De neiging om me op te sluiten wordt sterker. Ik moet niets hebben van regen, noch van te veel aan zon. Alles moet middelmatig zijn, of anders minstens dragelijk om me te vervoeren naar een plek van schaduw & een betrekkelijk dak van bladeren om de spetters (de zon ook) uit te stellen.
De zomer zo’n beetje voorbij & ik zie dus al een ander bezwaar. Buienradar & soortgelijks helpen niet. Ik weet dan te veel. Zie vooruitzichten. Denk na & plan korte uitstapjes als bijv een supermarkt.
Tegelijkertijd van de week de opmerking gekregen: ‘Ja, je gaat niet zomaar in de winter in een park een boek zitten lezen.’
Waarop ik dacht: ‘Juist wel.’
Dik ingepakt, bank met uitzicht op zon. Van dat soort dagen, waarbij alle gereedschappen om de temperatuur te verdragen geoorloofd zijn. M’n hoofd zich moet concentreren om daar te zijn waar ik wil zijn.
Op bank. In boek. Redelijk warm.
Maar mensen die wintervakanties naar ’t noorden maken snap ik nog steeds niet. Evenmin de zomershete varianten daarop.
God, die zogenaamde, heeft de wereld verkeerd ontworpen. Waarschijnlijk klagen ze op andere planeten, waar ook in ’t universum anders dan die van ons zonnestelsel, daar ook over: die onregelmatigheid; onvoorspelbaarheid ook.
Ik zou bijna zeggen: de wereld is kut, ’t gehele universum waarschijnlijk ook. Want niets is constant waar.
Maar tegelijkertijd weet ik dat er nou eenmaal variatie moet zijn.
Van leven, van zonneschijn, van druppels, van klaarlichte dag, & nachten die tot dromen dwingen. Leidend tot zelfreflectie, behoefte aan seks, knuffelsessies omdat ’t allemaal weer te veel geweest is, stilte in jezelf, gepraat, geklets, jezelf in de steek gelaten & daarna bevrijd, zoals ook de bomen, beestjes & vrij vliegende vogels zich soms wel zullen voelen. Misschien wel altijd.
& Daar naar streven. Ook al weten dat ’t vergeefs is. Want aan alles een eind.
Maar zo dapper dat voornemen. Noodzakelijk misschien.
Denkt Zijperspace.