Afgedekt

Terwijl ik lees dek ik met m’n vingers, aan weerszijden, de paginanummers af.
Soms raak ik zo in ’t boek verdiept dat ik ’t vergeet. ’t Laat…, zoals ’t gaat.
Maar ik word niet veel later gestraft door m’n heen & weer schietende pupillen. De links links, de rechts rechts.
Daarnet was ’t 70 & 71.

Dat zet m’n hoofd op hol. In relatieve zin, dat wel, maar ’t is uiteindelijk wel onnodige afleiding.
Soms ga ik dan naar de laatste pagina van ’t verhalende gedeelte om te zien wat ’t percentage ong is. Al gelezen tegenover nog niet gelezen van ’t totale geheel. ’t Zorgt er dan vooral voor dat een minuut, of langer, niet meer tot me doordringt wat er geschreven staat. De klik wordt niet meer gemaakt.

’t Wordt erger als ik daar rekensommetjes van ga maken. Met ongevere schattingen van wat ik aan tijd verdoe door ’t niet afdekken van de paginanummers, ’t voor de zoveelste keer bladeren naar ’t eind, ’t dankwoord, de aantekeningen en de notities daar valselijk bij negerend (een deel lees ik uiteindelijk evengoed) en daar als slotconclusie bij bedenk hoeveel tijd ik bij benadering daardoor verloren heb & hoeveel boeken ik op zeg maar 10 meer gelezen had kunnen hebben als ik me niet aan dergelijk gedrag bezondigd had.

Tegelijkertijd besef ik me dan ook des te meer dat ik me vooral met onbenulligheden bezig houd. M’n hoofd moet tot kalmte gemaand worden. Alles gecheckt, een goed gevoel over van wat correct is & wat ’t eindresultaat daarvan is of zou kunnen zijn.
Een vlaag van vermoeidheid zucht dan voorbij. Ik schud m’n hoofd van wapperdewap (ingebeelde orenflap) & vervolg de tekst. Tot ong 2, misschien wel 10 blz verder.
M’n hoofd is dan alweer vergeten wat hij zichzelf beloofd heeft.

Evengoed bedenk ik me, ben ik bezig met te begrijpen, dat ik dit geschreven moet hebben. Er is een eindigheid & er is daarnaast niemand anders die ’t voor me kan doen.
Ik ben de man van kleinigheden & ’t zou zonde zijn als juist die niet geboekstaafd staan. Want ’t grootse plus ’t niet onopgemerkt voorbijgegaan is al opgetekend.

Paginanummers zijn echter niet wel besteed aan Zijperspace.

Demjoe

Damn you, Burnout.
Momenteel zit je in m’n nek te hijgen, waardoor die gloeit, verstijft, me snoert aan 1-zijdige blikvelden.
& Dat is slechts 1 van je metamorfoses. Want weet je nog van de zolder? Waar je jezelf nog Overspannen noemde. & Je je manifesteerde in kokerview door ’t kantelraam, daar bovenop ’t dak. Je liet slechts auto’s voorbij rijden, zonnen schijnheilig me teisteren tot ik met m’n zweet afdroop van ’t matras dat tijdelijk de rol van traptree had. Weg van m’n kokerkijk de wereld in, zo klein, beperkt, & zelfs daar nog bedreigend dat ik niet wist of ik er weer deel van uit zou maken.
Ooit, ooit, ooit, echode je na in m’n oor. Want herhalen slaat harder, definitiever. Waar herhaling vast niet zou betekenen dat de 20 jaar zichzelf nog zou vermeerderen. ’t Was als beuken met een hamer, om de groei er uit te nemen, de kanten er af te slaan, de weerstand verpulveren.

Nu heet je burnout, al dan niet met een streepje er tussen. Zodat ’t wel of niet tot op ’t botje verbrand zou worden wat nog over was.
Steeds weer denk ik je verjaagd te hebben. Hier is niets meer te zoeken, geen ziel te koop.
Maar juist dan knijp je opnieuw in m’n nek. Zoals vriendjes, waarvan ik dacht ‘vriendjes’ daar op ’t schoolplein, verstoppertje-lang, trefbal-onbetast, tikkertje-gemist, me bij verveling met een onverwachtse greep verlamden, hoofd achterover adem snakkend, handen wapperend als een drenkeling die stikken zou.
M’n hoofd durft niet bewegen & zwijgt de woorden, want die lijken juist daarlangs getranporteerd te moeten worden.

Of anders, als een kapstok waar al je huiden hangen heb je een nieuwe vermomming gevonden, beneem je me de adem. De kans te kunnen lachen, al is ’t van glim zo klein.
Je doet m’n vriendinnen twijfelen, & mij bij ’t zien daarvan doen oreren dat hun eigen gehooroorganen zich dichtknijpen zodat ze slechts jou inwendig kunnen verstaan.
Anders je zenuwentruc: een lichtflits, een scheut, een overdosis van wat er zowiezo al niet meer bij kon. Met de hemel die valt & mij als enige zal pletten, zoveel als er op mij afkomt.

Je knijpt me, butst me, doet me overlopen van verlangen tegen beter weten in, je stemt me, tot ’t uiterste, naar toppen, zodat de val daarna langer duurt, je scheurt, in partjes al naar gelang de delen zich laten scheiden, je heimweent, je sluit, tot ’t kubusje te klein is om te beseffen dat ’t leeft.

& Na een nacht van duister slapen ontwaak je me, met ’t gevoel dat ik niet zonder kan & dat ik altijd blijf.

Zijperspace-oneindig.

Meel als mottenwieg

Een grote bedreiging voor de mens zijn insecten die mee willen eten met wat hij graag op zijn bord wil hebben. Ze moeten niet zomaar dezelfde smaak hebben als het mensenvolk; meeëters dienen zodanig bestreden te worden dat verlies aan voedsel niet uit de hand loopt.

Dat zorgt ervoor dat de Indische meelmot zeg maar de fruitvlieg onder de lichtmotten is. In die zin dat deze mot net als de fruitvlieg enigszins als model fungeert bij wetenschappelijk onderzoek. Niet zulk breed onderzoek als bij de fruitvlieg, maar met behulp van deze microvlinder kan men veel te weten komen over wat de ideale omstandigheden zijn voor het beestje om ons van eten te beroven.

Een aantal wetenschappers is derhalve bezig uit te vinden wat de precieze samenstelling is van wat de Indische meelmot daadwerkelijk consumeert. Hoeveel suikers krijgen ze binnen tijdens hun maaltijd en hoe zit het met de aantallen eiwitten, koolhydraten en suikers? Daarbij wordt meteen gemeten hoelang de groei van de larve duurt onder bepaalde omstandigheden, met welk voedsel, bij welke temperatuur, en in welke fase van hun leven gaat het met welk binnengekregen voedsel het groeien het snelst.
Vooralsnog hebben de huishoudens van Amstelveen daar niet al te veel aan. Zeker niet de huishoudens waar veelvuldig gebruik wordt gemaakt van meel, bijvoorbeeld om pannenkoeken te bakken, zelf brood te bereiden of omdat eigen fabricaat pizza nou eenmaal lekkerder smaakt dan die van de pizzakoerier. Dit soort huishoudens kunnen vroeg of laat te maken krijgen met voornoemde Indische, dan wel de grauwe of de grote meelmot: alle drie zijn ze dol op de gewoonte van mensen om hun granen te malen: hun bordjes staan in de keukenkastjes propvol geserveerd. Als die meelvoorraad niet hermetisch onbereikbaar is gemaakt is er ook een grote kans dat de graanmot een keer aan komt schuiven, want het is ook voor deze kleine vlinder mooi meegenomen dat ze geen kaken hoeven te gebruiken voor het verorberen van hun favoriete lekkernij.

De graanmot behoort echter niet tot de lichtmotten, maar tot de tastermotten; misschien dat daarom bij de Nederlandse naamgeving afgezien is van de meelmot-toevoeging.
De volwassen motten hebben blijkbaar een groot vermogen om met hun antennes meel te vinden. Na de voortplanting wordt dat gebruikt om de eieren in te leggen, zodat de latere larven zich daar goed in kunnen verstoppen en zich groot kunnen eten.
Je bent dus vaak al te laat als je een van de vier genoemde motten in je huis rond ziet vliegen: hun gebroed zit bijna onzichtbaar te genieten van het eigenlijk voor de mens bedoelde eten.

Het motje kan er eigenlijk niets aan doen: ze vindt haar tafeltje gedekt. Of eigenlijk dat van haar kinderen. En haar instinct vertelt haar dat ze ervoor moet zorgen dat ze zo snel mogelijk groot zullen groeien op een dieet van dat o zo fijne meel.

De meelmotten hebben inmiddels Zijperspace bereikt.
(Column namens IVN geschreven voor Amstelveens Nieuwsblad)

Thujon is gewoon te lekker

Je hebt twee liter wodka nodig om boerenwormkruid lekker te maken. Hoewel ze met hun felgele pracht momenteel ook al heerlijk uit hun bloemen geuren in veel perken van de natuurgebieden rond Amstelveen. Je hoeft je hand maar langs die knoppen (het lijken wel de manchetten van een clownskostuum) te laten strijken, je neus richting hand bewegen, maar dat kan ook andersom, en je realiseert je dat je hand misschien nooit eerder zo lekker geroken heeft.
Een blad in je handen kneuzen zorgt er ook voor dat die geur vrij komt. Maar ja, daar zit minder thujon in. En dat is een van die giftige stoffen die de mens nou eenmaal lekker schijnt te vinden.
Maak je geen zorgen, in salie zit ook thujon. Vrijelijk verkrijgbaar in de Super. Jeneverbes en marjolein evenzo. Het gaat om de hoeveelheid thujon die in het uiteindelijke product verwerkt zit.
Dat is de reden waarom veel landen het gebruik van het drankje absint vorige eeuw verboden hebben, waarvoor in die tijd het hier zeldzame plantje absint-alsem gebruikt werd. Een plant zo rijk aan bitterheid dat je na het kauwen van een blaadje voorlopig geen thee of bitter bier meer lust.
Goed, absint mocht niet meer verkocht worden, terwijl vermout, waarvan de muntachtige geur veroorzaakt wordt door dezelfde plant, nog wel vrijelijk over de plank van de slijterij mocht gaan. Maar ja, er waren in Parijs al wat toonaangevende artiesten aan absint onderdoor gegaan, werd gezegd, of ze hadden niet genoeg oren om nog goed naar nuttig advies te luisteren. Men weet wel: alles waar ’te’ voor staat, etcetera…
Het vreemde is dan altijd dat er bepaalde beesten zijn die nergens last van lijken te krijgen. Neem nou de boerenwormkruidblindwants; zijn wereld is niet groter dan de maximale lengte van de plant, zo’n 1 meter 20. Het is zijn huis en tegelijkertijd zijn eettafel. Dat kleine beestje eet dermate veel van de thujon en andere stoffen waar de plant rijk aan is, dat hij net zo geel schijnt als de eerdergenoemde knoppen. Terwijl je er een omgekeerde paraplu onder houdt moet je de plant flink schudden om enkele exemplaren te zien te krijgen.

Om het voor ons lekker te maken heb je naast drie ons bloemknoppen dus twee liter goedkope wodka nodig (dure proef je met dit recept niet), plus een pond suiker, een theelepel engelwortel, van de volgende kruiden een halve: karwij, venkel en koriander, een halve citroen, twee takken munt, plus een pan en lepel om het door elkaar te kunnen roeren. Dan nog twee weken geduld terwijl je af en toe nog eens roert. Vervolgens doe je met een zeef de rest van het werk en is het vervolgens zaak dat je je inhoudt en hooguit één glaasje per dag proeft.

Geen mogelijkheid voor thujoonse valtaferelen in Zijperspace.
(Column namens IVN geschreven voor Amstelveens Nieuwsblad)

Lent (II)

Ik sta voor een open deur. De hor houdt een verre blik tegen. Slechts de stenen die in gras overgaan, een dun strookje plant er achter, zijn mijn horizon. & Ik denk dat ik denk niets te denken.
M’n waterige ogen proberen me te bekeren tot een ander oordeel over mezelf.

Wie ben ik & hoe ben ik hier gekomen, doemt op. 1 Vriend, of moet ik maat zeggen, is op de voorspelde tijd vertrokken. De ander klopte een paar uur eerder aan op m’n slaapkamerdeur & toen hebben we maar een ziekenauto laten komen.
Zo gaan die dingen. Daar moet je helder bij zijn. Een stoel klaar zetten voor de garagedeur. Vragen of hij wel water bij zich heeft. Maar ’t kan best zijn dat ik dat vergeten ben. Op z’n gemak stellen; dat kon ik evengoed wel.

Weet je, denk ik tegen de open deur aan (ik denk ondertussen dat de leegte opgevuld wordt): een mens kan dan opeens blanco zijn. Er is plots geen voor & geen achter. Alles wat er normaliter toe doet is even in ’t huis hiernaast gaan slapen. Net geen verstoppertje, gewoon een standby-knop die ingeschakeld staat op ‘wachten op betere tijden’. Of wat voor tijden, getijden, dan ook.
De deur knikt met de wind mee. Niet van nee, want dan zou hij slechts 1 antwoord, 1 medeleven tot zijn beschikking hebben.

Ik heb Tineke op een gegeven moment gebeld. Toen hij was afgevoerd. Zij was de ziekenwagen voor mij 2 jaar gelee. Van Lent naar Radboud. Om daar aangekomen te horen te krijgen dat we dat nooit meer moesten doen.
Dat daalt nu in. Die waarschuwing, dat goed bedoelde verwijt. Dat ’t ooit gaat stoppen. Ons misschien wel stom gedrag, ons gelukkig gedrag. Van wat de wereld ons kan maken, of god, mocht-ie onverhoopt toch bestaan, & macht hebben over ons.

Dat denk ik allemaal tegen de deur. De deur met beperkte horizon, maar wel groen gras in ’t vooruitzicht. Een plantje nog net in bloem.

Hij stuurt bericht dat de terugweg dit keer een taxi is.
Ik zal ‘m straks vragen of de fiets er nog in zit waar we mee weg kunnen vluchten uit Lent, ’t plaatsje dat nu 2 mensen ongerust heeft gemaakt.
& Pas bij Tineke zal ik m’n waas van voor de deur durven tonen, vrees ik.

Toch hopen we volgend jaar Lent te kunnen herhalen in Zijperspace, want we willen voelen dat we leven.

Lent (I)

Dagelijks denk ik dat ik ’t op ga noteren. Met vooral een mogelijke constructie van een verkeerd denkende zin. Dat moet ’t de moeite waard maken. Voor mij, voor hen. Zodat ’t aandacht trekt, beroert, zaait.

De weg naar hier begon eergister; zojuist m’n 3e avondmaaltijd aan de andere kant van ’t begin, een lekke band plus nutteloos maandags bezoek aan een fietsenmaker later (ze zijn blijkbaar buiten ’t grootsteedse niet voor niets normaliter op maandag gesloten).
Ik zadelzat die ochtend van sporadisch tegenverkeer, daarnaast nihil inhalers, me in te prenten dat ik ’t heerlijk prozaïsch glorende ochtendgemijmer later bij aankomst zou gebruiken voor m’n 1e verslag. Ik zou ’t hebben over de boerenzwaluwen bij ’t Gaasperpark, de bussen die zojuist ontwaakt waren, de stoplichten die hier 24 uur doorgingen waar geen tijdstip daardoor vanaf te lezen was, de 1e vlagen van m’n zweet & hoe dat mee zou vallen, want vooral op gezichtsniveau riekt dat niet & heet dat nog okselfris & al dat andere dat m’n geheugen niet meer genegen is op een doeltreffende manier op te slaan.

Alleen de beelden van broer Carel komen vaker terug. De dood, de jeugd, ’t stapelbed & de angst te veel geluid gemaakt te hebben waar hij last van zou kunnen hebben. Waarbij de dood, in tegenstelling tot bovenstaande chronologie, aan ’t eind van de rij, aan ’t eind van ’t besef komt. Bij wakker worden op een vreemde plaats & nog niets geschreven staat.
De tocht voltooid. Zonder noemenswaardige klachten van m’n lichaam, behalve die onrust, de slechte slaap die niet verdoofd had kunnen worden door een paar liter bier.
& Carel die maar levensecht terug bleef komen, in de vorm van ’t idee dan dat ik nog steeds een kamer, een stapelbed met hem deelde. Dat ik stil moest zijn & niet moest liggen woelen.

’t Is bij mezelf thuis, waar ik nu niet ben, inmiddels niet anders. ’t Middernachts wakker worden, de wereld zich traag kenbaar makend & ik vermoedend dat m’n broer die nog steeds bevolkt.
Ik laad me leeg op de plee, was me schoon van de waan & zet een hoorspel aan, iets wetenswaardigs om me vol te proppen met kennis die minder beklijft dan de aanwezige afwezige. Thuis, maar ook hier.

Ik heb hem om me heen gehad. Jarenlang, vanaf dat ik de wieg verliet. Ik besef me inmiddels niets anders meer dan dat hij altijd blijft, dat dat straks ’t laatste is.

Iets om mee rekening te houden in Zijperspace, in Lent, gedurende de zomer & wat daarop volgt.

Lok een stippelmot voor meer tuingenot

Wil je volgend jaar ook lekker veel voortplanting in je tuin, schaf jezelf naast wat nestkastjes een appel aan. Of een vogelkers. Of een meidoorn. Etcetera…
Je wordt een instant-vogelliefhebber als je voor het eerst in je leven naast een nestkast koolmezen hebt gestaan waar de jonge kuikens beginnen te piepen als een van hun ouders lijkt aan te komen vliegen met broodnodig voer. Je hart slaat een keertje over en je mondhoeken krullen onbedwingbaar omhoog tot hun gelukstand bij het zien van vader of moeder met een pietepeuterig rupsje in de snavel. Dat zou dan op een niet grotere afstand dan vier meter moeten zijn, wil je dat daadwerkelijk ontwaren, maar gelukkig is mensenfantasie zo toeschietelijk om die details als vanzelf in te vullen.

Hordes koolmezen (plus nog wat andere beesten) zijn in de meimaand afhankelijk van stippelmotten. Die hebben hun interne agenda zo ingesteld dat ze in dezelfde tijd groeien als het koolmezenjong. Zelfs de klimaatverandering heeft daar nog niet significant invloed op.

En die vogeltjes boffen maar: de stippelmotten hebben zich onderverdeeld in diverse soorten met verschillende smaken. Wereldwijd zijn dat er zo’n 72 en in Amstelveen zou je daar acht van moeten kunnen vinden. Acht met zes verschillende voedselvoorkeuren, want de kardinaalsmuts is populair bij drie verschillende stippelmotten.

Wetenschappers hebben recentelijk de stamboom van deze motjes uitgezocht. Eén van de conclusies daarbij was dat de oervoorvader al voorkeur voor de kardinaalsmuts had, maar gedurende miljoenen jaren zijn enkele nakomelingen op andere bomen terechtgekomen. Een verre nazaat later is als spijtoptant teruggekeerd naar de kardinaalsmuts.
Voor de rest lijken ze allemaal sprekend op elkaar: allemaal zwarte stippeltjes op een witte ondergrond. Meestal heb je de boom nodig om het motje goed op naam te kunnen brengen. Slechts eentje heeft een grotere vlek op z’n vleugels. Die heeft dan ook geen boom in zijn naam nodig, maar heet gewoon grootvlekstippelmot.

Niet bang zijn dat je boom of de volledige oogst door de motjes eraan zal gaan. Met z’n allen bij elkaar hebben ze verschrikkelijke honger, die een kardinaalmuts bijvoorbeeld kaal kan scheren. Maar de kardinaalsmuts heeft daar een trucje voor verzonnen: zo gauw de rups is uitgegeten en onderweg is van pop tot mot te worden, maakt hij nieuwe bladeren aan. De meeste andere stippelmotten schijnen vooral een voorkeur voor bladeren aan twee- tot vierjarige takken te hebben.

Het koolmeesjong maakt zich overigens niet druk om het dieet van de stippelmot, laat staan om zijn naam, en eet zich, hooguit piepend, met honderden rupsjes groot.

Droomt zichzelf bij ieder maal een eigen uitbreidend Zijperspace.
(Column namens IVN geschreven voor Amstelveens Nieuwsblad)

Vork

Ik zoek de haat, terwijl ik ondertussen verder ga met ’t verzamelen van bestek. Hapje voor hapje, een duik in ’t hete water met om beurten m’n rechter, m’n linker hand voor ’t flukse grijpen. De borstel wisselt soepel tussen beiden.
Wat boven komt moet geselecteerd, zegt m’n dwangmatig brein. Hoewel ik vaker geprobeerd heb dat proces te vermijden, keert de afwijking, zo doe ik vermoeden dat ’t heet, steeds weer terug. Want ’t heeft ook een handigheid, alle messen tegelijk borstelen & vervolgens staande in eenzelfde bakje laten droogdruipen. Vervolgens de lepels ’t zelfde laken een pak; ’t lepelvlak, koning eenoog,van dit eetgereedschap trots maar onnozel uitkijkend boven de rand van ’t droogrek.

& Dan zijn de vermaledijden.
’t Is aan ’t eind van een langer ritueel. Hier zijn borden al aan vooraf gegaan, invriesbakjes met hun frustrerende dakjes ertussendoor. Om ’t gebeuren niet onmetelijk saai te laten worden, middenin tussen ’tussen’ & ‘door’. ’t Hoofd wil afwisseling. Dus de frustdeksels krijgen om een bakje hun beurt: bakje, deksel, bakje, deksel.
Soms sla ik over, wat een vernietigende uithaal van verveling oplevert als ik geen bakjes meer omhanden heb om al ’t nare te kunnen intomen.
’t Komt door de akelige randjes van deksels. Die moeten extra schoon, want een verzamelplaats van alles wat onzichtbaar is & me uiteindelijk zal doden met hun vergif dat ’t reinigingsmiddel niet heeft kunnen bereiken. Mijn ongeduld werkt daar geduldig aan mee. Steekt steeds z’n kop op als ik niet kijk.

Vermaledijden beginnen ook met een ‘V’. Als verdoemden, verachtelijken, vorken.
Ze hebben hun uitstraling niet mee, hun, de woorden die opstarten met die schuin omhoog lopende punten. Je wordt bij aanvang al gespietst door hun indringende aanwezigheid.
& Dan zijn die van mij nog krom ook.
Dat heeft dan wel weer voordelen. Iets olijk lepelachtigs, waardoor ik ze niet eeuwig kan verbannen.

Ik heb viertanden, met een krommende kont dus. Of een bollende buik.
In sommige restaurants is 3-poot koning, met rechte rug, vanwege design. Waarschijnlijk zouden die beter bevallen bij mijn afwas, want ’t levert minder rand op. 4 Keer tand is nog een extra boel van niet kunnen zien dat kan blijven plakken & uiteindelijk fier vooruitstekend in m’n onschuldig mond stop.

Dat denk ik niet allemaal, maar wel grootdeels, onderweg naar ’t onvermijdelijke einde van de vaat, de vorken vissend uit vlammend water.
& Dit schrijvend verklaart veel van m’n verborgen afkeer. Ik snap weer wat beter.

Maar hekel zet je niet makkelijk bij ’t vuil in Zijperspace, dat blijft sussend sissen.

Nachtvlindercheck

Waarneming.nl is een prachtig middel om te kijken hoe het gesteld is met de natuur. Je neemt de Nederlandse bevolking, dat gedeelte dat graag door de natuur loopt en er van houdt om de boompjes, plantjes en beestjes bij de naam te noemen, verzamelt hun gegevens en gooit dat op een grote hoop. Als je dat maar lang genoeg doet, komt er vanzelf wel een indicatief getal naar boven van hoe het met bepaalde organismen gaat. Is een bepaalde populatie in grootte vooruit gegaan of heeft de klimaatverandering, de vervuiling of het bouwen van een nieuwe wijk invloed op hun aantal?
Natuurlijk is het resultaat niet vanzelfsprekend wetenschappelijk verantwoord als je alle cijfers zomaar bij elkaar gooit. Het ene moment zijn lieveheersbeestjes in de belangstelling. Het volgende moment zijn iepen het slachtoffer van een vreemde ziekte. En een natuurinstelling kan ook zomaar besluiten dat een bepaalde boom het bos te veel overheerst.
Exit beestjes die de boom als voedselbron gebruikten.
Ander voorbeeld: sinds enige tijd laten boswachters dode bomen liggen. Daar komen dieren op af die dol zijn op oud dood hout, in gezelschap van grote hoeveelheden paddenstoelen bovendien.
De meeste paddenstoelen zijn gemakkelijk te zien als hun vruchtlichaam te voorschijn komt en worden in die periode dan ook grotendeels doorgegeven aan de website Waarneming.nl, maar die kleine insecten die diep verborgen zitten in het hout: wie weet die zichtbaar te maken?
Waarneming.nl heeft een app voor smartphones ontwikkeld om door middel van soortherkenning snel te weten te komen wat de namen zijn van de soorten op de foto’s die men in de natuur maakt. Als de app geen zekerheid geeft, is er nog altijd een klein legertje aan ‘soorten-experts’ die de binnenkomende waarnemingen nauwkeurig op juistheid beoordelen.
Maar des te kleiner en minder waargenomen een soort is, des te moeilijker te bepalen is wat de daadwerkelijke grootte van een populatie is.
Neem nu de nachtvlinders van Amstelveen. Wie komt die wel eens tegen? Hooguit toevallige passanten die iets waarnemen op een boom of plant. Of die door stom toeval iets onregelmatigs zien tussen bladeren of op de bodem eronder.
Nachtvlinders worden zichtbaarder als je ’s nachts speciaal licht met UV-straling aanzet. Die straling trekt ze aan en na een paar uur is je daardoor plots duidelijk wat voor nachtleven er zich in de buurt bevindt waarvan je ervoor totaal geen weet had.
Een eenvoudig onderzoekje op Waarneming.nl wees uit dat er afgelopen jaar niemand met dergelijk licht heeft gekeken naar nachtvlinders. Wel in natuurgebieden eromheen, maar niet in de tuinen van de bewoners van Amstelveen.
Dus we dachten dat het tijd was om een vlinderval in te zetten. Een klein clubje mensen zetten die lichtval in hun tuin en gaan de volgende ochtend kijken wat er is gevangen. De val verhuist van tuin naar tuin en wie weet weten we aan het eind van het seizoen wat meer over wat er zoal ‘stiekem’ leeft op de tuinen in de stad.

Inmiddels 6 vlindervallen aanwezig in Zijperspace, terwijl er licht schijnt op een laken in de achtertuin.

Carla-afscheidgenoot

Ik ben blij dat ik met jou afscheid van Carla heb kunnen nemen. Diverse keren tranen in m’n ogen, maar dat heb jij wss niet gezien omdat ik voor je zat.
Maar daar voelde ik me ook wel lekker bij. Men hoefde mijn tranen niet te zien; ’t was goed zo, niet te veel over je heen laten stromen, maar wel aanwezig.
Blij ook dat ik bij jou was. Dat ik er was & ‘sterk’ genoeg.
Maar evengoed waarschijnlijk geen goede, voor jou benodigde reacties kon geven. & Evengoed tevreden omdat jij mijn onhandigheid, mijn niet met iedereen kunnen communiceren over ’t juiste onderwerp op ’t juiste moment, dat je dat ondertussen accepteert, er mee om kan gaan.

’t Was ondanks alle verdriet een mooie dag. Carla zou me een knuffel hebben gegeven, me ff bij m’n schouders hebben gepakt, heen & weer geschud, 2 keer. That’s all, of iets beter passends bij haar tegen mij, tegen ons in ’t algemeen, gezegd.

Weet je nog van toen haar naam voor ’t 1st door Zijperspace schalde, zeiden wij, knikten wij.