Tussenspettertjes

’t Was een paar dagen dat ik (lang) naar buiten was geweest. Slechts m’n bakfiets verdiende die aandacht. Er mocht zich geen gelegenheid voordoen dat hij meerdere nachten opeen hier in de straat, voor mijn deur zou blijven staan. Aangezien er regen, storm, werd verwacht, had ik ‘m naar veiliger oorden gebracht. Weliswaar nat, maar zonder aantrekkingskracht voor anderen.

Vandaag haalde ik ‘m uit stal.
Hoewel de winden nog niet waren gekalmeerd. De spetters nog steeds onbetrouwbaar. & Ik me moest voorbereiden op de daarmee gepaard gaande onderhevige lichaamstemperatuur.
Maar ja, er was een eenzaam lonkend bankje in ’t Diemerbos. & Gelijkgestemden, hoewel van verschillend allooi, dien je op een gegeven moment elkanders gezelschap te gunnen. Mocht ’t tellen duren, mocht ’t een bepaalde mate van nat of kou betekenen, we konden ’t allicht proberen.

Met de ‘bak’, zoals ik ‘m in gedachten gemakshalve ben gaan noemen, boodschappen wezen halen, gelijk wetend dat ’t weer zich koud voor zou doen; kleding, tot ’t mogelijk overbodige toe, er in opslaand. Me vervolgens, naast andere inkopen, een whisky gegund voor straks, zonder glas, dus slechts een nipje in vooruitzicht, een teugje, een voorproefje van stiekem een fles aan de mond voor kort moment, slechts wanneer niemand keek.
Maar daar vroeg ’t weer niet naar. Voorbijgangers waren hier niet op voorbereid zoals ik, wist ik. Ook al zou ’t droog blijven. Mogelijk.

Dat bleef ’t niet. Al vanaf ’t 1e moment dat bank mij verwelkomd had, reeds enige dagen mijn aanwezigheid moeten missen, drupten de ijldunne maar toch aanwezige druppels. Ze deden zich een licht gevoelen. & De plastic vuilniszak rondom mijn kussenzachte bescherming tegen keihard houten planken van de bank was een wijs besluit.
De stormjas, een kado van Ed, omdat hij mij vorig jaar zo’n goedkope aanbieding niet kon misgunnen, bij die bijna miezerige spatjes, maar gestaag voortgaan, evenmin.
Ik borg m’n 2 boeken, de keus waar mijn ogen de letters & woorden zou gaan volgen, onder de waterdichte ritsen, veilig op mijn minstens 4-laags diepe buik. Mocht ondertussen dus van de whisky proeven. ’t Blikje bier openen. Naar de leegte van slechts met 1 passerende gezondheidsrenner vervuld turen.

’t Wachten startend. ’t Geduld tomen. De planken trachtend. Sommige spikkels. Splinterdun. Geen stroom kunnen veroorzaken in al hun hoeveelheid dan wellicht toch op m’n steeds groeiende blank kalende voorhoofd.
Tevreden. Want wie had bedacht dat ik hier zou zijn. Misschien de bank zelfs niet. Misschien ik zelfs niet.

Ik. De bank. Al spoedig mijn boek, over bomen. De spettertjes getemd.
Hier ben ik, dacht ik. Geen kou, geen vocht, niets van dat al dat mij hier weg kan houden.

’t Was een japanse dame die mij voorlas. Ze moest zo’n 70 jaar zijn geweest rond de tijd dat ze dit schreef.
Bomen hebben haar veel bezig gehouden. Ik voelde met haar mee.

Bank voelde dat evenzo in Zijperspace.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *