Kleed

Ik weet niet hoe de dag er uit ziet. De gordijnen zijn nog toe. Er kiert slechts zuinig licht tussendoor 2 van de 4 delen ervan. Alsof een voorproef. Of een lokmiddel van wat er gaande is.
Zo las ik daarnet een aankondiging van sneeuw. Waarbij ‘t kleed van wit me al vrolijk tegemoet trad in m’n hoofd. Hoewel ik niet eens registreerde voor welke tijd die voorspelling gold.

Maar ik was moe. Had behoefte aan languit. Nog wat langer languit, want m’n bed was nog maar net geleden.
Gister deed zich gelden, opnieuw. Van een lange tocht te voet. Van zoeken & tegelijk verscholen zijn in m’n hoofd.
Ik zei de mensen wel gedag, maar wenste ze voorbij: ‘t bos was mijn. ‘t Verborgen leven dat daar deel van was eveneens.

& Dan ben ik verbaasd, al liggend, mezelf peinzend wakker ontmoedigend, dat ‘t kleed, ‘t laken (beter wellicht, want die is in ‘t oorspronkelijk concept altijd wit)(maar dunner), me vrolijk, huiselijk stemt, terwijl de herinneringen juist over kou & sneeuw in de bek gaan. Op de oogleden ook, op de muts, de handschoenen, & tussen de spleten van de lippen dus.
Probeer maar eens een krant uit een fietstas te frummelen terwijl alles van ijskristallen vergeven is & de handverpakking te dik om iets te kunnen voelen van wat de inhoud doet. & Dan ben je nog niet over ‘t tuinpad gegleden om ‘t vervolgens schier onmogelijk droog in de bus te proppen.

Zo’n dag is ‘t vandaag. Waarin alles mogelijk is, maar ‘t voorlopig nog even opgebouwd wordt uit wat was & waarschijnlijk niet komen gaat. Met valse geconditioneerde herinneringen.
Ik ben de hond wiens tong druipt bij ‘t verleden van een vooruitzicht & zie dat lichaamsvocht tot glibberig ijzel omvormen. Verheug me bij voorbaat op m’n val.

De realiteit moet maar iets meer dan kieren doen in Zijperspace.

Cursus Lijfloggen, Deel 15

Verjaar!

Tja, iedereen verjaart. Elk jaar weer. Zolang je blijft adem halen zal daar niet zoveel aan veranderen.
Het ene jaar telt 365 dagen, een enkele 366. We hebben nu eenmaal afgesproken, dit naar aanleiding van een vroege ontdekking in de menselijke historie, dat een jaar op zodanige wijze ingedeeld overeenkomt met onze gezamenlijke tocht rondom de zon. Voor het gemak delen we dat jaar ook nog even op in seizoenen, maanden en weken, zodat we over het geheel van 365 een beter overzicht krijgen en een beter besef hebben van het voorbij gaan van de tijd. Maar daarvan zou men kunnen zeggen dat het slechts arbitraire delingen van het overkoepelende jaar zijn.
Feit blijft staan dat we elke keer dat we op hetzelfde plekje teruggekomen zijn die wij innemen ten opzichte van de zon, we kunnen spreken over het verstrijken van weer een jaar. We zijn weer verder gekomen (we zijn in onze beleving nog niet dood), weer grijzer, weer dikker, nog een stukje langer, of juist gekrompen, onze ledematen strammer, en wederom zijn we een stukje dichter genaderd tot het onafwendbare moment dat we dat niet meer kunnen vieren.

Ik merk zelf dat ik niet meer de snelste fietser van Amsterdam ben. Mijn longcapaciteiten en daarmee samenhangend de souplesse van de spieren in mijn benen voldoen niet meer om fietskoeriers even een lesje te leren. Ik trek niet vanzelfsprekend als eerste op bij een stoplicht, de politie te fiets houdt me tegenwoordig met gemak bij, waardoor ik dat risico ook niet al te vaak meer kan nemen, of ik zou van te voren eens goed om me heen moeten kijken. Maar aangezien mijn nek ook enige tekenen van stijfheid vertoont, ben ik vooral genoodzaakt me te laten leiden door de grote mate van wijsheid die ik gedurende de jaren heb opgebouwd.
Wat mijn geest graag zou willen, kan mijn lichaam niet meer aan, maar daarentegen geldt ook: wat mijn lichaam niet meer kan, daar is mijn geest in staat dit onvermogen in enige mate te ondervangen. Het is zodoende een genot om een fietskoerier ver achter me te laten door via de middelste ring van een rotonde de weg af te snijden en op die wijze enige straten verder voor een tweede keer door dezelfde, maar ditmaal verbaasde persoon ingehaald te worden.

En om er vooral niet te veel spijt van te krijgen dient elke gelegenheid te baat genomen te worden om kenbaar te maken, om het voortgaan van de tijd, om het verval van het lichaam, later ook de geest, te ontkennen door er een feest tegenover te stellen. Men nodigt vrienden en familieleden uit voor een gezellig samenzijn onder het mom van weer een jaar versleten, drinkt en eet hierbij genoeglijk en bovendien vaak te veel, waardoor men de volgende dag berouwvol van de essentie van het wel en wee van het lichaam doordrongen is.
Men neme daarvoor het passeren van de grens tussen 31 December en 1 Januari of gewoon het bereiken van dezelfde datum als waarop men volgens de overleveringen geboren schijnt te zijn. Voordelen van het kiezen voor de laatste datum zijn o.a. dat men niet perse voor toegang tot een café hoeft te betalen, men de mensen naar zich toe kan laten komen i.p.v. andersom, de visite geneigd is met een aardigheidje aan te komen zetten om het feestelijke feit meer luister bij te zetten, en het tevens zo is dat men niet hoeft te wachten tot het moment van klokslag 12 zich aandient, maar gewoon ’s ochtends vroeg wakker kan worden en de gehele dag in de roes van feestvarken kan voortbewegen. Ik dacht: laat ik de positieve aspecten van dit gebeuren eens belichten, de negatieve negeren, daar ik hierboven reeds enkele nadelen heb genoemd die het tikken van de tijd met zich meebrengt.

Gekomen echter bij dit punt, het tijdstip van vandaag, de dag dat het oude jaar vervangen is door een nieuw jaar, geheel symbolisch en gesteld op een waarschijnlijk volkomen willekeurig moment binnen die ommegang van de aarde om de zon, doet het mij elke keer weer beseffen dat het niet lang meer zal duren of ik mag mijn eigen feestje opnieuw gaan organiseren. Niet dat ik zo bezeten ben van dit besef dat ik me ver van tevoren reeds ga verheugen op mijn verjaring; nee, geenszins. Ik zie al voor me hoe ik na afloop van het gezellig samenzijn mijn huis weer zal moeten ontdoen van allerhande troep die slechts uitnodigen tot het akelig pijnlijk stoten van mijn tenen, de deuren open zal moeten gooien om mijn neus weer normaal zuurstof te kunnen laten snuiven en bij het verschonen van diverse koppen en schotels, schalen, pannen en bestek mijn handen zullen verweken tot zachte kussentjes waar geen eelt meer op zit. Om niet te spreken over de eerder genoemde gevolgen van het in te grote hoeveelheid tot me nemen van verstrooiende middelen.

Nee, ik begin er over omdat ik nu eenmaal op de honderdste dag van het jaar jarig ben en het derhalve zo makkelijk aftellen is.
Ik wilde u opdragen vooral te genieten van het elk jaar weer terugkerende moment dat u zichzelf een jaartje ouder mag noemen, maar bedacht me dat ik dit moeilijk kan verlangen als ik het zelf niet van plan ben. Ik laat die honderdste dag dit jaar zonder al te veel ophef aan mij en mijn dierbaren voorbijgaan. Dit omdat ik vijfentwintig dagen later, te weten: op 5 Mei 2005 (5/5/5), 15.000 dagen oud zal worden. Een mooie datum voor zulk een heuglijk feit. Daarom wilde ik mijn opdracht tot huiswerk ditmaal een ietwat aanpassen. Misschien niet in overeenstemming met het thema van deze maand, maar wel er naar verwijzend daar het evengoed refereert aan het verstrijken van de tijd.

Huiswerk: Bereken op welke datum de 10.000e, dan wel 15.000e dag van uw leven bereikt wordt en breng te zijner tijd verslag uit van de viering van deze gedenkwaardige mijlpaal.

(Deel 0 staat hier, als introductie op wat ik 50 afleveringen lang heb volgehouden te schrijven voor ‘t weblogmagazine about:blank, maar verloren werd gewaand. Deel 1, Deel 3  [daar kan je ook lezen wat er aan de hand is met Deel 2], Deel 4, Deel 5, Deel 6, Deel 7, Deel 8, Deel 9, Deel 10, Deel 11, Deel 12, Deel 13 & Deel 14 zijn reeds herverschenen alhier. De komende tijd zal ik de rest van ‘t materiaal dat ik ondertussen geheel heb teruggevonden alsnog hier gaan publiceren.)

Vader-aan-Moeder-brieven (VI)

Brief gestempeld op 19 mei 1952, z’n 1e brief na vertrek uit Nederland. Waarschijnlijk verzonden in Gibraltar. Dat zou ik misschien kunnen zien aan de postzegel, maar ik heb zojuist bemerkt dat die er niet op zit. Van de voorgaande enveloppen tonen 2 voorbedrukte postzegels. Die waren bij thuiskomst niet interessant voor de verzameling die m’n vader toen blijkbaar al had aangelegd. De andere enveloppen missen allemaal een hoek aan de voorkant.
Zou m’n moeder ze hebben afgescheurd om ‘t m’n vader te geven bij thuiskomst?

Doet me gelijk bedenken dat ik eigenlijk niet weet wanneer hij gestopt is daarmee. Met Parkinson was dat natuurlijk niet meer te doen, maar ik was er niet bij toen hij er uiteindelijk geen aandacht meer aan kon besteden. Waarschijnlijk een geleidelijk proces van verminderde aandacht, van steeds minder kunnen & uiteindelijk bestonden ze misschien niet meer voor hem.

Hij babbelt over z’n bezigheden aan boord. Dat ‘t hard werken is, hij enkele hutten toegewezen heeft gekregen, & hoe hij bij de maaltijd elke dag een vol bord krijgt, waarbij je laat staan waar je minder trek in hebt.

M’n vader heeft onderweg naar Santiago de Compostella een verslag bijgehouden. Natuurlijk heel belangrijk dat iemand zoiets doet. Voor zichzelf. Maar ook voor ‘t nageslacht.
Hij maakte er dan ook kopieën van, bundelde ‘t & gaf ‘t aan z’n zoons.
Waar ‘t ergens hier in huis staat, ben ik kwijt. Wat ik ervan toentertijd heb gelezen, stelde me qua stijl een beetje teleur.
Maar nu ik z’n brieven aan m’n moeder lees, krijg ik ‘t idee dat hij niemand had om zijn pelgrimage-wederwaardigheden aan te richten. Dat was meer een reis in zichzelf, voor zichzelf. De brieven dienen om met m’n moeder te communiceren, de praatjes op een bankje in Den Helder te vervangen.
& Die taal spreekt-ie, is hem vertrouwd. Hij was al jaren kind aan huis bij de familie van m’n moeder door z’n vriendschap met haar broer. Ze waren al naar elkaar toegegroeid. Dat hoor je in die brieven, zo ook in deze 1e.
Maar bij ‘Hou je taai […]’ aan ‘t eind moet ik toch even nadenken of dat een gangbare uitdrukking was richting je vriendin.

Moet nadenken of dat ooit heeft geklonken in Zijperspace.

One-Five-Four

‘t Is allemaal begonnen met ‘t uitkomen van ‘t 3e album van de band Wire. De hoes stond me aan te staren in de schappen van Selbach, onze plaatselijke platenboer.
Ik was 16, moet de naam van de band al gekend hebben, maar ik werd niet door die kennis door de lp aangetrokken maar eerder door ‘t ontwerp. Ik denk dat ‘t op dat moment niet echt paste in de ontwerpen die de new wave-bands ons doorgaans voorschotelden. Dus koptelefoon op & na 2 nrs besloten dat dit waardig was om m’n bollenpelgeld aan te besteden.

Maar waarom heette die plaat 154? Tot 5 min geleden heb ik ‘t niet geweten of anders uit m’n geheugen gewist. Laat ik die zojuist opgedane kennis dus maar niet gebruiken om die de rest van m’n leven sudderende vraag in m’n achterhoofd te verklaren. Waarbij gedurende de verlopende tijd bij elke verschijning van dat getal er druk gezocht werd naar een verband. Geen bewust zoekgedrag, maar een poging dat impulsje in m’n hersenen een plek te geven zodat 2 verschillende momenten, 2 verschillende locaties, zich met elkaar konden verbinden. Dat er iets meer zou zijn dat ‘t getal, de band, de muziek ook, met de gebeurtenis in dat huidig nu gemeen had.

Zoals ik zei geen bewust zoekgedrag aanvankelijk; meer een herkenning als ik op de klok keek & zag dat ‘t 15.40 uur was. ‘Een herkenning van wat?’ ging er dan vluchtig door m’n hoofd, waarop de hoes weer vaag te voorschijn werd getoverd, om tegelijkertijd alweer weg te ‘faden’.

Maar 1 moment wordt 2 momenten & onderwijl loopt de tijd door naar 3, 4, 5 & onnoembaar veel van dat soort plekken in tijd, waarbij mijn kop contact zocht, herkenning wilde zien, de logica daarvan probeerde af te tasten. Waarbij tegelijk enige weerzin ontstond in ‘t zoeken van betekenis daarin. Want betekenis in toevalligheid die tegelijkertijd onontkomelijkheid was (‘t is tenslotte logisch om in jáááren tijd een grote kans te hebben zo nu & dan een bepaalde combi van getallen tegen te komen).

Ik mocht er dus niets achter zoeken. Gebeurtenissen waar de 3 getallen zich voordeden moesten niet meer dan dat worden. Nee: blijven!
& De getallen bij elkaar optellen, een ander zich voordoend getal dat tegelijk met ze opdook ervan aftrekken werd ook verboden terrein. Of ‘t bij mezelf bedenken of ‘t moment misschien een speciale betekenis kon dragen, ook al deed ik dat voor de grap, ook dat moest ik zien te vermijden.

Die getallen ploppen gewoon toevallig op, dat wil m’n hoofd momenteel vooral denken. ‘t Goedgekeurde, vooral niet paranoïde, in een keurslijf getrokken motief om me niet af te laten leiden. Want dat is wat eigenlijk gebeurt: 154 duikt op & ‘t maakt een korte imprint bij mij, wat ik me niet wil laten gebeuren, waardoor ik er toch alweer aandacht aan heb besteed, wat alweer 4 gedachtes door me heen heeft doen gaan terwijl ik eigenlijk bezig was een tekst te schrijven.
Bijv met daarin de zin dat Wire tot ‘t uitbrengen van die plaat 154 keer had opgetreden.

Wat een onnozele titel dan voor wat de gemoederen zo lang bezighield in Zijperspace.

Rem

Ik raak er aan gewend om aan de noodrem te trekken. & Iedereen schijnt dat normaal te vinden. ‘t Lijkt alsof een hele generatie er op is getraind vooral rustig te blijven als ‘t woordje ‘burn-out’ in de arena wordt geworpen. Ze gaan niet zachter praten, ook niet overzichtelijker, maar de mogelijk te hanteren paniekknop, een bij onrust automatisch geactiveerde trilling in de stem, of ‘t stellen van een vraag te veel, 1tje waarbij een zoektocht veroorzaakt kan worden, die dingen komen opeens niet meer voor in de conversatie.

Ik had verteld dat ik na mijn overstap gister naar Freedom.nl mijn Xs4all-mail niet meer kon bereiken. Daarbij was ik gemakshalve ervan uitgegaan dat dit mijn eigen stomme schuld was. Zó lang geen wachtwoord hoeven in te vullen door automatische opslag in m’n mailprogramma, dat ik na een verkeerde handeling opnieuw moest beginnen.
Binnen een minuut van zo kort & bondig mogelijk mijn probleem voorleggen, wat al als een onwaarschijnlijkheid klinkt, besef ik me nu (‘ik’ & ‘binnen een minuut’; die combi), kreeg ik vrij snel de uitslag dat Xs4all afgelopen nacht m’n doorwerkende mailadressen op nul had gezet.
Maar dat konden ze beter op de Klantenservice afhandelen…

Dus leg ik mijn verhaal nogmaals voor.
‘t Verhaal dat terwijl ik in de wacht stond al doorverteld was. Terwijl ik juist van plan was ‘t nog korter enz…

We gingen ‘t een beetje uitpuzzelen. Hij & ik.
Of ik een mail had ontvangen.
Een brief? Ja. Daarin stond dat ik 2 maanden m’n oude mailadres bleef houden.
Maar toen ik vanochtend, dat vertelde ik er meteen maar ff bij, wilde beginnen met alle mensen in te lichten dat ik overgestapt was, werkte mijn wachtwoord niet meer. Dus dacht ik dat ik die blijkbaar vergeten was.
Er staat hier dat u ook een mail van ons ontvangen heeft. 5 Januari. Oja, dat is gister.
Gister heb ik niet meer gekeken naar Xs4all. Ik was te druk bezig met m’n Freedom-account.
Ja, & na 12 uur ‘s nachts kon ‘t niet meer. Wat stond er nog meer in die brief?

Toen wist ik dat die noodrem noodzakelijk werd. ‘t Was de bedoeling dat ik ging graven. Als ik ga graven verliest alles dat omhoog komt z’n betekenis. Als al scheppend een kuil graven op ‘t strand, waarbij alle zandkorrels voortaan zandkorrels gaan heten & afzonderlijke onderdelen vormen in grote hoeveelheid, waardoor benoemen niet meer mogelijk, overzicht kwijt, woorden vermist raken, er niets meer valt te zien door de onnoemelijke veelheid van al dat ‘iets’: er is alleen nog maar een uit elkaar vallend strand.

‘t Probleem is dat ik een burn-out heb, noodremde ik dus maar, als ik iets te voorschijn wil halen, dan blokkeert mijn kop opeens.
Oja, dat is vervelend, reageerde de Klantenservice.

& Vervolgens had ik een ontspannen jongen aan de telefoon, die waarschijnlijk dus Klantenservice was, maar op z’n gemak op zoek ging naar een prettige oplossing, die waarschijnlijk eigenlijk niet zou mogen, maar dit was voor mij de enige manier waarop ‘t zou kunnen & zou een maand genoeg zijn? Ja, dan tot 6 februari heeft u een gratis verlenging.

Hij wenste mij veel plezier, verslikte zich, & voegde daar nog een prettige dag in Zijperspace aan toe.

Instaspaced (LXVIII)

Men kent ze wel, die oudjes waar alles vanaf geschuurd is, waarbij je ziet dat ze wetend daarvan zijn; haar man vaak vervlucht, maar zij houdt toch de eer aan zichzelf, onderwijl wetend van de ijle herinnering aan de blonde lokkengloed: een sprieterig bestaan zij lijden aan onverbiddelijke aantrekkingskracht, harder die kerende ogen naar haar vergeten roem terwijl de monden in concentratie tegen haar praten om te vergeten dat ze iets anders zien dan eens was – dan steekt ze een peuk in mond & bidt ‘t verval van haar ouderdomspruik een voorspoedige kaalheid toe.

Uiteindelijk gaat alles die kant op in Zijperspace, enkelen voortijdig of anders ongemerkt.
(Foto [in betere kwaliteit, want rottig kopiëren als je je eigen foto’s ergens anders wil plaatsen & ‘t je onmogelijk wordt gemaakt door FB] & tekst eerder geplaatst op Instagram.)

Instaspaced (LXVII)

We zagen een zonsondergang die nog lang niet zonsondergang kon zijn terwijl Fret naar z’n buuv riep: ”t Wordt vast mooi fotoweer’, terwijl dat reeds gaande was & ik voor de zekerheid maar pakte wat ik pakken kon & z’n buuv geduld betrachtte of gewoon haar hond nog ff z’n uitlaatbeurt gaf, want later werd alles beter, een mens gelooft zo graag wat anderen suggereren want zelf beslissen kan wel eens vermoeiend lijken, terwijl ik ook een luie donder was met de gedachte dat ik ‘t dan alvast had gehad.

Van de dingen die vast wat korter mogen zijn in Zijperspace, waarbij de er achteraan hobbelende wroeging steevast te laat z’n intrede doet.
(Foto [in betere kwaliteit, want rottig kopiëren als je je eigen foto’s ergens anders wil plaatsen & ‘t je onmogelijk wordt gemaakt door FB] & tekst eerder geplaatst op Instagram.)

Vader-aan-Moeder-brieven (V)

Ik ben opgegroeid in de Martinus van der Hamstraat. Oud-Den Helder.
Hoe groot die straat leek & hoe dat tot normale proporties werd teruggebracht, dat korte corrigerende proces gebeurde me toen ik met m’n vader een wandeling maakte, omdat er iets in ‘t huis moest gebeuren. Hij kon op dat moment beter niet in de weg staan.
Hij was stram. Hij viel onhandig toen we de trap van de dijk af moesten dalen. Ik heb ‘m op moeten vangen, moest proberen hem weer recht overeind te zetten, want zijn lichaam, zijn coördinatievermogen ook, kon dat niet meer, want Parkinson woekerde in zijn hoofd.
Ik was verbaasd, mijn gevoelens waren verbaasd, zijn oude lichaam omhoog te moeten trekken. De rollen waren niet zo bedoeld, dacht ik.

We liepen een stukje door de buurt waar we hadden gewoond. We waren afgezet bij de Texelse Boot & daalden de dijk af achter de huizen die aan ‘t Carillon waren gelegen. ‘t Oude gemeentehuis aan de overkant.
‘t Is nu alweer meer dan 15 jaar geleden, maar waarschijnlijk is er weinig aan die situatie veranderd. Een stenen monument met klokken, gelegen tussen wat perkjes, waar ‘t fijn spelen was.
Bankjes waren er ook, maar behalve mijn manke opa heb ik er volgens mij zelden mensen zien zitten. Ik was waarschijnlijk met m’n broers te druk bezig met spel.

Op 19 juli 1952 schrijft m’n vader dat dit z’n laatste brief van deze reis wel zou zijn. Hij heeft de Rode Zee achter zich gelaten & schat in dat een volgende brief te schrijven & posten wel niet meer zal gaan lukken.
Hij maakt deze keer geen gebruik van ‘t 4e kantje van zijn briefpapier. Waar hij bij de andere brieven nagenoeg elke cm heeft benut. Maar dat kan hij blijkbaar ook niet meer na bedacht te hebben wat zijn laatste zin zou zijn.

Het allerliefste en ik hoop weer gauw eens met je op de bank bij het Carillon te zitten.

We zijn daar opgegroeid, om de hoek. We hebben gesprongen, gerend, indiaantje gespeeld, papieren pijltjes op elkaar gemikt met onze blaaspijpen. Slechts een enkele keer maakten we gebruik van de bankjes, om op adem te komen & dan weer verder te gaan, want iemand had ‘Tikkie’ op iemands schouder gedaan & toen snel ervandoor.
Allemaal rondom dat Carillon, waar hij, kijkend hoe dat rode woestijnzand de zee kleurde die hem thuis moest brengen, maar aan bleef denken.

Hij heeft vast meteen ‘Ja’ gezegd toen dat huis om de hoek van de dijk vrij kwam.

‘t Carillon in Zijperspace oogt anders nu.

Zijperspace.2.0.21

Ach, denk ik in m’n allerrustigste doen, misschien ben ik wel niet zo van de lijstjes. Ik ben wel van overzicht creëren, grijp alles aan wat me daarbij te hulp kan zijn, soms in de vorm van dergelijke lijstjes, van opsommingen aan ‘t eind van ‘t jaar, of met elkaar gedeelde herhalingen, maar als ik me er in moet gaan verdiepen, de essentie van dergelijke optelsommen probeer mee te pikken, raak ik uiteindelijk geërgerd, opstandig & een enkele keer mistroostig.

Dat ligt niet aan u.
Ik pas er gewoon niet in. Er wordt in dergelijke samenvattingen van ‘t overheersend algemeen gevoel te vaak vergeten waar mijn ik staat, overblijft & stand houdt.
Geen eigenwijzigheid, want als dat zo zou zijn, dan zou ik me continu ongemakkelijk voelen.

Ik zou eerder zeggen dat ik altijd de neiging heb om bij me zelf te blijven. Ik snap u niet. Niet volkomen ten opzichte van wie ik zelf ben.
De kloof tussen die 2 entiteiten zijn te groot.
Ik kan met u omgaan, wil ‘t dolgraag, maar wil daar ook niet bij teleurgesteld worden. Me niet te veel hoeven aan te passen, daarbij merken dat ik mezelf er in vergeet.

Ik ben niet op zoek naar ‘uitzonderlijk’. ‘t Overkomt me eerder. Omdat ik andere dingen oppik op de weg van een wandeling of fietstocht waar je vanzelfsprekend dingen tegenkomt. M’n zintuigen staan op scherp & laten elke afleiding binnenkomen. Ze vinden dat lekker, maar zijn binnen de kortste keren tot aan de rand toe gevuld.
Er past niets meer.

Dus moet ik een lijstje maken, & dan wordt dat gevuld door dat wat net niet tot ‘t randje komt. Waarbij de emmer net niet overloopt. Dat de lol tot schateren kwam, de tranen zich laten gevoelen, ‘t instorten nabij is.
Ze omschreven ‘t vroeger als iets van hoge toppen, diepe dalen. Alsof ik daar altijd naar op zoek was. Ik ben daar liever niet. Ik voel me prettig al ik net naast ‘t randje van ‘t ravijn loop, zolang ik vooral de diepte ervan niet hoef te zien, me er ook niet bewust van ben. Als je recht loopt, loop je recht; je valt toch ook niet als je de rechte lijn van aaneengesloten tegels probeert te bewandelen tenslotte.

Maak ik dan een lijstje, zal men vragen. Wil ik dat dan doen. Waar iedereen zich af zit te vragen, berouw wil tonen ook, van wat 2020 ons heeft gebracht.

Ik ben bij mezelf terecht gekomen. Ik ben graag alleen. ‘t Is een opluchting dat Covid gekomen is om mij dat definitief te tonen. Ik wil me graag druk maken, zo blijkt, maar ‘t hoeft niet. Ik wil avonturen beleven, naar Zweden, naar Fårö, naar Åland, & weet dat ‘t nagenoeg onrealiseerbaar is voor iemand als ik.

Daarnaast vind ik bijna iedereen van u allen interessant. ‘t Duurt alleen niet zo lang, de daarbij gepaard gaande aandacht.
Dat spijt me. Er is iets te veel van mezelf waar ik in verdiept ben. & Iets te veel van u allen waardoor ik ‘t overzicht makkelijk kwijt raak.

Dat is ook ‘n overzicht. Daar moet men ‘t maar mee doen.

Dit is Zijperspace.2.0.21.

Vader-aan-Moeder-brieven (IV)

Op 21 mei 1952 is m’n vader nog niet zo lang weg, maar hij is wel de dag ervoor de Golf van Suez gepasseerd. & De dag erna zal hij op de helft van de tocht naar Sydney zijn.

Hij zweet, zoals hij altijd al gedaan heeft & ik hem later na ben gaan doen. Maar dit keer heeft hij ‘t er zwaar onder. Zo gauw hij zich afgedroogd heeft van een koude douche begint ‘t zweten alweer.
Inmiddels weten we dat je in zo’n situatie beter warm kan douchen, maar leg dat die man maar eens uit. Als-ie nog leefde had-ie z’n mond op een gegeven moment gehouden, was rond gaan schuifelen, op z’n vaste stoel gaan zitten, waarbij hij z’n plank over zich heen zou schuiven, & als niemand keek op een gegeven moment ergens proberen te checken of die informatie op waarheid gestoeld was.
& Dan zou ‘t nog de vraag zijn of-ie ‘t uiteindelijk toe zou geven.
Terloops misschien, zoals ik mijn inkeer ook terloops in de levenslijn zou stoppen, zodat men niet zo makkelijk door zou hebben dat er een omslag heeft plaatsgevonden. Heel timide, geen revolutie.

Z’n toekomst wordt belangrijk. Hij maakt afwegingen wat hij ‘t beste kan doen tijdens of na de reis. De boot verlaten, voor een reisorganisatie werken? Tegelijkertijd weet-ie dat de diensttijd er nog aan komt. Maar wil hij daarna veel geld gaan verdienen om te kunnen sparen of een andere uitdaging zoeken?
Blijkbaar hebben ze al besloten te gaan trouwen. Geld is nodig om hun samenzijn te bewerkstelligen.
‘…als je begrijpt wat ik  bedoel.’

Ze waren al bezig definitieve beslissingen te nemen. Ze wisten alleen nog niet welk pad ‘t best bewandeld kon worden om dat snel te bereiken.
De meest definitieve beslissing die ik rond die leeftijd nam was te gaan studeren. & Zo onvoorspelbaar ‘tgeen daar op volgde, zo uitgekristalliseerd lag hun toekomst eigenlijk al klaar.
Alleen die baan, die definitieve baan nog. Toen die kwam, heeft m’n vader een leven gehad waarbij hij altijd uitzag naar vakantie. Minstens 2 eigenlijk.

Terwijl we hier ‘t liefst in Zijperspace bleven.