Kleinigheden

’t Zijn mijn nagels die me aan ’t denken hebben gezet. Dat van wat links is wat is rechts.
Een film kijkend, lui, maar niet liggend, op mijn stoel. Actieve houding.
Waardoor ik mijn vingers, in 1e instantie onbekommerd, tegenover elkaar ging zetten. Links tegenover rechts. Eigenlijk opnieuw, maar vanuit onderzoekend uitgangspunt. Waardoor ik de film niet meer kon volgen die vanzelf verder ging tegenover mij, ’t beeldscherm, omdat zij, de vingers, niet als datzelfde vanzelf wilden voegen: wie mag boven, wie is dominant daarin. Linkerduim tegenover rechterduim, de volgende vingers eenzelfde concurrentiestrijd & hoe voelde ik me daarbij? Als stuk voor stuk.

Waar is mijn lichaam, mijn kennis & besturingssysteem ervan, plus daarbij: waar ben ik? Wat is vanzelfsprekend & waar kan ik experimenteren met waar ik de onderdelen naar toe laat gaan?
Tegelijkertijd: waarom ga ik daar over nadenken? Misschien een vraagteken te veel, maar mijn gedachten daarover tezelfdertijd, tezelfdertijd, tezelfdertijd  (met een kleine, maar behoorlijke vertraging evengoed), als in dat niet alles op ’tzelfde moment bedacht wordt, we zijn geen goden immers, al wil je dat in een diep punt van je gedachten wel zijn, je dat vooral afvragen evengoed, evengoed, als een nieuw kunstje opnieuw, om een vertraging van belevenissen in ’t hoofd te veroorzaken.

Een kernpunt bereiken. De roos, waar de kernbom explodeert & de oplossing ontsnapt, maar ook verluchtigt, zodat ’t misschien wel opnieuw wellicht samen te voegen valt. Uit snippers. Kleine samenvoegende verspleiterend geminimaliseerde zandkorrels aan een nieuwe kust, een nieuwe alp met ververste sneeuw net zo.

Mijn fantasie zegt nog niet: tot nieuw leven samenvoegt; maar de bedenksels, de geboekte samenvoegingen in gestaafde letters, dat wat was, straks weer een is is. Omdat ’t in de lucht is blijven hangen, in aaps, in beers, in knoppergals, in vlinderstruiks, in schildluis & alles wat z’n naam weer, waarschijnlijk z’n nieuwe naam weer moet gaan verdienen. Bij ontmoeting met wellicht nieuwe spraak.
Maar onverstaanbaar voorlopig, een nieuwe weg ingeslagen geworden moet worden, tot een nieuw verleden, een gehervormde vorm van elkaar becommuniceren.

God, dat gaat lang duren in Zijperspace.

Diepzinken

Ze durven ’t me zelden te melden, maar ik weet al jaren dat ik drink. In een brouwerij werken, dat op een gegeven moment samen laten gaan met een bierwinkelbaan: daar plakt drankgebruik aan.
Meestal hoef je je niet te verontschuldigen dan. De klant heeft grotendeels meer gedronken aan ’t eind van de avond.
& Je moet nog eten, een maaltijd binnen krijgen, bereiden meestal ook daarvoor. ’t Niet slecht voelen zien wegtoveren tot enigszins positief. De nuchterheid hervoelen, tegelijkertijd ’t nagesprek, ‘nazitten’ heette dat, ook terug ‘her’toveren, van wat fout was gegaan in mijn gedrag, in andermans optiek, wat in de toekomst beter kon.

Diep zinken in commentaar over mij. Er was zoveel wat er met mij mis was. Waar ik moest verbeteren.

Maar ik slokte mijn biertjes na afsluiting, als elke dag dezelfde promillage, & at mijn maaltijd vlak na 10-en thuis.

De opsodemieters ben ik nooit vergeten. ’t Zwiepen op m’n rug. Hoewel ik prima op kon schieten met hun, maar altijd kregen zij ’t voor elkaar ’t recht om mij te verwijten aan hun kant te krijgen.
Waar ik geen weerkracht had, geen echo-verwijt wilde plaatsen.

We waren 1st met 5. Later 6, 7, op een gegeven moment zelfs 10. De meewind noch tegenwind werd er minder om.
Slechts een enkele meedenker, een vrijdenker, een schouder-aan-schouder houdend tijdens muziekgenoegens, een concert.
Teer.
Of teer, zonder hoofdletter, dat klinkt beter.
’t Ongemak voelen dat je normaliter niet met mannen deze gevoelens met een arm om de schouder deelt, normaliter, normaliterwijs. Dat dat zomaar kan, net zoveel bier opdrinken kan. Elkanders gelijk.

Dan schouder aan schouder staan, tijdens een concert. Gelijkgevoelens, bier aan wederzijdse handen. Carnavalesk lag ver van ons vandaan. Een zeldzaam veilig voelen, met evengoed treurigwekkende teksten, een stilte, een moment van slechts 2 of 3 minuten, wie zal me dat kunnen navertellen.
Een zang van stil. Hoog kwelend, maar de rest was stil
Een Boem, een klaar, we hadden ’t samen meegemaakt & m’n collega’s, hoe lief ook, hadden geen recht meer om mij ook maar iets te verwijten.
Hoewel ik ’t de volgende dag vroeg al was vergeten.

Een omhelzing voor hun evengoed vanuit Zijperspace.

Simpel

Laat ’t eenvoudig zijn, dit bericht. Deze tekst eigenlijk, immers niet een schrijven uit een zogenaamd koninkrijk.
Laat ’t zijn wat ’t is.

Dat ik mensen niet na-wuif; gedag zeggen voldoet. Ik hoor ’t gritten van ’t grindpad al lang voordat ze op fiets of lopend bij mij aangekomen zijn. Hun fiets- of voetsporen over ’t me tegemoetkomend pad als een voorspelling van de ontmoeting blootleggend.
Ik probeer dan mijn lezen te plannen. Een zin tot aan de punt af te maken. Zodat mijn hoofd zich opheft in volle bereidheid niet een kluizenaar op deze bank te zijn.
Een glimlach, een hallo of hai, al naar gelang mij de ontmoeting of behoefte aan variatie mij ingeeft.
Leeftijd heeft er soms ook wel mee te maken, of de manier waarop ik denk dat iemand zich afsluit voor de ‘Dag’-communicatie van niet alleen te zijn, want we weten beiden dat er meerdere mensheden hier aanwezig zijn.

’t Niet-alleen-te-zijn is wellicht wat overdreven. Want passerend over dit pad, deze route, betekent immers dat je ervoor gekozen hebt. ’t Zitten erlangs, op een bankje net zo goed.
Maar ik kan niet zwijgen, negeren van andermans voorbijgang. Tenzij een volkomen van mij wegziende blik.

Dan moet ’t wel te maken hebben met 2 opgevulde oren met muziek of een podcast, een hond of paard die aandacht nodig heeft, of voor hun de aanblik van een agressief of lelijk pokdalig gezicht dat ik zeker weten niet uitstraal.

Ik heb ergens geleerd tijdens mijn jeugd, toen Den Helder nog een dorpse volume had, de van der Hamstraat daar de kleine buurtuitvoering van was, met om de hoek reddingsheldenmonumenten, onze buurman een laatste loot ervan, dat je vooral altijd elkaar moest groeten.
Gedag als in ‘goedendag’. Toen ‘Hai’ nog niet bestond, maar ‘G’morgen’ wel. Je van je moeder belletjetrek bij de gepensioneerde vissermanbuurman mocht doen om hem een gebakken schol te leveren. De vuilnismannen een bak koffie kregen geserveerd, die ze met 1 voet tegen de muur tussen buur & ons kwamen genieten. M’n moeder om de hoek van de deur informerend of er nog een koekje bij moest worden geserveerd.
‘O, dankuwel, mevrouwtje.’
Waarop ons kinders een aai over de bol kregen van de vuilnismannen die ’t dichtst bij onze deur stonden. De zon stralend, de koffie geurend, de verhalen van vissen & vuilnisbakken over & weer gaand. Volgende week zou er een kleine voorraad vis voor hun klaarstaan, zie buurman.

Waarna wij, of anders 1 van de broers, een zakje, een bordje, een zoetigheidje, langs moesten brengen bij hiernaast. We vervolgens aan hun tafel moesten zitten. Wie weet kregen we 7-up, of was dat nog te vroeg in de tijd van mijn herinnering & was ’t limonade met water. & Wisten we, ook al was je daar hooguit met 1 broer, dat we dankuwel na afloop moesten zeggen.
’t Glas niet half leeg moesten laten staan.

’t Zou immers meer gratis vis vers van de havenveiling opleveren. Een aai over de kop van buurman, een gratis oppasbeurt van buuv, een grijns vooral, een lik op onze snuit van hond Itam tegelijk, bij elke lik een onmogelijkheid z’n naam te vergeten. & Vooral dat weet ik me ’t best.

Een lange tong die verhaaltjes afrondt in Zijperspace.

Puntloos

Zit ik hier met 1 vingertoploze handschoen, in de laatzomer, juist aan de hand die geen last heeft van ‘verkoeling’, slechte doorbloeding, oudemanskwaalverstoring, Raynaud, wtf de naam van de man was die dat alles verklaarbaar heeft gemaakt.
Maar oplossing: nee.

De vingertoploze handschoen weg. Met vergetelijkheid overal in mijn huis wezen zoeken, zoals te doen gebruikelijk als iets dierbaars kwijt, de vergetelheid (positief klinkend zusje van voorstaande) weer eens onwelkom omarmd, de angst dat de wereld niet kan bestaan zonder ’t mogelijk geleden verlies.
De Winter, koning van de kou, nog niet eens begonnen.

Ik troost die trieste vinger rechterkant met een wrijfsessie van 5 seconden.
Een noodzakelijk gebruik evengoed van hem laten, laten in zijn lot, nog een keer, met verdenkeringen, zodat de warmtesessies nog wat langer kunnen duren. Ik in mezelf kan treden, de materie los, de bedroefdheid, of zorgzaamheid, om ’t verlies van (werkelijk) contact.

Denk onderwijl aan m’n fysio waar ik goede gespreksessies mee had. Zij mijn zorgen goeddeels wegwreef. We de taal leerden kennen (zij waarschijnlijk al meermaals gelauwerd daarvoor) van handen tegen lijf, & daar over onbekommerd praten.
Want ook dat was genezing van waar ik mogelijk aan leed.
Mijn Raynaud evengoed nooit met haar besproken. Je moet niet alles aan fysio’s voorleggen. Er dient een hoofddoel bepaald zijn, waar mogelijk resultaat geboekt kan worden.
Zij was daar logischerwijs leidend in. Mijn kreunen, soms steunen, waren na gezamenlijk overleg de afslagen die wellicht genomen moesten worden.

Evengoed zit daar veel geheugen in. Die vinger, bepaalt best een groot deel van wat ik denk meegemaakt te hebben. Neem voornoemde fysio: ze wist meer over mijn vriendin dan dat vriendin zich besefte. Wat ze zelf deed. Die laatste dan. Waar dat toe ging leiden.
Lang verhaal, voor een deel elders beschreven.

Maar wat m’n hele lichaam, ’t hele zootje, momenteel doet, kan fysio niet meer herstellen. Haar praktijk is opgeheven, zeg maar verbannen door een grijpgrage huurbaas. Maar ik heb met haar te doen omdat haar handen me in de ondertussen toenmaals moe leken. De botten plus de vellen op haar handen.

Mijzelf onderwijl proberen samen te rapen, in bunkers schuilen, botten strekken, boeken lezen, woorden in brein laten cirkelen. ’t Systeem zien te vertragen.
Mijzelf verdichten. Zien waar een punt moet staan.

Open zijn in Zijperspace gelijkertijd.

Kleinst

Ik heb mezelf ooit bedacht dat ik ’t kleinste moest kunnen omschrijven. Hoe je aan je schoenveter pulkt omdat de knoop op slot zit. Dat je kriebel aan je gat hebt, & dat zorgvuldig moet verwoorden. Of geloven in god of anders niet, zonder meneer/mevrouw Andermans te kwetsen.
Dat laatste lijkt groot, maar is net zo klein. Als jeuk, verwondering, een wereld van wat plotseling groeien kan.

Dus gooi ik m’n hoofd in de nek, in een poging verder te denken, van de starheid af te komen van wat zich daar gevestigd heeft. & In ’t moment dat ik daar hang, op ’t verste punt, ’t achterste puntje van m’n hoofd zelfs, raakt bijna nek, gaat ’t zoemen, gaan mijn ogen automatisch sluiten. Gaat een lichtje schijnen. Een flinkering van flikkering. Een stoer opflitsen.

Op niets af overigens, evengoed een soort van genoegen om daar even te zijn. De jeuk er even af. De lampjes, als kerstboomverlichting, die even schijnen, plots een kortsluiting als bij m’n ouderlijk huis & we om beurten de lichtjes aan & uit draaiden. Zoektocht van waar de energie niet goed doorgegeven werd.

Geen boodschap, maar ’t er even zijn, dat van niets zijn. Een kriebel, een verwijderde jeuk (O, had ik jeuk? Alsof dat is weggeweest & prompt weer aanwezig wil zijn), een tijdelijk secondeloos weg. De lichten uit. Een stil.

M’n vader tastend waar de juiste stekker in ’t juiste stopcontact zat.
Allemaal in ’tzelfde moment. Dat je droomt van licht, je favoriete kindervoorstelling op beeldscherm & je bovendien een recordprestatie hebt afgeleverd waar Pap & Mam nu ff geen tijd voor hebben, want er was belangrijker nieuws op zwartwitscherm te volgen dat nu blijkbaar niet meer dan bliepbliepbliep deed.

Dus in plaats van ’s ochtends m’n veters aanstrikken, volgens instructie van Pa dan wel Ma, kreeg ik de opdracht me tot onderbroek uit te kleden. Vervroegd naar bed. De wereld van niet werkend zwartwit-beeld achter me te laten. De kinderwijsjes van bedtijd ’s avonds er te vroeg op volgend.
& Hun kaarslicht met elkander te laten.

Wij stapelbed. Slechts zorgvuldig gefluister. Van onhoorbaar & te veel vergeetbaar.

Soms is alles voorbij in Zijperspace.

Sprokkel

Ik sprokkel de woorden voordat ik ze schrijf. Ik moet spaarzaam zijn, ze moeten klinken in helder- & zuinigheid. De juiste brandblokken die zuurstof gulzig ademen.

Lang niet altijd natuurlijk. Meestal te gretig om wat woorden te laten klinken. Straten met een paar zinnen te betegelen, onbeteugeld, terwijl beteerde paden tegenwoordig auto’s laten zoeven & hun banden tot zoveel mogelijk zwijgzaamheid dwingt.
Zodat ’t niet als erg klinkt. Ruikt. Of ademt. De keel beklemt.
Nooit gelukt overigens; weinig toekomst daar. Veel van ander verlies tegelijk net zo.

Ik had als ridder in geharnast uniform op zandvlak ’t 1e toernooi verloren. Als vervangend schildknaap hadden ze mij per ongeluk met lans geraakt.
Me als heks of anderszins verwerpelijk geradbraakt. Als ik daar was geweest natuurlijk.

Maar ik sprokkel de warmte, houtblokken zouden ze dat noemen toen. Een bezoek in ’t woud waar de afgezonderden leefden. Dat er geen behoefte aan begrijpen was, maar meer een aanwezig zijn.
Een houtvuur, je eigen bijdrage, een homp vlees, wat gesprokkeld kruid, blad,  knekels & kruidsels, wat ’t land maar voortbracht, alles zonder commentaar.

Daar verzamel ik brokken hout, ook versteende woorden, die langs de vuurkring warmte kunnen vasthouden. Waar je jezelf beschrijft. & De rook zorgt dat ’t nog langer in de lucht blijft, de adem wellicht verdrijft, tot zolang de woordengolf stroomt.

Voor zoet slapen gaan in Zijperspace.

Bevreemdend

’t Is soms raar, te merken hoeveel mensen ik kan zijn. Enerverend, alom gewaardeerd, lief, zorgzaam voor vreemden & dan opeens ook niet begrepen. Waar dat laatste alle kanten op kan schieten.
Waar ik dan soms hekel proef. Mijn gedrag benijden. Onbegrijpbaarheid. Aan de ander ongemerkt voorbij kan gaan. Een diep in de put. ’t Willen beteugelen van binnen cirkeltjes van wie ik te veel extra ben.

Dan denk ik tegelijkertijd: wie schrijft dat nou op? Waarom laten merken dat je dit soort dingen denkt?
Wat is Zijperspace nou meer dan een louterende uitlaatklep, waar je eigenlijk je persoonlijkheid niet aan op kan hangen: sommige zinnen bij elkaar geschraapt. Vaak wetend dat tegenwoordig slechts een enkeling leest. Dit leest.

Een burbel, een prots, nog wat andere onbetekenende uitdrukkingen. Gefrummel met woorden plus een kneden om ’t te laten voegen, opgevuld met snel voegende specie, zodat alles lijkt te rijmen maar ook weer niet.
Waar alles me tegelijkertijd in de steek laat, hoe wondermooi mijn woorden me ook doen mogen klinken in de middernacht, maar alles straks gaat verzinken in eendenkroos, woest groen, daaronder diep dalend, de zuurstof afsluitend.
Me water happend, in spiegelbeeld kijkend, verwonderd van, hoe zeg je dat, misschien ben ik daar ook?

Nee, daar ben ik straks niet. Hooguit doe ik nog wat toetsenbordtoetsjes, toetjes, een laatste aanraking doen gevoelen. Als vla, de grootste verwenning, van jeugdig fijn 7 jaar oud geel genot.
Je voelde geel. Je proefde geel.
& Ik wist, tenzij straf & ’t moest missen: voorlopig is alles goed.

Vandaag is alles bevreemdend goed in Zijperspace, fijn samenzijn, net niet dronken zijn.

Blubblubblub

M’n 3e coach, inmiddels, is geen witte nederlander. Haar haar is bedekt & zo zou ik nog wat stereotypen aan kunnen dragen. & Ze is veel kleiner dan al die vrouwen die ik normaal tegen kom.
Zoals bijv haar 2 voorgangers. Waar ik ’t ook goed mee kon vinden.
Wat allemaal niet belangrijk is; zo heb ik me vanaf begin af aan, bij wisseling van elkanders wacht, op proberen in te stellen. Je neemt ’t je vanzelf kwalijk dat je die gedachte te binnen hebt laten schieten.
Niet nodig.

Gelukkig allemaal vrouwen, dat dus, op m’n beantwoord verzoek. Ik zou niet weten hoe ik met mannen moet communiceren als ik moet opblurpen wat er met me aan de hand is. Waar de kronkels zijn, wat ik begrijp, maar vooral waar de nood van begrip is & we die blurpsels, onoplosbaar voor mij uiteindelijk, beter, enigszins, weg kunnen strepen. Opburpsen & los van zijn, vervloeit in beheersbare kanalen.

& Bij mannen gaat dat moeilijk. Slechts streepje voor streepje, soms puntje voor puntje. Enkele keer een volledige zin, zonder dat ’t afgebroken wordt.
We communiceren meestal niet fijn. Andere man & ik, vergeleken met…
Waar alles vaak vloeiend gaat. Meestal. Een vrouw naast mij, met, mezelf niet beseffend, misschien, een half luisterend oor.

Maar als zij luisteren, leer ik dat ook opnieuw. Een blik in m’n ogen doet me beseffen dat ik, plots, niet alleen ben op aard. Keer ik een kort moment in mezelf & leer ik voor een volgend kort moment hun antwoord op een inmiddels vergeten opmerking te spiegelen.

Waar ik een hekel heb aan dat laatste woord. Alsof we kunnen spiegelen. We mogelijk een heelheid zijn, een soortement vanzelfsprekendheid van samenvloeiende eenheid.
Te vaak heb ik me op dat moment van smekende verliefdheid vergist.

Evengoed ben ik onverbeterbaar. Dezelfde vergissingen elke keer, herhalingen op steeds de melodie die me van jongs af is gaan achtervolgen, dezelfde etcetera’s. Moerassen zijn ’t, van blubblubblub. Terwijl je dat niet kan voetstaven zolang je geen poging hebt gedaan jezelf er in zuigende stand uit hebt weten te trekken. Bespat in onmeetbaar veelvoud, volledig bedekt, een gigantische hoeveelheid van weerkaatsende modderige aarde, niets van je lichaam ontziend, onbedekt, vervuldigd in omvang, niet meer mezelf, hoe graag ook van anders.
Als een vloedgolf.

Dus mocht je me horen spreken, met dat alles van hierboven, bedenken van een misschien wel treurig tekort aan aandacht…

Klem neus dicht, linkerarm omhoog, laat zwierend dalen & zink mee in je mogelijk eigen lekkend Zijperspace.

Godsdienstkunde

Ik wist zeker dat ik theologie ging studeren. Godsdienstwetenschap was rete-interessant. Want ik had alle griekse & romeinse sagen & legenden gelezen, was regelmatig in de noorse godenwereld te vinden, m’n neus diep gegraven in wat er nog van overgeleverd was & ging ervan uit dat theologie niet alleen ’t christelijke hoefde te behelzen.

M’n ouders vonden ’t ietwat mal, maar ik dacht: waarom niet?
Of er nou in Christus werd geloofd of dat er volkeren hadden bestaan die niets anders wisten dan een ‘meergodendom’? De romeinen jatten goden van volkeren die ze overwonnen hadden; hun voorgangers, de grieken, deden leentjebuur bij hun nabijgelegen steden, dan wel eilanden. Hun vertellingen & sagen vervormden & hun goden groeiden mee.

‘Dat is toch theologie?’ zei ik tegen m’n ouders.
Zij geloofden echter in 1 god. Die had zich lang geleden RK laten dopen. M’n ouders evenzo.
Maar ze hadden geloof ik evengoed respect voor bepaalde vormen van protestantisme, hoewel hun belijdenissen hun tegenstond. Omroep EO ook.

Ik geloofde niet. Dat was niet al te lang na m’n vormsel. Die kreeg je kado als je in de 3e klas terecht was gekomen op de Alfons Ariënsschool. Dat leverde mij dan een kinderbijbel op. Dus had ik er vanaf toen 2 versies van, want broer Carel had er geen belangstelling voor.

Naast de stoel van m’n manke opa nam ik zijn 24-delige encyclopedie door, op zoek naar Freya, Zeus, Donar plus alles wat in de verschillende lemma’s verwijzingen als toegift gaf.
Zittend aan zijn kapotte knie stelde ik soms vragen. Wie die god was? Hoe lang hij had geleefd? Wanneer?
Maar Opa was meer geïnteresseerd in z’n sigaar & een spaarzame conversatie met m’n ouders. Hoewel hij af & toe een tik met z’n wandelstok op m’n heup gaf. Want hij moest z’n sigaar toch kunnen aftikken op de asbak.
Ik moest soms uitkijken als z’n stok niet al te hoog geheven werd. Maar m’n vader hield ‘m in de gaten. Gewend inmiddels aan zijn onvoorspelbaarheden.
‘Hé Pa,’ was genoeg.
De manke man weer op z’n frustraties gewezen.

Maar dan moest ik zondagochtend knielen op de opgehoogde planken voor ons, want vanaf daar werd ’t gebed verlangd.
Ik, m’n broers evenmin, konden weigeren. Een bijna ritueel zetje van Pa of Moe, al naargelang je plaats in de rij van de familie Zijp was. Ze konden er samen 4 van de 6 behapstukken. De oudsten hadden ’t minst te lijden onder de RK-foltering. Zij hadden dit al eerder doorstaan, mochten op een gegeven moment zelfs achteraan de kerk gaan zitten. Controleloos. Godloos. De kerk meestal verlaten nadat ze schijnheilig de hostie hadden ontvangen. Een ‘schuldig’ knikje naar m’n ouders in ’t voorbijgaan. Soms ook niet. Een ietwat te haastig schuifelend richting pastoor & dan naar de buitense vrijheid.
Ze wisten dat de sluipweg nu open lag. Een kwartiertje extra, terwijl wij nog enkele gezangen moesten doorkomen, dromend ondertussen dat we ooit net zo oud zouden zijn, waar we plots konden verdwijnen, zelfs terwijl Pa de 1e lezing deed, ’t maatje van de pastoor.

Die griekse & romeinse goden nooit vergeten, hun verlangen naar hun wereld evenmin. Maar jammer dat ik er op een gegeven moment achter kwam dat de studie theologie daar niet in onderwees.

Zweeds werd uiteindelijk een doorgang voor ’t godendom tot Zijperspace.

Dagafsluit

De neiging om me op te sluiten wordt sterker. Ik moet niets hebben van regen, noch van te veel aan zon. Alles moet middelmatig zijn, of anders minstens dragelijk om me te vervoeren naar een plek van schaduw & een betrekkelijk dak van bladeren om de spetters (de zon ook) uit te stellen.
De zomer zo’n beetje voorbij & ik zie dus al een ander bezwaar. Buienradar & soortgelijks helpen niet. Ik weet dan te veel. Zie vooruitzichten. Denk na & plan korte uitstapjes als bijv een supermarkt.

Tegelijkertijd van de week de opmerking gekregen: ‘Ja, je gaat niet zomaar in de winter in een park een boek zitten lezen.’
Waarop ik dacht: ‘Juist wel.’
Dik ingepakt, bank met uitzicht op zon. Van dat soort dagen, waarbij alle gereedschappen om de temperatuur te verdragen geoorloofd zijn. M’n hoofd zich moet concentreren om daar te zijn waar ik wil zijn.
Op bank. In boek. Redelijk warm.

Maar mensen die wintervakanties naar ’t noorden maken snap ik nog steeds niet. Evenmin de zomershete varianten daarop.

God, die zogenaamde, heeft de wereld verkeerd ontworpen. Waarschijnlijk klagen ze op andere planeten, waar ook in ’t universum anders dan die van ons zonnestelsel, daar ook over: die onregelmatigheid; onvoorspelbaarheid ook.
Ik zou bijna zeggen: de wereld is kut, ’t gehele universum waarschijnlijk ook. Want niets is constant waar.

Maar tegelijkertijd weet ik dat er nou eenmaal variatie moet zijn.
Van leven, van zonneschijn, van druppels, van klaarlichte dag, & nachten die tot dromen dwingen. Leidend tot zelfreflectie, behoefte aan seks, knuffelsessies omdat ’t allemaal weer te veel geweest is, stilte in jezelf, gepraat, geklets, jezelf in de steek gelaten & daarna bevrijd, zoals ook de bomen, beestjes & vrij vliegende vogels zich soms wel zullen voelen. Misschien wel altijd.
& Daar naar streven. Ook al weten dat ’t vergeefs is. Want aan alles een eind.
Maar zo dapper dat voornemen. Noodzakelijk misschien.

Denkt Zijperspace.