ontstond ’t fenomeen waar ik me pas van bewust werd bij wakker worden & vervolgens opstaan, wat nu, onder hierboven omschreven omstandigheden, nog moeilijker ging & daardoor trager verliep, & waar ik bij afwezigheid van grote hoeveelheden alcohol bevattende dranken de avond ervoor, genoopt was te noemen naar de houding die wellicht geschikt was om een boek te consumeren, maar niet door slaap diende te worden overgenomen.
Hedenochtend word ik lastig gevallen door een leeskater.

& ’t Wordt tijd dat-ie oprot, zodat de dag kan beginnen in Zijperspace.

Pmb

Ja, ik ga natuurlijk niet in de titel al te koop lopen met dat ik vanochtend, na toch enigszins in de wakkere wereld te zijn terechtgekomen, over constructies met Playmobil (codewoord Pmb) aan ’t nadenken was. Hoewel constructies in mijn jeugd eigenlijk meer van toepassing waren voor andere speelgoedvariaties. Van de huidige ben ik niet goed op de hoogte.

Ik lag na te keuvelen met wat aan mij voorbij was gekomen tijdens de nachtelijke uren. Een conversatie met wat zich aan onverwachte situaties & overdag onvanzelfsprekende confrontaties zich hadden voorgedaan. & Als besluit van al deze levende halfsluimerwereldavonturen was ik nog even een mezelf voorgelegd probleem aan ’t oplossen wat niet meer behelsde dan ‘hoe een bushalte te bouwen van hout in Playmobil’.
Ik geloof dat ’t ook nog iets als natuurinclusief moest zijn, een woord dat ik gister meermaals was tegengekomen, & ergonomisch verantwoord, maar waar ik dat vandaan had is me de afgelopen 18 uren werkelijk ontgaan.

Ik heb niets met Playmobil. Dat was de wereld van de 2 jongste broers & al snel na z’n geboorte heeft de aller- die speelgoedhobby van de op-1-na-jongste gekaapt. Hij mocht hooguit nog een beetje aanzitten als ’t blauwe koffertje, die al snel te klein was, werd geopend & dat alleen maar omdat ze nog jarenlang kamergenootschap in gewapende vrede moesten voortzetten.
Als je als laatste aantreedt, kost ’t je immers jaren voordat je jezelf verder hebt gepromoveerd tot de door iedereen begeerde zolderkamer. Dat hadden wij ouderen (ik zat net op de grens) tenminste als vanzelfsprekend bedacht. Maar tegen de tijd dat de jongste zo ver was, ik bedoel: dat de oudsten ’t huis uit waren, wilde hij geen andere opbergplek voor zijn Playmobil dan waar die zich al bevond & bleef hij daar in ’t inmiddels 1-persoonskamertje slapen & spelen.

Er moet dus iets akeligs zijn gebeurd, zou je bijna gaan denken, dat ik op een mooie nazomerse ochtend mezelf heimelijk zie ‘spelen’ met Playmobil & dat verborgen wil houden voor de ‘echte’ wereld door een titel te verzinnen die dat speelgoed onherkenbaar moet maken & bovendien beweer dat ik ingewikkelde oplossingen zat te bedenken tijdens mijn reeds bereikte wakkere bewustzijn voor een te construeren bushaltehokje. Alsof ’t nog erger zou zijn als mijn onderbewuste ’t aanstuurde middels een droom & niet mijn gezellig hallo-wereld-ochtendmentaliteit van lekker nagenieten van ’t comfortabel voelend bedje denkend over u-weet-ondertussen-wel (zonde dat nog eens te herhalen).

Waarbij m’n aandacht getrokken wordt door Paustovski, die dagboeken schreef, waarbij hij z’n dromen er in verwerkte. Hij analyseerde ze daarin, meen ik me te herinneren. & Werd er zelf uiteindelijk horendol van. Dat deed hem concluderen dat je beter niet met zelfanalyse aan de slag kan gaan.
Dat is… In zoverre ik dat zonder zoekmachine uit m’n hoofd weet terug te halen.
Ik wilde per se zijn boeken lezen & ben ten tijde van verschijning van ’t 1e deel begonnen & nooit verder gekomen dan de 1e 50 bladzijden.

Naar aanleiding daarvan heb ik al ras geconcludeerd dat ik blijkbaar niet van ’t lezen van dagboeken houd. & Op daarin verwerkte dromen had ik helemaal geen grip.
Men moet zich, hier aangekomen, als men mij is of anderszins enigszins gelijkend, ondertussen al dood vervelen.

Hier in Zijperspace zijn ze na de 2e alinea gewoon opnieuw in bed gestapt.

Hyperchondromat

Ik bel Tineke. M’n hoofd staat strak sinds vannacht. In plaats van minder is ’t erger geworden.
Tijd om niet meer te zwijgen.

‘Bel ik je wakker?’
‘Dan had ik toch niet opgenomen.’
‘Ok. (…)
Ik weet niet waar ik moet beginnen. (…)
Ik voelde me al niet prettig. Door gerommel in m’n maag de laatste dagen was ik al weer ouderwets hypochondrisch. (…)
Maar ik heb al sinds 2 dagen… Of langer… een bult op m’n hoofd. Hij lijkt steeds groter te worden. (…)
Kan ik bij je langskomen, dat jij er even naar kijkt?’
‘Ik moet wel zo weg. Over een half uur.’
‘Dan stap ik meteen op de fiets.’

10 Minuten later springt de hond enthousiast op me af.
Ik pak de 1e stoel in m’n bereik, zodat ze op m’n schoot kan springen. Haar poten trappen enthousiast op m’n borstkas die ik onderweg heb bezeerd.
‘Ik slipte met 1 voet van de trapper & toen sloeg m’n vuist tegen m’n ribben.’
Er hoeft maar iets hard tegenaan te komen & ze zijn gekneusd, weet ik inmiddels.
Als de hond gekalmeerd is komt Tineke.
‘Nee, blijf maar zitten,’ zegt ze.
‘Ja, maar ik wil de stoel in de zon zetten. Zodat je ’t beter kan zien.’
Terug op de stoel klinkt al snel de 1e ‘Au’ uit m’n mond.
‘Oei, ja. Hij is dik. & Je hebt je toch echt gestoten. Er zitten korstjes op.’
‘Ik kan me helemaal niet herinneren dat ik me gestoten heb.’
Ze neemt een foto van m’n hoofd. Ik zie de witte pukkel naast de gestolde bloedrandjes.
Ze knijpt ‘m uit.

Als ik een half uur later terug thuis ben stuur ik haar een bericht. Dat de druk op m’n hoofd een stuk minder is. Maar nu de gekneusde rib. De oorzaak daarvan ben ik me goed bewust.
Ze stuurt een smiley.

Met een warme kersenpit op m’n borst ga ik op de bank liggen. Net gelezen op een site dat warmte de kneuzing kan verlichten. De pijn dan.
Je moet af & toe diep ademhalen, ook al voel je dat meteen. Ter voorkoming van een longontsteking.

Ik lig & haal adem. Kussen op m’n borst om alles in ’t gareel te houden. Gedachten, pijn, kersenpit.
Ik veeg de paniek aan de kant, waardoor ’t me lukt de chronologie te ordenen.
Donderdagavond was ik een film aan ’t kijken. Halverwege gestopt om naar bed te gaan. Hooguit 2 bier gedronken.
Volgende dag een bult op m’n hoofd.
Zondagochtend een constante druk door de strakke spanning ervan.

Ik stuur nog een bericht.
‘Ik wilde vrijdagochtend de film van gisteravond af kijken, maar Netflix dacht dat ik ‘m al helemaal gezien had. Ik wist me daar niets van te herinneren. Ook niet toen ik terug ben begonnen waar ik dacht gebleven te zijn. Ik ben dus niet alleen de herinnering aan m’n bult kwijtgeraakt, ook de helft van de film.’
Maar hoe tijdens ’t fiets opstappen mijn vuist op m’n borst afkwam…

Elke ademhaling herinnert zich dat in Zijperspace.

Duiding

Ik moet de juiste toon hebben. Niet alles kan zomaar opgeschreven worden. ’t Hoeft niet per se oprecht te zijn, als ’t maar uniek klinkt, als ’t maar zichzelf draagt.
’t Is immers niet alleen de persoon, vooral niet zelfs, ’t gaat uiteindelijk om de tekst.
Er is vulling van de lezer nodig, anders schiet ’t z’n doel voorbij.

Gister een tekst geschreven waarbij de geschiedenis van 35 jaar geleden werd verteld.
Ik had met mezelf te doen toen ik ’t uiteindelijke resultaat herlas na typen. Maar omdat ik dacht dat als dat de enige emotie is die ik daarmee losmaak, ik beter kon besluiten om die tekst als ongeschreven te beschouwen.
Een verhaal hoeft niet eenduidig te zijn. Liefst niet zelfs. Hier. Waar de wereld rond is & vooral niet zo eenduidig als dat.

Men moet de mogelijkheid hebben een eigen verhaal ermee te maken. Ik mag er in voorkomen, maar is niet noodzakelijk aan ’t eind.

Men mag best met mij te doen hebben terwijl men leest, maar ik moet er zeker niet om vragen. ‘tZelfde geldt voor trots, of jaloezie, afkeuren, meeleven.
Iets is pas verteld als de ontvanger daarbij woorden, zinnen, aan ’t eind z’n eigen ervaring heeft herkend. ’t Is moeilijk een andere dimensie te zien als je niet begeleid wordt middels dingen die je terug kan koppelen aan je eigen belevingswereld. Ik word pas ik als ik te herkennen ben in jou.
& Dat verhaal van mij mag dan evengoed vol staan met leugens, fantasieën zo men wil.

Overigens ben ik niet in staat om zo ver te gaan.
Maar ook dat zou een verzinsel kunnen zijn. Waarbij men maar zelf bekijkt wat er tussen die 2 zinnen gezegd wordt. Daar invulling aan geeft. ’t Ongezegde zelf klank & volume geeft.

Ik moet waken over mezelf. Niet alleen hoe ik ben of voel, ook hoe ik over kom.
& Bij dat laatste dan vooral in uiteindelijke tekst. Als je me in levende lijve ontmoet mag je andere conclusies trekken.
Ik ben hier letters, vorm woorden, & moet er voortdurend rekening mee houden dat ze hervertaald moeten worden bij ontvangst. Waardoor ik eigenlijk in ’t echt niet besta.
Dus moet ik m’n best doen om iemand te zijn die de moeite waard is gelezen te worden. Dat er, als bij een wetenschapper die z’n laatste onderzoek afgesloten heeft, er steeds meer vragen geopend worden die al zoekend onderweg zijn naar degene die ze weet te formuleren.

Wtf is Zijperspace anders?

Daadloos

M’n snijplank die ik, naast voor ’t vanzelfsprekende doel, gebruik als ontbijtbord, zit na dat ochtendlijk ritueel vol met broodkruimels. Zelfgemaakt brood, nooit zo’n zorgvuldige cohesie bezittend als supermarkt- of fabrieksbrood. Maar 100 keer lekkerder, al wordt dat wellicht slechts veroorzaakt door de er aan gespendeerde energie & ’t zelf ontwikkelde recept. Je eigen kindje is toch zeker leuker dan die van de buren, ondanks al z’n rafelrandjes?

Ik probeer de structuur die de kruimels op de plank gecreëerd hebben te minimaliseren door enkele ervan tussen duim & wijsvinger te verzamelen & alsnog op te eten.
Dan lijkt ’t bij controle toch al een stuk minder erg. Er trekt weer wat meer wit van de broodplank door, als de wolken die momenteel de voorspelling van warm weer vooraankondigen door de zon wat meer ruimte te geven.
Toch zal ik eens moeten verschonen & stoppen met de noodzaak daarvan te ontkennen.

Ik praat net niet met ze, de dingen, zoals meneer Broodplank, die eigenlijk Snijplank genoemd wil worden. Maar ja, hij wordt meestentijds voor m’n brood gebruikt. Snijden doe ik slechts als ik voor 4 dagen avondmaaltijden bereid.
‘U moet toch echt wat meer met uw belangrijkste functie meegaan, heer!’ denk ik ‘m toe.
1-Hoog moet natuurlijk niet te horen krijgen dat er andere wezens in huis zijn die mijn spreken noodzakelijk maken. Van de week nog geïnformeerd of hij mijn muziek kon horen. Dat bleek inderdaad zo.
& In plaats van een demper op m’n muziek heb ik dat nu ingesteld op m’n dagelijkse rituelen & tot nu toe onuitgesproken gedachten. Tot ik me weer niet meer volledig bewust ben van de nabijgelegen werelden.

Ondertussen ligt snijplank, laat ik ‘m verder maar zonder aanhef & hoofdletter z’n functie hier laten voortzetten, te wachten op m’n stof- dan wel wasbeurt. Ik gun ’t hem best wel. De wil is er ook. Maar de daad ontbreekt doorgaans.
& Dat ik ’t probleem verklein door telkenmale zelf te kruimeldieven zorgt er voor dat ’t allemaal (snijplank is niet de enige) minder urgent lijkt.

Buiten dat: er is gister over gesproken. Ik heb de slappe spieren voorgelegd, daarbij gewezen op de titel; de toehoorder heeft suggesties geleverd, trajecten voorgespiegeld, begeleiding voorspeld.
Wat me opgelucht achterover doet leunen & gelaten doet hopen dat ’t allemaal spoedig bewaarheid wordt, want met zo’n belofte schiet ik helemaal in laat-de-boel-de-boelerigheid-mode.

Daar blijft Zijperspace wel mee bewaard, maar een beetje r in de evolutie, kan geen kwaad.

Brandresten

Wat of ik als 1e naar buiten zou brengen bij brand, was de vraag.
‘Ik heb zo veel boeken,’ zei ik weifelend…
‘Nee, dat lukt je nooit,’ zei 1-hoog.
‘Je meest dierbare boeken,’ suggereerde buuv 3-hoog.
‘Een mooie serie,’ ging ik verder.
‘Maar weet je dan welke?’ vroeg vriendin van 1-hoog.
‘Ja, dan weet ik welke.’
Waarbij mijn ‘dan’ naar ’t moment van plotse brand verwees.

Ik vertelde vervolgens over de brand die tegenover m’n tijdelijke woning aan de Albert Cuyp had gewoed.
De volgende ochtend kwam ik een stel tegen voor de deur. Spaarzaam gekleed. Hij een dikke leren jas, saxofoon om z’n nek. Zij iets pyama-achtigs, daarentegen wel een lange broek.
Alles was weg. Ze hadden niets anders dan wat ze bij zich hadden, vertelden ze.
Die saxofoon dus. Was eigenlijk ’t enige wat ze buiten zichzelf & wat ze aan hadden konden redden.

Ik me daar voor de deur maar afvragen of zij nou die dame was die ’t 1e weekend dat ik op de Albert Cuyp was ingetrokken ’s ochtends vroeg naakt uitgebreid voor ’t raam de zondagochtend begroette. Loom, rokend, sacherijnig, bloot.
Hoe onherkenbaar bloot later blijkt te zijn, bedacht ik bij dat meisje met snel bij elkaar gegrabbelde kleren.

Maar we hadden ’t over brand. & Wat ik zou proberen buiten brandgevaar te krijgen.
Ik mag niet te veel tillen. 5 Kilo max.
Heb ik die mooie zware boeken uit de Gouden Reeks gered & overlijd ik treurigjes op de stoep vanwege die aderwortel die toch niet bestand bleek tegen al die opgestapelde woorden.
Brand kon hem niet deren, maar de boeken hebben hem gevloerd, zeggen ze dan bij m’n uitvaart.

Alles wat ik geschreven heb (nagenoeg, moet ik misschien zeggen) is bewaard & waart rond in ’t digitale, zuinigjes versneden in bits die zich samenvoegen & ordenen tot mijn geprefereerde volgorde als een onverlaat ze toch nog een keertje te voorschijn tovert.
Dat is dan wel weer een voordeel van geen boek te zijn: dat brandt minder definitief omdat er vast ergens nog een reservekopie is opgeslagen.

‘Hoeveel bladzijden zijn dat dan,’ vroegen de buren nu ik toch naar m’n die dag jarige weblog was afgedwaald, ‘al die stukken die op je weblog staan samen?’
Ik trok een peinsgezicht, zoals dat hoort als je praat over ’t schrijvend werk dat je hebt verzet gedurende de jaren & je dat nu in een aardig getal mag uit gaan drukken.
‘Als elke post een a4-tje zou zijn,’ legde ik hun voor, met een poging tot niet al te ijdel te lijken door een ietwat vergenoegzame blik, ‘dan is ’t best een dik boek van 3400 pagina’s.’
& Daarbij eigende ik mezelf instant-trots toe door niet 2 keer ‘tzelfde woord te gebruiken voor bladzijden.

Maar ook dikke boeken kunnen in een paar tellen opgebrand zijn in Zijperspace.

Patatvorkje

Er ligt een patatvorkje, groen gekleurd, schuin voor me. ’t Is daar terecht gekomen toen ik ‘m in 1 van m’n broekzakken vond gisterochtend. Ik wist dat ik ‘m terug zou vinden op die plek op ’t moment dat ik ‘m daar in stopte. Ondanks die vooruitziende blik vroeg ik me op ’t moment van voelen & wroeten naar wat zich daar bevond af wat dat nou toch kon zijn.

Als ik iets wil vertellen over wat mij overkomen is, tast ik, net als andere mensen vermoed ik, even m’n geheugen af op welk moment een dergelijke gebeurtenis in gang werd gezet. Wat men zou moeten weten hoe ’t tot ’t uiteindelijke resultaat heeft kunnen komen & welke omstandigheden meegespeeld hebben daarbij.
’t Is dan een kwestie van hoofd- van bijzaken scheiden, zoals wel gezegd wordt, maar daar loopt ’t spaak in m’n hoofd. Ik neig ernaar te moeten toegeven dat mijn hoofd op zo’n manier werkt dat ik alle factoren een ongeveer gelijke waarde toeken in die ontwikkelingsfase van ’t te vertellen verhaal. ’t Resulteert zodoende in een lichtelijke overdosis pietepeuterigheden waarvan ik denk dat ze essentieel zijn voor ’t vatten van ’t groter plaatje, de strekking of de clue, maar er slechts voor zorgt dat men bomen/bos-overvloed krijgt opgediend.

Tegelijkertijd denk ik dat als er geen mensen als ik zouden zijn, al ’t kleine al snel overbodig lijkt & dat daardoor de charme van ’t bestaan een groot deel van z’n kracht zal moeten missen.
Ik vind huizen gebouwd van bakstenen, ondanks enkele uitzonderingen, toch beter te genieten dan die gegoten in beton.

We hadden bier gedronken in ’t park. Dat is 1 van de aanwinsten van Corona: je gaat op zoek naar een plek in de buitenlucht om met elkaar te genieten van bier & praat.
Tot we te horen kregen dat we een verjaardag te vieren hadden. De verjaardag die elke keer 2 dagen voordat die van m’n weblog zich voordoet. Dat betekende nog meer bier, dus enige vulling van de maag was nodig.
Aangezien ik met Patrick was, die mijn 25-jarig verblijf in de bierwereld had helpen vieren & zodoende halverwege onze tocht langs enkele brouwerijen tussen de 2 bruggen richting A’dam Noord de patat had leren kennen van Eiburgh Snacks, kostte ’t niet veel moeite overeenstemming te krijgen over onze ontnuchteringsbestemming.

Mijn manier van ’t eten van de frieten noodzaakt mij enige voorzorgsmaatregelen te nemen alvorens te beginnen aan ’t maal. Ik pak nl enkele patatten tegelijk tussen de vingers & probeer die tezamen in m’n mond te proppen, voorzien van een redelijke hoeveelheid saus. Bij andere frietzaken zou dat Samourai zijn, bij Eiburgh wordt dat mayo plus sambal.
Ik dien in zo’n situatie dus zorgvuldig te zijn in ’t dopen in de saus, want beiden dienen, in zoverre mogelijk, gelijkelijk verdeeld te zijn over de patatten in m’n hand die zodoende op de juiste manier genoten kunnen worden in de mond. Patat is mijns inziens pas lekker door de combinatie met de onovertroffen uitvinding van saus.
Ik vermoed dat de succesformule van ’t concept patat nooit bewerkstelligd zou zijn was deze niet als combi geïntroduceerd.

Met in m’n achterhoofd troep & vetvlekken her & der verspreid over m’n kleren & lichaamsdelen die net als de vingers bloot staan aan de buitenlucht, pik ik altijd snel even voor aanpakken van de bestelde portie een servet plus vorkje om indien nodig die slordigheden zo goed als mogelijk te verdonkeremanen of, in ’t geval van vorkje, te voorkomen.
Hoewel ik inmiddels ook wel weet dat ’t vorkje juist erger kan veroorzaken in vergelijk met ’t consequente gebruik van de vingers. Patat kan nl wel eens in zijn gang richting mond op de plek van de vorkinzet afbreken & zo veel onooglijke schade berokkenen.
Maar ja, mijn vermogen om me te kunnen inleven in anderen buiten mijzelf vertelt mij dat ’t oog van een toevallige toeschouwer vaak ook wel wat anders wil zien dan graaiende patat- & sausvingers.

Vandaar dus dat patatvorkje gisterochtend in m’n broek, geen andere wegbergplek voor ’t haastig moment gisterochtend kunnen bedenken dan hier nu schuin voor mij & m’n toetsenbord, de plotse herinnering dat dat 2 dagen geleden was, die plotse maaltijd & dat patat vaak op verjaringen wordt geconsumeerd & m’n gedachte toen dat ’t eigenlijk wel jammer was dat ik dat dan niet op die verjaring 2 dagen later zou mogen eten, want Ma zei altijd dat patat maar 1 keer in de week was toegestaan & dat ik me bovendien kan herinneren dat ik niet in de wc-pot durfde te kijken toen ouders op vakantie waren & ik 3 dagen opeen patat had gegeten.

& Ten laatste dus dat dit de reden was dat ik bij ’t zien van ’t vorkje besloot om ter viering van ’t 19-jarig bestaan van m’n weblog weliswaar geen patat zou eten, maar een 2e post vandaag zou plaatsen op Zijperspace.

Mispost

We zitten in de auto. Dus hebben we ’t over een andere rit. Iets doen noodzaakt praten over soortgelijks doen.
Ed rijdt. Tineke begeleidt. Ik zit achter, net naast de leegte die straks volgeladen moet worden.

‘Ja, de post zat in de naaimachinekist.’
Dat je voor een moment denkt dat je zelf zo’n woord nog nooit in je leven hebt gebruikt, maar dat ’t toch heel normaal is ’t voorbij te horen komen.
& Dat je denkt dat je jezelf niet moet laten afleiden door zulke gedachten: luisteren is ’t devies, zeker in ’t lawaai van auto op de weg.
Verder dus.
‘Maar dat wisten we toen nog niet.’

Ze heeft ’t over ’t einde van haar verblijf in Nijmegen. Dat zij ipv eerder ik voor 2 katten & 2 konijnen moest zorgen.
Ik zie dus meteen een naaimachine op de tafel staan daar. Met kilometers lappen stof die verspreid liggen zodat je niet vanzelfsprekend aan tafel kan eten, maar ruimte moet maken, nee, dat mag jij niet doen, dat doet Tineke, want anders raakt alles in de war, maar denk je: ’t was toch al in de war, nee, zegt Tineke, ’t was niet in de war, alsof ze die gedachte kan lezen, terwijl ik er niet was toen zij er was.
Een naaimachine waar de post in is terecht gekomen. In de kist dus die de naaimachine veilig vervoerbaar moest maken.

‘Ze belde er over,’ gaat ’t gewoon verder, alsof bovenstaande niet bedacht is ondertussen, ‘of de post misschien in de bagage terecht was gekomen.’
Dus werd alles overhoop gehaald. Ook in Nijmegen. Maar er werd niets gevonden. Berichtjes werden heen & weer gezonden om elkaar op de hoogte van de voortdurende vermissing te brengen.
Ik vertel ’t maar niet letterlijk, want sommige woorden zou ik er dan bij moeten verzinnen, door de onverstaanbaarheid van enkele in ’t snelwegrumoer.
‘Toen dachten we: dan kan ’t nog maar op 1 plek liggen: in de naaimachinekist.’
Nou, daar lag ’t dus. Niet bepaald een spannend verhaal. Er moest vast nog iets fout gaan. Ik ken haar.

‘Toen moesten we iets ophalen, dus konden we op de terugweg de post langs brengen.’
Dus ergens voorbij Nijmegen. & Dan terug naar Amsterdam daar langs.
”t Was een lange dag geweest. We waren hartstikke moe, eigenlijk niet zo’n zin meer. Maar ja, we moesten toch die post terugbrengen.’
Dat vertelt ze om ’t wél spannend te maken.
‘Maar die post lag niet in de auto. Helemaal vergeten mee te nemen.’
Is ook stom. Dat heeft 1 van ons toen in de auto gezegd, maar ik geloof niet dat ik ’t was.
‘Dus ik bel naar Nijmegen dat we de post vergeten zijn. Zegt ze: “Nou, dan hoeven jullie ook niet te komen eten.”‘
Hahahhhaaaaahhahahahahahahaha.
We horen ’t ruisende teer onder de autobanden niet meer. Van: dat ze dat zo bot had kunnen zeggen.
Zegt Tineke: ‘Nee, dat heeft ze niet gezegd. Dat zeg ik nu.’

Daar ging m’n verhaal dat ik na kon vertellen in Zijperspace.