Deze bril heb ik elke nacht op. Tot slapen gaan.
Ik kan ’t ook niet doen, maar dan, heeft de huisarts verteld, krijg ik vaker last van ‘aura’s’.
Oogmigraine, heet dat.
Met deze bril moet ik ’t doen. Schrijven. Me comfortabel voelen. Een kick uit mijn lijf/leven halen.
Andere mensen, andere schrijvers, doen dat in boeken. Ik weet niet anders dan dit. Ben gehandicapt door geen andere keus dan dit toetsenbord. Plus dit hoofd dat een kramp, krimp heeft. Minder gekunsteld: geeft.
Beperkt. Ik weet ’t nog niet al te lang.
Ook weer niet al te erg, want vanmiddag kon ik met aangeschoten hoofd dwars door Amsterdams verkeer scheuren. In overtuiging dat niets mij zou raken & ik sneller thuis zou zijn dan alles wat de rest was. Auto’s, fietsers incluis.
Ik ben God, in dat hoofd. Zeer onbekwaam tegelijkertijd, maar m’n eigen godje. Vooral dat laatste als ik de fiets afstap & een boodschap ga doen. Lege blikken & flesjes inlever in de hedendaagse automaat. Aardappeltjes, eieren, rode pepers verzamel in een supermarkt. Vriendelijk wil zijn als ik gecontroleerd moet worden vanwege een selectieve geïnstrueerde controle, of als ik cash wil doen een prettig ‘goedendag’ wil laten klinken. De, meestal ‘zij’ goedendag zeg, vriendelijke glimlach daarmee samensmeltend. De onbenullige communicaties daarbij zorgvuldig pleeg te vervolvuldigen.
Want, zo ben ik god, gedegradeerd na voorgaande woorden, in m’n eigen mompelend onverstaanbaar hoofd. Wordt daarbij afgerekend omdat ze, of eigenlijk: hét, niet vanzelfsprekend is.
Want de wereld is te groot. Heeft te veel ruimte nodig.
Men kan niet alles tasten, voelbaar maken, prakken tot een kostje dat behapbaar is.
Er is een beperkt bereik. Zoals de zon schaduw creëert omdat wat smelt onder zijn oog wolken schept.
Zijperspace wil eigenlijk verhaaltjes zijn, maar die grote hoeveelheid toetsen werkt niet mee.