Belastinghulp

Ik ben de tijd in de gaten aan ’t houden. Morgenochtend een afspraak met de belastinghulp. Een vorige afspraak ging verkeerd vanwege weersomstandigheden. Treinen vertraagd, paden onbegaanbaar, ov onmogelijk.

Na die zin getypt te hebben moest ik 10 seconden m’n adem zien te reguleren. Misschien langer, maar dan moet je in & uit zien bij te houden, de adem dan.
Daar ben ik niet van gediend. Dan word ik eeuwige paniek door daar aldoor bewust van te zijn.

Dat weten mensen vaak niet, slechts een enkeling.
Maar van de rest weet de belastingdienst tegenwoordig wel, maar ze weten dan weer niet wie van de studenten in opleiding daar tegen opgewassen zijn. Zo stel ik mij dat voor.
Hoe wakker ik bijv morgenochtend ben. Hoe wakker ik de komende nacht ga zijn.
Bang ook dat de komende afspraak ook niet door zal gaan.

Ik ben inmiddels een bibbermens. Barrières om me heen gebouwd van veiligheden.
M’n schouders inmiddels omhoog getrokken terwijl ik dit type. Als van dat niemand dit hoeft te weten, maar die spanning in tekst vertalen, dat lijkt een noodzaak. Schouders die tot ver boven mijn kin stijgen inmiddels, kramp vanuit de bladen achterop m’n schouderrug, richting die verdoemde nek uitstrekkend.
God niet waardig.

Sinds enkele dagen hangt een rondcirkelende langemouwshirt om m’n nek. Om te voorkomen vooral. Dat de pijn die heerst, niet altijd bewust, niet groter groeit, door extra warmtebehoud. De bewustheid ervan ook uit ’t oog verloren raakt. Mijn nacht geen doorklaterende podcasts nodig heeft. Wellicht dat ik mijn eigen mijmeringen vlak voor slapen gaan kan beleven als genoegdoening voor dat gemis. Maar liever als vanzelfsprekend, geen opvulling.
Dat er een mogelijkheid ontstaat om aan vroeger te denken. Niet uit heimwee, niet uit verlossing van de somtijds pijn, noch van ’t per se herbeleven.

Maar meer de veelvuldigheid van in tijd bestaan. Dat de herhaling er is, jezelf hervinden, de iteratie ervan. De lach van ’t kind dat ik was op familiefilmpje, een dansje doent op weet ik veel welk verjaardagspartij.
De lach, de stommefilmpjeslach overal om me heen; er leken tantes te klappen. ’t Onmogelijk hoorbare klappen van de tantes met de handen op hun knie.
Spijtig dat m’n moeder me later liet weten dat ik te veel aandacht trok.
Ten koste van.
Ja, ten koste van. Ik besef ’t achteraf.

Er zijn houten kerkbanken bekleed met gebeden spijtbetuigingen in Zijperspace, maar daar heeft de god vast niets van geleerd.

De onverborgenheden

Gemakshalve denk ik dat iedereen die ik ken ’t al weet. Je praatgrage mond, ’t niks onverbloemd willen laten, de hele derrie van altijd per ongeluk eerlijk willen zijn, zich allang al voorbij, voorbij, voorbij.
Een afgesleten punt. De jaren hadden de scherpe kantjes er vanaf doen slijten; dat staat in m’n achterhoofd geschreven, heeft zich laten schrijven, een groot gedeelte van de rest doen slijten.

Ik ben de ‘je’. Die iedereen doet veronderstellen dat men dat wel weet. ’t Afgesleten paspoort: wat iedereen checkt zo gauw je nader komt. Je krijgt ‘m zonder verdere interesse teruggeleverd.

Ik stel u voor: zij had haar ouders de deur uit gestuurd, want hier kwam hij, de ik, zijn spullen ophalen. Wij hadden, min mijn vader die de auto reed waar mijn spullen van eeuwige tochten zwervend naar onderdak nu juist terug richting Den Helder in vervoerd moesten worden, een laatste afspraak.
Alles wat haar aan mij kon herinneren aan mij, alles wat mij zou bevrijden van mijn onbevredigende zoektocht naar een vaste slaapplaats in Amsterdam. Een omarming van meisjes, ’t waren er heus niet veel, zorgden voor een zeer tijdelijke vaste woonplaats. Een herkenning van wat Amsterdam was. Zou kunnen zijn, een schreeuw van welbehagen als ik middernachts niet hoefde na te denken dat waar ik sliep slechts een tijdelijk bed was, tijdelijke warmte. Een slurpend bestaan.

Den Helder werd vervolgens mijn kot. Ik hoefde niet meer te denken dat ik nog ergens anders heen kon. Alles wat mij nog overkwam, was vast niet meer dan alles dat mij overkwam. Verwondering over wat mij was overkomen, dat wel; geen mogelijkheid om dat te omarmen.

Een telefoontje plots van een vader. Helders ook, ik was in die stad teruggekeerd, vader van een andere vriendin, om een lang verhaal niet al te lang te maken.
Hij stamelde. & Ik had spijt dat we toen nog geen bevestiging op een beeldscherm kregen van dat de identiteit aan de andere kant klopte met wie je vermoedde dat de beller was. Dat gebeurde toendertijd nog niet.
Je moest ’t doen met ’t herkennen van de stem. Ook al klonk ’t op z’n donkergrauwst. Een trage somberheid, mij verzekerend dat ik iets moest doen wat hij niet kon.
Ik heb gedaan wat hij me vroeg & zijn dochter bezocht.

Daar vermoed ik dat ik iets overgeslagen heb.
Maar ik zat opnieuw opgesloten in Den Helder, opgesloten in een verleden die inmiddels opnieuw opgebouwd moest worden. Alle gelijkjaars van school waren, als ik, vertrokken. & Die terugkeerden leken, net als ik waarschijnlijk, op een gegeven moment onherkenbaar.

Er gingen mensen dood in die tijd, in Den Helder. Ik was te paranoia om ze daadwerkelijk, oog in oog, tegen te komen, maar kende er overdag velen van. ’s Nachts kon je ze beter vermijden. Ook al had je naast elkaar in de schoolbank gezeten.

Ik heb haar niet zien sterven, Pim, maar heb haar brief gelezen. Kon haar geen antwoord geven.
Geen antwoord. & Dit is ’t evenmin.
Ik heb haar zien huilen toen ik in mijn 1tje stond te dansen in de kelder van De Plak in de Utrechtsestraat.
Dit is een antwoord, dit is zoals ik ’t nu geschreven heb. Zij was niet verslaafd zoals ik dat heb gekend, ze wilde hooguit mij. Wat ik haar…
Wat ik…
niet kon geven.

Toen was ze dood. Even later.
Er was iemand die me dat kwam vertellen. Ik woonde alweer een tijdje in de vergetelheid van Den Helder. Zag in die tijd de junkies weer, al dan niet bekend, sterven, soms hoorde sterven, via berichtgevingen in de plaatselijke krant, van vanzelfsprekend horen zeggen. Wat mij heel normaal leek. Hun dood.
Je raakt er op een gegeven moment aan gewend. Je kende ze, vaak hooguit van een uitgedroogd & troosteloos gezicht. De halfpaniek, de noodzakelijke dwang iets uit je te kunnen trekken.
Daar was ik naar teruggekeerd, Den Helder. De aanvoerlijn toentertijd. Ze stonden op ’t station om de smag te ontvangen, voor verdere noodzakelijke verdeling in ’t Amsterdamse.

Ik had, ik kreeg, slechts een door mij uiteindelijk onbeantwoorde brief, van haar.
Email heeft ze nooit gekend. Maar ook dat is geen excuus.

Er is niet meer dan dat in Zijperspace; dit zijn de woorden.

Di-eten

Ik moet aan alle voorwaarden voldoen. Er mag al jaren niets fout gaan. Wat er voor heeft gezorgd dat ik extra van mijn maaltijden geniet.
’s Ochtends, tussendoor & ’s avonds.

Ik haal 3 crackers tevoorschijn. Pulk ze uit ’t plastic met een aardappelschilmesje. Geen makkie, meer een kwestie van pielen.
Voordeel tegenover vroeger van brood invriezen: de planning is mijn, niet afhankelijk van ontdooien.

Vervolgens ’t beleg.
Waarbij de humus begint: een lekkere laag bovenop de zaadjes sesam die ’t zweedse bedrijf heeft laten plakken op hun crackers. Ik ga ze alle 3 af; ze krijgen zo goed als evenredig. Daaroverheen hennep-, pompoen-, een mix van nog wat anders, plus chiazaad. Van alles een beetje, wat als vanzelf blijf plakken op de 1e laag van plakkerigheid.
Wat niet plakt raapt m’n natte vinger op. Dan heb ik kort een natte tong nodig om die vinger op de juiste manier te instrueren dezelfde weg net bagage terug te gaan.

Kwart stukjes olijf, in partjes gesneden augurk, een willekeurig uit de kast gegrepen kruidenmengsel in Frankrijk bemachtigd; pittig of knoflook, anders een ratjetoe met peterselie; alle 3 met diverse varianten.
Nog ff wat kappertjes erbovenop.

Waarna vervolgens plakjes kip/kalkoen, van allerlei allure. Dubbelgevouwen, want anders past ’t meestal niet in de breedte.
Met een flukse beweging 1tje stiekem in de mond. Om de hongerstil, want ben alweer zeker 10 min bezig.

Kaas. Oud, extra belegen, liefst nog ouder, waarvoor ik dan wel 1st een ritje naar H’sum moet afleggen.
Tenzij ik een pil heb geslikt, om lactose weer een keertje te kunnen willen proeven. Maar ik merk dat de huidige variatie daar steeds minder behoefte toe veroorzaakt.

Olijven. In kwarten verdeeld per cracker.
’t Wordt inmiddels een mooie 3-vuldige dimensie. Alles opgestapeld, de geur die zich inmiddels in diversiteit verspreidt.
Maar nog niet klaar.

Spruitgroente. Elke dag anders; Appie verkoopt ze in bakjes van 3 varianten, je moet ze er op volgorde van hun rangschikking variabel uit zien te plukken.
Ik prefereer de pittige spruitverpakkingvariant. Die andere, milde, bak smaakt nergens naar. Terwijl ze bij mij juist een harde confrontatie moeten aangaan met alles wat al aanwezig is op de cracker.

Nog wat ijsbergsla in smalle reepjes, zodat ’t de daaropvolgende laag kan opvangen.
Vergruizelde nootjes eroverheen vandaag, pistache & hazelnoot.

Morgen ga ik voor ’t 1st een gekookt eitje daar ergens tussen al die lagen proberen te frommelen. Ze liggen al gekookt in de koelkast te wachten. Misschien een laagje tussenuit de andere laagjes plukken om ’t te vervangen door pesto-tappenade, want nog over van verblijf in Frankrijk (voordat dat dan weer over de datum gaat).

Zo onvoorspelbaar blijft ’t dieet op glüten/lactose-vrije crackers. Maar een verrassend avontuur in de morgenstond evengoed.

De rest van de dag evengoed ook in etensmaal-Zijperspace, vol onverwacht.

Morgenkomst

Ik zal fit op moeten staan. De dag beschouwen, zien wat komen gaat.
De fiets in de gang laten, zonder hem vertrekken.
Een wandeltocht. Richting apotheek, ook richting nieuwe brillen die nu echt wel een noodzakelijkheid gaan zijn.

Dus niet wat zomaar komen gaat, maar eerder wat zich vlak voor middernacht zich laat plannen. In de hoop tegelijkertijd dat de slaap die planning niet weg gaat dromen. Er straks slechts restjes van de voornemens in m’n ooghoeken verborgen zullen zitten als ze niet meer toegeknepen zijn.

De sneeuw de schuld geven. Die onttrekt vocht aan mijn helderheid. Van ogen, van plannen, van voortstapwaarts,
De lucht droog zolang ’t wit op de stoep blijft staan. Mijn stapvoets over straat daardoor de dag laat verkorten. M’n opgeslotenheid zich verkrampt zogauw ik weer thuis ben.

Ik zal fit moeten zijn. De wereld van morgen moeten proberen te verslaan.
Hoewel ik niet naar de verwachting heb gekeken, van wat morgen voor mogelijkheden geeft. Bang overvallen te worden.
Bereid me derhalve op ’t ergste voor: niet op de fiets richting de nieuwe medicijnbevoorrading. Doe de loop, de wandel.
De volgende dag een nieuwe reis om ’t uit de muur te halen & hopen dat ik in 1 keer de juiste medicijnsbevrijdingscode weet in te toetsen.

Ik zal zoet zijn. Mezelf in laten dutten in mogelijk gemoedelijke stemming. De dekens over m’n hoofd, op net niet stikkens toe, maar wel de ademtocht zijn verwarmingsplicht laten vervullen.
Want alles is recyclebaar. Ook mijn ongerustheid over de volgende dag.

Mogelijk ook wat daar op volgt in Zijperspace, de dag van de morgen na morgen.

Onvoorwaardelijk

De hond die op de achterbank zit, enigszins beteugeld door Tineke maar ook weer niet altijd, die likzoenen probeert te geven aan wie ze maar kan bereiken aan de voorkant van de auto. De hond wiens liefde onvoorwaardelijk is & waar wij gedwongen worden dat af te wijzen.
Ik ’t weer in de gaten houdend, de afstand van mogelijk slecht weer, de mate van vorderen van een volgende kletsbui van natte of misschien wel op de weg knerpend moeilijk doordringbare sneeuw. Onderweg naar de weg terug. We naderen ’t omslagpunt gestaag, waar daarnet in straks verandert.

We zijn op weg. De weg van straks niet weten wat een week lang vanzelfsprekend was. 1 of 2 honden aan je zij. Uren weg, met of zonder menselijk gezelschap. Bergen op, heuvels af. Zo als ’t zich liet voelen. Pogingen tijdens korte pauzes boeken te lezen, maar daar niet al te veel in slagend. De kou, de kou. ’t Peinzaam staren naar omgeving, ’t gras, ’t gewroet op de achtergrond.
Dan ook de vervreemdende sneeuw, de rijp eigenlijk, zoals ik dat ontwend ben, de vorm, de verbindingen van de hoek om, de ene na de andere vertakking waar dat verschijnsel zich in kan vormen, maar toch zo gelijk blijft.
Dezelfde waarde, maar anders uitwisselbaar.

Een reden om op te staan. De honden daarbij te storen in hun gewroet, hun speuren naar ongrijpbare geuren in de aarde, naar misschien wel bereikbaar water. Drinkbaar, behapbaar water, niet rijp, noch bevroren. Soms ’t gras likkend met hun ontdooiende tongen, in de zomer verkleed als halmen, maar waar zij nu zelfs likkend over ’t ijs van de krappe sloot, likkend slikkend naar energie om mij voorbij te kunnen lopen. Straks rennen, elkaar jennen, de droge keel alweer vergeten.
De uitdaging van elkander geeft ze onvermoeibaarheid. Waar ik mezelf achter hun aan sleep, nog weer een paar hellingen, wetend wat de weg is, de kortste, & zij ondertussen alle kanten op kunnen gaan, als ze niet afhankelijk zouden zijn van een flinke bak vocht, een volgende gevuld met brokjes. Ze, na die bak op de plek van ons onderdak gevonden te hebben, zich vervolgens kunnen opsluiten in een onverstoorbare dut, slechts zich oprichtend als ze volgens een mens op een verkeerde plek hebben genesteld.

’t Lijken sufferds in dat gedrag, maar ’t is zo onvoorwaardelijk. Ze lijken op de bergen die ik nog steeds wil bestormen in weliswaar inmiddels traag tempo.
Maar heerlijk te verdwalen, zodat je merkt dat er meer leven in ’t lijf zit dan van tevoren verwacht.

& ’t Inmiddels niet al te vreemde huis in Zijperspace je weer welkom heet, een vette begeleidende lik over de rug van hand.

DeVroegNaarBed

Daarnet m’n 2 jaar jongere broer gesproken, tevens in Frankrijk tegenwoordig. Soms voor werkzaamheden terug naar Den Helder.
Daarnaast vanochtend contact gehad met Tineke, terwijl ik de laatste noodzakelijke pillen voor een kleine week aldaar op een onmogelijk tijdstip te pakken moest zien te krijgen. Uiteindelijk zelf de weg gevonden waar 1st een doolhof was in de zorgsector van op 2e Kerstdag medicijnenleverantie. Maar vooral in m’n hoofd, ’t speelde vooral weer in m’n hoofd.

Waar soms onverwacht ’t zicht op de weg zich weer laat herpakken.
Daarbij gedacht aan m’n oudste broer, tussendoor de regels van wat me niet nog meer stress zou geven, waarom hij niet de dingen kan oplossen die allang afgesloten zouden moeten zijn.

Me voorbereidend op vertrek richting Frankrijk. Waar je blij naar uit moet zien, de neus niet voor moet ophalen, de angst als vanzelfsprekend gepareerd dient te worden, ook al hebben we vorig jaar onderweg 19 auto’s langs de weg verongelukt zien staan, gekanteld, over de kop, half in de berm, meermaals op elkaar, gelukkig aan de kant, of onderweg weggesleept te worden.
Ik hou derhalve de weersverwachtingen in de gaten, maar weet tegelijkertijd dat je dat niet als vanzelf 2 maal op een rij gebeurt.

Ik wacht op Tineke, wacht op slaap, wacht tot de maaltijden, mijn beperkte maaltijden zodat ik mijn verblijf aldaar overleef (iets te theatraal, maar men wil de auto immers niet naar iets gaat ruiken dat niet op te houden was), diepgevroren, klaar voor vervoer zullen zijn. Een rantsoen in houdbare wording.
’t Is tegelijkertijd geen zielig zijn; meer een bezorgd zijn dat anderen geen last hebben van.
Evengoed dat de een vooral niet de mogelijkheid overkomt een ander te ruiken, zodat jij op 1 of andere manier wat duidelijker aanwezig bent.
Dat is een nachtmerrie. Behoed mij.

’t Gaat niet zover komen, want zover is nog niet geweest. & Men is voorbereid, als ik. Maar dan net iets minder.

Maar ’t is vooral, vooral, de twijfelachtige vooral, dat ik, hoewel we als ik daar ben met z’n 4 mensen plus 2 kalme vuurwerkloze honden zullen zijn, m’n weg weer zal moeten zoeken. De paden die mij al bekend zijn vertrouwd moet laten maken, bij de stap, de stap, de stap daarop. Dat ’t zich herhaalt, zoals een berg op dat doet, omdat ’t meer moeite kost zoals in ons platte land dat gevoelen doet. Ik wil nieuwe wegen bewonderen, díe die ik nog niet eerder gevonden had, maar wel weet van had, een omloop maken, een rondje, waardoor de staart zichzelf kan bijten.
Mezelf wil bijten, zoals een hond z’n plotse jeuk aldaar. Een genoegzaam voelen dat ik weer iets, dankzij de hond(en), heb volbracht.

Er in Zijperspace is nagedacht.

Jaap

Ik plaats een titel & schrijf verder. In de hoop dat de gedachte zich van een enkel woord in een plukje van mijn universum verandert. Dat daar opeens flonkeringen gaan gloren, als in sterren aan ’t Helders strand, waar we lang niet allemaal van afwisten, maar waar onder hun invloed wel een verhaal rondging. Een zoemen, van brabbel dat over dat kampvuur resoneerde, de meisjes gloorden in ’t oranjerood schijnsel dat zich ook weer reflecteerde. ’t Verhaal dus rondging dat dragend was, de moeite waard tot schreeuwen over de vlammen heen, tot fluisteren rondom de warmte van ’t vuur.

Waar niets verloren ging, want we maakten dit voor ’t 1st, hooguit voor de 3e, misschien 4e keer mee. De laatste klas voor examens, of juist na afloop van examens. Gelegitimeerd te drinken. De riemen van ouders enigszins los.
Of anders deden we ’t evengoed.

Daar waar opeens iedereen naakt verscheen. We onder de Lange Jaap om de zoveel seconden ons elkaars lichaam deden ontdekken. De hups van borsten, de floeps van piemels die in draf de golven moesten bereiken. Waar we door ijverig meedoen onze gêne probeerden te vergeten.
Wanneer had je eerder een blote vrouw ontmoet. Hoewel ’t meisjes waren, maar die ontboezeming deed je beseffen hoe groot ze al waren. & Wij mannen nog sufferdjes.

De trots tegelijkertijd ’t te mogen aanschouwen & dezelfde tegelijkertijd net zo hard met je eigen lichaamsdelen mee staan zwaaien tijdens die run naar zee, struikelend over ’t rulle zand, want zomers droog, de spetters zilverblauw zien kleuren vanaf de 1e aanraking met zee, een plankton van zee, waar onschuldigheid verdween, de zeeplankton ons opnam & vervulde van een alom gelach, spetter, onderdompeling, opdat we nooit meer dezelfde zouden zijn.

Slechts herinnering. Slechts herinnering dat overblijft aan ons.
Wat spaarzame woorden. Een knoop soms in hart.
Misschien een eeuwig punt als de laatste tiptoets aan ons. Je weet wel, de laatste van ons, want waar de communicatie, ’t gesprek niet meer is, daar ben je dan ’t eindpunt. Er wellicht wat woorden van over zijn die zich af & toe laten spreken van de verhalen van toen. Een toespraak tegen beter weten zich in zichzelf herhaalt.
Een vage vooraankondiging ook van een volgende zonsopgang. De mensen die je desondanks daarna ook weer gaat missen.
Een ontmoeting soms, waar onze lichamen allang vervreemd zijn, maar toch een ontmoeting. Je herkent tenslotte elkanders gezicht. Vanuit de klaslokalen.
Maar herinnert, onbewust, de trage stralen van ’t voorbijkomen van de vuurtoren. De Lange Jaap. Een ritme in je leven.

Waar zonsopgang inmiddels de zonsondergang is geworden in Zijperspace.

Deze is voor Toyah (plus Ed)

Zo nogmaals teruglezend, onze onderlinge conversatie van afgelopen dagen, na Patrick vanavond als zogenaamde ‘hulptroep’ inroepend, stom genoeg omdat ik juist een erg goed gesprek had vanochtend bij D. (waar hij vroeger voor heeft gewerkt & de persoon in kwestie ook goed kende), etc…

Ik denk extra aan je omdat ik volgende week weer een kersttocht ga maken & in gedachten onze enerverende tocht van de vorig jaar omgekukelde auto’s aan de overzijde van de weg herbeleef. Ook ’t moment dat we op de linkerzijde ( onze kant gelukkig wel) van de 4-baansweg bergafwaarts reden, juist waar de meeste sneeuw, al dan niet opvriezende natte versie daarvan voornamelijk lag. Waar wij ’t warmer kregen, zwetend zelfs, ipv ’t voelen van de koude sneeuw waardoor dat veroorzaakt werd, de hitte in ons hoofd vooral voelend.
Daar waar wij een uitzondering leken, per ongeluk, van niet op de rechterrijstrook. Maar achteraf bedenkend vooral niet handig zo bedoeld.

Zo heerlijk dit avontuur steeds opnieuw vertellend, angstig natuurlijk tegelijkertijd. Maar jij m’n grootste held werd.
Er zullen nog zelden winters volgen zoals die. Je concentratie in m’n blik genageld. Mijn poging te tellen wat er aan de andere kant van de weg de eindstreep niet had gehaald.
Jij ons veilig uiteindelijk binnen in Varennes-sur-Amances hebt gebracht.

Ik weet niet meer, de spanning van toen er af, of ik je 1, 2 of driemaal omhelst heb. Maar ’t gevoel dat we ’t samen hadden gedaan. Waar jij vooral iets meer. We aan de drank gingen na de begroetingen, de uitleg dat de wc ’t voorlopig niet deed, de douche evenmin, maar dat we alles aan zouden kunnen.

’t Ochtendgloren van boven ’t dal als verwenning van Ed als toppunt toen er weer iets niet helemaal goed was gegaan, maar geruststellende uitzichten veel goed kunnen doen. Zeker waar niets ons lastig kon vallen. Behalve een schuchter god smekend kapelletje, op een geruststellende manier in traag zonnewinterschijn. Probeer je maar weer eens, een jaar later te herinneren hoe vroeg, hoe laat je opstaan moet, de kreupelslaapzame ledematen van slechts iets meer dan een dag aanwezig in dit dorp; probeer je maar weer eens zo op te rekken. Zo genoegzaam. Zo heerlijk dat je leeft. Je na dat kleine bergje terug met ons rijdt, Ed & mij, we samen broodjes halen, de rest van de dag er niet meer toe doet doen, ’t slechts meerwaarde aan toevoegt, hoewel we dat al hadden ontvangen.

Hij warmde onze rug, gelijk de opkomende zon vanaf de andere kant.

Jeweetwel, van dingen van vergeetjenietZijperspace, je leert ze slechts langzaam kennen.

Onverstaanderbaars

Waar ik de niet-begrijp niet kan vinden. Waar de wel-begrijp had kunnen bestaan.
Waar vrouwen geslagen, vermoord, vernederd & waar ik dat andere woord niet durf te benoemen. Te diep doortastend, te vernederend, te ver grijpend.

Laat me maar een paar nachten slapen. Ik heb al meerdere van diezelfde donkere woestijnuren van slapeloos achter de rug. Nog wat van de nachturen daarnaast, hiervoor gevuld door de vraag of ik ze wel zou kunnen doorstaan.
De laat me, laat me. Laat me nog wat ff langer
Want dat kermen van ’t ons beschamend zang kan ik niet aan.

Ik heb de vrouwen, meest in hun schoonste weldoen van pril & fatsoenlijk bekoorlijk, mogen aanschouwen. Hun keuzes zien maken, hun intiemst zien delen. Hun geneugten mogen bezoenen, als in wederzijds. Waar ik fouten, als eenieder, mocht maken. Zij, bijna vanzelfsprekend bekennend, wat moeizamer wederzijds. Qua vergissingen op een halve centimeter, waar een vrouw een meter al groot vindt op dat niveau.

Waar een zandkorrel uiteindelijk een woestijn wordt. De verlatenheid van veelvuldige misinterpretatie. ’t Zandstrand in zijn algemeenheid een andere klein korrelig elementje naast zich vindt & daardoor groot groeit van droogte, een gebrek aan zee, een kust die immerkalmte ontbeert.

Men is mij vast alweer lang verloren. Uit beeld, uit begrip, of de ‘on’ daarvan, voor samengevoegde woorden, uit mogelijk beter verstaanderbaars. Uit verkunstelheids, onverstaanbaars, niet samengevoegde woorden, uit onuitgenodigde samenvoeglijkheden van vrouwen die dit keer geen seks behoeven.

Probeer te tellen wanneer, of hoe vaak, u, man, zich beschaamd heeft.
Aan onwelvoeglijke tastelijkheden, of als foute taligheid in de man-vrouw-communicatie.
Of anders: waar uw (wellicht) onbenullig gedrag tot angst bijdraagt.
Want laten we ’t even benoem op de juiste manier:

U BENT ‘T MONSTER.
Zij is de vrouw.

Zo niet, dan leeft ze evengoed in Zijperspace.

Vers

Ik heb ’t woordje ‘vers’ weer eens durven door te drukken bij mezelf. Niet tot meerdere glorie, maar eerder zodat ik zelf tot meer frisse taal gedwongen word. Als in ‘Nieuw’, waar ik die titel, net als supermarkten, al veel veel vaker hebt gebruikt, waar ik eigenlijk evengoed bescheiden wil blijven.
Terwijl ‘Vers’ hier misschien nog klinkt als de veelvuldige herhaling bij de supers (moet tegelijk denken hoe vaak de ‘vaak’ ervan zich laat tellen hier, waarvoor excuses, maar ik heb ‘m nu weten te ontwijken), net zoals langs de kaartjes op de schappen van de verschillende ‘vers’-afdelingen in menig supermarkt. De mate dat ’t niet meer in die conditie blijft in hun aangewaaide koeling. Dat ‘vers’ tegenwoordig eigenlijk verborgen moet blijven. Een andere term, zodat ’t niet zo erg klinkt. Je gerust door kunt lopen als je dat product met die sobere uitdrukking niet wil kopen. Iets voor de anderen & de soberen.
De mate dus tegelijkertijd dat zo’n woord gedijt. In z’n omgeving, de situatie, al naar gelang ’t op enige manier voldoet aan wat ík eten wil, dat woord verrassend praat, ik daardoor een kromme zin kan schrijven, of een incidentele grap maak, van de diversiteit van niet verwacht. Een grap, hoe klein ook, is geen grap als er een korte houdbaarheidswaarde aan zit. Net als ‘nieuws’ tenslotte.

Dus daarbij overgaand: er valt niet zo veel ‘nieuws’ meer te genieten. Waarschijnlijk van al te veel reeds overkomen, misschien ook een vermoeidheid van waar dat nieuws dit keer ons toe gaat leiden.
Er is verveling, de milde vorm, er is een angst van herhaling, angst voor de traag zich voltrekkende overtreffende trap van wat al eerder is geschied; daarnaast de vraagtekens mbt wat wij aan ons denken hebben. Alsof de wereld overwoekerd is geraakt door een stelletje dumbo’s, de dat soort ‘zij’, die de macht elke keer naar zich toe weten te trekken.

Ik adem nog dapper. Blijf nog wat lucht happen. Boeken lezen, tegen beter weten in (bijna), want dat ’t waarschijnlijk op niets uit kan lopen: dit ook geen oplossing lijkt, kennis vergaren.
Trump gaat dood, Wilders ook; allebei straks, maar ’t zal toch een keer moeten gebeuren, daarnaast blijven nog wat onnozelen die denken dat alles te kunnen ontkennen.
Maar uiteindelijk eigenlijk iedereen die aan de eindigheid gaat lijden, de goeden alsook de kwaden, plus alles wat ook maar enigszins op hun lijkt. & Dat is maar goed ook.

Want ’t is maar niets met de zogenaamde ‘intelligentie’ die wij in de loop der tijd hebben ontwikkeld. Langzamerhand wordt dat een understatement die ietwat langzamerhander geen uitleg meer nodig heeft. We gaan ’t vanzelf steeds meer voelen.

Geef mij maar de berusting van de Dodo terug toen deze de ontmoeting met de westerse mens mee moest maken, de diversiteit van de vinken die Darwin tegenkwam op de Galapagos-eilanden, de tegen wil & dank eigenwijze voortplanting van de grutto tegen de hevige storm van verwoesting in. Of anders: de wilde voortplanting van diverse kleine soorten die een nieuw habitat hebben gevonden in de huizen van mensen. Dat die laatsten wolken mogen worden, de wereld overvloeden, de oogsten nu & in de nabije toekomst straks doen vernietigen waar geen verdelging meer tegen opgewassen is. Geen egyptisch gebed om verdere plagen te weerstaan tegen bestand, noch hemelprijzing enig vorm van verweer.

Graag een andere constitutie, zonder een zogenaamd ‘schuldvol’ soort als mens, zodat die zijn eigen tekortkomingen wederom poogt te kunnen vergeten. Op een verkeerde manier probeert te vergoelijken uiteindelijk.
Gewoon een nieuw begin, een zichzelf ontwikkelend fatsoenlijk verse intelligentie.
Ach, doe er ook maar een beetje nieuwsgierigheid bij, in de hoofden, of wat soort vorm ze mogen aannemen straks, van de wezens die straks blijken te bestaan, maar dat vooral niet te veel opgepompt. Voeg bij dat laatste ’t woordje ‘verwondering’ toe, in wat voor taal dan ook, voordat ’t voorbij gaat aan de bescheidenheid van ’t eigen tijdelijk bestaan.
Wat gezegd is is geweest. Zo zal ’t altijd zijn.

Zijperspace is bereid zichzelf te ontbinden, zonder dat ’t geschreven woord z’n eeuwigheid verliest.