Ik zal fit op moeten staan. De dag beschouwen, zien wat komen gaat.
De fiets in de gang laten, zonder hem vertrekken.
Een wandeltocht. Richting apotheek, ook richting nieuwe brillen die nu echt wel een noodzakelijkheid gaan zijn.
Dus niet wat zomaar komen gaat, maar eerder wat zich vlak voor middernacht zich laat plannen. In de hoop tegelijkertijd dat de slaap die planning niet weg gaat dromen. Er straks slechts restjes van de voornemens in m’n ooghoeken verborgen zullen zitten als ze niet meer toegeknepen zijn.
De sneeuw de schuld geven. Die onttrekt vocht aan mijn helderheid. Van ogen, van plannen, van voortstapwaarts,
De lucht droog zolang ’t wit op de stoep blijft staan. Mijn stapvoets over straat daardoor de dag laat verkorten. M’n opgeslotenheid zich verkrampt zogauw ik weer thuis ben.
Ik zal fit moeten zijn. De wereld van morgen moeten proberen te verslaan.
Hoewel ik niet naar de verwachting heb gekeken, van wat morgen voor mogelijkheden geeft. Bang overvallen te worden.
Bereid me derhalve op ’t ergste voor: niet op de fiets richting de nieuwe medicijnbevoorrading. Doe de loop, de wandel.
De volgende dag een nieuwe reis om ’t uit de muur te halen & hopen dat ik in 1 keer de juiste medicijnsbevrijdingscode weet in te toetsen.
Ik zal zoet zijn. Mezelf in laten dutten in mogelijk gemoedelijke stemming. De dekens over m’n hoofd, op net niet stikkens toe, maar wel de ademtocht zijn verwarmingsplicht laten vervullen.
Want alles is recyclebaar. Ook mijn ongerustheid over de volgende dag.
Mogelijk ook wat daar op volgt in Zijperspace, de dag van de morgen na morgen.
4
januari 2026