neus

Ik & m’n spiegel communiceren. Weliswaar niet al te vaak. Hooguit 2 keer per dag. Maar we hebben ’t over elkaar, met elkaar. ’t Is jammer dat ik bijna altijd m’n mond vol met tandpasta heb zitten op zulke momenten. Ik moet ’t dan hebben van de non-verbale communicatie. M’n spiegel ook. Daar zijn de spiegel & ik beiden blijkbaar goed in.
Hij trekt z’n wenkbrauw op & ik doe ‘m na.
Ik wil daar altijd even bij nadenken.
‘Waarom doe je dat nou?’ denk ik dan door m’n mond te krullen.
‘Dat wou je toch zelf?’ is z’n antwoord.
Schamper kijk ik terug. Waarop ik m’n blik naar beneden werp. Om de schijn op te houden dat ik nog steeds druk bezig ben m’n gebit van een frisse & onderhoudende beurt te voorzien. Ik murmel & sputter wat, laat enkele witte vlokken uit m’n mond lopen richting wasbak, hef m’n hoofd weer een beetje om te kijken hoe ’t me staat, zo’n mond vol glanzend witte tanden & zet m’n mond strak. Zodat zoveel mogelijk tanden tegelijk strak in ’t gelid van de spiegel staan.
‘1, 2, 3, Strak!’ denk ik erbij.
De spiegel doet mee.
Maar trekt er helaas wel een gekke bek bij.
’t Lullige is dat-ie ’t heel stiekem doet. Onopvallend. Hij zet me voor mezelf voor aap op ’t moment dat-ie denkt dat ik ’t toch niet zie, dat ik even niet oplet. Alsof ik niet weet dat ’t topje van m’n neus niet wit hoort te zien.
Zo’n bijna 4-kant stukje vel, met ’t uiteinde van een botje er onder. ’t Eindbotje van je neus. Of in ieder geval mijn neus. Dat steekt dan opeens wat meer naar voren. ’t Zal een millimeter zijn. Misschien iets meer. Dat wil zich dan opeens naar voren dringen. Maar dan geheel op zichzelf, met achterlating van de rest van de neus.
Terwijl de rest van de neus nog rood ziet van de voorgaande dag, misschien de afgelopen nacht, laat ’t topje zich wit kleuren. In een rond tot 4-kant puntje. ’t Is geen gezicht.
Ik kijk dan streng. Waarschijnlijk nog overgehouden van ’t commando ‘Strak!’ ’t Overdonderende van de aanblik van de spiegel speelt echter ook mee. Ik ben helemaal niet gewend m’n aangezicht zo te zien spiegelen. Een gezond gezicht met een witte punt die vooruitsteekt.
’t Is eigenlijk niet ‘ns een punt. ’t Heeft vermoedelijk wel een oppervlakte van een cm². Of in ieder geval de helft ervan. Op een menselijk gezicht vind ik dat een behoorlijke proportie vergeleken tot de rest. Vooral omdat ’t een wel zeer bepalend onderdeel is van ’t aangezicht.
’t Is ook de kleur die er achter steekt, die me danig uit m’n gemoedstemming brengt. Een crème-achtig wit, waar nog net de onderhuidse dunne adertjes doorheen zijn te ontwaren. Sommige blauw, anderen roze. Bij gebrek aan bloedtoevoer worden ze tot die roze gloed veroordeeld, die kleine haardunne adertjes. Blauw wordt vermoedelijk door ‘tzelfde euvel veroorzaakt, maar ik waag me na verwijdering van ’t spiegelbeeld te geloven dat ik ’t eigenlijk niet gezien heb. ’t Was er wel, maar ’t was er niet. Ik wilde ’t blauw zien om te geloven dat ik dat uiterste puntje van m’n neus door ’t bekkentrekken aan ’t afknijpen leek. Die rozige gloed echter, tegelijk met de algehele schijn van crème, die doen mij denken aan de tijd dat ik nog mee-eters had. Van die voortijdige mee-eters. Die er om schreeuwden vooral voortijdig verwijderd te worden. Veel te vroeg bleek dan uiteindelijk. Daarom dat ik ze voortijdig noem. Die dus extra pijn deden, waarbij de actie op niets uitliep, behalve een week lang een rode put, of witte bobbels op enkele andere plaatsen, & vooral niks bijdroegen in ’t doen wegebben van de witte gloed die over mijn aangezicht hing.
Dat was in de dagen dat ik niet alleen bij ’t tandenpoetsen in de spiegel keek. Spiegel & ik moesten nog aan onze onderlinge communicatie wennen; we waren druk bezig elkaar te trainen in omgangsvormen, waarbij uiterlijke voorkomendheid een pre was. Ik ging er in die dagen vanuit dat als ik niet zou kunnen communiceren met m’n spiegel, ik dat ook niet met leeftijdgenootjes zou kunnen, zeker niet met die van ’t vrouwelijke geslacht.

Bovenstaande is allemaal niet zo erg. Ik vind eigenlijk wel dat je spiegelbeeld je best op ’t verkeerde been mag zetten. Wie denk je immers zelf wel dat je bent? De imperfectie hemzelf? Of de tegenhanger ervan?
’t Is alleen zo vreemd een dergelijk onderdeel van ’t aangezicht op deze leeftijd te ontdekken.
‘Ploemp!’ door m’n schaper plompverloren midden in m’n tronie geplaatst.
Alsof ’t er daarvoor nooit was & nu pas van zich doet spreken. Of dat ik er jaren mee rondloop, in ’t dagelijks leven me begeef onder de mensen & bij bepaalde gezichtsuitdrukkingen ’t verschijnsel tevoorschijn tover, zonder dat ik daar ooit van op de hoogte ben geweest, & bovendien: zonder dat men mij daarover inlichtte. Omdat men, de mensen die dapper genoeg zijn om op- & aanmerkingen over m’n uiterlijk te durven plaatsen, dacht dat dat nu 1maal een vast onderdeel was van mijn algehele verschijning. Men nam dat puntje op de neus maar op de koop toe. Niets aan te doen, dat witte, crème stukje huid, waar een beetje flexibiliteit in lijkt doordat ’t bovenop een zwevend stukje bot zit geplakt, dat hoort nu 1maal bij Ton.

& In Zijperspace wist men al die jaren van niks.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.