Als je alles bij elkaar optelt, de mensen die je op een dag ontmoet, de dag dat je weer naar buiten kan omdat de druppels niet overheersend zijn, ’t hooguit slechts gestaag komt, de regenjas niet nodig…
De optelsom, van tevoren ingecalculeerd. Meermaals de regenverwachtingen gecheckt, nogmaals, daarna wederom, vanaf ’s ochtends bij ontwaken, hopend op ’t vroeg sein groen, gedurende dag een continu aangepast gecorrigeerd sein groen.
Een dubbelop zekerheid inbouwend.
& Dan vrij. Een mogelijkheid te gaan & staan & uiteindelijk vooral zitten.
Fietsen dan & daarna vooral hopend een boek te kunnen lezen zo gauw op de plek van bestemming aangekomen.
Zodat de ontspannenheid terugkeert. ’t Ademhalen van normaal. De rest behalve de letters, de woorden van ’t boek vergetend. Dat laatste in de lage ‘mode’ vooral, maar die mogelijkheid is er wel als er niemand is, wellicht iemand passeert, maar niemand daadwerkelijk aanwezig is.
Maar als je de mensen optelt, die je op die dag ontmoet, de ‘hallo’s’, de knikken, de hand omhoog ter groet, de split-second-conversaties, de muzikant uit Bulgarije die altijd een sigaret komt roken als hij me ziet; als je die mensen optelt…
Dan storen ze me wel in mijn leesavontuur, & dan zie ik ze wat minder vaak dan dat ik bepaalde mensen elke dag spreek, app, lastig val & de viceversa’s, maar niet altijd in levende lijve. Maar hun dus wel.
In wisselende mate van aanwezigheid. Sterke mate van afwisseling zelfs.
Ze glimlachen als ik omhoog kijk uit mijn boek. Een wuifje, hoofdknikje, een understatementje, de vanalles van menselijke expressies, op ’t minieme af.
Ik moet in dat minieme zijn terwijl ik daar zit. Waar niemand daadwerkelijk denkt ooit eens een keertje langs te komen & er toch een enkeling een keertje per ongeluk wél wat nadrukkelijker passeert & soms nog een keer. Waar ik niet gestoord word tot ’t moment dat er wel een ontmoeting plaats vindt.
Ik een ‘verdorie’ of een ‘verdikkeme’ lekker ouderwets door m’n hoofd laat rollen als ik uiteindelijk wederom op de fiets stap, na 1st peinzend na heb zitten denken waar alles in de bakfiets hoort geplaatst. Dat ik straks niets vergeet, tijdens ’t uitpakken, alles weer op z’n eigen plek in m’n eigen huis hoort te staan of liggen, dus niet verloren gaat in mijn geheugen.
Straks de boeken op rij, de fiets op slot. De deur weer dicht.
Zijperspace gaat sluiten.