Reisverslaan

Je vertrekt.
& In een andere regel kom je weer thuis.
Daartussenin moet zich iets afgespeeld hebben.

Hoewel er vaak genoeg niets bijzonders gebeurd is. Wie ben jij nou om een reisje NL als iets speciaals te pretenderen als er een paar fietstochten zijn afgelegd. Wat is een ritje op de fiets met de versie oerdegelijk in vergelijk met licht & efficiënt bepakt & soepel op dreef.
& Zoals vanzelfsprekend vice versa. Met vanzelfsprekende varianten op andere vanzelfsprekendheden.
Tegelijkertijd mag je je wel afvragen waar ’t begin was & waar ’t eind. & Hoe komen die punten & alles daartussen bij de ontvanger binnen. Waar ligt ’t verloop & is de tocht belangrijker dan ’t doel. Of de vraagteken die er ergens onderweg wordt gesteld.
& Kan dat expliciet. Of juist niet.

Zo ging ik van Nijmegen terug naar Amsterdam. Na ’t eerder in omgekeerde volgorde te hebben gefietst. Je wil tenslotte ergens terechtkomen om iets mee terug te kunnen nemen.
Catharsis, ontwikkeling, ledigheid, liefde, bloei. Een begin- & een eindpunt, met de bergen & dalen daartussen.

Hoewel de aanvang voor mij een groots moment is, komt dat doorgaans in de schaduw te staan van de uiteindelijke thuiskomst.
Ik had een prettig verblijf in Nijmegen. Geheel op mezelf in gezelschap van 2 behoeftige katten & idem konijnen. Mijn verlangens waren overwegend bier, beweging & eindedaags vermoeidheid. Ik had er weliswaar meer van willen maken, maar bij ’t lezen van boeken op de rustgevende bank overviel mij die doorgaans vroegtijdige bovenmatige behoefte aan rust.

Dus laat ik ’t maar over de thuisreis hebben. Waar ik mezelf ontwikkel, alles van mezelf bij elkaar haal & uitvergroot.

Ik beloof mezelf vooraleer ik begin ’t dit keer kalm aan te doen. Ruimte & tijd te nemen. Te genieten van ’t afscheid van wat me voorbij gaat. De bloemen & kleuren vooral, want fietsend beleef je de rest niet al te veel. Nog wel de wolken die gaan & komen, passanten die jouw tempo tegengesteld of geheel niet hebben. Alles wat komt op de korte duur af moet staan aan de volgende tijdelijke aandachtskandidaat.
Maar al gauw is de tijd datgene wat me alsmaar meer overheersend bezighoudt. De benen dwingen daar toe. Ze staan niet stil, draaien hun rondes & willen een steeds prominentere rol spelen in de uitstap die bezig is voorbij te gaan.

Slechts de passanten die tijdelijk dezelfde kant op lijken te gaan zijn een daadwerkelijke gebeurtenis. ’t Schuilen onder een appelboomgaard met een vrouw die mijn voorbeeld volgt & haar man die schuchter mijn voorbeeld weigert, met een conversatie die ikzelf moet openen op ’t moment dat ’t afscheid door de dunner wordende druppels zijn intree doet. De vrouw een goedlachse maat, de man die toegeeflijk zijn vrouw in een joviale groet solidair is.

Of de buschauffeur die me een blik gunt als ik mezelf een zwerver denk terwijl ik uitlaadt, bier uit een lekkend aandenkblik van al m’n spullen wegwas, spoel, zondroog, daarbij nog even de hulp van op dat moment spaarzame regendruppels inroep, maar plakkerig armoedig een scheut in de rug ervaar & m’n rol van vuilniszakkenzwervende zonderling nog wat sterker beleef.
Gelukkig is daar m’n aparte pronkende transportfiets die me uit doet staan bij de racefietsen & dorpsgenoten. & De buschauffeur die alles aanziet & geduldig wacht tot ze weer voegt in haar tijdschema & mij m’n gang laat.

Ik bel de afspraak voor de volgende dag af, als ik geen overtuiging meer denk te hebben met zo’n rug nog normaal te kunnen functioneren. Ik voel de tranen prangen als ik geloof voel als ik m’n verhaal heb gedaan & donderdag als vervangend moment wordt gevonden.
Ben nog maar halverwege de tocht.

De meters gaan dan vliegen, want ik wil de kilometers niet meer voelen. Hoewel ze in alles opgeschreven staan. De bomen die voorbij flitsen, net niet snel genoeg, de dorpen evenzo. De straten van Utrecht, wat een opluchting lijkt want ik blijk m’n stadse overzicht in snelheid niet in ’t gezapig raderende zuiden verloren te hebben.
Maar de berichten van de me wachtende parkparty stromen gestaag sneller binnen op m’n telefoon annex routeplanner, dit onder druk van de wel of niet vallende regenbuien. Ze doen m’n winst van de binnenstad teniet doen & de wegen vanuit haar centrum rechter in z’n oneindigheid lijken. Vooral als ’t kanaal zich aankondigt in z’n vergezicht onder opnieuw veranderende wolken.

& Dat wil ik dan allemaal vertellen bij aankomst op een amsterdams veld.
Stiekem toch.
Hoewel ’t vooral m’n benen & rug zijn die praten. & ’t Non-communicatieve.
Want corona heeft ons een communicatie bezorgd die niet overeenkomt met wat mensen als ik meemaken die somtijds toch mensen nodig hebben om daar woorden voor te kunnen vinden.
Elkaar niet aanraken is niet erg, maar de introductie tot kort dichter bij te zijn, bij iemand aangekomen: je vraagt je af (jíj vraagt je af) waar je dat moment aan kan herkennen.
Waar is de reis gebleven als de woorden een ander niet heeft geraakt?

Zijperspace is thuis.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *