Na enkele dagen niet geschreven kunnen hebbende, vraag ik me af waar mijn mismogelijkheid van spraakwaardig is gebleven. Moogt ik struikel vrezen & botsingpogingen, al dan niets verongelijkend, zien te ontwijken?
Breng ik die struikelwoorden, voornietszienzienden verhalen vertellen of anders perongeluksden als waarheid van m’n gebeurtenisden proberen te delen? Waar uiteindelijkst alles normaal wordt (waar ik woordt wilde schrijven, maar plotsklapst met een toetsenbordknop corrigeerdddt deed geworden te zijn, als in opnieuw)?
Ik laat m’n flubbergast, m’n dubbeltoetsenbord, vloeien. Ik wil dat zij ’t normaalst wordt, hun saamst te worden. Me niet meer schaam daardoor daarvoor. Een uitstroom van rivieren, een kabbelend tot woeste storm als aan de Helderse kust desnoods.
Mijn back-up. M’n kleiner wriebelende onrust van niet bevreesd laat willen zijn voor al dat groter lijkt dan hun kleins & ze wremelig vertierig omarm tussen mijn vingers, armprikkelend, okselstrelend, hoofdhaarbezoekend gelijkwijs.
Ik ben eerder bevreesd voor ’t niet verstaan. Dat de brokkelhoop van hierboven een stop doet doen. Als simpel begrijpend rijmwoord jou weer tot aandacht brengt, maar ’t effect geen drempel dreeft van kleine paden.
Ik ben bevreesd.
Dat ik andere woorden moet gebruiken, die misschien niet van mijzelf zijn. Aangeleerd, mij niet een weg duiden die mijn eigen taal zou kunnen spreiden. Waar te veel spaties tussen zullen zitten. Waar puntkomma’s gaan overheersen & verklaringen zullen moeten gedeeld.
Een beteugeling wellicht.
Ik ben bang.
Dat mijn woorden straks niet meer dromen. Van voortbestaan. Dat alle onbenulligheids bij een puntkomma, komma, later een definitieve punt gaat stopstopstoppen.
Ik ben heus bereid om te dooddooddoden.
Heus.
Maar laat ’t me nou niet 2 of 3 keer herhalen. Laat me straks dood.
Deel de taal.
Dat is waar Zijperspace ontstond.