wandeling (dl 1)

‘Hoe gaat ‘t met je?’
Ze lijkt een oud-docent van de school waar m’n vader directeur van was. Zeker weten doe ik ‘t niet. Braaf stel ik me al handenschuddend voor als 1 van de zoons. Hoewel ik weet dat dat niet nodig is. Wie kent niet de zoons van m’n vader?
‘Slecht,’ antwoordt m’n vader.
‘Ik vind anders dat je er goed bijloopt.’
‘Ik heb Parkinson, zie je.’

We beven onzichtbaar in Zijperspace

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *