Handhje

’t Gaat wel bweter, de volgende ochtend. De vingers strekken zich, zelfs m’n wijsvinger doet inmiddels ijverig mee. Ik weet alleen niet of ik nou controle verloren heb over m’n poink. De 1e die opgeknapt was, maar toch lijkt nou net die te bungelen over ’t toetsenbord. Ongericht doet-ie de ‘o’ waar-ie de ‘p’ zou moeten doen, of doet-ie die dubbelop. ‘[‘ komt ook regelmatig voor.
& Als ik m’n tekst teruglees, blijkt er ook iets aan de linkerkant van de toetsen mis.
Ik almaar denken dat ik inmiddels alles weer kan. De letters verraden me. ”t Zijn stomme fouten. Herhalingen, spasmes van herhalingen omdat de spieren er plezier in hebben nog een keer op & neer te gaan. Ze hebben een oncontroleerbare behoefte te stuiptrekken.

Waar ik de nacht had willen verlaten, die van daarnet geleden, nog geen 4 uur slaap, kriebelt-ie door m’n vingers, specifiek uiterst rechts.
Ik kan ”’t me inbeelden, ’t kan ook niet zo zijn, hoeveel fouten maak ik normaliter, is de pink niet een vanzelfsprekend onzeker fenomeen van m’n lichaam, de eeuwig gekromde, zodat-ie bijtijds aanwezig is voor de speciale klussen van de korte hoek?

Ik check gelijkertijd m’n geheugen. M’n toekomst doe ik er gemakshalve meteen achteraan. Van: wat voor zekerheid is er dat… Plan mezelf een komende avond alvast in, dit keer van: niet in slaap vallen op de bank, boek in de hand. Een door zwaartekracht & luie spieren kromgeslagen pols tot gevolg.
Ik zie zusters naast m’n bed. Bedenk gelijk: waarom moeten ’t altijd zusters zijn.

Hé, ik maak geen fouten meer.

Draai mijn pols & voel ‘knak’, hoorbaar. De verkromming van de vingers tastbaar, voelbaar.
Ziekenwagen doet m’n hoofd associëren. Met beelden dat je naar binnen gerold wordt, zonder ook maar iets van kuilen of hobbels te voelen. Zo’n ‘baar’.

’t Zal toch eens moeten gebeuren, een dergelijk scenario. Waarbij ik geen toetsenbord meer aan mag raken, de boeken mij hooguit voorgelezen worden. Remember de gesproken cassetteliteratuur La Sage ten Broek van Oma.
Ik had er niet eens zo veel jaren later, Oma allang dood, spijt van dat de duo-cassetterecorder toen nog niet bestond. Alle literatuur, gesproken, gekopieerd voor als ik zelf behoeftig naar ongeschreven taal zou worden.
Spijt herhaalt zich. Vermildt zelden. ’t Is een immer stijgende trap, die stilaan groeit tot een onneembare vesting.

Ik klapper met m’n vingers als ik weer eens m’n pink schijnbaar slapend aantref, waar de nacht ervoor juist wijzen moeilijk ging.
Doe maar je ding, fluister ik hem toe, we kunnen ondertussen bij de correctietoets.

Die onaangename dingen kan doen vergeten in Zijperspace.

handjekleinhandje

ik bel tineke. ze vraagt wat er is. ik leg haar uit. in zo min mogelijk woorden. ik ben rustig. nog wel. helder.
ze hangt even op. belt me straks wel terug.
stuurt me bericht met telnr.
hou je verzekeringsnummer bij de hand.
dat kan ik niet.
wat niet? bellen?
nee, verzekeringsnummer.
ik doe er een minuut over. steeds corrigeren. wil hoofdletters proberen, maar dat kost tijd. wil ook per se corrigeren. ook tijd. maar ’t is m’n eer te na. altijd goed & correct geschreven. mezelf gecorrigeerd, eindredacteur. zou ik dat nu niet kunnen.
ik ben een heer wat dat aangaat. m’n eer te na, opnieuw.

ik moet poepen, schrijf ik.
ze trekt zich daar niet zoveel van aan. wat nou, poepen?
maar ik weet ondertussen wat ’t is. alles wat aan m’n lichaam ontbreekt op dit moment. hoe hulpeloos ’t straks zou kunnen zijn als ik dáár zit. wc-papier dit keer aan de verkeerde kant. & m’n linker ongeoefend.

ik zou mond willen typen. m’n 3e hand willen creëren. ik heb gelezen, lang geleden, over mensen die hand hadden leren vervangen door mond. plus tanden.
daarnaast een man tijdens zomerkamp die zijn elleboog overal voor gebruikte, deur open, deur dicht (schouder was dan makkelijker) & die je altijd moest vragen wat hij nou had gezegd, tenzij hij vrolijk was.

olvg kaart lukt wel, schrijf ik.
maar zij heeft ’t nog steeds over bellen. ik twijfel of ik dat nog wel kan.
o, is ook goed, olvg.
maar heb je zorgpas niet standaard in je portemonnee.
nee, ik krijg ‘m er niet uit.

& ik moet me hier verontschuldigen, niet aan tineke, want die hoort mijn gedachten niet, dat ik bedenk dat ik niet aan m’n piemel kan zitten. niet plassen & dan nog wat van die dingen.
moet ik voortaan plasser zeggen tegen ding.
verdingd.
alles wordt eerlijk in m’n hoofd. niet dat ’t daardoor makkelijker wordt. ’t toetsenbord doet een minuut over 1 zin. dus terwijl ik ’t 1 bedenk ben ik al met ’t ander bezig voordat ik gezegd heb, daarna geschreven heb (je praat meer tegen jezelf als ’t niet meer vanzelfsprekend is), wat ik had moeten, oja, wat ook weer.

m’n hoofd op hol. terwijl ik ondertussen ’t nr indruk dat door whatsapp intoetsbaar is geworden voor m’n linkerhand. luidspreker aan komt tegenwoordig ook vanzelfsprekend tevoorschijn. misschien vroeger ook wel, maar nu ben ik me ervan bewust.
dingen veranderen als je je er pas bewust van wordt.

ik moet nog steeds poepen. terwijl ik tineke heb gezegd dat ze wel weer slapen kan. nadat ze ’t gevraagd heeft natuurlijk. uit mezelf had ik de verontrusting van ’t alleen moeten doen niet gedurfd. maar zij zegt dat ’t wel goed komt. een slap handje. met engelse term. drank & slaap. een hele verklaring die ik onzichtbaar zit te ja-knikken. er evengoed bij vertellend dat m’n boek nog vast zat in m’n handen toen ik wakker werd. dat ik ‘m er in 1e instantie niet uit los kreeg.
maar ja, m’n linker is ook best onhandig.

dat kan ik allemaal niet vertellen. nog net wel dat m’n linker, vlak voordat we contact los laten, m’n linker pink, nou ja, die aan de rechterhand zit, maar de linkervinger daarvan, nu 1 cm omhoog komt.
maar dan belt de medische post. de nachtdienst.
ik vertel m’n verhaal. ik zeg m’n verhaal. m’n stem klinkt goed. m’n rechterhand bungelt ertussendoor. om me er aan te herinneren wat voor nacht ’t is. wat de rest van m’n leven zou kunnen zijn.

zo kort nog in Zijperspace.

Ot

Wie heet er nou Ot? & Hoe herkenbaar is die titel tegelijkertijd.

De bardame kwam naast me zitten, want ze zag dat ik schrok dat er zo’n aantal bekenden, vaste klanten van hun, voormalige klanten van mij, gestorven waren in de afgelopen Covid-tijd.

Over doden niets dan goeds, maar als levende vaste klanten heb je op een gegeven moment wel genoeg van ze. Zijn ze misschien de grens van ‘whatever’ gepasseerd in hun vanzelfsprekende ontspannen poging met je te converseren terwijl je zelf aan ’t werk bent. Of is hun invoelingsvermogen voor ’t werk dat je doet nihil.
Misschien is dat 2 keer wat ik bedoel, maar ’t voelt dubbel.
’t Zijn aardige mensen, maar een barmens, of: een biermens, wordt hun gebrek aan invoelingsvermogen voor dat vak hunnerzijds wel eens moe.

’t Is droef te moede, evengoed. Ze zijn niet dood gewenst. Ze waren op hun beste tijden goed om mee te converseren.
Bier. Duitsland. Bierfestivals. Import. Documentaire.
& Nog zo wat. Als ’t maar voorafgegaan werd met bier.

Ot behoorde daar niet toe. Ook al werd hij wat vergeetachtig & warrig. Maar hij wilde doorzetten. & Een klager was hij in beperkte mate. Liever dat gniffellachje dat zijn eigen zelf misschien niet zo serieus nam. Dat een ongemakkelijkheid van een jeugdige verlegenheid moest verhullen.
Of whatever.

Ik sprak hem aan, toen ik college van hem had, als gast, over wat hij van Blokker vond. De president van filmsubsidies, de zelfbetitelde filmpaus van Nederland.
Ik sprak hem aan, want ik wilde van al die filmmensen, uit diverse geledingen, van divers allooi, wat ze van zo’n beperkende factor vonden. Ik vond dat ze eindelijk eens eerlijk moesten zijn tegenover mensen die mogelijk de komende 30 jaar de film- & tv-wereld moesten bestieren. Dat ze zouden duiden waar eerlijkheid lag in een wereld die voornamelijk over fake ging. Gedragen naar de rokken van degene die de dienst uitmaakte.
Een Roelof Kiers. Plus zijn naaste onderdanen. De filmpaus Blokker hemzelf erbovenop.
Maken & breken. Onder ’t mom van progressiviteit door subsidies te verlenen & af te wijzen.

‘Ik ken jou!’ zei ik toen hij met stapels lege flessendozen & -kratten aankwam. ‘Ik heb les van jou gehad!’
Waar hij mijn gezicht moest herkennen van voorstelbare jaren, werd ik me bewust van een gastcollege van niet meer dan hooguit 3 uur. Dat ook al naar boven afgerond.
Maar ik ben evengoed doorgegaan met schromelijk overdrijven als ik tegenover anderen mijn kennis over Ot wilde noemen. Dwars door de gniffellach, z’n overhangende snor, z’n schouders op standje eeuwig monteerwerk.
Terwijl ik hem onderwijl druk onderwees, op mijn beurt, over wat bier tegenwoordig betekende. Tussen ’t opruimen van al dat leeggoed waar al dan niet statiegeld op zat. (m’n collega’s accepteerden alles; ik zei dat-ie bepaalde flessen zelf in de glasbak moest gooien).

Hij zou er een documentaire over maken. Over bier. Hij moest ’t geld ervoor echter nog voor elkaar zien te krijgen. Maar ’t kwam er bijna aan.

’t Doet er niet toe wat ik over hem schrijf, wat ik me van hem herinner. ’t Zijn slechts hangstokjes voor een sfeer van een man die je bij voorbaat al vertrouwt. Die je meer dingen leert, tussen 2 glimlachjes door, dan een producer met een geldautomaat ipv portemonnee, dat bescheidenheid & nadenken siert als je er de juiste lach als vanzelfsprekendheid bijlevert.

Ik heb slechts 1 keer les van hem gehad, voor de rest stonden we op gelijke voet.

Ongemerkt is hij alweer een half jaar weg uit Zijperspace, overleden aan Covid, waar eigenlijk zijn hart had willen bezwijken.

Boekenkastverlangen (III)

’t Dak boven m’n hoofd was schuin, waardoor de kast naast me uit noodzaak dezelfde hoogte had als m’n bed. Ik werd dus wakker & kon m’n boeken daar fier staan prijken.
Ik heb ze op een gegeven moment geteld & was trots dat ’t al tot de 100 reikte. 1 Meer of 1 minder. ’t Afgeronde getal was echter makkelijker te onthouden. Bovendien zou ’t pietluttig klinken als ik zou pochen met 99 of 101. Tenslotte was ’t bovendien een uitdijend heelal, zo was m’n bedoeling, die in de toekomst z’n grenzen niet zou kennen.

Bij ’t in m’n hoofd reproduceren van ’t beeld van dat 1e rijtje (sterk komt de gedachte me te binnen dat er vast niemand in m’n vrienden-, nee: kennissenkring, dat was ruimer, zou zijn die op zo jonge leeftijd al een bieb van 100 stuks literatuur in bezit had) komt nagenoeg altijd m’n opa om de hoek kijken. De vader van Pa. Oma had er ook iets mee van doen. Die zal wel gezegd hebben dat ’t naar een liefhebber kon.
Allemaal Prisma-grootte. Dan kon m’n opa z’n leesvoer voor tijdens te bustocht naar Lourdes (waarom toch: z’n manke been zou op zulke hoge leeftijd toch niet meer genezen door dat heilige water) met zich meedragen in de zak van z’n nette pak.
Toen bleek dat ’t bedevaartsoord niet tot ’t eeuwige leven op aard had geresulteerd, of in ieder geval niet bij hem, kon de pocketliteratuur naar een ander onderdak. Oma was al begonnen met haar blikveld te ‘verkokeren’: de doktoren hadden haar verteld dat ze uiteindelijk alleen nog maar door een vernauwend puntje in haar blikveld zou kunnen kijken, dus de ruimte besparende kleine letters van dergelijke boekjes waren niet aan haar besteed. Groteletterboeken zouden in de loop der jaren vervangen worden door cassettes voorgelezen literatuur die we toegestuurd kregen van de stichting Le Sage ten Broek. Dan was ’t de taak van 1 van haar kleinzonen ’t bij haar langs te brengen & verplicht thee te blijven drinken, koekje erbij.
De heilige Bernadette zou ook bij m’n oma ’t tij niet kunnen keren, zelfs niet als al haar spaargeld aan talloze buspelgrimages zou worden besteed.

Achteraf bleek ’t slechts een onschuldig grapje, maar m’n ouders (was ’t m’n vader of anders door 1 van de tantes opgestookte grappende moeder?) hebben ooit gezegd dat Oma’s oogziekte erfelijk was, daarbij elke keer een generatie overslaand. Dus ik moest vaart maken met niet alleen ’t vergaren & vergroten van m’n collectie, maar ook bij ’t me eigen maken was enige haast geboden.
Hoewel ’t zomerse bollenpelgeld in die jaren niet toereikend genoeg was om aan die wens in een redelijk tempo te voldoen. Zeker ook omdat ik een verslaving aan stripboeken ontwikkeld had, waarbij ik een sterke voorkeur had voor ’t genre dat doorgaans niet makkelijk te vinden was in de bieb. Ik beschouwde als waardering voor de hoogstaande kwaliteit mijn voorkeur binnen ’t stripgenre ook als literatuur, maar ook al deelden die boeken de ruimte met de romans, telde ik ze niet mee als ik wilde weten hoe groot mijn heelal al gegroeid was.

De prismaboekjes van m’n opa heb ik nooit daadwerkelijk gelezen. Hooguit uit de kast halen om te zien wat ik had, een ietwat bladeren & vervolgens teruggeplaatst worden was hun deel. Maar ze reisden met me mee bij alle verhuizingen & mochten niet verloren gaan. ’t Waren tenslotte bij elkaar gevoegde, zinnen vormende letters, in drukinkt gezet, ze creëerden verhalen, werden onomkeerbare geschiedenissen, bestemd voor eeuwigheid & begeleiding van m’n met hun mee groeiende groter wordend ik.

Ze vormen de rechterbovenhoek van Zijperspace, hoewel  die positie afhankelijk is van waar je staat.

Boekenkastverlangen (II)

Er hangen hier geen gordijnen. Ik ben overgeleverd aan degenen die hier passeren. Voorkant, achterkant; die heb je hier beiden. De schielijke blik naar binnen is hier een vanzelfsprekendheid, andermans leven een expositie waar iedereen een museumjaarkaart voor heeft mogen ontvangen. Soms blijft men staan om ’t object nader te bestuderen. Dat wordt in streektaal een ‘gesprek’ genoemd. De opgedane impressies zijn een verrijking voor de geest.

Zo voelt ’t althans. Ik als grootsteedse kluizenaar, gordijnen deels toe zolang de tocht naar buiten zich nog niet aangekondigd heeft. In zoverre men over de achtertuin heen naar binnen kan gluren, hun van daarachter, vreemde schimmen die slechts spaarzaam hun bestaan kenbaar maken door flukse acties gerelateerd aan afval dat beter niet binnenshuis kan staan, is men slechts in staat mij voorbij te zien schuiven in vol dagkostuum, bewast, gepoetst & bepoederd, op ’t punt mij te storten in ’t boodschappencircus dat Amsterdam wordt genoemd.

Maar sinds enige tijd heb ik boeken als gluurdersstop pontificaal middenskamers staan. Een kast van 2 meter 30, daarbovenop houten kratten als kunstmatige verlenging richting plafond. Als je mijn gordijnen richting achtertuin & daarmee gepaard gaande -buren de dijkennaam ‘waker’ zou geven, moet deze bijna hermetische sluiting van blikken in de vorm van boeken natuurlijk ‘slaper’ gaan heten. Een stap verder heb ik een 2e dwarse kast geplaatst, nog wat minder ruimte latend indien ik m’n slaapkamer wil bereiken; dromenland nadert daar, de grens bijna voorbij.

Ondertussen komt Jumbo hier voorbij. ’t Geel schijnt naar binnen. Mensen die hun huis niet willen verlaten wonen hier ook. Ze hebben hier ook postbodes, moeten hier volgens mij ook harder werken: geen deuren aan de stoep, elke brievenbus eist post op terwijl in A’dam velen kunnen worden overgeslagen tijdens de 5-daagse gang.
Zouden ze hier ’s mans naam weten zoals ik mijn pakkettenbezorger ken?

Waar ik zelden gerucht van mijn buren hoor, krijg ik hier de zangoefeningen van de ene kant & wat gepruttel & gepruts van de ander te horen: ’t lijkt tijd voor de weekendhobby’s.
Thuis voeren boeken ’t woord.

Maar geenszins hels lawaai in Zijperspace.

Boekenkastverlangen (I)

Ik heb slechts 2 boeken bij me. Waar ik anders 3 hanteer. Voor ’t geval dat ’t niet goed valt in de omgeving waar ik terecht ben gekomen. Of ga komen.
’t Is daarom dat ik boekenkasten heb. De onzekerheid iets niet bij de hand te hebben. De fysieke herinnering. ’t Oog dat wil aanraken in herinnering. Of in vooruitzicht.
Zucht van tijd tekort. De heerlijke mogelijkheid om nog een 2e, 3e leven te kunnen leiden. De bladzijdes wrummelen zich al schijnbaar reeds om beurten omslaand zeer levendig tot toekomstig gelezen.
Wat is mijn favoriete pagina, schiet me te binnen. De voorkant moet ’t vaak afleggen tegen de achterkant, anders ook de titelpagina, of een mogelijk opgenomen dankwoord. & Zelfs de inhoudsopgave blijft ‘m voor, zeker indien ’t niet van een verrassend ontwerp is voorzien.
Ik heb meer van ruggen genoten dan waar de voorkaft voor mogelijke liefde op 1e gezicht is gecreëerd.

Ik heb 5 planken onlangs gekocht, zodat er 5 meter ruimte geschapen kon worden. Meer overzicht aangeschaft, zo kan je ’t ook uitdrukken. Extra ruimte voor groot & idem voor kleiner, waardoor onderwerpen nog iets dichter bij elkaar, logischer gerangschikt ook, kunnen worden. Als een golf van oneindige letters die elkaar vanzelfsprekend horen te volgen. Pak je er een ‘druppel’ uit, lijkt alles ‘tzelfde te blijven, maar dat is omdat je niet beter weet, want de essentie ervan is niet uit den treure genoeg gelezen.

2 Boeken dus hier.
Maar op de wc had ik al spijt van zo weinig. Niet omdat ’t bewuste boek me tegenviel. Geheel integendeel. ’t 1e Hoofdstuk wakkerde verlangen naar meer aan. De vraag of er een boekenwinkel hier in de omtrek zou zijn die lacunes van de opgeroepen boekenkastheimwee zouden kunnen vullen.
Hoewel ’t over de natuur zou moeten gaan, wist de schrijver, terwijl ik op de wc-bril zat, m’n nog maar net verlaten verzameling sterk in gemis te schilderen. Zonder ’t te noemen, vooral door sfeer. & ’t Noemen van kaartenbakken.
Oef, ’t verlangen naar kaartenbakken. Wat ‘jouw’ is, bij elkaar gerangschikt over vele meters planken, voor eens & altijd in essentie kunnen vatten door meerdere volgordes mogelijk te maken. Daar heb je toch idealiter een fysieke kaartenbak voor. Titels uitvouwen zodat meer combinaties mogelijk worden.

De titel is verkeerd, maar wellicht corrigeert zich dat in de komende dagen, hier, een stap verwijderd van ’t werkelijke Zijperspace.

Turkey

M’n hoofd gaat loos van gebrek. Ik heb ‘m slechts kortwijls niet voorzien van medicamenten die dmv versnelling mij zouden moeten voorzien in vertraging. Alles gaat immers te rap tempo hier & ’t enige antidotum is dit te bestrijden door de kwaal zelf toe te dienen. Een slang die z’n staart bijt, dat beeld schiet zichzelf te binnen.

Er hangt een lamp aan mijn plafond die mij plots symbolisch lijkt, hoewel mijn gedachten, hopeloos wanordelijk, niet zijn ontsproten aan waar ’t naar zou kunnen verwijzen, noch naar waar ’t toe gaat leiden. Alles zoeft voorbij, onevenwichtig houvast zoekend als een dronkeman op de reling van een brugleuning zonder spijlen.

De lamp bestaat uit 4 delen: moederlamp plus 3 kinders, afzonderlijk herkenbaar aan ’t formaat & de plek die ’t inneemt in de cirkel van licht die ’t uit moet stralen.
Afkomstig uit de tijd dat ons gezin ontstond. Waarschijnlijk dat ik me er daarom bij gerust voel, misschien dat ik daarom ook daar een vergelijking wil herkennen: de middelste, omringde, gevormd als vrouw, zorgzaam, vriendelijk; de anderen als telgen, op verschillende wijze ontdekkend, iets hoger of lager, verder of minder verwijderd, een enkele schuchter verschuilend voor wat komen moet, een ander hupsend, in ’t schijnbaar luchtledige gevormd, daar: onder mijn plafond.

Ik ben aan ’t zoeken naar betekenis, stop in elke lamp tegenstrijdige vertegenwoordigers van ’t gezin waar ik uit kom, waarbij ’t moederfiguur alles lijkt te overheersen in betekenis. Plus een rechter satelliet in miniatuur daarvan die niet weg durft te kruipen.
Maar aangezien ik uit een gezin van 6 kom zal ik die eveneens met 1 van m’n broers moeten delen. Een tegenhanger, hoewel ook hij niet daadwerkelijk verlaten wilde worden.

Mijn hoofd is ingewikkeld. Hij wankelt. ’t Bonkt van afkickverschijnselen van te lange onthouding van ’t medicament. Ik heb ’t proberen te ondervangen door bier er in te gieten. Dat werkt dagelijks nl, bij routine, bij gewenning. Maar ’t staat nu strak van onrust & onoverzicht.

Ik zie m’n moeders heupen gemoedelijk weerspiegeld aan ’t plafond schijnen, m’n vaders pijp (die hij niet rookte) in weerstandige berusting: niets zeggen behalve waar verontwaardiging de boventoon voert.

U gaat mij niet begrijpen, zoveel weet ik inmiddels. Ik ben in een vermengde delirium van een koortsachtige antidosis die grip probeert te krijgen. Veels te laat. De corona, hoewel nu bijna een week terug ge-anti-vaxt, een 1e poging, hallucineert zich er mateloos op los. Plus vermengd met dat waar ik dagelijks een dosis van krijg toegediend middels minuscule pilletjes.
In ’t midden gelaten of ik daar gebrek aan had.

M’n hoofd bonkt, hoog midden, schielijk pogend een uitweg te vinden tussendoor m’n zicht: m’n neusgaten een uitlaatklep, zo voelt ‘t.

& Tijdens die ogenschijnlijk futiele bevingen besef ik m’n gevoel, na een lange niet te lange dagreis vandaag naar ongewoon, inmiddels ongewend uitstapje, besef ik me dat ik behoefte heb. Ik wil weg van ’t nieuwe, inmiddels saaie normaal. Ik wil een omhelzing. Die lamp hierboven, met alles wat hij betekent, ’t licht waarmee hij mij omarmt, in al z’n dubbele verwijzingen, die lamp moet mij eindelijk koesteren opnieuw.

Maar laat ik nou gewoon zeggen: ik wil die kus.
Ik wil die kus.

De klokken luiden, de echo’s klinken in Zijperspace.

Oneffen

Van kluiven wordt een mens best wel inhalig. Waarbij ik natuurlijk vooral mezelf bedoel & die enkele mensen bij wie ik ‘tzelfde verschijnsel herken. De rest zal wel netjes opgevoed zijn & niet een wijd open muil gereed hebben staan zo gauw de kip in braadvorm, liefst met een bepaalde hoeveelheid bot, wordt aangeboden.
Daarbij dien ik tegenwoordig te zeggen dat ik heus wel bereid ben tot een vega- of veganbestaan over te gaan, maar ik bovenstaande viezigheid dan te veel ga missen. Net als de vieze druipvingers die ontstaan bij een overvolle zak friet, waarbij dat bijvoeglijk naamwoord voornamelijk wordt veroorzaakt door de top van saus.
Ik voel me al hebberig worden bij de gedachte aan ’t plaatje van die maaltijd gelardeerd met een aantal vieze vingers.

Want ’t is dus inhalig- plus hebberigheid bij mij. Er mag geen stukje verloren gaan aan de kluif & elke kruimel dient uit de bodem van de frietzak opgediept te worden, daarbij de zijkant wijsvinger nog even de schijnbaar onzichtbare resten saus (in geval van mayo; voeg een gekleurde saus toe & ’t is makkelijker vinden) van de papieren wanden opvegend onderweg richting mond.
’t Bakje/zakje/bordje zou na mijn gebruik zo voor een nieuwe portie ingezet kunnen worden, was dat niet hoogst onwenselijk in deze van besmetting bevangen corona-era.

’t Verschijnsel doet zich echter ook voor als ik tot volle tevredenheid mezelf een maaltijd heb bereid, liefst in grote hoeveelheden, ter opvulling van m’n vriezer in het kader van de luiigheid die me na zo’n actie dagenlang zal gaan overvallen. Ik vul de bakjes die ik daarvoor gereed heb staan, geef ze zo goed als ’t gaat ieder een evengrote hoeveelheid, want volgende week maandag- moet niet jaloers worden op de enkele dagen later maaltijd & doe net alsof ik niet doorheb dat ik bij ’t scheppen weliswaar eerlijk ben in de evenredige verdeling, maar de pan stiekem vol laat zitten met brokjes, flubbertjes & de wand van de pan liefst ook nog vol etensvocht laat zitten.
M’n vingers zetten ongeduldig hun scheppend werk voort, maar kijken middels mijn ogen al hebberig uit naar ’t likfestijn dat aanstonds gaat beginnen, zogenaamd om bij de afwas ’t water niet te vroeg te bevuilen.

’t Zou anders ook kunnen dat ’t niet aan hebberigheid ligt. Want ook bij ’t snijden van mijn boterhammen (dat heb je met een broodbakmachinebrood) of ’t smeren van de sneetjes, wordt er een grote hoeveelheid oneffenheid gecreëerd, die in al haar kruimeligheid naar mij probeert te lonken.
Ik ben daar minder gevoelig voor als bij de patatkruimels, sausspatjes of kluifflubbers, maar tijdens al die bezigheden die verband houden met ’t hapklaar maken van de broodmaaltijd dirigeren mijn ogen m’n vingers toch van grote kruimels naar gestaag aan kleinere varianten om die om beurten in de mond terecht te laten komen.

Er zullen wel mensen zijn die met graagte willen beweren dat ik te hebberig ben, een orale obsessie heb of misschien wel in een bepaalde fase tijdens mijn kinderdom ben blijven hangen.
Maar ik denk dat ik gewoon moeite heb om te stoppen met dingen die veels te lekker zijn om er uiteindelijk een punt achter te moeten zetten.

Zeker als de talenten van Zijperspace er verantwoordelijk voor zijn geweest.

Vlakervoor

Ik realiseer me, vlak voor slapen gaan, dat ik de drang om te schrijven achter me gelaten heb. ’t Is niet noodzakelijk: ik heb toegelaten dat ik er zonder leven kan.
Terwijl daar rechtsachter, voor de kijkers links, hoog in ’t schijnbaar aanwezig knobbeltje in m’n schedel, iets bezig blijft te zeggen dat zoiets niet mogelijk is. Er spijt zal komen. Routine noodzakelijk.
Links knobbeltje terzelfder hoogte fluistert verslaving aan achterover leunen in een hoge fauteuil van eindelijk verdiende landerigheid. De merites, de miskenning & de tegelijkertijdshalve mislukking die daartoe dwingen.

Ik voel tijdelijk dat m’n verlangen m’n leven schrijvend te verantwoorden, of juist m’n schrijven te verantwoorden door er op te wijzen dat ik een ‘is’ is, z’n doel voorbij is gegaan, m’n paar stappen richting tandenpoets-wc, weg van m’n dagelijkse routine in m’n privé-afsluitcafé achter ’t toetsenbord – wordt die gebruikt voor een zogenaamd hoger streven of juist ’t doolhof van afleiding daarvan? – waardoor ik door datzelfde tegenstrijdige op de vingers wordt getikt (ik heb zojuist een artikel gelezen over hoe Goodreads ervoor kan zorgen dat je er méér naar gaat verlangen een boek uit te hebben, dan te ervaren hoe mooi de vervoering van ’t lezen ooit voor iemand kon zijn) & ik vlak voor de gang door de holte tussen woonkamer & toilet, om de overdag verzamelde viezigheid in mond op te schonen voor een morgenochtend fris begin, dat dat verlangen vervangen is door schuldbewust weten dat juist schrijven mij bevrijd heeft van de noodzaak van andere wasbeurten.

Ik zoek plots de woorden weer. ’t Is te complex om ’t alleen maar te voelen. De wirwar van voor- & achteruitberedenering, slippen, remmend corrigeren, gas geven, achterover tuimelen door de druk van de vooruitgang & tegelijk zoeken naar een parkeerplek die comfortabel & achteraf ook bereikbaar voelt.
Woorden die op zich niet zo ingewikkeld hoeven te klinken, maar vind ze maar eens op de juiste volgorde van oprecht & in de betekenis van ‘mijn’ zelf.

Ik ben de routine beu, maar weet tegelijkertijd dat regelmatigheid, ’t binnenrijm der woorden streelt al typend m’n gemoedsrust, m’n vingers zal behouden voor slepende, versaaiende, vermoeidheidskramp de juiste volgorde der letters te vinden.
De wandelende jood & de nog vroeger door mij gevonden held, misschien wel de oorsprong van een gefingeerde, Odysseus, schieten me te binnen. ’t Zwerven, dwalen, niet weten waar de ziel zich bevindt, een huis van woorden om te laten blijken blij te zijn eindelijk daar opnieuw te zijn aangekomen, maar stom te zijn zolang 1-oog koning is.

De woorden zijn moeilijk, ze bereiken ondoenlijk traag hun voorheen gemakkelijk gevonden tekst. Ze liggen niet op ’t voorheen routineus te bereiken randje van de tong, vertaald door 10 vingertipjes. Ze zijn al vermoeid bij ’t strekken van hun benen tijdens ’t opwarmrondje.

M’n tanden snakken, m’n slaapzin evenzo, naar hun beloofde opschoonbeurt, een wasstraat waar je languit kan liggen & af mag wachten tot de zon schijnt achter de regen die alles gewend is schoon te spoelen richting wonderlicht.

Maar Zijperspace is slechts een woord, waar weliswaar meer uit kan vloeien, de belofte in de naam.

Moes

Hé Moes,
Ik besef me nu pas dat m’n herinnering dat ik je nog op je bed heb zien liggen misschien wel achteraf gecreëerd is. Door wat Quint zei, of Jan. Tante Cor kan ook.
Dat maakt op zich niet zoveel uit natuurlijk: een geheugen wordt ook opgebouwd uit beelden die bij elkaar geconstrueerd worden om ’t totaalbeeld te laten kloppen. ’t Is niet prettig lopen over een pad met gaten & andere oneffenheden.
Maar ’t is zoveel jaren later alsof…
Hoeveel jaren zijn ’t nou?
Ik moet een truc uithalen met te berekenen wanneer ’t voorbij was voor Pa & dat Carel niet snel daarna er plots niet meer was. Ik verzin de omstandigheden erbij waar ik mee te maken had, wie met me meeging naar de begrafenissen, & wat er bij jouw dood daar aan veranderd was. Of veranderen ging.
Dat doe ik met moeite, die lijntjes verbinden: als ik ’t ene touwtje heb, weet ik soms waar en/of hoe ’t volgende er aan vastgeknoopt zit: hun oorzakelijk verband bindt & smeedt weer herinnering. Waarbij jouw lichaam (wanneer ben ik eindelijk je tegen jou gaan zeggen?) steeds terug knippert als levenloos liggend op je bed.
Ik verzin er een al werkende elektrische deken bij, hoewel ik niet eens zeker weet of je die wel gebruikte, een half uur voor de gang naar bed traag op stoom komend om de nachtelijke tocht te veraangenamen.
’t Kan Jan zijn, misschien Quint, die me op de hoogte heeft gesteld. Ik heb Tineke gebeld & plannen voor vertrek gemaakt.
Ook dat zijn logische herinneringen, maar ’t zijn slechts vanzelfsprekende verpakkingen, waar echter de kleur van ’t omhulsel aan ontbreekt. Ik weet niet waar ik ’t huis binnenkwam, wie er was, wanneer ik besloot in ’t computerkamertje te slapen.
De begrafenisondernemer trad binnen. ’t IJsdeken werd onder je neergelegd, ook elektriek, maar tegengesteld doel. Kaarten, foto’s, herinneringen werden om je heen verzameld, voor hen die over de dagen kwamen kijken. Gordijnen toe. Geen buurvrouw of tante meer die je over ’t venster heen op erg vaste slaap kon betrappen.
Ik deed ’t toetsenbord, daar was ik bedreven. Dus naast m’n bed schreef ik de afscheidswoorden voor op de kaart & in de krant.

‘Maar onze hoop zou ’t wel verlengen
Tegen beter weten in tot eeuwig lang.’

’t Is nu enige jaren later alsof ik je beeld weliswaar nog heb, maar alles eromheen zich aan ’t vermisten is.
Wie zou achter inmiddels vervangen gordijnen nu daar wachten tot & of men haar vergat?

Maar hé, Moes, hier spreekt Zijperspace…