Ik ben, weliswaar slechts daadwerkelijk in m’n jeugd, tot ik niet meer gratis met een ov-studentenkaart van A’dam naar Den Helder kon reizen niet meer officieel, evengoed altijd een bibliothecaris geweest.
Om die reden: ik betrapte me daarnet er op dat ik een rijtje boeken over insecten, m’n zondervingershandschoenen lichtelijk ongemakkelijk in de weg tussen de bovenstaande plank & ’t rijtje eronder vanaf de vaste lijn (’t was de kleinste afstandsformaatstand, als in efficiënt gebruik van een boekenkast: kleine boekjes bij elkaar gesorteerd met nog net de mogelijkheid om m’n dunste vinger er tussen te kunnen pielen voor tot beschikbaarheid van ’t boek(je)).
Ik ben de zinsvolgorde van wat ik wil zeggen inmiddels kwijt, merk ik nu.
Mijn vingerloze handschoentjes (’t is koud hier wegens pogingen vooral geen energie te verspillen vanwege de mijns inziens noodzakelijke zorgzaamheid mbt klimaatverandering) maakten ’t me praktisch onmogelijk om binnen de krappe ruimte boven de minuscule boekjes weer op een bibliothecair verantwoordelijke manier op 1 lijn te zetten. Strak aan ’t randje van de plank. Zoals een man een stropdas draagt die niet scheef hangt, laat staan zich door zijn vrouw een verkeerde knoop heeft laten strikken. Waar vroeger mijn moeder daar zorg voor droeg in geval mijn vader, maar dat tegenwoordig geen vanzelfsprekende rolverdeling meer is.
Gelukkig maar.
Nu heb ik geen stropdas, want die heb ik, tenzij ik tot directeur was gepromoveerd van de Openbare (Helderse) Bibliotheek (incl alle filialen), nooit nodig gehad. Laat staan achter de bar (ik laat, hoewel kort, de lijst van die carrière hier achterwege, ook al is mijn leven daar op een mijns inziens prettige manier door getekend).
Men ziet: ik raak makkelijk afgeleid, vandaar mijn behoefte aan overzicht. Weten waar mijn boeken zijn is een grote behoefte. Al kijk ik er, naar hun afzonderlijk, jaren niet naar.
Meer als afzonderlijke persoonlijkheden.
Ze moeten daarnaast binnen overzichtelijk handbereik zijn. Zeker als ’t over insecten gaat (of andere natuur, hoewel minder belangrijk, tenzij, in ander geval: bomen). ’t Is een gemeenschappelijk gevormde encyclopedie, mijn boekenkasten. 1tje Die ik weliswaar ook online zal kunnen vinden, maar dan heb ik de mooie plaatjes niet. Vaak ook niet de uitvoerige uitweidingen.
Daarnaast durf ik de nachtmerrie niet aan als plots de stroom uitvalt, of iets anders wat onoverzichtelijkheid tot gevolg kan hebben. Wat vast ooit eens gaat gebeuren.
’t Is inmiddels lang geleden, maar ik heb ’t eens minstens 2 weken zonder internet moeten doen. & Toen was online aanwezigheid al heel gewoon. De smartphone moest echter nog z’n intrede doen. Maar dat maakte ’t leed, de verveling, de noodzakelijkheid aan boeken, er niet minder om.
Ik was bij de boekenkast gebleven. Mijn vingers teder de kleinste insectenboeken dwingend terug te treden tot een fatsoenlijk rechte rij van kaften. Zoals ze dan mooi kunnen schijnen van nog verborgen inhoud. Hun alomtegenwoordigheid, wat boeken in al hun vulling, hun woorden & eventuele illustraties (best belangrijk als ’t insecten of andersoortige natuurverschijnselen betreft) zo zinvol maakt. Bewonderenswaardig, in veelvuldigheid, in de reproductie van een door mens gecreëerde afbeelding (liefst in tekening; foto’s halen die perfectie in deze categorie nog steeds niet, zijn slechts een beperkte poging tot ’t vangen van de daadwerkelijke essentie).
Zo wreef ik over de voorkant van de omhulsels van de boeken. De kaften, of eigenlijk de ruggen van de boekenkaft. Hun buitenruggenkant. Waar ze ’t meestal van moeten hebben willen ze de aandacht trekken vooraleer ze verkocht worden in de boekhandel. Een zeer beperkt resumé van wat er van binnen te zien is. Een vlinder bijv, in mijn geval van deze boekenkast, een zweefvlieg, soms een bloem van waar zij toe aangetrokken voelen, zelden een wants, wat eigenlijk mijn voorkeur heeft, of anders slechts soms de diverse vormen waarop galwespen zich kunnen voordoen.
Ik tikte de boeken recht, m’n zondervingerhandschoenen trokken ze met de onderkant ‘schoen’ eigenwijs weer uit de lijn van bibliotheekfatsoen. ’t Lag vooral aan de achterkant van die handschoentjes, als ik m’n handen na correctiewerkzaamheden weer terugtrok. & Tegen beter weten bleef ik doorgaan.
Ik deed me daardoor m’n boeken beseffen, me intern te maken. De plaatjes van binnen zonder aanschouwen beschouwen. De schoonheid, diversiteit, de onnoemelijkheid, de bijna onwezenlijkheid als je dat allemaal zou moeten onthouden.
& Dat staat daar zomaar in m’n kast. Van wat ik in al hun geletterdheid van beschrijvingen, hun tekeningen, me waarschijnlijk nooit meer zal kunnen beseffen. Ik heb daar gewoon geen tijd meer voor.
Maar de boekenkast gloort mooi. ’t Staat er weer schoon bij.
Of wesp, gal, zweefvlieg, in Zijperspace.