P’rongeluk

’t Schoot me plots te binnen. Hoe ’t zou zijn. Waar m’n emotie zou zitten & hoe ik ’t anderen zou vertellen.
Zoals ik vroeger ook dacht dat ik plots te horen zou krijgen dat m’n moeder dood was.
Inderdaad, de gevoelens ervaren. Kijken hoe lang ’t duurt voor de tranen & waar ze vandaan komen.

Ik voel me dan enigszins hufterig. Over andermans leed, observeren hoe ik zelf van binnen werk.
Probeer ’t dan meteen goed te praten door mezelf voor te houden dat ’t werkelijk niet zo is. Ze zijn nog niet dood, immers.
& Dan een denkbeeldig pets op m’n wang, platte hand vol vlak, vanwege ’t woordje ‘nog’.
Of ik er op zit te wachten. Te wachten tot ík werkelijk word. Niet op andermans dood, maar tot ik weet wat me iets doet.
Dat iets me wat doet.

Evengoed weet ik dat wel. Zoals bibberen bij de dokter. Stotteren bij de Arbo. Haperen bij ’t UWV.
Geef me officiële instanties & je raakt me op m’n bot. Of ik mezelf.
Inmiddels weet ik niet meer wie de tranen creëert. Traanloos bij ’t graf van m’n moeder & ermee strooien naar mannen die er niet toe doen.
Misschien was ’t Tineke, die er bij was om de controle te bewaken, dat ik ’t mocht laten gaan.

’t Is inmiddels al even geleden. We hebben ’t over meer dan een paar maanden. Maar evengoed komen ze zo af & toe weer.
’t Kan geen kwaad, zeggen ze, zegt men. & Ze zeggen ook dat ’t goed is.
Maar steeds de angst dat ’t z’n weerslag zal hebben. De pets van mezelf om een gebrek aan echt. Een gemis aan intentie.
Alleen de plots zit er volop. Ik stapel een hoop perongelukjes & laat ze dan kort de vrije loop. Prop ze onderwijl naar binnen, herbegin m’n zin & hoop op welslagen.

& Dan bedenk ik iemands begrafenis om te weten wie ik ben.

Zijperspace bestaat bij de gratie van leegte, somtijds.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.