Haarneus

Ik heb een haar op m’n neus. Ik vraag me al jaren af of anderen dat ook kunnen zien, zoals bij die dame in Luxemburg (nou ja, dame; ’t was meer een omaatje, dat uit kinderliefde, vermoed ik nu, een snoepwinkeltje dreef in een dorpje gelegen aan de Ourthe), die een speciaal door haar lichaam geprepareerde pukkelvormige bolling links bovenop had staan om dat inmiddels grijs groeiend fenomeen, waarschijnlijk wat dikker dan mijn versie, fier te laten stralen tegen een achtergrond van eeuwige blauwe lucht van onze vakanties daar. ’t Zag er niet vies uit, maar ’t moeten aanraken, daar dacht je liever niet aan.
‘Waarom zou je die neushaar [erg verwarrend dat Carel zich zo uitdrukte, want dat waren volgens mij dat juist díe haren die uit de neus van volwassenen groeiden & waar Pa kapper Meneer Camiel voor langs liet komen] aan moeten raken?’
Maar Carel had dan ook minder fantasie dan ik. Doorgaans wist ik mijn fantasie te beteugelen, maar soms floepte iets uit mijn mond van de dingen die al een paar dagen van binnen borrelden, maar de innerlijke soeppan plots deden overkoken.
Ik probeerde dan uit te leggen, lollystokje afwisselend van linker- naar rechtmondhoek bewegend, afhankelijk van de medeklinkers die mijn betoog moesten steunen, dat dergelijke alleenstaande haren er om vroegen er een aanrakende vinger bij te verzinnen.

Ik moet alleenstaande uren reserveren om aan mijn steeds terugkomende haar te besteden. & Dan heb ik er nog ’t juiste licht bij nodig ook. Thuis staat die niet goed. Net als in Luxemburg heb je er een zon bij nodig die een bepaalde hoek maakt. Bovendien geen gordijnen die de achterburenblikken weg moeten houden.
Dus hier in ’t noordelijke deel van ’t Nijmeegse, ik noem ’t zelf nog steeds Lent, maar ’t plaatselijke gemeentebestuur heeft dit dorpje al geannexeerd kan ik op Maps zien; hier in dit huis waar de zon van achteren aanvalt ’s ochtends vroeg, waar ik tevens af & toe achterom kijk om te zien of de voorbij trekkende buren in de straat mijn moderne uitvoering van een lange onderbroek kunnen spotten tijdens mijn op & neer gang richting open keuken, bij die beweging zie ik mijn haar op neus glinsteren.
Hij zou best grijs kunnen zijn, maar er valt geen vorming van een ophoging eronder waar te nemen met een zekere schijn van pukkel. Maar de zon voel ik zogezegd erdoor weerkaatsen, reflecteren, erdoorheen schijnen in al die wazigheid van veel te dichtbij m’n rechteroog staan.
’t Wordt tijd om boven m’n nagelschaartje te gaan hanteren, die daar op de dubbele wasbak van de badkamer ligt. Zielig alleen, ligt-ie daar, slechts vergezeld door m’n tandenborstel & -pasta. & Zelfs voor m’n nagels gebruik ik ‘m niet. Slechts m’n snorhaar mag ’t schaartje toucheren, als die weer irritant vaak m’n lippen moeten attenderen op hun voortgroeiend bestaan.

Tegen de tijd dat ik daarmee klaar ben, is mijn trots uitstaande, voor tegenzonlicht bedoelde haar op de neus alweer lang vergeten & heb ik de trap naar beneden inmiddels al een half uur achter de rug voordat een lichtflits van een passerende buurvrouw me daar opnieuw aan helpt herinneren.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.