Lent (I)

Dagelijks denk ik dat ik ’t op ga noteren. Met vooral een mogelijke constructie van een verkeerd denkende zin. Dat moet ’t de moeite waard maken. Voor mij, voor hen. Zodat ’t aandacht trekt, beroert, zaait.

De weg naar hier begon eergister; zojuist m’n 3e avondmaaltijd aan de andere kant van ’t begin, een lekke band plus nutteloos maandags bezoek aan een fietsenmaker later (ze zijn blijkbaar buiten ’t grootsteedse niet voor niets normaliter op maandag gesloten).
Ik zadelzat die ochtend van sporadisch tegenverkeer, daarnaast nihil inhalers, me in te prenten dat ik ’t heerlijk prozaïsch glorende ochtendgemijmer later bij aankomst zou gebruiken voor m’n 1e verslag. Ik zou ’t hebben over de boerenzwaluwen bij ’t Gaasperpark, de bussen die zojuist ontwaakt waren, de stoplichten die hier 24 uur doorgingen waar geen tijdstip daardoor vanaf te lezen was, de 1e vlagen van m’n zweet & hoe dat mee zou vallen, want vooral op gezichtsniveau riekt dat niet & heet dat nog okselfris & al dat andere dat m’n geheugen niet meer genegen is op een doeltreffende manier op te slaan.

Alleen de beelden van broer Carel komen vaker terug. De dood, de jeugd, ’t stapelbed & de angst te veel geluid gemaakt te hebben waar hij last van zou kunnen hebben. Waarbij de dood, in tegenstelling tot bovenstaande chronologie, aan ’t eind van de rij, aan ’t eind van ’t besef komt. Bij wakker worden op een vreemde plaats & nog niets geschreven staat.
De tocht voltooid. Zonder noemenswaardige klachten van m’n lichaam, behalve die onrust, de slechte slaap die niet verdoofd had kunnen worden door een paar liter bier.
& Carel die maar levensecht terug bleef komen, in de vorm van ’t idee dan dat ik nog steeds een kamer, een stapelbed met hem deelde. Dat ik stil moest zijn & niet moest liggen woelen.

’t Is bij mezelf thuis, waar ik nu niet ben, inmiddels niet anders. ’t Middernachts wakker worden, de wereld zich traag kenbaar makend & ik vermoedend dat m’n broer die nog steeds bevolkt.
Ik laad me leeg op de plee, was me schoon van de waan & zet een hoorspel aan, iets wetenswaardigs om me vol te proppen met kennis die minder beklijft dan de aanwezige afwezige. Thuis, maar ook hier.

Ik heb hem om me heen gehad. Jarenlang, vanaf dat ik de wieg verliet. Ik besef me inmiddels niets anders meer dan dat hij altijd blijft, dat dat straks ’t laatste is.

Iets om mee rekening te houden in Zijperspace, in Lent, gedurende de zomer & wat daarop volgt.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.