Onvoorwaardelijk

De hond die op de achterbank zit, enigszins beteugeld door Tineke maar ook weer niet altijd, die likzoenen probeert te geven aan wie ze maar kan bereiken aan de voorkant van de auto. De hond wiens liefde onvoorwaardelijk is & waar wij gedwongen worden dat af te wijzen.
Ik ’t weer in de gaten houdend, de afstand van mogelijk slecht weer, de mate van vorderen van een volgende kletsbui van natte of misschien wel op de weg knerpend moeilijk doordringbare sneeuw. Onderweg naar de weg terug. We naderen ’t omslagpunt gestaag, waar daarnet in straks verandert.

We zijn op weg. De weg van straks niet weten wat een week lang vanzelfsprekend was. 1 of 2 honden aan je zij. Uren weg, met of zonder menselijk gezelschap. Bergen op, heuvels af. Zo als ’t zich liet voelen. Pogingen tijdens korte pauzes boeken te lezen, maar daar niet al te veel in slagend. De kou, de kou. ’t Peinzaam staren naar omgeving, ’t gras, ’t gewroet op de achtergrond.
Dan ook de vervreemdende sneeuw, de rijp eigenlijk, zoals ik dat ontwend ben, de vorm, de verbindingen van de hoek om, de ene na de andere vertakking waar dat verschijnsel zich in kan vormen, maar toch zo gelijk blijft.
Dezelfde waarde, maar anders uitwisselbaar.

Een reden om op te staan. De honden daarbij te storen in hun gewroet, hun speuren naar ongrijpbare geuren in de aarde, naar misschien wel bereikbaar water. Drinkbaar, behapbaar water, niet rijp, noch bevroren. Soms ’t gras likkend met hun ontdooiende tongen, in de zomer verkleed als halmen, maar waar zij nu zelfs likkend over ’t ijs van de krappe sloot, likkend slikkend naar energie om mij voorbij te kunnen lopen. Straks rennen, elkaar jennen, de droge keel alweer vergeten.
De uitdaging van elkander geeft ze onvermoeibaarheid. Waar ik mezelf achter hun aan sleep, nog weer een paar hellingen, wetend wat de weg is, de kortste, & zij ondertussen alle kanten op kunnen gaan, als ze niet afhankelijk zouden zijn van een flinke bak vocht, een volgende gevuld met brokjes. Ze, na die bak op de plek van ons onderdak gevonden te hebben, zich vervolgens kunnen opsluiten in een onverstoorbare dut, slechts zich oprichtend als ze volgens een mens op een verkeerde plek hebben genesteld.

’t Lijken sufferds in dat gedrag, maar ’t is zo onvoorwaardelijk. Ze lijken op de bergen die ik nog steeds wil bestormen in weliswaar inmiddels traag tempo.
Maar heerlijk te verdwalen, zodat je merkt dat er meer leven in ’t lijf zit dan van tevoren verwacht.

& ’t Inmiddels niet al te vreemde huis in Zijperspace je weer welkom heet, een vette begeleidende lik over de rug van hand.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *