Tweeënhalf

Sommige zogenaamde grapjes over m’n sluimerende hypochondrie kan ik ondertussen beter laten. Zeker nu deze afwijking algemeen lijkt te zijn geworden. ’t Zou ook kunnen dat ’t in deze tijd niet meer raar is ermee behept te zijn. Ik maak nu deel uit van de druppels die een doorsnee buitje vormen.

Ik vertelde in spaarzame gesprekken dat ik 2½ keer had gedacht dat ik ’t te pakken had. ’t Was op waarheid gestoeld, maar hoe leg je dat halfje uit? Dus liet ik dat maar in ’t midden. Inmiddels was mijn ervaring dat ’t gesprek er moeiteloos overheen stapte, want tenslotte had iedereen er iets over te zeggen. Dat van die experts, dat zijn we inmiddels inderdaad allemaal. Maar omdat je niet alles tegelijk kan volgen, slechts een enkeling die nog geobserdeerder was, had iedereen wel een nieuwtje die je gedurende ’t corona-praatje als aanvullende informatie ertussenin kon stoppen. Zodoende werd de wijsheid genivelleerd & werden we allemaal lid van ’t RIVM inzake ’t ongevraagd via de sociale media advies geven. & Was dat halfje van mij ondergesneeuwd.

Ik werd als vanzelf op m’n plek gezet, gewoon tussen de rest van de meute die in ’t ochtendlijk ritueel bezorgd met de zakdoek de neus droog veegde, twijfelend de keel schraapte & wat klonken we met z’n allen plots hees bij de dagelijkse 1e poging tot conversatie.
Maar dat laatste kon ik pas controleren als ik iemand tegenkwam of anders aan de lijn kreeg. Dat gebeurt in vrijgezelligheid niet zo snel, zeker als je niet over ’t talent tot zelfconversatie beschikt, maar dat kwam nu wel heel duidelijk naar voren.

Ik ging niet naar de tuin, bij mijn 2 volle aannames dat ook ik een slachtoffer was geworden. Tenminste, dat was de bedoeling. In de loop van de dag, beide keren, voelde ik me enkele uren later toch redelijk opgeknapt. Ik zal wel de milde versie hebben, was ’t excuus voor de wetenschap dat ik alweer de ziekte had opgelopen die op dat moment ’t meest levensbedreigend was. & Omdat ik dat langzaam begon te beseffen, ik ’t m’n hoofd in liet sijpelen, kon ik me beter vast langzaam voorbereiden terug te treden in de maatschappij, na toch wel 12 uur daaruit afwezig te zijn geweest, door de 1e voorzichtige stappen te zetten in de tot dat moment nog steeds stille volkstuin.

& Dat halfje, dat was zomaar een extra snotverkoudheid, toegiftje voor ’t moeten missen van een echte vervulling van ’t noodlot dat mij toch eens zou moeten overkomen.
Als donderslag bij heldere hemel van ’t ochtendgloren had ik zoveel druip aan m’n neus dat ik bang was dat mijn 3 laatste pakjes papieren zakdoeken nooit zouden kunnen voldoen. Daarbij niet vergetend me ook nog zorgen te maken over m’n overvolle koelkast & vriezer, of die 2 in de weken die ik verstoken van verse boodschappen wel zouden zijn opgewassen op deze zorgwekkende situatie.
Halfje, omdat dit de ziekte niet zou kunnen zijn. Dit was ordinair & inmiddels ouderwets, waar ik maar snel vanaf moest zijn, want 3 dagen later zou mijn verjaardag in eenzaamheid van max 2 man gezelschap plaatsvinden.

Morgen vier ik dat ik alweer een maand niet te maken heb gehad met zelfinbeelding, opgelegde doemscenario’s & toch ook ’t ontberen van reële lichamelijke ongemakken. Ik heb me laten vertellen dat mensen die ’t doorgaans wat moeilijker hebben, in deze tijd van crisis ’t hoofd wat rechter kunnen houden. Er is genoeg vergelijkingsmateriaal van anderen die ’t gedurende deze corona-periode ook niet zien zitten, waar zij juist al een tijdje gewend zijn aan een continue crisis.
Ik ben niet zo’n persoon. Ik kom eigenlijk niet eens tot dat halfje. ’t Nadeel is alleen dat ik dat achteraf pas weet.

Alleen maar druktemakers in Zijperspace.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *