Waar ik de niet-begrijp niet kan vinden. Waar de wel-begrijp had kunnen bestaan.
Waar vrouwen geslagen, vermoord, vernederd & waar ik dat andere woord niet durf te benoemen. Te diep doortastend, te vernederend, te ver grijpend.
Laat me maar een paar nachten slapen. Ik heb al meerdere van diezelfde donkere woestijnuren van slapeloos achter de rug. Nog wat van de nachturen daarnaast, hiervoor gevuld door de vraag of ik ze wel zou kunnen doorstaan.
De laat me, laat me. Laat me nog wat ff langer
Want dat kermen van ’t ons beschamend zang kan ik niet aan.
Ik heb de vrouwen, meest in hun schoonste weldoen van pril & fatsoenlijk bekoorlijk, mogen aanschouwen. Hun keuzes zien maken, hun intiemst zien delen. Hun geneugten mogen bezoenen, als in wederzijds. Waar ik fouten, als eenieder, mocht maken. Zij, bijna vanzelfsprekend bekennend, wat moeizamer wederzijds. Qua vergissingen op een halve centimeter, waar een vrouw een meter al groot vindt op dat niveau.
Waar een zandkorrel uiteindelijk een woestijn wordt. De verlatenheid van veelvuldige misinterpretatie. ’t Zandstrand in zijn algemeenheid een andere klein korrelig elementje naast zich vindt & daardoor groot groeit van droogte, een gebrek aan zee, een kust die immerkalmte ontbeert.
Men is mij vast alweer lang verloren. Uit beeld, uit begrip, of de ‘on’ daarvan, voor samengevoegde woorden, uit mogelijk beter verstaanderbaars. Uit verkunstelheids, onverstaanbaars, niet samengevoegde woorden, uit onuitgenodigde samenvoeglijkheden van vrouwen die dit keer geen seks behoeven.
Probeer te tellen wanneer, of hoe vaak, u, man, zich beschaamd heeft.
Aan onwelvoeglijke tastelijkheden, of als foute taligheid in de man-vrouw-communicatie.
Of anders: waar uw (wellicht) onbenullig gedrag tot angst bijdraagt.
Want laten we ’t even benoem op de juiste manier:
U BENT ‘T MONSTER.
Zij is de vrouw.
Zo niet, dan leeft ze evengoed in Zijperspace.