Verlatingsdagboek XX

Je kan je afvragen wat je anders moet doen dan voor je uitstaren. ‘t Boek dat iets boven borsthoogte voor me hangt vol ongrijpbare zinnen, de woorden zelf willen zich nog wel presenteren, maar zo gauw ze zich tot samenhang moeten vormen verliezen ze hun doorgaans makkelijk oproepbare betekenis; dat boek hangt daar nodeloos. Zin voor zin wordt herhaald door herlezing & nog een keer op nog een keer een poging tot betekenisgeving, soms lijkt de aandacht verder te stromen, maar toch wordt ‘t door ontelbare onbegrijpelijkheden teruggesleept naar wederom & wederom de aanvang van de alinea. Als niet ‘t hoofdstuk.
‘t Is een proces van nog eens herbeginnen, her-, her-, her-, dringt steeds harder door in m’n kop, met te willen leren lezen, weer terug te zijn bij de kleuterjuf in de klas, vooruit te zijn op de rest van de groep van 20 sufferdjes & wél een tekening te kunnen maken van een oversteekplaats met zebrapad, hoewel ik terugdenkend me kan voorstellen dat de juf me vertelde dat ik mooier tekende dan die sufferdjes, die arme stakkertjes herhaalde ik stiekempjes m’n oma, altijd vol meedogen voor onvermogen & klein, omdat ze vond dat ik eindelijk m’n best deed, iets anders deed dan doorgaans van een verlegen, misschien jankend, nieuwkomertje werd verwacht. Dat moet nou 1maal tot bloedens toe vermoeiend worden gestimuleerd, ‘t kind mag niet huilen, ‘t moet thuis zijn in de omarmende aandacht voor alles wat goed is, goed doet, goed zal zijn & aan ‘t ontbreken van thuis & de veilige aanwezigheid van ouders, vooral van moeders, moeders de moeder, elk centimetertje van wat voorbij kan gaan is een verlies, voor haar een winst, op wat thuis verblijft, van wat ‘t korte termijn zich herinnert, zich open kan stellen voor morgen, er nu al niet meer is.
Ik ben terug in priegelpraat & inkleurplaat. De oversteekplaats is wat mij eindelijk opnieuw boeit. Een bemoedigend juffertje, hoewel ze toentertijd nooit zo geheten heeft, ze heette immers juf Joke, juf Petra, juf Monique misschien, hijgt haar zoete geuren in m’n nek, door de knieën om mijn zacht ademende oren te kunnen bereiken.
Ze schelt dus niet zo fel als m’n buurvrouw momenteel in de blote hemel van veel te warme benauwde midzomernachtse lucht.

Opnieuw adem halen in Zijperspace.

Verlatingsdagboek XIX

Bij regen als deze, ik voel ‘t bij wijze van spreken nu op ‘t dak van 3 etages hoger vallen, ben ik thuis. Ook al stel ik mezelf voor dat ‘t in een tent is.
Niets zo alomvattend als een tent om je heen & de spetters donderen op ‘t dak. Er is nog maar weinig wat je kan bedreigen. ‘t Omhulsel van regen dat je cocon van lichaam omringt is je garantie op veiligheid.
Ik weet dat ‘t te maken heeft met een stel ouders dat in de caravan (ik lig in de voortent op een stretcher, of anders met m’n broer in een 2-persoonstent ernaast) zit te keuvelen tot ook zij slaap hebben gekregen, me in de weg naar ‘t campingsanitair verwijt dat ik te veel scheten heb gelaten tijdens hun laatste spelletje hartejagen (schreef je dat toen met een tussen-n of nou juist niet?), alvast aangekleed met regenkleding over nachtondergoed & op de weg terug stralend fris ruikt naar tandpasta, hoewel m’n vader niet, want die moest nog steeds wat laten doen aan zijn gebit, dat ik dat ruik bij de omstebeurtse nachtkus.
De regen spettert, vormt een dek, ik ben ingesloten door een scherm van niets kan daar meer in doordringen, als de regen daar niet doorheen kan komen, dan niets, echt niets zal mij bedreigen, ik leef in veilige avonturen van zojuist neergelegd boek, ‘t draalt steeds langzamer naar beneden, m’n ridders leggen zich ter ruste, hun zwaard, de god z’n bliksemschicht, ter zijde schuivend, ik ben getuige, ik reik, ben vriend, onderdaan, z’n opvolger, zo beloof ik plechtig in murmelend voorbijgaan, beschermd, in slaap.
& De scheet die me onrustig maakt, want mama mag niet ruiken wat haar tandpasta kan ontsieren.
Maar slaap voor zij, hun beiden, terug zijn.

Nachtkus wordt wakker in Zijperspace.

Verlatingsdagboek XVIII

Ik verzamel nu lieverheersbeestjes.
Die ik dan weer niet kan vinden. Maar ik doe ‘t zoeken heel goed, want ik doe ‘t omdat ‘t moet.

Als ik er 1tje vind blijkt deze echter ondetermineerbaar (had mij dat woord een jaar geleden in de mond gelegd & ik had ‘t uitgespuugd van verstotterbare onmogelijkheid, waarschijnlijk ook vanwege de angst te moeten uitzoeken wat de wat? is & hoe daarvoor verantwoordelijkheid af te leggen) of toch elke keer weer een recentelijk geïmporteerde Aziatische LHB (ja, we gaan afkorten, anders hoor je niet bij de groep, de groep die een vrij vaststaande groep is & verstand heeft over zaken, of eigenlijk over dieren als deze) te zijn.

Die LHB’s lijken nl niet op elkaar. Zeker de Aziatische heeft diverse verschijningsvormen. Toen dat beest hier werd neergezet om onze natuur te verdedigen tegen de luis hebben ze blijkbaar alle variaties bij elkaar gegooid.
Alle aziaten weten ondertussen waar ze aan toe zijn, maar wij europeanen tasten in ‘t duister vooralsnog. Behalve de experts. Die weten meteen wat er aan de hand is. Een aziatische is er aan de hand. Ondetermineerbaar vaak (spuug, stotter, onmogelijk, angst).

Ik probeer m’n hand er op te leggen, op dit vreemde verschijnsel. Ik wist tot nog niet zo lang geleden niet dat er behoorlijk wat LHB’s & Kapoentjes (LHB-variaties) waren, maar nu weet ik beter.
Dus wil ik, met die kennis, ze ook allemaal bezitten. In m’n hoofd. Dat niemand er aan kan tornen. Ze zitten dan straks daar, met z’n allen, ik weet hoe ze heten & dus zit de wereld in orde, goed in elkaar, niemand bedreigt me, alleen maar respect.

Niet dat ‘t écht zo werkt, maar ik geef mezelf graag ‘t gevoel dat ‘t zo zou kunnen gaan.

Ik heb mezelf wat te doen gegeven.
Net als met m’n speurtocht naar gallen. Waar men eigenlijk, net zomin als ik, niets van af weet. Maar Eenoog koning. & Dat ben ik dan.

& Straks zeg ik dat u niet weet wat LHB’s zijn, netzomin als gallen. & Voel ik me de Eenoog te rijk.
Dan blijf ik ondertussen verzamelen & vind ik eigenlijk niks.
Ik begin me af te vragen of LHB’s wel bestaan in deze tijd van ‘t jaar. & Wanneer leggen galvormende insecten hun eitjes?
Waarom vind ik niks? Bestaan ze dan alleen in boekjes?

Per ongeluk, ik probeer ‘t nog zó te voorkomen, zie ik mensen me aanstaren om wat ik ze vertel. Die onbestaande wereld. & Die duik er in.
De plons van m’n lichaam, midden in de winter.

Zijperspace is out of season.

Verlatingsdagboek XVII

Ik ben bang dat ik een broer ben. Een broer van minstens 6. Waarvan in ieder geval 1 is overleden.
Maar toch blijft ‘t minstens 6.
We weten niet waar een broer eindigt. Noch waar hij begint.
Zo’n ding laat evengoed z’n sporen na.
Ik neem ‘t ze nog steeds allemaal kwalijk. Kwalijk neem ik ‘t ze nog steeds. Allemaal. Ook in die volgorde. Jong naar oud. & Andersom.
Waar ben ik & wie zijn zij. Waarbij een vraagteken verkeerd geplaatst zou zijn. Vraagtekens bestaan niet tussen broers. Dat hoort niet, zijn we niet mee opgevoed.
Alles is zoals ‘t is sinds je geboren is.
Ze worden echter wel steeds groter. Die broers. & Ze gaan vraagtekens bij jou stellen.
De verwachting ook van andersom.

Ik ben geen broer. Ik heb me er alleen toe laten veroordelen. & Geconformeerd.
& Toen ik daar was, waar broers horen te zijn als ze familie blijken te zijn geworden, toen ging er 1 dood.

Ik ben een huppelend kindje dat net iets te veel aandacht vroeg voor ‘t draaiend beeld dat m’n vader hanteerde. Iedereen lachte, vol in beeld, & iedereen kon terug lachen omdat ‘t elke verjaardag opnieuw getoond werd.

& M’n broer, die dood is, zag dat hij iets in te halen had. Danspasjes of iets dergelijks.
Ik had inmiddels niets meer te winnen. ‘t Huppelen op de dansvloer allang voorbij.

Ik ben een broer zonder broers. Ik heb een vrouw zonder vrouw. Ik heb mezelf.

Hier ben ik Zijperspace.

Verlatingsdagboek XVI

Ik drink nog een laatste biertje voordat ik naar bed ga. Zoals ik dat elke avond doe, maar nu terwijl ik typ.
Er moeten zaken afgesloten worden, ik moet afscheid nemen. Ik ben alleen nog steeds op zoek naar de weg hoe ik daar komen moet.
Al die teksten die ik hiervoor geschreven heb waren daar een poging toe, maar ik was daarbij vergeten dat ik een dag later, anders wellicht 2 of 3, zou vervallen in oude patronen & me daardoor niet meer zou kunnen herinneren wat de emoties waren die mij tot dergelijke besluiten hadden gedreven.
Ik herhaal mezelf. Ondanks wat anderen tegen me zeggen. Ik neem wat men zegt aan, maar m’n systeem, m’n gedachten, alles wat me maakt tot wat ik probeer te zijn & wat me bij elkaar houdt, dat alles wil niet dat ‘t beklijft.
Ja, tuurlijk, ‘t kan ook niet in dat systeem van mij van vasthouden aan wat me gister gebeurd is & vandaag alweer vergeten ben.
M’n herinnering aan wat voorheen was is niets meer dan een nageboorte waar ik zo snel mogelijk vanaf moet. Stoorzender, trauma, overlast.
Ik snap dat men waarschijnlijk niet meer begrijpt wat ik bedoel. Ik vermijd de hete brij, noem geen namen, ga niet in op details.
Ik ben moe. Om 1 of andere reden die er niet toe doet voor anderen, maar waar ik wel veel over praat. Ik wil andere dingen dan moe zijn. M’n mond houden zou helpen.
Schrijven wil ik. M’n vingers verwoesten van voortspringende elastische tot later verstroevende bewegingen over ‘t toetsenbord om vooral niet te verliezen van wat er in m’n kop zit aan nodeloze maar sprekende gedachten.
Nodeloos maar fijn.
Ik hoop dat men bij me blijft. Ondanks mij. & Wat ik schrijf.

We verlaten ‘t verlaten in Zijperspace.

Verlatingsdagboek XV

Mocht ‘t nou zo zijn dat ik een proces ben, mag ik dan wel praten?
Praten over wat dat proces inhoudt. ‘t Verklarend toelichten van wat er aan de hand is.

Ik denk bij mezelf dat ik te weinig woorden heb. Ik wil hier alleen maar uitleggen wat er met me gebeurt. Wie ben ik & wat overkomt me? Waarbij ik moedwillig wil vergeten wat ‘t allemaal veroorzaakt heeft.

Nee, vergeten is een groot woord. Ik wil niet dat iemand te weten komt wat daar de exacte oorzaak van is. Niet regelrecht via deze weg. Men mag ‘t wel vermoeden, maar daar moet ‘t bij blijven.
‘t Verdient de aandacht niet. Dat ik er moeite mee heb, dat zij zo. De oorzaak moeten we links laten liggen & laten verpieteren.
Ik vind mezelf wel een methode om dat te verwerken.
Ik ben er al mee bezig. Tenslotte kan ik niet anders. Elk moment ademt & doet de tijd verder gaan. Ik ben een proces, zoveel is wel duidelijk. & Een schepper heeft die geschapen.
Waarbij ik steeds sterker denk dat ik zelf de schop hanteer.

Sterker moet, sterker doet goed. Scheppen & schoppen ook.

Dan komen we tenminste ergens in Zijperspace.

Verlatingsdagboek XIV

‘Ben jij Zijperspace?’ wordt er tijdens m’n werk vanuit ‘t niets aan me gevraaagd door iemand die me ooit vroeger regelmatig las.
Ik wil me wel Zijperspace voelen, bij zo’n vleiende vraag van herkenning, maar weet dat ‘t tegelijkertijd eigenlijk niet zo is.
Dus antwoord ik: ‘Ja.’
Vooral uit verwondering. & De wens voor erkenning, die tegelijkertijd herkenning heet.
Hoewel ik niet weet waar dat laatste gevoel ontstaat. Vóór m’n antwoord of daarna.
‘t Verleden is al heden geworden voor ik eerlijk geantwoord heb.

Zijperspace lijkt ‘t geheel van een gevoelsleven, met ondefinieerbare grenzen. ‘t Bestaat in alles wat ik schrijf, maar gaat voor mijn gevoel ongemerkt niet voorbij aan de omheining van pennenstreken & toetsenborderupties.
Ze zijn mij. Ik adem hun. Als in uit. Zelden in.
Dus is er een beperking van wat ‘t is. Zijperspace.

Zijperspace is geen waarheid. & Zoals ik me door ‘t dagelijks leven begeef ben ik dat zelf wel. ‘t Ligt zelden benevens ‘t besef van wat waar is in mijn hoofd, maar ‘t kan elke keer veranderen. De dag, ‘t tijdstip, m’n humeur, van alles kan van invloed zijn op de eerlijkheid van ‘t zijn van ‘Dit’.
Waar ik nu de letters van m’n toetsenbord neerleg, dat vastgelegde ‘Dit’. Niet meer te corrigeren, voor altijd daar. Dat ‘Dit’.
Maar ‘t ‘Dit’ van wat zich in m’n hoofd begeeft, rond woelt, fout denkt, goed somtijds, maar dat eerder per ongeluk, op andere momenten daar ergens tussenin zweeft, dat beoogt ‘t zelden te bereiken. Je zou kunnen zeggen dat ‘t niet verder komt dan gissen.
‘Dit’ híer is niet meer dan ‘raden naar’.

Ik wil me Zijperspace voelen. Uit trots voor al die teksten die ik ooit na zal laten. Trots op mensen die me gezien hebben in ‘t voorbij gaan.
Maar ik bereik ‘t zelden. Steeds moet alles beter zijn dan wat er straks aan woorden op papier staan.

Er is echter geen wit vel in Zijperspace.

Verlatingsdagboek XIII

Ze zeggen dat ‘t straks minder wordt.
Dat zeggen ze niet daadwerkelijk, maar ik zie ‘t ze zeggen. Een mond is groot die zwijgt. Ik zie ‘t ze beginnen te zeggen, zoals ik zelf al vaak genoeg ook ben begonnen te verzwijgen.

Minder wordt alles. ‘t Laat zich aankondigen dat ‘t zo gaat gaan. ‘t Geheel, ‘t overgrote geheel van waar ik nu aan blijf denken, waar ik niet van afgeleid kan worden, wordt straks vergeten als ‘t daar tijd voor is. Ik ben straks niet meer dezelfde als voorheen. & Ik word weer meer zoals de omgeving verwacht van mij.
Zoiets.
Dat ze me straks weer kunnen velen. & Ik niet meer steeds weer dezelfde verhalen vertel.
Ik weet dat eenieder dat eerder heeft meegemaakt, maar ik ben me er ietwat te veel van bewust.

Ik hou m’n mond, heb ik me van begin af aan voorgenomen.
& Dat doe ik ook wel, maar tegelijkertijd ook niet.
Ik zeg dat ik niet wil storen, een normaal beeld wil scheppen van de situatie, eerlijk ook. Maar daar stroomt die vloed alweer, waar ‘t eb had moeten zijn.

Ik wil dijken, ik wil dammen. M’n mond houden, de stroom woorden regulerend. Sst, sst, sluipzachtend stil laten kabbelen, niemand pijn.

Ter voorkoming van dijkdoorbraak in Zijperspace.

Verlatingsdagboek XII

‘s Ochtends vroeg begint ‘t al, waar ‘t toentertijd, de periode waar ‘t me aan doet denken, zich eerder in ‘t begin van de avond aankondigde. Als ik voorbereidingen trof de stad in te trekken. Als de 1e gedachten zich voordeden over wie ik mogelijk tegen zou komen daar, of ze me zouden zien & genegen waren woorden met me te wisselen. Slechts een enkele keer had ik daarbij al fantasieën van zoenen, misschien zelfs van seks. Maar dan begon m’n buik te branden, kreeg ik met moeite eten door m’n keel & wist ik dat slechts alcohol de woeste golven in m’n buik tot bedaren kon brengen. Maar dat was nog uren te gaan.

Nu dus ‘s ochtends vroeg. Door de puberale associatie van dat weeë branden van m’n maag ontstaat ‘t idee dat er vandaag iets gaat gebeuren. De zenuwen zitten bij mij immers in die regionen verstopt, m’n vermoedens & intuïtieve vooraankondigingen ook. Dat heeft god de heer bij mij abusievelijk allemaal in die ronde bal daar midden in m’n lichaam gepropt, hij had geen enkel ander plekje kunnen vinden waar nog ruimte was; halverwege van boven naar beneden coördineert ‘t daar m’n stuipen, m’n trillingen, m’n hortende & stotende zuchten en alles wat nog meer oncomfortabel voelt, maar van ongeduldige verwachting schreeuwt & dreint.
O nee, ‘t zijn beslist geen vlinders. Maar ‘t vertelt mij wel dat er iets te gebeuren staat in de loop van de dag.

Dat ‘t niet klopt, dat ik dat inmiddels dondersgoed weet en dat ik er aan ‘t eind van de dag niet teleurgesteld over ben, eerder opgelucht, maar dat ‘t de volgende ochtend zich weer zal laten gevoelen, dat maakt ‘t nog vermoeiender. Ik wil geen pubersensaties door m’n lijf heen voelen walsen. Zeker ook niet ‘t gevoel opgedrongen krijgen dat de dag zich niet had ontwikkeld zoals bedoeld.

Daar was ik in gedachten mee bezig toen er op gegeven moment 2 vroegbejaarde amerikaanse dames, vast aan ‘t cruisen met een schip & veilig in Amsterdam aangeland, m’n aandacht opeisten. 1 Van de 2 dan. Zij wilde bier, dat voor haar zoon bestemd leek te zijn, met me afrekenen, maar bovenal van me weten of dit iets heel speciaals was, dat wat ze op ‘t punt stond te kopen, voor iemand die verstand van bier had, een connaisseur zogezegd.

Maar ik zag tegelijkertijd de andere vrouw staren. Ze tastte mijn handelingen & woorden af. Ik vreesde daardoor voor mijn oprechtheid & routineuze nonchalance in ‘t gesprek met haar vriendin & keek haar juist daardoor stuntelig door de bij mij veroorzaakte verlegenheid soms recht in de ogen. Ik kon niet anders, haar ogen keken recht bij mij naar binnen. Zo strak & tegelijkertijd zo berustend dat ik me realiseerde dat ik zo’n blik nog niet eerder had gekend.

Toen stelde zij plots, haar smartphone inmiddels in haar handen, de vraag of ze een foto van me mocht nemen. Haar ogen nog steeds indringend op mij gericht. Een lichte lach vergoelijkend op haar lippen. En waar ze daarvoor terwijl ze stil stond steeds dichter naar me toe leek te komen, nam ze nu 10 cm afstand, haar smartphone gereed voor ‘t moment van mijn toestemming.

Ik zei: ‘You think I’m as handsome as my mother used to say I was?’
& Ik zag mezelf als baby die kon praten.
Zij zei: ‘You remind me of my late brother.’
We hadden 2 doden tussen ons in staan, bedacht ik me, doden die nog niet verzonden waren. Maar ‘t zou goed komen nu.
Ik glimlachte zoals ik zou willen dat m’n moeder zou willen dat ik zou willen. Daar ergens tussenin.
Maar voordat ik me dat besefte was dat smartphone-moment alweer voorbij.

‘You 2 look beautiful,’ zei ze, m’n moeders woorden indachtig. ‘You both always been.’
Ze deed een paar stappen verder achteruit, richting deur.
Haar vriendin nam haar tas bier op, volgde haar die paar stappen & ze verdwenen kort daarop samen uit de winkel. Zij achteruit lopend, haar priemende ogen nog steeds berustend op mij gericht.

Haar ogen waren groen, haar broers baard rood. Zover ik mij kan herinneren als ik me dat zou kunnen herinneren.

Stormen tijdelijk voorbij in Zijperspace.

Verlatingsdagboek XI

Soms wil ik fluisteren.
Zachtjes twinkeleren van hoe ‘t met me gaat.
Hé, hier ben ik. Dit is waar ik ben. Maak je niet ongerust. Straks ben ik ergens anders.

Maar die fluistertoon raakt alweer verloren als ik die woorden gebruik. Ze schreeuwen harder dan ik me voorgenomen had.
Alsof ik op jullie zit te wachten & niet gehoord heb dat jullie al gearriveerd waren. Ondertussen lipoefeningen repeterend.

Ik doe dat wachten evengoed wel. Maar er is niets wat ik terug krijg als ik dit schrijf. Moet ik blijvend aan wennen.
Ik ben lang geleden hier aan begonnen. Blog, relatie, whatever.
Maar ik ben dus nog net zo ver als toen ik 3 weken geleden een beslissing nam & alles achter me liet waar ik me lange tijd lekker bij voelde.

Poeh, lange zin. Te veel inhoud. Veel zijwegen ook. Zonder dat u dat merkt.

Ik ben elke dag blij als ik de gelegenheid krijg andere mensen te zien.
Veel te blij. Schuldig bijna dat ik dat zo voel. Ik steel andermans gevoel.
Schrijven doe ik daarna pas. Oprapen wat er in m’n geheugen aan gevoelens begraven zit.

Ik wil dat er gelezen wordt. Dat wat ik zeg mogelijk zin heeft. Ik die m’n hoofd heeft gestoten, z’n hoofd daarom door blijft stoten, net zo lang misschien tot ‘t tot bloedens toe stil houdt.
Dus geen beelden meer. In ieder geval niet meer van die verkeerde beelden die me bedriegen of me juist exact vertellen hoe ‘t er op dit moment voorstaat.

Zijperspace is.