Ik wist zeker dat ik theologie ging studeren. Godsdienstwetenschap was rete-interessant. Want ik had alle griekse & romeinse sagen & legenden gelezen, was regelmatig in de noorse godenwereld te vinden, m’n neus diep gegraven in wat er nog van overgeleverd was & ging ervan uit dat theologie niet alleen ’t christelijke hoefde te behelzen.
M’n ouders vonden ’t ietwat mal, maar ik dacht: waarom niet?
Of er nou in Christus werd geloofd of dat er volkeren hadden bestaan die niets anders wisten dan een ‘meergodendom’? De romeinen jatten goden van volkeren die ze overwonnen hadden; hun voorgangers, de grieken, deden leentjebuur bij hun nabijgelegen steden, dan wel eilanden. Hun vertellingen & sagen vervormden & hun goden groeiden mee.
‘Dat is toch theologie?’ zei ik tegen m’n ouders.
Zij geloofden echter in 1 god. Die had zich lang geleden RK laten dopen. M’n ouders evenzo.
Maar ze hadden geloof ik evengoed respect voor bepaalde vormen van protestantisme, hoewel hun belijdenissen hun tegenstond. Omroep EO ook.
Ik geloofde niet. Dat was niet al te lang na m’n vormsel. Die kreeg je kado als je in de 3e klas terecht was gekomen op de Alfons Ariënsschool. Dat leverde mij dan een kinderbijbel op. Dus had ik er vanaf toen 2 versies van, want broer Carel had er geen belangstelling voor.
Naast de stoel van m’n manke opa nam ik zijn 24-delige encyclopedie door, op zoek naar Freya, Zeus, Donar plus alles wat in de verschillende lemma’s verwijzingen als toegift gaf.
Zittend aan zijn kapotte knie stelde ik soms vragen. Wie die god was? Hoe lang hij had geleefd? Wanneer?
Maar Opa was meer geïnteresseerd in z’n sigaar & een spaarzame conversatie met m’n ouders. Hoewel hij af & toe een tik met z’n wandelstok op m’n heup gaf. Want hij moest z’n sigaar toch kunnen aftikken op de asbak.
Ik moest soms uitkijken als z’n stok niet al te hoog geheven werd. Maar m’n vader hield ‘m in de gaten. Gewend inmiddels aan zijn onvoorspelbaarheden.
‘Hé Pa,’ was genoeg.
De manke man weer op z’n frustraties gewezen.
Maar dan moest ik zondagochtend knielen op de opgehoogde planken voor ons, want vanaf daar werd ’t gebed verlangd.
Ik, m’n broers evenmin, konden weigeren. Een bijna ritueel zetje van Pa of Moe, al naargelang je plaats in de rij van de familie Zijp was. Ze konden er samen 4 van de 6 behapstukken. De oudsten hadden ’t minst te lijden onder de RK-foltering. Zij hadden dit al eerder doorstaan, mochten op een gegeven moment zelfs achteraan de kerk gaan zitten. Controleloos. Godloos. De kerk meestal verlaten nadat ze schijnheilig de hostie hadden ontvangen. Een ‘schuldig’ knikje naar m’n ouders in ’t voorbijgaan. Soms ook niet. Een ietwat te haastig schuifelend richting pastoor & dan naar de buitense vrijheid.
Ze wisten dat de sluipweg nu open lag. Een kwartiertje extra, terwijl wij nog enkele gezangen moesten doorkomen, dromend ondertussen dat we ooit net zo oud zouden zijn, waar we plots konden verdwijnen, zelfs terwijl Pa de 1e lezing deed, ’t maatje van de pastoor.
Die griekse & romeinse goden nooit vergeten, hun verlangen naar hun wereld evenmin. Maar jammer dat ik er op een gegeven moment achter kwam dat de studie theologie daar niet in onderwees.
Zweeds werd uiteindelijk een doorgang voor ’t godendom tot Zijperspace.