Economie

Ik heb mezelf overleefd, denk ik ondertussen. Hoewel burn-out, maar zonder wroeging jegens wie dan ook (naast lastige klanten aan de bar).
Ik was een beproeving, denk ik tegelijkertijd over mijn diverse perioden, maar daarnaast kan ’t heel fijn zijn mij te ontmoeten.
Er fleurt soms wat. Zo kan ’t zijn, als men er voor open staat.

Als in beproevingswijs:
Hoe je een etterige windbuil kan zijn & daarnaar streeft ook.
Maar dat dat een manier van overleven is tegelijkertijd. Je bent jong tenslotte: de achteraffe verklaring.
Je intelligent voordoen, zo goed als mogelijk; je niet wil conformeren ook aan ’t regime (waar Fred, m’n docent, heel erg aan was gehecht)…

Ik was tegen regime. Fred was voor.
Ik was voor vingeropsteken, vooral omdat ik vaak naar de wc moest.
Fred was tegen.
Tegen mijn vingeropsteken, tegen mijn aandacht. Trekken. Laten weten dat hij daar was.
Ik hier.

Fred wilde mijn huiswerk zien.
Ik zei: ‘Ok, Fred!’
Fred zei: ‘Meneeer Dinkla!’
Ik zei: ‘Ok, Fred!’

‘Sodemieter maar op!’

Dat was de witregel. Tussendoor bestond niets.

& Dat was tegelijkertijd een herhalende opdracht. Gebeurde nagenoeg elke les.
’t Werd een sport, ’t was een sport: zo kort mogelijk aanwezig zijn tijdens de lessen. Af & toe een ontmoeting te hebben met de conrector met de vraag waarom.
Wat niet uit te leggen was.

Fred was Fred.
Ton was Ton.
& ‘Sodemieter maar op’ klonk als een overwinning.

Daar zat ik dan, Geel Beneden, zoals dat heette, soms bij Blauw op 1-hoog, waar de leerlingenblaadjes werden geschreven.

Ik ben moe. Genoeg van onverschilligheden, discussies, gebrek aan begrip.
Fred was leuk.
Hij begreep me niet.
Ik was op jonge leeftijd op zoek naar duel. Speels. Zoals, zoals, zoals…
Niet gehoorzamend aan enigszins bevel, dat vooral. Maar Fred dacht dat bevel zou helpen mij beter te laten leren.

Ik wilde alleen maar zo snel mogelijk ’t klaslokaal uit.
Verder met mijn boeken. Lezen, daadwerkelijk lezen.

Tegelijkertijd zo min mogelijk weten van wat voor handel of economie dan ook in Zijperspace.

De benodigdheden

Levenslucht bijvoorbeeld.
Een Scheidegger typediploma.
Alcohol. De late avond erop volgend.
Gordijnen bijna dicht.
Een moeder, ook al is ze dood.
De vader erbovenop, nog iets eerder, nog iets strenger toen hij nog was wat hij was.
Later niet meer.

Bier. Een pil als voorafje. Tot enigszins welgevallen tegenwoordig. Wist ik veel wat kwaad kon.

De uweetweltjes van beschaamdheden, de klap op de bips, de verwijtende blik van m’n moeder vooral, want daarnaast besta je niet tenslotte.
(On-)overkomelijkheden, want anders heeft dit zeker ook geen recht van bestaan. Is de mens z’n natuurlijkheid kwijt.
Fouten zijn noodzakelijk.

Ik zit gevangen, net als gij. In die tussen de komma’s.

De daaropvolgende fouten, in enige mate, in dat wat niet gebeurd was. Slechts soms wel.
Ik neem ’t u niet kwalijk, want dat bezorgt mij ongenuanceerde zweepstriemen, hoewel aantrekkelijk romeins zoals we dat nu uit series weten, ik uit des boeks, soms op mijn rug, maar dat slechts zo als ingebeeld voelend.
Om ’t beter te beleven.

Gevangen ook in wat slopend was, vanaf de 1e liefde tot aan m’n besluit om alleen te blijven. Voortaan.
Dat laatste geldt niet voor u. Ik spreek voor mezelf. Maar gevangen, net als gij. De mij.

Laten we de lijst niet vergeten, ook al komt er waarschijnlijk geen eind aan, vast niet op tijd in ieder geval.

Ik doe ’t zonder vriendinnen, die ik altijd heb gekoesterd, in zover hun houdbaarheidsdatum of anders vooral mijn THT ’t vol hielt.
Verder groot gegroeid in bier, dan heb je de neiging uiteindelijk in dergelijke termen van houdbaar te spreken.

Maar m’n boeken, liefst niet digitaal; ze hebben me doorboord & zichzelf eigen gemaakt van mijn beleving, mijn dagelijks zijn.

Dat is de kleine samenvatting van mijn benodigdheden. Dat wat essentieel straks is. Niet al te veel meer dan dat.
De zin zonder de komma, hoe graag ik die laatste ook gebruik. Maar dat de niks zich laat overspelen. Waar de niets is wat ik bereiken wil.

Er te veel witregels zijn in Zijperspace.

Stommigheden

Je niet kunnen voorstellen ooit nog te kunnen schrijven. Daar begon ’t mee. Wat natuurlijk eindigheid blijkt, de mogelijkheid ervan. De lippen opeen geklemd straks, ’t toetsenbord slechts gebruikend om te kopiëren, de steeds tragere herhaling van de eigen gedachten tot de slijtage zich laat winnen, & je uiteindelijk alles gekopieerd hebt.

Maar daar ging ik zitten, ondanks de sluipende regen; ik vertrok bij droog, maar de dunne druppels wilden mij overwinnen. Me mismoedigen, teleurstellen zo u wilt.
Die kilometers had ik niet voor niets afgelegd, ondanks dat een e-bike daar allerminst moeite mee heeft. Dus bij aankomst haalde ik alles uit de bakfiets tevoorschijn wat ter bescherming aanwezig was. Een flacon sterke drank, een blik bier, een boek. & Nog wat oude stukken stof, die mijn bips…
Nou ja, men weet wel: die mijn bips niet te veel nattigheid zouden bezorgen. Zo bovenop ’t resultaat van fijne, dunne regen. Die altijd erger lijkt als je des te sneller fietst.

Ik deed een plasje, dat moest zowiezo, op m’n daarvoor voorbestemde plek, die zich nog steeds door voorgaande stappen paadjevormend liet leiden. Laat ik ’t een 50-tal keren hebben afgelegd, dan heb ik ’t waarschijnlijk naar beneden afgerond.

Na dat plasje, hoewel ik m’n regenjas, dikke voering, al tevoorschijn had gehaald, kwam er opeens geen nattigheid meer schielijkerwijs mij bevochtigen. Kon ik mijn boek tevoorschijn halen.

Daar zat ik dus. Mij. M’n boek.
Ik vloeide de lucht vanaf de kaft. De lichte lucht, de toch, na mijn plas, fijne druppels, weer opnieuw aanwezig. Ik was besloten, had besloten, om bij elke veelvuldigheid van ’t fijnmoezige effect van vochtigheid de tocht terugwaarts te gaan. Had me tenslotte gister ook al nat laten gieten.
Maar ik zat. De plas er uit, de druppels van boven onderwijl steeds meer van dun gehalte, allengs zich aanpassend aan mijn wens; ik had van enkele stukken onbruikbaar stof mezelf een kussen gecreëerd voor de uweetwel bips, me voegend, me comfortabel verpakkend in een dikke laag formaat regenjas.
Nergens voor nodig uiteindelijk. Want waar de verpakking zich toevoegde bleef de vochtigheid als tegenwerkende kracht weg.

Dus.
Zat ik daar.
Boek. Ida Gerhardt op mijn schoot. Maar nog geen letter gelezen.

Komt een vrouw op fiets voorbij, vanuit de richting van Driemond.
‘Hé, je bent er weer!’

Hé, ik ben er weer. Dicht bij ’t water van de horizon die ik slechts voel, niet zie, rondom mijn bomen, stilzwijgende elzenknoppen, elzenproppen, nat trekkende planken die mijn zitplek me niet comfortabel laten voelen, maar wat wil je: je, de ik die ik ben, vlucht de kou in, straks de warmte uit. Ik stoot mijn hoofd 100-maals.

Maar ik ben er weer. Hoewel ik haar niet kende.
De ingewikkeldheid. ’t Aftasten van hoe goed je de voorbijganger kent. Hoe blij je kan zijn herkend te worden. Ook al ben je slechts een boek. Omgeven door bank

Zonder punt in Zijperspace