Pleeboek

Dat je je hand er niet voor hoeft om te draaien. Als alles vanzelf. Je moeder toekeek & anders er een tante was die je onderbroek wel even op de juist stand kon trekken.
Volgens mij waren dat de donderdagen, want vrijdag gingen de 4 zussen op boodschappen. Terugkerend met bonnetjes voordat de rekenmachine bestond & er wel eens koffie gemorst werd tijdens die afterparty shopping, ze waren hun tijd qua englisch ver vooruit.
Maar er waren zussen tussen die een fotografisch geheugen hadden. Dan kwam ’t altijd goed. De 3e had een rekenmachine laten implanteren voordat die techniek standaard werd, & oja, die techniek bestond nog niet eens.

De tantes dus; er waren 5 broers, dus waren er 6 van ’t vrouwelijke soort. 1 Van hen was m’n moeder.
Bovendien ben ik de tel kwijt. Moeilijk om al die overleden familie nog ff te bellen. M’n broers die wél alle begrafenissen af zijn gegaan liggen vast te slapen. & Of ze op me zitten te wachten als dat niet ’t geval is: dat is ook maar de vraag.

De volgende generatie zit zich straks af te vragen of ’t wel 6 broers waren.
Die zullen allemaal wel dezelfde behandeling gekregen hebben, zullen ze denken. De tantes verlekkerd dat ze nog eens konden, tussendoor de kinderen die ze zelf daarna nog mochten ontvangen. Blij ook met de gezamenlijke boodschappen, een enkeling met de grote wekelijkse schoonmaak bij m’n moeder thuis, plus dat beschamende moment dat ik naar de wc moest.
Of als eerder: de luier had vol gepoept.
’t Gaf de aanwezige tante alleen maar een extra glimlach. Snoeziepoezie, hoewel dat woord toen waarschijnlijk nog niet bestond; ik moet een gedeelte ook maar uit mezelf proberen in te vullen. Maar die jongste tante heeft ’t misschien wel zelf uitgevonden. Lang voordat ze zelf kinderen kreeg.

Neusknuffelen tussendoor ’t poep verschonen. ’t Was tenslotte geur van ’tzelfde bloed.
Onderwijl: ‘Brrrblllwwwbieuw’. & Ander babytaal. Kroelen onder de kin, met 3 vingers wroetwrijvend over de buik. & In dezelfde ommezwaai de luier vervangen.

Maar ’t ging om die wc dus, maar we kunnen ’t ook stoelgang noemen.
Ik heb ’t idee dat ik van ’t praten erover, dat taboe nadat ik een zogenaamde pleeboek had volgeschreven, doodleuk hangend aan een spijker op de wc beneden, besmet ben met een overigens niet lang niet altijd besmettelijke ziekte dat schrijven heet, want ik poepte dat pleeboek vol, dat was er ook voor bedoeld, met rijmpjes over schijten, scheten, piesen & sassen.
Ideale rijmwoorden. & Dat boek nodigde ertoe uit.
Lege regels waren er te vullen. & Ik had tenslotte schrijven geleerd 2 jaar ervoor.

‘Stel je voor dat er visite komt,’ zei m’n moeder op een gegeven moment.
Er kwam tenslotte daadwerkelijk visite, bij mijn vader de directeur, voor de jaarlijkse vismaaltijd: gebakken scholletjes. M’n oma had ’t helpen bakken.

Ze hebben samen bekokstoofd, waarschijnlijk een tante als hulp, immers ook in de keuken aanwezig, mijn stoelgang te verdoemen.
Nergens een remspoor van mijn 1e dichterlijke vrijheid was er de volgende dag nog te vinden. Slechts een afgekoelde gebakken schol als ontbijt, vlak voor school.
Mijn vaders reputatie evengoed gered.

’t Pleeboek nergens teruggevonden in Zijperspace.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *