Wat ik zelden betracht heb.
Ik wilde liever gisteren al jarig zijn. Alle vriendjes vertellen dat ze allemaal welkom waren. Teleurgesteld als ze niet kwamen. Of…
Zoals Dimitri. Die wegging tijdens ’t partijtje. Ik hem nariep. Van waarom ga je weg? De deur. Ik stond in de deur, verbaasd om geen antwoord.
Maar er waren andere vriendjes, ze waren tenslotte allemaal gelijk tijdens je feestje, net zo welkom, soms was zelfs ’t aantal belangrijker dan wat je rijker was geworden. Een autootje, een fietsbel, een feestneus, slinger, wat snoep; ’t ging vooral om ’t aantal vriendjes.
Vriendinnetjes speelde nog niet in ’t gezin van ons 6 broers.
We waren apart, maar zo apart toch ook weer niet. Eerder afgezonderd van ’t weten hoe ’t was om ook zussen te kunnen hebben.
De enige vrouw was Ma.
Daarna Oma plus enkele tantes. Maar dat telde niet.
De sterkste herinnering aan 1 van m’n tantes was toen ik door de jongste tantes werd schoongemaakt toen ik broekpoep had na terugkomst van de kleuterschool. Janken; ik denk zeker te weten dat ik ’t toen als een grote vernedering ervaren heb. Achterop bij een toevallig passerende dame op fiets was ik thuis gebracht. Tante Wil heeft ’t toen afgehandeld.
Lachend, alsof ’t er niet toe deed; de geruststellach (laat dat een woord zijn). De warme natte washandjesbehandeling. Dat je altijd terug kan vallen lach. Met streepjes tussen de woorden, zodat ’t 1 woord wordt, zo gauw je weet dat ’t familie is. Dat poep poep is, gelijk je nichtje, de oudste dochter van Tante Wil, gelijk je broertje nog pril, onbekommerd in de wandelwagen, de luier verpakt, de beschaamdheid nog ver in de toekomst.
Ik wil liever gister jarig zijn, want toen is ’t al begonnen. ’t Lonken naar wat kan komen. De ijsjes van vroeger bij de 1e warme dag, dat Joop Laan met z’n ijsbakfiets bij onze school klaar kwam staan.
Of dat we anders hem er later die middag aan kwamen herinneren dat hij meer geld had kunnen verdienen. Met z’n 8-en op z’n veel te klein ijskraamterrasje.
Maar ’t seizoen is allang al begonnen. Ik moet bescheiden zijn; wordt al verwend, hoewel ik dat eigenlijk niet wil. Ik zou ’t koud moeten hebben. De uitzondering moeten genieten van een plots vroege ‘Joop’.
Joop is vast al dood. Zijn ijs, misschien zijn recept overgedragen aan nakomelingen niet, wellicht ook.
Morgen gaat de zon stralen, de warmte redelijk behaaglijk worden, hogere temperatuur dan toen. We spreken af op een lekker eenzaam, rustig veldje. Er komen enkele vrienden langs. We drinken bier, whisky, wodka; naar ’t ons uitkomt.
We eten geen ijs. Er komt waarschijnlijk ook geen ijskar om ons daarin te voorzien.
We zijn straks hier in ’t heden. & Daar doe ik aan mee.
De volgende dag vergat men in Zijperspace wat al gebeurd, dan wel geschreven was.