voetbal

‘Is jouw voetbal wel ‘ns doormidden gesneden toen je klein was?’ vraag ik aan de man die de opmerking maakte. ‘Alleen maar omdat-ie terecht kwam in de tuin van 1 van de buren.’
Er voetballen 2 kinderen op ’t terras. Maar voetballen mag je ’t nogeneens noemen. Een tik van vader tegen de bal & ze rennen er 5 minuten achter aan zonder de bal te kunnnen bereiken. Gewoon omdat-ie verder zwiebert sneller dan de beentjes kunnen hobbelen.

De buurman van onze buren had er op een gegeven moment genoeg van. Roodgloeiend kwam-ie door z’n garage naar ’t achterpleintje lopen.
‘Dit is de laatste keer dat jullie ‘m terugkrijgen. De volgende keer kunnen jullie 2 helften op komen halen.’
We begrepen er niks van. Als we vanuit de slaapkamer van m’n broertje naar z’n tuin keken, konden we ons niet voorstellen dat-ie bang was voor schade aan z’n planten. ’t Waren grootdeels tegels die z’n tuin sierden.
Maar bang waren we wel. We hadden maar 1 bal. & Pa & Ma hadden ons ook al gewaarschuwd.
‘Jullie kunnen er toch voor zorgen dat de bal niet omhoog gaat. Dan kan-ie ook niet over de garages vliegen.’
& Toch gebeurde ’t elke keer. Per ongeluk. Hoewel ik Carel ervan verdacht doelbewust tegen de bal aan te loeien. Dan kon-ie weer ’t dak opklimmen om ‘m eraf te halen.
De buurman van de buren zag er normaal altijd ontzettend aardig uit. Een gemoedelijke oude man, zou je denken, die veranderde in een norse vent die op ’t punt stond uit elkaar te ploffen zogauw-ie een voetbal in z’n handen kreeg.
& Weer riep-ie: ‘De volgende keer snij ik ‘m aan stukken!’

De 2 kinderen bezitten nog niet de voetbalgerechtigde leeftijd. ’t Lijkt zelfs alsof ze voor ’t 1st een bal in levende lijve zien. Zo enthousiast als ze zijn over z’n plotse wendingen. Alleen maar doordat-ie tegen een been opstoot.
De heren zitten op enkele meters al uren met elkaar te praten. Zoals elke vrijdag. Nog net niet op leeftijd, maar ’t vermoeden bestaat dat ze gedrieën vrijgezel ’t leven zullen voltooien.
Baldadig van ’t genoten bier roept 1: ‘We rennen er op af, pakken de bal, & gooien ‘m midden op de weg.’

M’n ouders waren nog maar net verhuisd. Vanaf de 1e dag kwamen er ballen in de tuin terecht. Mijn vader heeft zich altijd aan tuinen gehecht. Hij heeft ook altijd begrepen dat kinderen moeten spelen. Een speelpleintje nodigt er toe uit.
Hij gaf de ballen terug. Vroeg of de kinderen misschien een beetje wilden oppassen. Omdat er allerlei zeldzame plantjes in de tuin staan.
‘Ach, ouwe vent. Zit niet zo te zeuren. Wij zijn hier alleen maar aan ’t voetballen.’
M’n ouders zijn om die kinderen snel naar een ander huis gaan zoeken.

Op ’t moment dat de baldadige opmerking wordt gemaakt, arriveer ik bij de tafel van de 3 heren.
‘Is jouw voetbal wel ‘ns doormidden gesneden?’
‘Ach ja,’ reageert er 1. Hij begint met z’n hand over z’n gezicht te wrijven. Plukt wat aan z’n sik. ‘God. Nou!’
Z’n lichaamsbewegingen verraden veel wroeging. Z’n wenkbrauwen trekken, een grimas ontstaat. Hij knijpt z’n ogen dicht. Z’n armen gooit-ie los van de stoel. Beide handen heeft-ie nodig om de herinnering in z’n gezicht te bezweren.
De andere 2 zitten stil te kijken hoe de herinneringen bij hun vriend opspelen.
Die hebben vroeger zeker nooit achter ’t huis gevoetbald, denk ik.
De 2 kinderen gieren voorbij, terwijl hun vader de bal alweer de tegengestelde richting op heeft gestuurd.

Zijperspace is een vat van tegenstrijdige belangen.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *