Tuig

Dankzij Ome Carel ben ik m’n leven lang ‘Tuig van de Bovenste Richel’ geworden. Met hoofdletters: voor Tuig, Bovenste en Richel. Zo wist hij het namelijk uit te spreken toen hij die woorden tot mij sprak.
Ik had geen idee wat ‘Tuig van de Bovenste Richel’ betekende toen hij me zo betitelde, in z’n korte broek, blote bast, op een camping ergens in op dat moment zonnig Zwitserland. Dat ik in m’n zwembroek rondliep vond ik normaal, maar dat hij als grijze borstharige man daar in de stoel van mijn vader zat was voor mij iets heel anders. Hij had zich daartoe laten verleiden door die dwaze zwager van hem, mijn vader dus, waarschijnlijk ook Tuig, van diezelfde Richel, met dezelfde hoofdletters. Maar niet van de Bovenste, want hij moest die goede man, mijn vader dus, van ietwat jongere leeftijd dan hij, wel te vriend houden, want er viel vast nog wel een borrel binnen te slepen terwijl hij voor onze caravan zijn kinderen in de maling nam.
 
In die tijd had Ome Carel al dikke pluimige wenkbrauwen (later heeft hij die waarschijnlijk regelmatig laten corrigeren, zoals wij van de familie Zijp onze Tuigheid en Richelheid enigszins tot een redelijke niveau voor onze oudste oom hebben weten aan te passen).
Maar terwijl hij dat zei, maakte hij gebruik van zijn doelbewust zo gecoiffeerde wenkbrauwen door mij zo streng mogelijk aan te kijken.
Een makkelijk trucje met dermate veel haar boven je ogen.
Maar evengoed, hij wist dat kwalijke aspect van zijn verschijning tegenover kinderen van nog geen 5 (of 6, of 7, of daaromtrent) goed uit te buiten. ‘t Leverde mij in ieder geval de rest van mijn leven veel op. Hoewel ik bang ben dat ik dat nooit goed uit zal kunnen leggen.
Ik bleef nl verbaasd naar hem kijken. Wat bedoelde die oude man met veel meer haar op zijn borst dan mijn vader met die woorden: dat ik Tuig van de Bovenste Richel was, terwijl er volgens mij alleen maar een bal tegen zijn stoel was aan getikt en er niets van zijn groen kleurende likeur was gemorst daardoor. Waar was die Richel? We hadden toch alleen maar een vouwcaravan? En wat was Tuig? En was er dan een Richel die hoger was dan die wij bij ons thuis hadden? Of had hij Thuis gezegd en niet Tuig?
 
Ik weet ‘t allemaal niet meer in chronologische volgorde te zetten, maar ik weet wel dat daar iets gebeurd is met mijn nimmer aflatende zoektocht naar woorden, dat ik daar eigenlijk ben begonnen met speuren, wat ze zouden betekenen, waar ze vandaan komen en hoe ze worden gebruikt en ze je op een verkeerd been weten te zetten.
Mijn Ome Carel heeft me toentertijd een trap op m’n achterste gegeven en me, met een dikke, maar voor ‘onnozelen’ (waartoe ik zelf toen nog toe behoorde) moeilijk te ontwaren knipoog, aangezet tot ‘t ‘talig’ maken van mijn wereld. En met zijn wenkbrauwen, veel te borstelig, maar o zo doeltreffend, heeft hij me tegelijkertijd een dosis humor gegeven dat dat andere Tuig van de familie Zegers (sorry, sorry, mijn moeder was er ook één, en met veel liefde gewaardeerd, maar ik praat nu even in de woorden van Ome Carel natuurlijk) waarschijnlijk nooit zou kunnen begrijpen. Maar ja, ik was dan ook van de Bovenste Richel, net als hij. Begreep ik later.
 
Alleen heb ik de wenkbrauwen niet waarbij je geen knipoog nodig hebt. Of die olijke ogen die daaronder uit schijnen, zogenaamd streng. O zo zogenaamd.
 
Tuig.
Die hele familie Zijp.
En hij keert z’n hoofd een kwart slag en neemt een slok.
De lol is er tenslotte af als hij zijn lach verklapt.

Forever Tuig from the toplevel Richel in Zijperspace.

Vijfhoek

Ik was vandaag weer in de Diemer Vijfhoek. Een jong vogeltje, uit ‘t nest gevallen wss, rende voor me uit, in angst. Ik moest een sprintje trekken langs ‘m heen om hem weer richting nest, richting ouders, te laten spurten.
Er waren op een gegeven moment minstens 6 winterkoninkjes om me heen, aan weerszijden van ‘t pad, ze lieten de hele tijd om beurten een tikkend geluidje horen, een triller, om met elkaar in contact te blijven, zo leek ‘t. Ondertussen dwaalden er ook minstens 2 vinken & 2 boomkruipers in dezelfde regio, dezelfde bosschages om me heen. ‘t Gebeurde allemaal op een afstand van niet verder dan 4 meter van me vandaan. 1 Winterkoninkje (eigenlijk enkele van hun om beurten) zat een tijd lang op nog geen 2 meter van me weg.
Ik ben niemand tegengekomen buiten hen & een hele hoop insecten & andere, verdekt opgestelde, vogels.
1 Libelle bleef zitten terwijl ik foto’s van ‘m probeerde te maken, voetje voor voetje meer intimiteit van ‘m opeisend. & Een beter portret.
Ik heb ‘m ervoor bedankt, zoals ik de laatste tijd pleeg te doen als ze me toegelaten hebben hun op ‘scherp’ te krijgen.

‘t Bericht gaat integraal op Zijperspace.

Regendans

Ik zie dat ze gewoon door zijn blijven gaan met dansen. Ondanks de spetters die ijverig vallen. Dansen ze nu om de voor hen loodzware druppels te vermijden of omdat ‘t nou 1maal bij hun bestaan hoort?
Ik probeer 1 van hun in ‘t oog te houden, continu te volgen in zijn bewegingen, de bochten, de hoeken, de lijnen, ‘t stijgen, ‘t dalen. Vooral de hoeken zijn moeilijk; daar verlies ik m’n studieobject snel uit ‘t oog, vooral op ‘t moment dat een soortgenoot net passeert & eenzelfde onverwachte ‘move’ maakt. Maar alles is eigenlijk onverwacht. ‘t Enige niet onverwachte is dat ze zich in, zoals ‘t vanachter ‘t raam er uit lijkt te zien, een kubieke meter bevinden. Ze lijken zich daar niet uit te willen begeven. Dit is hun veilige stukje open wereld. Dit is hun kader. Hier bevinden zij zich allemaal, alles wat hun werkelijk bekend is.
Hun kubieke meter zou voor hen zo groot kunnen zijn als dit huis waarin ik me nu bevindt. Dan zou ik waarschijnlijk ook de begane grond mee moeten rekenen, want deel mijn volume maar eens zo ver dat ik zo groot ben als deze dansvliegen & pas datzelfde quotiënt toe op ‘t pand hier in dit park. Ik krijg ‘t vermoeden dat ik ‘t omliggende terras dan ook mee zal moeten rekenen plus ook nog eens al de aanwezige bomen in hun volledige dimensionaliteit.
Eigenlijk ben ik maar klein behuisd in vergelijk met hun.
Zien ze die regendruppels aankomen, dat ‘t mij niet lukt om 1 van hen te betrappen meegesleurd te worden door de immens grote druk van de zwaartekracht waar zo’n heel klein beetje samengeklonterd water onderhevig aan is? Hebben ze een voor ons onwaarschijnlijk snel reactievermogen dat ze ze allemaal kunnen ontwijken? Of anders zou ‘t kunnen dat ik tijdens mijn staren naar 1 zo’n vlieg alweer afgeleid ben geraakt door een volgende of automatisch die volgende ben gaan volgen toen de 1e toch sneuvelde onder al dat nat omdat ‘t te flitsend snel ging voor mijn hersens om die overgang te kunnen bevatten.
Eigenlijk was ik alleen maar aan ‘t staren naar een nijlgans en een blauwe reiger, die in dezelfde stromende regen hoog in de top van een spar elkaar bedreigend aan ‘t wegkijken waren, terwijl een blauwe streep voorbij flitste om te tonen dat ijsvogels ook geen last van nat hebben, toen ik ontdekte dat de voorgrond gevuld werd door een dansvoorstelling.
 
Poging een reeks van momenten te bevriezen in Zijperspace.

Micromotjes II

Ze laten ‘t zich wel heel makkelijk overkomen. Een badkamermuur bestaat, je zou bijna zeggen dat ‘t onontkomelijk nou 1maal zo hoort, uit tegels. Waarschijnlijk hebben ze er ook standaardmaten voor. ‘t Komt mij voor dat dat bewuste micromotje (ik heb ‘t hier over de soort in ‘t algemeen zoals die zich in mijn badkamer manifesteert, niet over de 10-, misschien wel 100-tallen individuen die hun kortstondig bestaan aldaar hebben doorgebracht) een grote voorkeur heeft om zich precies in ‘t midden van deze standaardmaat te bevinden. ‘t Is voor mij dus zeer eenvoudig om alle tegels af te scannen om te zien of er afgelopen nacht een nieuw exemplaar is geboren.
Jaren geleden werd ik voor ‘t toiletgebruik in een Amsterdams café verwezen naar de kelder. Boven was ‘t op dat moment veel te druk.
‘Je moet je vooral niets van die vliegjes aantrekken,’ werd ik gerustgesteld door de eigenaar. ‘Er is iets met ‘t riool. Daar moet iets aan gebeuren binnenkort. Dan zijn die beesten ook weer verdwenen & kan ‘t gewone publiek die wc gaan gebruiken.’
Ik zou ‘t niet als een ‘wolk’ willen omschrijven, maar overweldigend is ‘t wel als je zo’n toilet binnenkomt & de bril optilt. Sindsdien ben ik de verschijningsvorm van ‘t motje niet meer vergeten. Dat ‘t motje een motje was, dat wist ik echter toen nog niet.
& Dat is waarom ik ze dood. ‘t Beestje mag geen plaag worden. & Omdat ‘t rioolaspect me ook is bijgebleven, gebruik ik zeer fatsoenlijk een wc-papiertje. Die gaat, weet ik inmiddels, wel 10 tot 20 motjes mee.
Muggen doden is een vak; met de motten kan een kind de was doen. Mochten ze opvliegen, dan zijn ze in een oogwenk uit zicht verdwenen. Even later zie je ze echter alweer zitten op een andere tegel, wederom in ‘t wiskundig midden ervan. Alsof ze zich willen excuseren voor hun vlucht & ‘t je ter genoegdoening zo makkelijk mogelijk willen maken.
Maar ondertussen draagt ‘t alleen maar bij tot ‘t verder groeien van m’n schuldgevoel. Fruitvliegjes, dat mocht nog wel, & muggen (alleen de stekende, & daarvan dan alleen die verzot zijn op mensenbloed) natuurlijk ook, maar niets wat de wereld geen kwaad kon doen.
Op een goed moment ‘ving’ ik er echter 5 in een korte sessie van staren naar de centrale middens van alle tegels in mijn badkamer. 5 Is niet meer een toevallig passerende enkeling. ‘t Had hier meer de schijn van een zogeheten plaag. & Ik moest aan m’n nachtrust denken, die door een beroerde kussen & een eigenwijze nek toch al niet zo best was de laatste tijd. Want plagen, alles waar je in ‘t dagelijks leven blijkbaar geen controle meer over hebt, daar krijg je dromen van. & Niets zo akelig als wakker worden van kortademigheid & zweet plus ‘t idee dat je zojuist door iets heel kleins verslagen bent. Aangeknaagd, met rioolteentjes bepoteld, door heel veel broertjes & zusjes massaal betreden.
Mijn fantasie moest kortom in bedwang gehouden worden.
Daarom doet ‘t mij dus zo’n deugd dat ze ‘t zich zo makkelijk laten overkomen & dat ze niet veel anders zijn dan kamikazepilootjes dan wel zelfmoordenaars met bomgordels die je door een simpele zachte druk van de wijsvinger uit kan zetten zodat erger voorkomen kan worden. Maar dan wel met een stukje wc-papier ertussenin, zodat ze niet de vieze dingen die ze uit ‘t riool hebben meegenomen op mijn huid achter kunnen laten.
Zover is ‘t dus ongemerkt wel gekomen, dat ze me met deze gedachten hebben besmet. & Ook dat kan resulteren in een dodelijke ziekte waar ik ‘s nachts aan lijd.
 
Alsof Zijperspace alweer ten dode lijkt opgeschreven.

Micromotjes I

Iedereen heeft zo’n ding, zo’n plankje onder de spiegel van de badkamer. Plastic, kunststof, wellicht hout.
Nu ik dat schrijf, bedenk ik: hout is zo gek nog niet. Veel rustiger, veel minder in ‘t niets vallend door ‘t kunstlicht als wat ik nu heb: zo onopvallend mogelijk wit door de verhuurinstantie aan de muur geplakt; hout zou veel minder opvallend gevoelig zijn voor al ‘t vuil dat ik blijkbaar onopgemerkt overal achterlaat.
Maar goed, een spin weet ‘t wel te waarderen. Als ik m’n mond spoel na gebruik van de tandenborstel of als ik een zelfde buiging maak om m’n dagelijkse routine van pillen slikken te volbrengen kijk ik ‘m recht in 1 van z’n ogen. Waarbij ik er automatisch vanuit ga dat ik z’n geslacht niet op de juiste waarde schat. ‘t Ligt aan onze taal, moeder spin, & hoe we die zo makkelijk mogelijk willen gebruiken.
Goed, kunststof plankje dus, onder de spiegel, boven de wasbak. Waar andere beesten juist onder een afdak gaan zitten om niet nat te worden, heeft de spin zichzelf een plek gevonden waar ‘t effect van ‘t daar verschijnende water wel eens de andere weg dan de zwaartekracht kiest. Een mens kan onstuimig zijn in zijn alledaagse toilet.
Maar waar ik vroeger zo snel mogelijk van die spin af wilde zijn, van elke spin eigenlijk, accepteer ik tegenwoordig de blik van misschien wel 8 ogen op nog geen 10 cm afstand. Ik, daar staande, op m’n zwakst, van 1 hand ontdaan omdat deze de kraan moet besturen, van de 2e doordat de tandenborstel de reis altijd tot ‘t einde van ‘t poetsritueel wil meemaken, ikzelf van spontaniteit & alertheid gespeend door een mond die al spoelend & borrelend geen signaal van noodzaak tot actie door kan geven aan mijn hersenen. Die functie heeft de mond nou 1maal niet in die hoedanigheid.
Dus ben ik er maar van gaan genieten. Dat schijnbaar inactieve brein vragen toesturend vanuit mijn met 2 vraagtekens gesierde ogen (dat kan ik zien als ik mij kortstondig opricht & onderweg de spiegel tegenkom): waarom houdt dat beest ‘t zo lang vol & als ik die micromotjes zelf niet doodsla, zou hij dan niet een exorbitant rijk maal elke dag hebben?
Ja, die micromotjes, daar moet ik ‘t ook nog eens over hebben.
 
Er is weer tijd van leven in Zijperspace.

Dat u is & was

Er klinkt geschreeuw van achter. In de straat die dichter bij ‘t spoor ligt, voorbij m’n tuin.
Ik moet dat soort dingen niet, kan dat niet zo goed hebben, zeker niet hier, in mijn grote stad, maar voel de verantwoordelijkheid dat ik niet uit ‘t oog moet verliezen dat je vervreemdt van je medemens als je niet af & toe je oor te luisteren legt.
Dus ik sta in de tuin. Probeer ‘t van dichtbij, op gepaste afstand, te aanschouwen. In geluid dan. Niet té dicht erbovenop. Er moet een huizenblok tussen zitten.
Als ‘t uit de hand loopt heb ik nog altijd m’n mobiel bij de hand.

Alles is ver weg, als wat dichtbij gebeurt iets te vaak voorkomt. & Dan moet je je ook nog maar kunnen voorstellen dat ‘t inderdaad niet al te vaak gebeurt, want anders raak je helemaal geïsoleerd.
‘t Hoeft immers niet zo te zijn dat een burenruzie, iets te veel lawaai, een overlijdensbericht, jou steeds opnieuw overkomt.

Behalve op ‘t terrein van burenruzie heb ik veel ervaring.
Ze zijn nl bij bosjes gevallen, die doden. Als je er te veel kent, dan sterven ze vanzelf in al hun enthousiasme jou te kunnen verlaten, opzettelijk met z’n allen tegelijkertijd, lijkt ‘t dan.

Heeft men de boeken bijgehouden van de junks die in mijn tijd de straten van Den Helder bewandelden? Hoe zij slikten, spoten & daarna onsierlijk overleden?
Ik had toen ‘t idee dat ze 1 voor 1 de hoek omgingen, neergeschoten of neergespoten, gek geworden &/of opgehangen, geen vertrouwen meer in ‘t ouder worden.
Ok, m’n ouders, daarvoor m’n grootouders, waren druk bezig zo ver te komen, maar dat gold blijkbaar niet voor de huidige mensheid van toen. Of in ieder geval niet die mensheid die mij omringde.

Dus dan sterven mensen. Dan blijken ze er opeens niet meer te zijn, zonder dat je een oordeel kan hebben van je slikt veel, je drinkt te veel, je bent niet zorgvuldig bezig. Nee, dan blijken ze er niet meer te zijn omdat ze oud zijn geworden & op respectabele leeftijd, maar nog altijd veel te vroeg.
Dood.

Kan iemand mij dat nou eens uitleggen? Dat ik doden meemaak, ontelbaar, ik begon ze al te tellen toen ik nog maar net 20 was, maar dat er een tien- of honderdvoudig aantal om me heen zwermt, terwijl ik de leeftijd niet heb om me daar druk over te maken.
Ik wil niet ontelbaar meemaken, moet men weten. Ik wil hooguit ontelbaar zijn.
Maar ‘t begint langzaam tot me door te dringen dat ik dat ook nooit bereiken zal.

Mijn excuses aan al diegenen die eerder weg zijn dan ik.

Ik weet dat u was in Zijperspace.

Vrouwenkamp

‘t Is een Boomhommel, denk ik kort.
Zeer kort, want ik laat me al snel door Wikipedia wijsmaken dat een Boomhommel (met z’n witte kont) vanaf augustus al niets meer van zich laat horen, terwijl de Aardhommel (met z’n net zo witte kont) tot half oktober rondwaart.
Maar dan heb je ook nog de Wilgenhommel & de Veldhommel (beiden de zelfde mate van witkonterigheid). Waarbij de 1st genoemde rond september stopt & ik voor de 2e toch echt ‘t naslagwerk over bijen nodig heb, want daar weten de wikipedianen nagenoeg niets over te vertellen.

Aardhommel dus maar.
Ik stond al verbaasd nog een hommel in m’n tuin te zien. Zo verbaasd dat ik ‘r op haar zoekende, hopeloze vlucht ademloos volgde. Minutieus, elke beweging. Als in: wat doe je hier, gek? Ik heb geen bloemen, ik heb geen nectar, ik heb geen stuifmeel. & Jij bent zelf waarschijnlijk toch al aan ‘t eind van je Bombus-latijn.

Waarna dat beest midden in ‘t luchtledige stil bleef in haar beweging. Er was opeens een hommel die ergens boven de planten gefixeerd stond & niets meer deed.
Nou ja, niet lang. Op een gegeven moment begon ook tot haar (de mannen zijn rond deze tijd van ‘t jaar allang al dood) door te dringen dat ze niet verder kwam & dat ‘t noodzakelijk was zich uit deze paralyse te trekken door heftig met ‘t lichaam te schudden.

De tegemoet stormende spin zal ook wel een vrouwtje zijn geweest.
Vrouwen lijken allesoverheersend in insectenland. Ik bekeek vanavond een filmpje waarbij ‘t mannetje dol enthousiast ‘t vrouwtje dacht te gaan bespringen (in seksuele zin bedoel ik dat dan), maar al snel ingekapseld werd door ‘t rag van ‘t vrouwtje dat in hem een avondmaaltijd zag.
Als ‘t aan de geleedpotigen ligt worden mannen zo spoedig mogelijk afgeschaft zogauw ze niet meer nodig zijn voor de broodnodige productie van volgende generaties vrouwen.

Maar goed, spin (onbekend welk, nog niet bestudeerd, nog steeds iets te bang voor dit soort, maar ‘t zal wel ‘Kruis-‘ zijn geweest; dan heb je in je eigen tuin 40 % kans dat je goed gokt, heb ik me laten vertellen) rent op Aardhommel af, kapselt ‘r in, hommel spartelt, gaat in gevecht (waartoe, waartoe? denk ik nog, dit ga je verliezen, ik zie ‘t nu al, ook als is dat ding met meer poten kleiner dan dat jij bent), spartelt nog een keer, ik zie waarschijnlijk giftige poten van spinlief teder & aandachtig steken in ‘t borststuk van de hommel & mijn vooruitziende blik vertelt me al dat ik straks een behoorlijk groot pakket insect in m’n tuin heb hangen waar de 8-potige zich behoorlijk in omvang aan zal vergroten ‘t komend etmaal.

Maar niets blijkt op een gegeven moment minder waar.
Ik zie hommel vallen (o, m’n lieve hommel, ik had je zo lief, ik vond al dat je zo ongezond laat & onvervaard door m’n tuin zwalkte & voelde meelij voor de hopeloze boodschap die je in ‘t kader van ‘t voortbestaan van je volk buitenshuis moest gaan doen), vallen, in een splitseconde, kleiner nog waarschijnlijk, want voor ‘t lichaam dat zojuist nog enkele omwikkelingen van spinrag om zich had gevoeld ‘t blad onderliggend bereikt zijn de motoren van de vleugels alweer aangezet & zet ‘t zich voor een vlucht, ietwat waggelend, dat wel, richting 1st daar waar vroeger m’n vlinderstruik stond & dan naar verre vertes waar wél voedsel te vinden is.

Buiten m’n bereik. Zó ver konden m’n ogen niet reiken.

Zullen ze nooit reiken in Zijperspace.

Volgzaam

Ik volg m’n vader. Hij loopt voorop. Ik zie z’n kuiten voor me uit schuiven, stap voor stap hoger de bergen op, de zwitserse bergen, nooit pogingen doen snel verder weg te sprinten.
Nee, in gestaag tempo, ongehaast, zodat mijn blik zijn kuiten niet uit ‘t oog verliest. Hij lijkt m’n ogen te voelen, gericht op zijn benen, weet zijn verantwoordelijkheid: z’n kind, met een eigen rugzak, de oudere broer, onvermoeid, uit op nog meer avontuur, verder vooruit de berg op, op zoek naar de paden die ons leiden naar ‘t hoger gelegen doel.

Ik volg m’n vader dus. Maar waar ik in die rol net als hem kinderen had moeten krijgen heb ik er geen.
Hij loopt evenzogoed vooruit. Voor me uit, zou ik moeten zeggen. Ik weet wat er hem overkomen is & wat ik moet vermijden om mij ‘tzelfde te laten gebeuren. Ik ontwijk de stenen waar hij over gestruikeld is. Hef m’n voeten hoger op. Ik ben tenslotte ook kleiner, hoewel ondertussen niet meer nu ik op deze zelfde leeftijd terecht ben gekomen. Maar ik weet dat ik beter m’n best moet doen om niet in dezelfde valkuilen te stappen.

Die zwitserse alpen. Terwijl hij jonger was dan ik nu. Ik keek naar hem op. Ook als hij mensen begroette in ‘t voorbijgaan.
‘Gruetzi mitenand.’
M’n broer & ik kopieerden die zwitserse groet. We lachten om de verkeerde uitspraak van die vreemde buitenlanders die hier woonden.

Wij luisterden niet. Wij zagen niet wat hij zag.
Hij pieterpeuterde z’n ogen de plantjes in, soms met een loep om z’n nek. Die had hij óók nog ‘ns bij zich, naast de bagage voor een overnachting ergens hoog in de bergen.
Hij plukte, zorgvuldig om zich heen kijkend, & frummelde (niemand mocht zien dat hij illegaal kleinodigheden exporteerde) een bloemetje in z’n flora. Heukels waarschijnlijk.
Of was ‘t de Heimans/Heinsius/Thijsse die nu bij mij boven de vroegere stoof hangt?

Ik weet ook dat-ie verbaasd stond om alles wat bewoog. Geïnteresseerd in waar ‘t zich bevond & waar ‘t naar bewoog.
Ik heb dat toen niet geconstateerd, maar zag ‘t toen hij beelden kreeg van wat er niet om zich heen was, maar evengoed wel zag.
Dankzij de medicijnen. Om te voorkomen dat hij snel ouder werd, sneller sterven zou, sneller, sneller, sneller niet meer zou zijn, terwijl hij tegelijkertijd alleen maar trager werd.

Hij vertelde me, m’n moeder zat ongerust naast hem, ik er tegenover, dat er beestjes uit de muur kwamen. Hij lachte er vrolijk bij.
Hij bracht z’n hand omhoog, volgde een denkbeeldig kruipseltje & bestudeerde ‘t. Zoals een natuurvorser hoort te doen. Geen angst. Slechts verwondering.
De medicatie deed ‘m goed.

Ik ben jaren bang geweest. Zo lang als hij er nu niet meer is & lang daarvoor. Maar nu ik lieveheersbeestjes over m’n hand durf te laten kruipen, & wat dies meer zij aan grote avonturen, weet ik dat ik niet hoef te vrezen wat er straks uit de muur tevoorschijn gaat kruipen.

Laat vaders dromen maar komen tot Zijperspace.

Verlatingsdagboek XXIX

Ik wacht tot de benauwdheid weer terug komt. Ik verwacht ook dat ik me straks in deze houding niet zo comfortabel meer ga voelen.
Tegelijkertijd weet ik dat ik dat waar ik nu in ben, de omstandigheid zeg maar, heb getraind. Al jarenlang kom ik ongemakkelijke situaties tegen waarbij ik me niet op m’n gemak voel & dat probeer te verhullen.
 
Ik moet nl doorgaan met ademhalen. Heb ik mezelf geleerd.
Ik ben daar nl geweest. Ik heb in dat huis gewoond. ‘t Huis zonder lucht. ‘t Huis zonder hemel.
 
Ik heb m’n vader uit moeten leggen (zij die niet tegen deze openhartigheden kunnen worden nu de deur uitgewerkt) hoe ‘t voelde toen op dat moment de hemel op me neerstortte.
Hij zat hulpeloos in de stoel waar hij altijd in zat. Waar normaal zijn plank lag, waar hij typte, dankzij een typemachine op de plank die boven zijn schoot hing, waar hij zijn wereld beheerste, de wereld van zijn zonen, van zijn huishoudschool waar hij directeur van was, van zijn vrouw met hoofdpijn, van zijn hobby’s, als genealogie, jazz & diverse andere obsessieviteiten die zijn gedachten blijkbaar kalmeerden, vanuit die positie moest hij begrijpen dat ik ermee zat dat de hemel (niet die van god, of ook maar enig andere grootheid) op me neer aan ‘t storten was.
 
Hij begreep dat niet, niet zolang mijn moeder niet terug was van boodschappen doen met m’n tantes, de wekelijkse boodschappen, waarbij ze aan ‘t eind koffie & thee dronken bij ons thuis & ‘t kleingeld weer eerlijk over elkaar verdeelden al naar gelang de supermarkt- & groenteboerbonnetjes hun dat dicteerden; hij begreep dat niet, zolang ze afwezig waren, of eigenlijk m’n moeder, maar boog wel voorover, niet om me aan te raken, maar wel om me te laten voelen dat hij me wel wilde bereiken. Hij boog voorover om gelijk aan me te staan, als Atlas, die die zware wereld mee moest dragen.
 
Ik huilde, ik wilde niet dat de hemel op me neer zou komen. Zoveel heb ik ‘m uitgelegd.
 
M’n moeder kwam al snel. Haar zussen dus ook.
Ik wilde nooit dat zij, naast m’n moeder, m’n oogrood konden zien & ben snel naar zolder gevlucht.
M’n vader kwam me nog even achterna & heeft me een klopje op m’n schouder gegeven.
 
Ik wacht dus tot die benauwdheid terugkomt. & Wacht. Wacht.
Ik wil misschien te veel.
 
De lucht klaart, de maan duistert in Zijperspace.

Ik ben hier

‘t Is niemand anders ooit opgevallen, vooral omdat ik dat niet laat zien in aanwezigheid van hun, maar ik bevochtig regelmatig de nagel van m’n duim met m’n tong.
‘t Heeft geen zin, & ik denk ook dat ‘t iets beschamends in zich heeft dat ik dat nu vertel, maar ‘t koelt blijkbaar m’n duim af, de huid onder m’n nagel, ‘t zet me aan ‘t denken, ‘t ordent m’n gedachten, & wat niet al van zelfverklarende onwaarschijnlijkheden.

Dus:
Ik lees een boek. Liggend op de bank.
Ik spel elk woord.
Ik lik m’n nagel. Die van de duim. M’n rechter meestal.
& Ik weet niet waarom.

& Dan, als ik besef dat ‘t onzinnig is wat ik doe, probeer ik ‘m droog te laten worden. Maar ik probeer mezelf te verbieden dat door afvegen te doen.
‘t Moet vanzelf gebeuren.
Tussendoor, terwijl de tijd verloopt, ‘t vocht geleidelijk aan verdampt, veel te langzaam, ik word ongeduldig & wil niets meer met m’n afwijking van duimnagellikken te maken hebben, voel ik met onderlip of er al iets gebeurt is met de vochtigheid van de bewuste nagel.
Waarop ik me op een gegeven moment dapper genoeg acht die gehele oppervlakte, ik zie nu de onzinnigheid ervan in, van m’n speekselvocht te ontdoen.

Ik denk ondertussen aan egyptische afbeeldingen van ik weet niet hoelang geleden. Guus Kuijer heeft me dat ooit geleerd middels een ander boek dat ik ooit las, dat egyptische kinderen aangemoedigd werden om hun duim in de mond te steken.
Daar werden ze wijzer van, want in zichzelf gekeerd.
Was ‘t niet zoiets als dat je alleen maar wijsheid kon bereiken door naar jezelf te kijken?

Ik lik even extra aandachtig m’n duimnagel. Ik blaas, maak daarbij om me heen kijkend gedachteloos contact met de wereld van verkeerd & te veel geplaatste spullen om me heen, & voel daarna om te controleren of de nagel al droog verdampt is.

Ik ben hier in Zijperspace, als dat niet al eerder beweerd is.