Je niet kunnen voorstellen ooit nog te kunnen schrijven. Daar begon ’t mee. Wat natuurlijk eindigheid blijkt, de mogelijkheid ervan. De lippen opeen geklemd straks, ’t toetsenbord slechts gebruikend om te kopiëren, de steeds tragere herhaling van de eigen gedachten tot de slijtage zich laat winnen, & je uiteindelijk alles gekopieerd hebt.
Maar daar ging ik zitten, ondanks de sluipende regen; ik vertrok bij droog, maar de dunne druppels wilden mij overwinnen. Me mismoedigen, teleurstellen zo u wilt.
Die kilometers had ik niet voor niets afgelegd, ondanks dat een e-bike daar allerminst moeite mee heeft. Dus bij aankomst haalde ik alles uit de bakfiets tevoorschijn wat ter bescherming aanwezig was. Een flacon sterke drank, een blik bier, een boek. & Nog wat oude stukken stof, die mijn bips…
Nou ja, men weet wel: die mijn bips niet te veel nattigheid zouden bezorgen. Zo bovenop ’t resultaat van fijne, dunne regen. Die altijd erger lijkt als je des te sneller fietst.
Ik deed een plasje, dat moest zowiezo, op m’n daarvoor voorbestemde plek, die zich nog steeds door voorgaande stappen paadjevormend liet leiden. Laat ik ’t een 50-tal keren hebben afgelegd, dan heb ik ’t waarschijnlijk naar beneden afgerond.
Na dat plasje, hoewel ik m’n regenjas, dikke voering, al tevoorschijn had gehaald, kwam er opeens geen nattigheid meer schielijkerwijs mij bevochtigen. Kon ik mijn boek tevoorschijn halen.
Daar zat ik dus. Mij. M’n boek.
Ik vloeide de lucht vanaf de kaft. De lichte lucht, de toch, na mijn plas, fijne druppels, weer opnieuw aanwezig. Ik was besloten, had besloten, om bij elke veelvuldigheid van ’t fijnmoezige effect van vochtigheid de tocht terugwaarts te gaan. Had me tenslotte gister ook al nat laten gieten.
Maar ik zat. De plas er uit, de druppels van boven onderwijl steeds meer van dun gehalte, allengs zich aanpassend aan mijn wens; ik had van enkele stukken onbruikbaar stof mezelf een kussen gecreëerd voor de uweetwel bips, me voegend, me comfortabel verpakkend in een dikke laag formaat regenjas.
Nergens voor nodig uiteindelijk. Want waar de verpakking zich toevoegde bleef de vochtigheid als tegenwerkende kracht weg.
Dus.
Zat ik daar.
Boek. Ida Gerhardt op mijn schoot. Maar nog geen letter gelezen.
Komt een vrouw op fiets voorbij, vanuit de richting van Driemond.
‘Hé, je bent er weer!’
Hé, ik ben er weer. Dicht bij ’t water van de horizon die ik slechts voel, niet zie, rondom mijn bomen, stilzwijgende elzenknoppen, elzenproppen, nat trekkende planken die mijn zitplek me niet comfortabel laten voelen, maar wat wil je: je, de ik die ik ben, vlucht de kou in, straks de warmte uit. Ik stoot mijn hoofd 100-maals.
Maar ik ben er weer. Hoewel ik haar niet kende.
De ingewikkeldheid. ’t Aftasten van hoe goed je de voorbijganger kent. Hoe blij je kan zijn herkend te worden. Ook al ben je slechts een boek. Omgeven door bank
Zonder punt in Zijperspace