Huisartsbezoek

Die onbehoorlijke puinhoop die ontstaat als ’t richting middernacht drijft. Niet waar ik orgies beleef, of wanstaltig gedrag vertoon, maar wel waar ik dingen wil, nog steeds dingen wil doen, maar die lijken dan weer hopeloos onbereikbaar. De dingen, de gehandicapte traagzame beweeglijkheid in m’n hoofd. De schreeuw om onverwachte, maar vooral niet frustrerende gebeurtenissen.

Tegelijkertijd is zo’n uitspraak een lichtelijk overdreven. ’t Moet tenslotte wel schrijf- & leesbaar blijven. Evengoed een geringe puinhoop ook. Ik heb tenslotte niet voor niets begeleiding, een coach, bel regelmatig de huisarts, zoek tevens naar verdere begeleiding.

Tegelijkertijdertijd: de huisartsassistente laatst aan de lijn (hoef slechts te zeggen: ‘Hallo, met Ton’); daarna doorgesluisd dmv een afspraak. 1 Of 2 dagen later zie ik dan de huisarts.
Hij heeft een erg toepasselijke naam, die ik graag gebruik. Dat ik me dan serieus genomen voel, al bij ’t hand schudden & elkanders voornaam noemen.
Daarna van nu maar eens aanpakken. Niet zwemen in veronderstellingen, maar vaststellen. Naast medicijnen ook doorverwijzen, geruststellen; dat kan-ie ook best goed, dankzij voldoende uitleg waarom. Soms waarom niet. Dat is des te beter.

Ik ben inmiddels de tel van de jaren kwijt, maar we zijn wel samen ouder geworden. Waarschijnlijk ik ouder, maar daar hebben we ’t nooit over hoeven hebben; ’t verschil in jaren was er al. & Voelde evenmin zo.
Zo’n huisarts. Zo’n assistente bovendien.
Waar dat laatste bijna denigrerend klinkt, dus onmiddellijk moet worden teruggedraaid.
Soms had ik meer aan haar dan aan de huisarts zelf. Zelfs regelmatig. Dan was hij zelfs niet nodig. Afgerond voordat ik door de deur moest.
Zo fijn, dat je al vanaf ’t begin goed opgevangen wordt. Je 1e belletje, waar je al schaamte hebt om dat daadwerkelijk te gaan doen, de telefoon oppakken. Want mss was er wel niets.

Stel je dat eens voor, denk ik dan vaak bij dit soort telefonische taferelen, dat zo’n vangnet er niet is vanaf ’t 1e moment. Dat je huisartsassistent weliswaar niet je vanzelfsprekend beste vriendin is, maar ze mijn stem herkent als ik bel (‘Hoi, met Ton’ is genoeg), waar dat evenmin geldt voor m’n eigenste eigen huisarts.

Ik laat ’t daar maar even bij, maar dat is mijn arts; hij heeft een heel dossier van mij, weet dus alles ook, zo’n beetje. & Ik weet dat hij vroeger wel eens bier bij me kwam kopen.
Lekker belangrijk. Als hij me straks maar weer een opfrissend duwtje geeft. Hij de info die hij van de assistente ontvangt serieus neemt soms. Genoteerd & gelezen zo gauw ik langs kom.
Niet altijd, dat laatste, van info verstrekken via telefoon; vooral niet altijd. Dan zou ik ‘m liever willen zien. Dat er spraak is, de assistente me meteen herkent bij binnenkomst & ik even later z’n knokige handen kan drukken ter groet. Als vanzelfsprekende uitnodiging mee te komen. Waar mijn rechterpink ook inmiddels gelijkende knokkels lijkt te ontwikkelen. We gelijkenis tonen op onze handen, vingers vooral.
& ’t Gesprek onze handen begrijpen, die bij beiden net zo veel tikkelingen van lichte pijn vertonen.
Maar we stappen er overheen, & Martien begrijpt dat.
Al bij binnenkomst.
Zwaait me als ik vertrek nog ff gedag, al zit ze aan de telefoon.

Om aan te duiden waar Zijperspace daadwerkelijk ligt, soms zwicht, maar zij beiden weten welke richting dat wijst.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *