Daarnet m’n 2 jaar jongere broer gesproken, tevens in Frankrijk tegenwoordig. Soms voor werkzaamheden terug naar Den Helder.
Daarnaast vanochtend contact gehad met Tineke, terwijl ik de laatste noodzakelijke pillen voor een kleine week aldaar op een onmogelijk tijdstip te pakken moest zien te krijgen. Uiteindelijk zelf de weg gevonden waar 1st een doolhof was in de zorgsector van op 2e Kerstdag medicijnenleverantie. Maar vooral in m’n hoofd, ’t speelde vooral weer in m’n hoofd.
Waar soms onverwacht ’t zicht op de weg zich weer laat herpakken.
Daarbij gedacht aan m’n oudste broer, tussendoor de regels van wat me niet nog meer stress zou geven, waarom hij niet de dingen kan oplossen die allang afgesloten zouden moeten zijn.
Me voorbereidend op vertrek richting Frankrijk. Waar je blij naar uit moet zien, de neus niet voor moet ophalen, de angst als vanzelfsprekend gepareerd dient te worden, ook al hebben we vorig jaar onderweg 19 auto’s langs de weg verongelukt zien staan, gekanteld, over de kop, half in de berm, meermaals op elkaar, gelukkig aan de kant, of onderweg weggesleept te worden.
Ik hou derhalve de weersverwachtingen in de gaten, maar weet tegelijkertijd dat je dat niet als vanzelf 2 maal op een rij gebeurt.
Ik wacht op Tineke, wacht op slaap, wacht tot de maaltijden, mijn beperkte maaltijden zodat ik mijn verblijf aldaar overleef (iets te theatraal, maar men wil de auto immers niet naar iets gaat ruiken dat niet op te houden was), diepgevroren, klaar voor vervoer zullen zijn. Een rantsoen in houdbare wording.
’t Is tegelijkertijd geen zielig zijn; meer een bezorgd zijn dat anderen geen last hebben van.
Evengoed dat de een vooral niet de mogelijkheid overkomt een ander te ruiken, zodat jij op 1 of andere manier wat duidelijker aanwezig bent.
Dat is een nachtmerrie. Behoed mij.
’t Gaat niet zover komen, want zover is nog niet geweest. & Men is voorbereid, als ik. Maar dan net iets minder.
Maar ’t is vooral, vooral, de twijfelachtige vooral, dat ik, hoewel we als ik daar ben met z’n 4 mensen plus 2 kalme vuurwerkloze honden zullen zijn, m’n weg weer zal moeten zoeken. De paden die mij al bekend zijn vertrouwd moet laten maken, bij de stap, de stap, de stap daarop. Dat ’t zich herhaalt, zoals een berg op dat doet, omdat ’t meer moeite kost zoals in ons platte land dat gevoelen doet. Ik wil nieuwe wegen bewonderen, díe die ik nog niet eerder gevonden had, maar wel weet van had, een omloop maken, een rondje, waardoor de staart zichzelf kan bijten.
Mezelf wil bijten, zoals een hond z’n plotse jeuk aldaar. Een genoegzaam voelen dat ik weer iets, dankzij de hond(en), heb volbracht.
Er in Zijperspace is nagedacht.