Olney

Thuis zijn dus.
Of die plotse verandering van eigenlijk iets heel gewoons wel goed is, suddert door m’n hoofd. Ik ben hier een vol jaar bijna dagelijks geweest, slechts een enkele keer ergens anders geslapen. Iets spannends hoef je je daar niet bij voor te stellen.

Muziek aangezet van een man die op ’t podium stierf. Ik werd weer aan die man herinnerd door een oude link van vroeger surfgedrag te volgen & ’t verhaal over zijn dood te herlezen.
‘Sorry,’ zei hij voordat hij overleed.
& Z’n muziek stemt ook melancholisch. David Olney, schijnbaar oude man, met witte baard plus hoed. Gelukkig niet iemand die zich hier in NL Abraham liet noemen, hoewel gelijkend.

Verder ben ik bekenden tegengekomen. Afgesproken ontmoet. ’t Was weer tijd om insecten te speuren. Corona zat er tussen, sinds de laatste keer.
Ik zwaaide stoer met m’n sleepnet (hadden ze nog niet gezien) & haalde zodoende net zo stoer voor tijdens de regenbuien te determineren wantsen daarmee tevoorschijn.
’t Was alweer even geleden dat ik me met zoveel mensen tegelijk in 1 ruimte bevond. Terwijl ik toch echt de laatste van de groep moet zijn geweest die z’n 2e vaccinatie kreeg. Maar zij kwamen om de groep opnieuw te zien, zo bleek bij de thee tijdens de stortbuien & ik om insecten te delen & op naam te brengen.

Ik moest weer fietsen. Op de terugweg tussen 2 nieuwe buien door, waarvan ik de laatste vreemd genoeg ben misgelopen. Stond ik net vakantiekneuterend wederom onder een viaduct, een blikje bier geopend, te wachten tot de tijd voorbij ging. Denkend aan niets behalve een binnenkort in te lassen plaspauze. Hopend op vreemde mensen die net zo anoniem als gisterterugweg onder zouden duiken, waarvan ik me levenslopen kon inbeelden in 1 oogwenk, mijn vader & moeder gelijk die de hele camping bij elkaar fantaseerden aan representanten van hun normale leven thuis. Buur Bert, Tante Saar, Collega Frits, gebaseerd op desnoods dezelfde trekhaak voor de caravan of een haar op de kin bij ’t geslacht waar dat niet paste. Net als Nicht Drien.

Alles is anders. Alleen dat hoofd gaat ongemerkt verder. M’n ouders, & hun familie nagenoeg ook, zijn dood. Geen caravan of kleine tentjes van Pa voor korte wandelvakanties.
Ik thuis, niet meer elders. Tenzij ik beweeg.
Maar ook dat gaat onwennig. Nu al.

’t Hoofd loopt traag als een batterijloze klok in Zijperspace.

Wegvoorbij

Ik ben thuis.
Reeds enkele uren.
Ik ben nog net nat geregend, waar ik dat de rest van de rit gemakkelijk heb kunnen voorkomen. Maar de finale regenbui kwam er aan. Ik heb ‘m gister al aan zien komen. Durfde de rest van dag (de 24 uur daarna) niet meer te kijken. Slechts als ’t er echt donker uit zag. Dat was m’n redding toen ik als 1e de fietstunnel bereikte. We stonden daar uiteindelijk met een man of 15. Niemand kent niemand & kijkt collegiaal die gekken na die wel doorfietsen.

Thuis dus.
Ik zeg net m’n kaas gedag. M’n olijven er achteraan. Straks vormen ze weer een duo op m’n brood, als ik morgen wakker word & normaal ’t nieuwe normaal zal zijn. ’t Eeuwig slepende waar ik me comfortabel bij voel.
Ik zeg nu een blikje bier hallo. & Laat ‘m klokken in keel.

Onderweg heeft bier me er doorheen gepraat. Geen loze gedachten & m’n pijn doen vergeten. Stil doen zijn bovendien. Dat vergt een stem die z’n mond houdt.
Hooguit een neutraal vriendelijke groet naar al diegenen die ik niet ken. Er zijn er veel als ik ze optel. & Er zullen er zijn die m’n beeld niet rap vergeten. Een man met baard & staart die aardig groet. Met z’n fiets.
Kinderen hadden daar iets van gezegd als ik ze tegen was gekomen. Maar die laten zich door ouders in auto vervoeren, doen de lange fietspaden niet.

De gedachte, de vraag, dringt zich op of ik tevreden moet zijn. Als in een cijfer.
Ik weet m’n antwoord al. Een respons als in luchtledig.
Ik mag niet meer scoren, hoe hard ik ook fiets, of wat ik meemaak. ’t Was leuk de mensen te zien die hun zelf georganiseerde triatlon stonden aan te moedigen. Hier! Een flesje pils voor wie binnen kwam.
Maar liever koester ik de herinnering ooit Voskuil voorbij te hebben zien fietsen ergens in Noord. Of eigenlijk daar alweer voorbij. Z’n boeken gelezen & wetend dat mijn tocht wellicht bescheiden was.

Ik koester m’n kaas, m’n olijven, na 2 weken onze wedergroet. Moet nog even kijken of ik brood heb, ander beleg erbij, zodat m’n ontbijtsneetjes weer taartjes worden van zoveel mogelijk lagen.
Ik kijk wel wat ik morgen tegen kom, als ’t ochtend wordt, m’n ogen open. Weg voorbij.

Terug ’t gewone huis van Zijperspace.

Bunkers

Afgelopen nacht werd ik weer eens door ex-vriendinnen in de steek gelaten. ’t Was allemaal niet mijn schuld, werd door een multi-eenheid van reeds vergaan gedacht verdriet gemeld. ’t Was hun knoeien met emoties, frustraties & onmacht over hun onwetendheid van wat ze werkelijk voelden.
Daar moest mijn naïviteit aan geslachtofferd worden. Mijn enthousiasme ook over jeugdige hormonenstormen die weliswaar van binnen woedden, maar hun taal pas konden spreken zo gauw mijn ex-vriendinnen zich in mijn nabijheid toonden. Van onzekerheid & niet de juiste woorden, van lippen die zich wel openden, maar die zich liever aan elkaar vastgenaaid hadden gezien, zodat van liefdeshongerdood gestorven, een martelaar gelijk.

Zo kwamen de beelden, met enkele vriendinnen tegelijk, zich al decennialang niet meer overdag getoond. Ze kweelden & smeekten dat ik ze opnieuw moest verlaten, dusdanig in een slaperige mist gehuld dat herkenning van ieder afzonderlijk juist leidde tot een algemene versmelting. De 1 gaf haar stem, de ander haar beweegredenen, de 3e een vage weerspiegeling van wat haar gezicht ooit was geweest. & Ongemerkt wisselden ze constant van rol.
Ze hadden blijkbaar besloten met z’n allen opnieuw toe te slaan, juist in dit huis waar ik mijn best doe alles zo te laten dat ’t lijkt alsof mijn aanwezigheid geen verandering heeft veroorzaakt. Slechts daar waar ik eet & slaap wordt ’t verhaal verteld van mijn dagelijkse noodzakelijkheden in de tijd dat ik voor de huisdieren zorg.
Ik heb zelfs precies ’tzelfde wc-papier aangeschaft toen ’t bijna op was, om straks de eigenlijke bewoners niet er aan te herinneren dat ik hier verbleef. Ze weten tegen die tijd wel dat ’t zo was, maar de onveranderde dingen helpen hun huis niet te onteigenen. De stoelen rond de tafel gerangschikt zoals ik ze vond, de deur op slot nadat ik vertrokken ben.

De vriendinnen van vannacht vertelden me juist dat ze zichzelf nog niet gevonden hadden. Waar ik in die on-ontdekking een plaats zou moeten hebben, wisten ze niet. Er bestond geen duidelijkheid over wie ik was & hoe zij zouden zijn als ik bleef. & Een stem klonk, een schimmig gezicht leek iets te zeggen, over dat mijn aanwezigheid een te zware last zou zijn in hun veranderingsproces, hun zoektocht, mocht ik dat prefereren, waarbij ik al voelde dat al die vaagheid begon te zweven & vaststaande grond leek te ontbreken.

Waarop ik iets gezegd moet hebben dat ik als een stenen huis was, waar slechts de eettafel een wisselend menu zou voorschotelen.
Maar ik wist, door reeds opgedane ervaring, dat dit niet meer mocht baten. ’t Waren immers hun van uit ’t verleden, waarvan ik de in de tussentijd ontstane hanenpoten niet kon zien & dit tafereel zwart-wit gekleurd leek. Ze waren in een proces van zelf gewenste ontwikkeling een bunker geworden die niet had mogen meedoen aan de strijd.
& Ondanks dat vielen ze mij in bed lastig met zoenen, woorden, tranen & hun eens lief veronderstelde gezicht.

Ze hadden van ’t bestaan van Zijperspace helaas geen weet.

Haarneus

Ik heb een haar op m’n neus. Ik vraag me al jaren af of anderen dat ook kunnen zien, zoals bij die dame in Luxemburg (nou ja, dame; ’t was meer een omaatje, dat uit kinderliefde, vermoed ik nu, een snoepwinkeltje dreef in een dorpje gelegen aan de Ourthe), die een speciaal door haar lichaam geprepareerde pukkelvormige bolling links bovenop had staan om dat inmiddels grijs groeiend fenomeen, waarschijnlijk wat dikker dan mijn versie, fier te laten stralen tegen een achtergrond van eeuwige blauwe lucht van onze vakanties daar. ’t Zag er niet vies uit, maar ’t moeten aanraken, daar dacht je liever niet aan.
‘Waarom zou je die neushaar [erg verwarrend dat Carel zich zo uitdrukte, want dat waren volgens mij dat juist díe haren die uit de neus van volwassenen groeiden & waar Pa kapper Meneer Camiel voor langs liet komen] aan moeten raken?’
Maar Carel had dan ook minder fantasie dan ik. Doorgaans wist ik mijn fantasie te beteugelen, maar soms floepte iets uit mijn mond van de dingen die al een paar dagen van binnen borrelden, maar de innerlijke soeppan plots deden overkoken.
Ik probeerde dan uit te leggen, lollystokje afwisselend van linker- naar rechtmondhoek bewegend, afhankelijk van de medeklinkers die mijn betoog moesten steunen, dat dergelijke alleenstaande haren er om vroegen er een aanrakende vinger bij te verzinnen.

Ik moet alleenstaande uren reserveren om aan mijn steeds terugkomende haar te besteden. & Dan heb ik er nog ’t juiste licht bij nodig ook. Thuis staat die niet goed. Net als in Luxemburg heb je er een zon bij nodig die een bepaalde hoek maakt. Bovendien geen gordijnen die de achterburenblikken weg moeten houden.
Dus hier in ’t noordelijke deel van ’t Nijmeegse, ik noem ’t zelf nog steeds Lent, maar ’t plaatselijke gemeentebestuur heeft dit dorpje al geannexeerd kan ik op Maps zien; hier in dit huis waar de zon van achteren aanvalt ’s ochtends vroeg, waar ik tevens af & toe achterom kijk om te zien of de voorbij trekkende buren in de straat mijn moderne uitvoering van een lange onderbroek kunnen spotten tijdens mijn op & neer gang richting open keuken, bij die beweging zie ik mijn haar op neus glinsteren.
Hij zou best grijs kunnen zijn, maar er valt geen vorming van een ophoging eronder waar te nemen met een zekere schijn van pukkel. Maar de zon voel ik zogezegd erdoor weerkaatsen, reflecteren, erdoorheen schijnen in al die wazigheid van veel te dichtbij m’n rechteroog staan.
’t Wordt tijd om boven m’n nagelschaartje te gaan hanteren, die daar op de dubbele wasbak van de badkamer ligt. Zielig alleen, ligt-ie daar, slechts vergezeld door m’n tandenborstel & -pasta. & Zelfs voor m’n nagels gebruik ik ‘m niet. Slechts m’n snorhaar mag ’t schaartje toucheren, als die weer irritant vaak m’n lippen moeten attenderen op hun voortgroeiend bestaan.

Tegen de tijd dat ik daarmee klaar ben, is mijn trots uitstaande, voor tegenzonlicht bedoelde haar op de neus alweer lang vergeten & heb ik de trap naar beneden inmiddels al een half uur achter de rug voordat een lichtflits van een passerende buurvrouw me daar opnieuw aan helpt herinneren.

Verminderdinging

Ik ben continu op zoek. Check waar ik de dingen kan zien die ik nog niet eerder (bewust) heb gezien. & Die ‘dingen’ zijn weliswaar levende wezens, organismen zo men wil, maar in mijn behandeling van hun begin ik er een dingheid aan te hangen. Een dingheid die mij eigen moet worden. Tot verdere vermindering van de verdinging.

Ik zit op de top van m’n hyperfocus. Concentreren op iets anders lukt me moeilijk. ’t Dringt niet tot me door hoe ik zorg moet dragen voor ’t huis waar ik op pas. De daarbij aangeleverde 2 katten, 2 konijnen incluis.
Ik heb Tineke maar ff gebeld, omdat ’t wel tot me doordrong dat er iets fout was aan ’t gejank van de katten aan ’t begin van de avond.
Ik sloot ’t gesprek met haar maar af met de opmerking dat ik ook zoveel info tot me had laten komen bij aankomst.
Niet bezijden de waarheid, daar niet van, maar ik was, realiseer ik me nu, al in m’n hoofd aan ’t plannen wat ik de toen nog komende dagen zoal zou kunnen zien. Die dagen aan ’t indelen, weliswaar met ’t voornemen ’t rustig aan te doen, maar daarbij totaal gefixeerd op…
Ach, men weet wel: waardoor enige praktische informatie mbt ’t op te passen huis, incluis begeleidende 2 kat + 2 konijn, niet wilden beklijven.

M’n vlinderdoek plus lamp, waar zouden die kunnen hangen, wat is de snelste route naar welke natuurgebieden, waar kan ik afsnijden om ’t volgend doel te bereiken, hoeveel bier kan ik meesmokkelen uit Kranenburg, vlak over de grens?
Usw.

Die voorraad is inmiddels op. Hopelijk lukt ’t me nog om ’t statiegeld te innen & in te ruilen voor bier dat mee huiswaarts genomen kan worden.

Ik doe plantjes inmiddels.
Bij gebrek aan genoeg zonuren na uren regen komt dat best goed uit. Of zoals ik dat vanmiddag probeerde uit te leggen aan een andere man in de natuur (ik vind er zo af & toe 1):
‘Ik kan wel geïnteresseerd zijn in insecten [’t woord ‘entomologie’ sloeg ik gemakshalve over; een gesprek moet soepel lopen, ook al is dat doorgaans niet m’n 1e drive, moet ik achteraf toch weer vaststellen], maar ik kwam er dit voorjaar achter dat als ik iets wil weten over de beestjes die gebruik van andere organismen maken, ik toch zal moeten weten welke planten ze nodig hebben om te overleven.’

Korte samenvatting, behoorlijk gemankeerd, verhaal verbogen tbv de leesbaarheid. Maar ’t dekt de strek.

Dus zoek ik waar ik plantjes kan zoeken. & Af & toe steek ik daar wat van op.
Je moet de massa doen om ’t ietsiepiets ervan op te slaan. De tussenregels. Dat wat je net nodig had op dat moment om ’t te begrijpen.
De rest is vergetelheid in mijn hersenen, inmiddels. Als de huishoudhandleiding die niet geschreven stond, maar dit jaar onthouden diende te worden.

Ondertussen kreunt de deur van de koelkast in dit tijdelijke Zijperspace, zoals eerder de deur: dat vraagt om geopend te worden & iets anders binnen te laten.