Is ’t maandag: ja, ’t is maandag.
Of nee, de dag is alweer voorbij. De tijd vervlogen, de hitte tijdelijk voorbij.
De dinsdag luikend.
Zo wurm ik me door de dagen heen. Niets willen weten van temperaturen, ’t licht dat schijnt, ’t zweet dat hopelijk voorlopig niet gutst.
Ik had moeten wonen waar de taal woonde die ik ooit heb gestudeerd. Maar ik schrok van de zomer, dat ik daar daadwerkelijk was aangekomen.
’t Zweet dat ik dubbel zo hard over m’n lichaam voelde druipen. Waar m’n zoete dromen van verlossing…
Ach, laat ik ’t niet overdrijven, maar ’t had fijn geweest, eindelijk een zomer van matigheid. Ik was nog jong; de verandering der tijden was echter al begonnen mij, m’n beleving, te achterhalen. Halverwege richting poolcirkel & ik maakte de heetste zomer in Zweden mee.
Terwijl ik toen dus jong was. Relatief een ukkie. Ik zocht onderweg, tijdens de liftpauzes, de schaduw om de slaap maar enigszins in te kunnen halen. Van nachtelijke ritten, gratis meerijden, met geluidsmannen die koffie zopen op dezelfde gaststätte, op terugreis van concerten, waarschijnlijk op energie van de dope, wakker makende coke, waardoor de kilometerteller op een gegeven moment 240 wees.
Schuin achter de chauffeur zag ik de kilometerteller, de pijl die de snelheid van deze ooit voorbijgaande nacht aanwees.
Waar computerspelletjes, die toen nog niet bestonden, maar pacman, racespelletjes, of andere snelle reacties vragende met knuppel of snelle vingers bedienende knopjes, waar dat zelfs nog niet voorstelbaar was. De knuppel die daar niet snel genoeg voor was, tenzij je Pink heette, de eeuwig kleine, die ’t allemaal had voorzien; de vinger-, anders knuistvlugheid een weg richting toekomst een mogelijkheid zou geven je voor te bereiden op wat zou komen.
Mijn vingers, m’n wreef, elk deel van mijn lichaam dat ook maar iets leek op de overheersing van de flupvluksvliegheid dat Pink als enige leek te beheersen, kostte vele guldens, zodat ik minder kon drinken, blowen, soms een enkele keer me bedwelmde als ik wel ’t nieuwe record had op de Pacmanmachine.
& Pink er vervolgens met de volgende geleende gulden mij weer versloeg. Een gratis paar halen van een verse joint zich liet inhaleren.
Hij nog te jong om ouder te worden, ik al reeds te oud om roekeloos door ’t spel te gaan. De 1e verschijnselen van 2 – 3 jaar ouder zijn met me mee te dragen, daar al voorbij, vaker verlangend naar vroege slaap, of anders me door alcohol wakker laten schudden, zodat ik wist dat ik hier ooit zou zitten, voorbij middernacht, nog wetend wat ik wilde schrijven.
Waar Pink dat waarschijnlijk allang alweer is vergeten & hij mij bij de laatste ontmoeting liet weten dat hij zijn eigenlijke naam weer had aangenomen.
Ik meende een buikje te zien, die laatste keer. Een raar verschijnsel bij een kleine man die nooit groter is geworden, maar dus toch wel.
Ik kan niet anders dan die van mij als een bolling te voelen. Er is geen spiegel die tot onder mijn tepels gaat hier. Maar als ik mij een kwartslag keer valt ’t alleszins mee. Voor zover die kleine spiegel, boven mijn wasbak dat toelaat natuurlijk.
Ik heb geen verklaring voor hoe ik ben. Ik schrijf.
Eindelijk in Zijperspace.