Gebeld (I)

Er wordt weer gebeld om te weten hoe ’t met me gaat. M’n toestand moet in de gaten gehouden worden tenslotte. Van overheidswege, denk ik dan soms, enigszins wantrouwend. Maar dat soort gedachten wil ik niet door laten schemeren. Ik zet gewoon m’n beste beentje voor. De mensen die me bellen doen gewoon hun werk, is de sudderende, maar ook sussende dooddoener, waardoor ik met dit soort dingen zelden m’n geduld verlies.

Ze krijgen doorgaans een eerlijk verhaal van me. Omdat ik nou 1maal niet anders kan. Ik moet ’t verhaal kloppend maken, dus volgen de daarmee samengaande details vanzelf.
Ik ben alleen wel afhankelijk van de juiste vraagstelling, de juiste vorming van begrip eveneens.

Ze vraagt me wat die Slatuinen dan zijn, waar ik enkele dagen naar insecten had gezocht & al 2 keer had genoemd gedurende m’n verslag van afgelopen tijd.
Ik leg ’t haar uit, ook wat ’t Taxon-project inhield dat met m’n aanwezigheid op de Slatuinen betrekking had. Ik vertel haar erbij dat ’t zo onverwacht is dat als je zo’n week hebt meegemaakt opeens te voelen dat vooruitgang niet definitief hoeft te zijn. De gevoelens die terugkeren van vlak nadat ik me 1½ jaar geleden ziek had gemeld lijken zich nog steeds ergens op de achtergrond schuil te houden.

‘Wat was er dan gebeurd?’ vraagt ze.
Ik probeer nog wat duidelijker uit te leggen over een mislukte poging m’n cv visueel op te knappen. Dat ’t de opdracht was waar ik 2 weken tijd voor had. Maar dat 3 uur achter de computer me in totale paniek slash zenuwachtigheid had gestort.
Ze begrijpt ‘t.

Maar daar kwam bij, vertel ik haar, dat er weliswaar wordt gewerkt aan een coach voor begeleiding, in die zin dat ik eindelijk op een wachtlijst ben gezet, wat erg prettig is natuurlijk, dat daar echter aan toegevoegd was dat ’t niet een jaar zou duren, maar hoe lang dan wel, daar kon geen duidelijkheid over gegeven worden.

& Dan had ik weliswaar via Stichting Mee contact gekregen met een budgetcoach, maar die had al enkele weken niets van zich laten horen.
‘Daar moet je dan maar een mailtje achteraan sturen,’ zei ze.
Ja, dat wist ik natuurlijk. Maar daar heb ik nou een coach voor nodig die me begeleidt. Want anders doe ik niets, tenzij ’t woordje ‘moeten’ alleen gehoofdletterd door mij uitgesproken of bedacht kan worden.

Ze stamelde net niet, ’t kwam er nog net goed uit, dat ze ’t door zou geven aan m’n arts, dat hij maar een nieuw gesprek moest gaan voeren met me & dat ze me in ieder geval veel sterkte wenste.
& Dat ik die stameling tussen de evengoed aaneengesloten woorden voelde, hoorde, dat deed goed. Hoewel ik wist dat ’t zich uiteindelijk niet uit zou betalen. Dat vloeit weg in een stuk papier, of een rapport op een beeldscherm, hooguit een kleine goedbedoelde toelichting, een afspraak voor een volgend gesprek waar blijkt dat er nog steeds niets veranderd is. & Niet zal.
Maar ze bedoelen ’t goed, als ze me weer aangehoord hebben. Steeds weer.

’t Zal wel liggen aan de paar woorden, zinnen, die Zijperspace hebben kunnen verlaten.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *