Voor ’t voorstellingsvermogen, klein of groot: ik ga op stap om m’n boek te lezen. ’t Boek waar ik gebleven was de vorige dag; van pagina 10 tot 200, ergens daartussen, voor de zekerheid altijd een reserve met me meenemend voor als ik sneller lees dan kometen reizen, de geschiedenis van eeuwen zich laat schrijven, de biografie van m’n ouders zich laat vertellen & nog wat van onmogelijke timewarps.
Ik weet maar nooit.
Dan wordt elke keer bewezen dat m’n manier van woorden spellen zich niet wil meten met aan de mezelf voorgestelde snelheid aan inlevingsvermogen, ’t leven van andermans fictioneel leven begrijpen, tegenwoordig vooral proberen te vatten wat de natuurlijkheden zijn, de beestjes, de planten, schimmels, etc…, waar ze grip op hebben, wie de wat is in de insectenwereld, waar de boom een andere levensvorm tegenkomt & hoe zich dat verhoudt.
Daar verlies ik mij in een ander verbeeldingsvermogen.
Wil ik dieper duiken.
Niet meer los laten.
Maar vertraag tegelijkertijd in voorgesteld beperkter tijd voor leeflengte. Timewarp in reverse.
Ik geloof ook dat ik traag lees daardoor. Waar meester van Garderen de klas (4 Havo) ooit vertelde dat Trudy de meeste boeken las, nadat we allemaal onze leeslijst van afgelopen jaar hadden ingeleverd, maar dat ik (een trots gevoel dat ik zelden daarna meer heb ervaren) de meest literaire boeken had verorberd.
‘Moeilijk,’ zei hij, Huib, want zo is zijn naam misschien daardoor mij eeuwig bijgebleven.
Een streling op ’t juiste moment. Want moeilijk moest, was mijn richting als ’t om literatuur ging. Waar ik me tegelijkertijd vaak in heb vergist.
Albert Alberts & Nescio uiteindelijk hebben overwonnen.
Maar ik nu uiteindelijk terug, of opnieuw grijp naar alles natuur: ’t is nog net niet te laat om dat nog te kunnen doen.
Ik weet inmiddels dat ’t er straks niet meer is. De boeken verbrand, waarschijnlijk dit keer niet door mensenhand (maar wel in 1e instantie), maar bovendien: de rest ook van wat we hadden kunnen behouden.
Ik betreur bij voorbaat mijn boekenkast in Zijperspace.