Onbezorgd

Bij ’t eind van de dag is ’t zwaar. De twijfel begint, ’t zeuren van een gepasseerde kans op continuïteit doet zich aan. Ik voel sudderende suggesties heen & weer schieten door m’n hoofd. Letterlijk van links naar rechts: ze doen zich voelen. Alsof ze door bepaalde zones van m’n hersenen reizen op zoek naar een aansluiting met woorden, zinnen, tekst…
Herinneringen bovenal.

Alsof een dag al niet zwaar genoeg was. Dat pas beseffend als ’t gewicht pas gemeten kan worden, bij de afrekening, de ouderwetse kassa die luidop rinkelt als je met de wreef van je hand ’t totaal aanslaat, voor ’t slapen gaan.

Ik mag nog zo wondervroeg in actie zijn gekomen, met radioprogramma koptelefonend richting volkstuin zijn getogen, motten hebben gefotografeerd, bevrijd, benoemd, beschreven (’t zal de vermoeidheid zijn geweest, ’t rollend-matig overhevelen van mezelf van ’t 1 in ’t ander & daar pas aan ’t eind de rekening voor moeten betalen door te beseffen dat niets vanzelf gaat), ontbijt genoten, de dag fris aanschouwd vervolgens, maar me ondertussen op dat moment al beseffend dat de dag niet compleet is zonder aan m’n plicht te hebben voldaan.

Al vaak genoeg gezegd dat ik over alles schrijven kan, waarbij me steeds weer onmiddellijk de jodenkoek te binnenschiet. Zo vaak als dat als voorbeeld heeft gediend.
‘Geef me een woord & ik gebruik ’t als onderwerp, bijv…’
…die jodenkoek.
Waarvan ik niet weet of ze eigenlijk nog bestaan.

De kast bestaat nog steeds. De plastic precies passende ronde-kolom-verpakking, met een paars papieren omhulsel niet-plakkend licht-verhullend ter afscheiding van de verlangend kijkende kleine buitenwereld. De moeder die ’t me verbood. De stoel die me evengoed deed reiken. ’t Randje van dat dressoir, zoals we ’t noemden ipv ordinair kast, waar m’n linker voet (m’n tenen eigenlijk) nog net op paste (rechts achter me op de stoel hangend). Reikhalzende vingers die onmerkbaar toch een koek scoorden, zonder kruimels geen spoor toch in de mond persend, Moe nog net op tijd te woord kunnen staan dat ik van niets wist zonder kauw nog te gaan.

Dat ik een woord nodig heb als ‘poepkakdrol’ of willekeurig anders om m’n dag af te sluiten als ik die niet meteen begonnen ben met geschreven tekst.

Ze zeiden van de week: je moet niet alles moeten. Van mezelf, zeiden ze.
Maar ik moet wel, herhaal ik dat woord, want anders staat hier straks geen verhaal, geen stuk, geen post. Dan ben ik slechts voorbij gevlogen.
Als de duiven in de Pijp, mits die er nog zijn, hun duivenmelkers, die niets meer te melden hoeven over te brengen, baas noch bode: een wedstrijd slechts wie ’t snelste vliegt.

Wanneer er niets noemenswaardigs is geland in Zijperspace.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.