Ik ben de tijd in de gaten aan ’t houden. Morgenochtend een afspraak met de belastinghulp. Een vorige afspraak ging verkeerd vanwege weersomstandigheden. Treinen vertraagd, paden onbegaanbaar, ov onmogelijk.
Na die zin getypt te hebben moest ik 10 seconden m’n adem zien te reguleren. Misschien langer, maar dan moet je in & uit zien bij te houden, de adem dan.
Daar ben ik niet van gediend. Dan word ik eeuwige paniek door daar aldoor bewust van te zijn.
Dat weten mensen vaak niet, slechts een enkeling.
Maar van de rest weet de belastingdienst tegenwoordig wel, maar ze weten dan weer niet wie van de studenten in opleiding daar tegen opgewassen zijn. Zo stel ik mij dat voor.
Hoe wakker ik bijv morgenochtend ben. Hoe wakker ik de komende nacht ga zijn.
Bang ook dat de komende afspraak ook niet door zal gaan.
Ik ben inmiddels een bibbermens. Barrières om me heen gebouwd van veiligheden.
M’n schouders inmiddels omhoog getrokken terwijl ik dit type. Als van dat niemand dit hoeft te weten, maar die spanning in tekst vertalen, dat lijkt een noodzaak. Schouders die tot ver boven mijn kin stijgen inmiddels, kramp vanuit de bladen achterop m’n schouderrug, richting die verdoemde nek uitstrekkend.
God niet waardig.
Sinds enkele dagen hangt een rondcirkelende langemouwshirt om m’n nek. Om te voorkomen vooral. Dat de pijn die heerst, niet altijd bewust, niet groter groeit, door extra warmtebehoud. De bewustheid ervan ook uit ’t oog verloren raakt. Mijn nacht geen doorklaterende podcasts nodig heeft. Wellicht dat ik mijn eigen mijmeringen vlak voor slapen gaan kan beleven als genoegdoening voor dat gemis. Maar liever als vanzelfsprekend, geen opvulling.
Dat er een mogelijkheid ontstaat om aan vroeger te denken. Niet uit heimwee, niet uit verlossing van de somtijds pijn, noch van ’t per se herbeleven.
Maar meer de veelvuldigheid van in tijd bestaan. Dat de herhaling er is, jezelf hervinden, de iteratie ervan. De lach van ’t kind dat ik was op familiefilmpje, een dansje doent op weet ik veel welk verjaardagspartij.
De lach, de stommefilmpjeslach overal om me heen; er leken tantes te klappen. ’t Onmogelijk hoorbare klappen van de tantes met de handen op hun knie.
Spijtig dat m’n moeder me later liet weten dat ik te veel aandacht trok.
Ten koste van.
Ja, ten koste van. Ik besef ’t achteraf.
Er zijn houten kerkbanken bekleed met gebeden spijtbetuigingen in Zijperspace, maar daar heeft de god vast niets van geleerd.