Het is een wondervolle constatering dat mensen je niet vergeten zijn. Zittend in de tram, onderweg naar een concert & denken aan jou.
Terwijl de laatst geplande wandeling alweer, misschien meer dan, 2 jaar geleden moet zijn. Waar de tijd cirkelt, er vertraging daarin optreedt, een wederzijdse versnelling evenzo. Maar de beelden, de gesprekken, zijn beklijft. Tuurlijk lang niet alles; maar de gang, een route rondom Weesp, 3 vriendinnen & ik.
Maar de herhaling ging niet door.
Dat 3 radde tongen je steeds weer overtroeven. Hun slinks, hun van jeugd af op elkaar ingesteld zijn, hun grappigheid daarmee, de nonsical, de echt, de onafhankelijkheid, maar gebondenheid bovendien. Waar je je bijna stil wil houden, maar ze steeds weer ook een open plek presenteren waar je in de gevatheid mee kan gaan.
Je daar links aftroeft, er rechts overheen wordt gegaan; de lach van 4 door de coupé schalt.
De Vlieland die je proeft als je ook 1 ouderstel als je buren op de camping ervaart, daar op dat eiland.
Ik had ’t veel te heet, mijn druppeldrippend zweet was in de trein op weg naar Weesp weer eens fanatiek bezig me ongemakkelijkheid te laten voelen, in alle hoedanigheden. Alsof de zenuwen voor. Alsof 3 welgebekte vrouwen, mezelf aftroevende, alsof spitsvondigheid, gezelligheid, overblufferigdheid, mij aan banden zou leggen.
Maar ’t was maar zweet. Zonnezweet, hittezweet, van jongs af aan noodzakelijk zweet bij bepaalde temperaturen.
Maar waar de schaamte daarvoor altijd doorheen scheen.
Geen probleem echter dat ik een laagje uit ging trekken, daarbij mijn buik, m’n blote witte buik, ging tonen. Bang dat de mogelijk passerende controlerend conducteur zich zou storen.
De spitsvondigheden gingen gewoon door, maar mijn blootbuik werd even overgeslagen. De lach om elkaar juist niet.
U weet, zij weten, dat ik mij, met trage toetsen schrijvend, op m’n gemak voel. Met hun.
Zo zijn er nog wel een paar, maar je krijgt niet zomaar een plots bericht. Van een ander. Na 2 jaar, na 10 jaar.
Maar de mist van hoe hun stemmen klonken, soms schijnt een zonnetje die ’t vocht doet vervluchten. Klinkt een kuiltje in de wang, de twinkeling in de koontjes, de aftroef van eroverheen gaan. De gebondenheid, van kindsbeen af.
& Dat ze me daar ooit hebben toegelaten. Ik hun geschiedenis ben & ze me dat maar even laten weten.
Vanuit een tram, voorbij soezend langs, misschien wel nooit voorbij Zijperspace.