Requiem for a Father – The Durutti Column

Misschien was hij wel helemaal niet streng. Had ik de straf die somtijds mijn deel was te vaak als een onterechte reprimande beleefd.
Ik hoor hem lopen tijdens Requiem for a Father. Lege gangen, begeleidende galm, weerkaatsende muren. Strengheid ook.
De schreeuw die een meisje doet verstarren. Hoewel je realistischerwijs niet van een schreeuw kon spreken. Gewoon opheftoon. Een vol gebruik van de keel & mondholtes om ’t te laten resoneren. Rekening houdend met de eerder genoemde muren plus de hoogte van ’t plafond. In die tijd nog zonder demperprofiel.

De voortstappende hakken die hun tred vervolgen.
Waar een afstandelijke eenzaamheid uit klinkt.
Elke vooruitgang afzonderlijk klinkend, met donkerbruine toets.
Echo van de 1 wordt vervolgd in die daarop.

Waar ik ook ben geweest: ’t mensen laten weten dat zoiets niet kon! Stem verheffen wat tot uitvergroting resulteerde. Je legt ’t achter in je keel, schampt de wanden & de voort trekkende trilling doet de rest.
Heb je hakken tot je beschikking & je kinders blijven ’t luisterbeeld behouden. Komen ze niet meer vanaf. De gangen, de holheid, de snelle, korte terugkomst van wat al geklonken heeft, daarbij alles meenemend wat ’t omgeeft.

’t Stapt voort, terwijl de kinders babbelen, een licht gekijf. Ze verzinnen nieuwe spellen, terwijl Pa de regels benadrukt door voort te schrijden. Alleen in een net wat sneller tempo. Waardigheid wel, maar koninklijkheid onttroond.
Vaderschapsontzag vooral.
U hoort de voortgang, voelt, denkt beter te weten, maar houdt wijzelijk de mond. Er was immers ook nog zoiets als onverwachts kladderadatsj.

Dan liever de stappen die hun onophoudelijke gezag voortplanten.

De dreiging hing in Zijperspace, maar stapte slechts voorbij.

Verdonkeremanen

Ik word inmiddels moe van ’t schijnen van ’t beeldscherm. Alles zoveel mogelijk op zwart. Ik wil niet meer dan nodig zien. Slechts wat noodzakelijk is uitgelicht.
Er verschijnen blauwe spots. Inktvlekken van ’t lichte soort. Mispixels.
Hoewel zo nu & dan, niet constant.

Je probeert rustig te blijven. Jezelf, met tutoyeren overtuigen dat je toegesproken wordt door een wijze stem. Je wordt ouder papa, klinkt vals door de vale lucht in je hoofd. Schemer die naar ouder worden stemt, gelijkelijke aanname dat ’t wel goed zal komen, maar evengoed uiteindelijk stopt. Een punt achter de laatst geschreven punt.
Zichzelf herhalend zodat ’t woord waar wordt.

Ik zal in die toestand nog wel door kunnen typen, minder snel, want fouten vermenigvuldigen zich bij ’t vingervlug trippelen over toetsen. ’t Voelt heerlijk, maar terug backspacen maakt je altijd minder overtuigd van wat je zegt.
Stel dat je niet kan zien wat je spreekt, tot een brabbelen verwordt. Van: ‘Zuster, alstublieft, vervang mijn schrijflint.’ De woorden schijnen dan niet helder als voorheen.

Waar mijn vader wijzelijk tippex gebruikte, tot ’t potje verkalkt leek. Meestal bleek dan tevens dat de zonen (wij spraken thuis in gemakkelijk meervoud wat dat aangaat) de verdunner te rijkelijk hadden laten vloeien. Vandaar de verspreide witte vlekken op ongeschreven woorden. De andere, misplaatste woorden, letters waren ’t nog maar eigenlijk, niet meer weg te schonen.
Een gedeelde schaamte thuis. We deden ’t allemaal richting in te leveren verslagen. Voor ’t hoger doel, waar meneer de directeur, ons vader, zo op hoopte. & Tegelijkertijd zo streng op toezag.

Hoewel hij z’n vinger slechts zelden opstak als verwijtend geweer, verweer zo men wilt, was hij een orkaan die z’n tucht als directeur thuis nog even opnieuw botvierde. Hoewel slechts als ’t fout ging, een slecht rapport, enige reuring over gedrag op school of bij geen zin de hond uit te laten, veroorzaakte dat dat ’t geluid in huis gedempt moest worden door ’t te overschreeuwen.
Maar ’t ging vaak fout als je 6 keer dezelfde fouten kan maken in ’t opgroeien van een gezin.

Hij had tippex om met dat wit z’n fouten te verdonkeremanen. Ik zie blauw gekleurde pixels om de gaten op te vullen. Of ’t 1 met ’t ander te maken heeft, doet er behalve de familierelatie waarschijnlijk niet toe. Ons moeder zijn vrouw zou ons tot rust gemaand hebben, ‘Niek, Niek!’, of ‘Ton, Ton!’: ‘Laat ’t even gaan’, & of: ‘Laat ’t los’.
Want zij wist wat hoofdpijn was, hoewel niet hoe ’t te voorkomen. Evengoed deed ze haar best.
We kregen ’t echter wel te horen als ’t niet was gelukt.

Maar wrijven helpt wel in Zijperspace.

Nr 100: 26 Nov 2021

Ik heb in ’t verleden kort bijgehouden wat er op de wc gebeurde. De spinnen voornamelijk. Ik deed er verslag van hier. Dat maakte ’t mogelijk om de veranderingen bij te houden. Bovendien zorgde ’t er voor dat ik m’n toetsenbord beroerde.
Na te denken ook.

M’n ouders kwamen bijv voorbij. De slechte momenten, hangend met m’n hoofd over de rand van de toiletpot. Blij dat m’n ouders bereid waren me op te halen & een dagje terug in ’t ouderlijk huis te nemen.
Ik heb nooit gevraagd hoe ze daar tegenover hebben gestaan. Wat ze er aan hebben beleefd. Ik geloof dat we dat soort aspecten van gevoelsleven, hechten aan elkaar, niet deelden. Niet al te veel, niet al te duidelijk.

Tussen de regels door vooral. Men moest echter wel een goede verstaander zijn. Gelukkig kenden we elkander al lang. Dat hielp.

Vandaag vond ik de Satijnvleugelsikkelmot. Een zogenaamde ‘zeldzame soort’.
Ik had ’t idee dat-ie ondertussen wel van die lijst gehaald mocht worden, al toen ik ‘m afgelopen zomer op een avond met speciaal licht in m’n tuin kon waarnemen. M’n tuin is groen, dat wel, maar de andere in de directe omgeving niet.
Nu de Satijnvleugelsikkelmot zich zelfs op m’n toilet heeft laten waarnemen, is ’t allemaal niet zo spannend meer. Zelfs de herkennings-app heeft er totaal geen moeite mee mij met een zekerheid van 100% te overtuigen dat ’t ‘m is.
’t Beestje vindt ’t gewoon machtig interessant om door een luchtkoker op avontuur te gaan richting warme zones, de relatieve kou van de douche- & toilettegels deren ‘m niet.
Wie weet heeft ’t straks de kans zich onverwacht in een ander seizoen dan gewoon voort te planten. Ter meerdere glorie van ’t ras & de verovering van de binnenshuize wereld.
Wie weet heet ’t straks de Wc-satijnvleugelsikkelmot; de 1e motmug is al naar die plek vernoemd.
Dan heb je straks Wc-satijnvleugelsikkelmotten die alleen maar kunnen kruizen met die van hiernaast. Want die andere oorspronkelijken ruiken te veel naar de buitenlucht ipv de schoongeboende douchekamertegels.

& Ik: ik kijk omhoog.
In tegenstelling tot de spieren die belast werden tijdens de middagse naar-beneden-blik-sessies heb ik nu niet al te veel te lijden gehad. Die spieren waren druk doende er voor te zorgen dat paddenstoelen, anders: op of in die paddenstoelen zittende insecten konden worden aangetroffen.

Nu kijk ik omhoog & zie opnieuw die 3 spinnen.
Vast 3 zussen. Vast elkanders maaltijd straks, op 1 na. Misschien juist niet die ene die een mot op z’n tafel zag geserveerd vanmiddag & er nu met z’n volle buik zelf uitziet als de maaltijd.
Een dinner for two. Zolang ’t nog kan & zelf nog niet gegeten wordt.

Druk bezig met herkauwen in Zijperspace.

Middenveld

Ik vind dat ik niet met ‘allereerst’ mag beginnen, maar dat is wel zoals ’t gebeurde.
Er was 1st nl niets aan de hand. Allereerst een man met streepjestrui, breed horizontaal gekleurde kabels, ik zag hem tussendoor de bomen. Kennelijk hond die uitgelaten moest worden, hoewel door de bomen de hond niet zien. & Terwijl ik midden diezelfde beschaduwende eiken & beuken voortging, hij ’t open veld, zag ik hem steeds terug blik vangen.

Dat dacht de andere man ook. Maar hij ging frontaal, over net zo open veld, hem tegemoet.

Ik vond onderwijl de ouderwetse appie-tassen, zonder ’t daadwerkelijk te beseffen, vreemd. Je wilt er niet over nadenken, maar ’t stempel ‘rraarr’ sluimert & spookt, vormt evengoed geen betitelend woord.
Appie-tassen, met die hengsels nog in ’t ontwerp vervloeid, overlopend in de tas zelf, midden in ’t veld. Een tijdelijke prullenbak, was een vage geruststellende oplossing die mijn hoofd vond die op zijn beurt zich eigenlijk meer bezig hield met wat er zoal voor m’n voeten bevond. Bladeren, boomstammen & – takken, maar vooral ook paddenstoelen. Soms weet je niet waar ze plots kunnen zijn; druk bezig met ze proberen begrijpen.

Terwijl ik trancematig door bier plus paddenstoel me richting prullenbak manoeuvreerde, je moet immers anoniem vanuit een bos tevoorschijn zien te komen, zwelde ’t volume van de omstebeurt-mannen. De 1 hoog, de ander zogenaamd berustend, maar even schallend bij zoveel leegte naast wat bos was.
Ik ondertussen mijn prullenbaksessie via ’t ‘evenzo veld’, toch minstens 20-tal meters van hun schal verwijderd.

‘Fuck you,’ klonk ’t, met mijn slurpende blik, ‘fuck you.’
‘Maar ik wil gewoon wat tegen je zeggen,’ zei de ander.
De appie-tassen werden kort verplaatst, alsof dat zin had. De verstoorder deinsde weg, hernieuwde daarna zijn niet-stoor-argumenten, stap vooruit, halve stap achteruit, 2 stappen verder met armen die vlakke binnenkant handen lieten zien.
Waar was die hond nou?, vroeg ik me af. & Lag m’n blik al bij de rest van prul? Bierblik bedoel ik dan.

Ze moeten nog minstens 10 min door zijn gegaan, terwijl ik doorliep richting fiets, gezien hun beider mate van niet opgeven. De conversatie was er niet zolang de ander niet verstond. ’t Schreeuwde over ’t veld, ’t kaatste de bomen, de vogels verstomd met commentaar.
Ze vroegen om elkanders gelijk & elkaars verstaan, ik flipte m’n volgend blik & verzonk daarin met toenemend waas.
Beter zo: mijn ’t bos & hun ’t luidruchtig veld.

Mijn ’t Zijperspace daarnaast erbovenop.

Cursus Lijfloggen, deel 20

Tik!

Het begon toen ik naast een kast op de bank tv zat te kijken. Mijn arm had ik gedachteloos tegen die kast geleund, rechtovereind staand, mijn hoofd tegen de onderarm steunend. Ik was, alleen in de kamer, in gedachten verzonken, niet met aandacht bij het tv-programma, m’n lichaam half onderuit tegen de kussens aan de zijkant van de bank aan.
De kast naast me was de boekenkast. 70-er Jaren gelakt hout, te bestellen bij de Wehkamp, binnen een week afgeleverd en naar binnen gesjouwd door de transporteurs. Van binnen was de kast gevuld met de streekromans van m’n moeder. Een gestaag uitdijend heelal, waar alleen zij belangstelling voor had. Naast mijn vader dan, die wilde dat de enige hobby van zijn vrouw zoveel mogelijk ruimte moest krijgen. Daarom stond die kast bij de hand, in het centrum van ons dagelijks leven, tegenover het beeldscherm dat de kinderen het meeste vertier leverde.
Mijn vinger gaf een tik. Mijn duim. De zijkant, waar de knokkel van het bot zit. Het zal ergens op anderhalve meter van de grond zijn geweest dat die tik op de kast terecht kwam. Een droog, maar tegelijkertijd warm geluid, een lichte galm dat door ’t hout trok, aan de andere kant van de boekenkastwand resoneerde, een toonhoogte leek te geven, een melodie misschien zelfs, in het korte tijdsbestek dat het geluid duurde, aanving, trilde, wegtrok, nagalmde in mijn horend geheugen.
Waarop mijn duim nogmaals van zich moest laten horen. Vervolgens mijn wijsvinger. Om te controleren of dat in hetzelfde geluid zou resulteren. Mijn duim weer. Mijn wijsvinger. Om beurten. Achter elkaar door. Geroffel. Tiktaktiktaktiktaktik. Sneller. Een enkele keer afgewisseld met m’n middelvinger. Om een maat te bepalen. Nog sneller. Kijken waar de vaart op kon houden. Een solo van drie vingers. Aan één stuk door. Monotoon. Drummend op m’n moeders boekenkast. Alleen het ritme deed ertoe.
Ik heb eens iemand horen zeggen dat het besef van tijd deels wordt veroorzaakt door het tikken van een klok. Niet de enkele ‘tik’, maar de meer uitgebreide ‘tiktak’. Als er geen afwisseling was, zo zei de man, geen verschil tussen het ene moment en het andere, zou de mens geen besef hebben dat de tijd verder gaat. Dat de tijd een dimensie was, eentje die je niet kan zien, maar wel kan waarnemen door het veranderen der dingen. ‘Tik’ is het ene moment. ‘Tak’ het volgende. Tezamen zijn ze de constante verandering.
Niet alle klokken tiktakken, bedacht ik toen. Zeker niet in die tijd, toen digitale wekkers gemeengoed werden en de klassiek tikkende wekker geleidelijk aan uit de slaapkamers verbannen werd, de tijd dat de man, ik ben totaal vergeten wie hij was en waarom hij tot deze uitspraak kwam, dit in een tv-programma verkondigde. Oké, de traditionele Zwitserse koekoeksklok zei ‘tiktak’, maar de klok in onze woonkamer kwam niet verder dan ‘tik’.
Maar de man was nog niet klaar: ook als de klok een enkelvoudig geluid gaf, was de mens geneigd er een ‘tak’ achter te denken, verdieping in het geluid aan te brengen. Door een stilte, door een natrilling van de tik in het gehoor, door een zeer kortstondige herinnering aan de tik, die vervolgens meteen vervangen werd door de volgende. De kerkklokken lijken ‘bim bam’ te luiden, maar eigenlijk, bij een enkelvoudig klokkenspel, is het steeds dezelfde klok die zowel de ‘bim’ als de ‘bam’ produceert. De menselijke beleving zorgt ervoor dat er tussen de ene ‘bim’ en de andere ‘bim’ een onderscheid wordt gemaakt, waardoor ‘bam’ wordt gecreëerd. En het besef van tijd ontstaat. Want er is iets veranderd. Het ene moment is niet dezelfde als de vorige.
Ik probeerde ondertussen mijn vingers zo snel mogelijk te laten trommelen. Mijn rechterduim en –wijsvinger roffelden op alles wat los en vast zat, als het maar enigszins geluid voortbracht, daarbij enigszins geholpen door de middelvinger aan dezelfde hand.
Tiktak werd roffel, roffel werd een monotone continue dreun, met minieme variaties als ik het puntje van mijn nagels gebruikte i.p.v. de knokkel van de duim of het kussentje op de top van mijn wijsvinger. De dreun werd een zelf gecreëerde trance, waarin alles voorbij ging en tegelijkertijd hetzelfde bleef.
Maar mijn familie werd inmiddels knettergek van mij.
‘Moet je nou de hele dag met die vingers van je door blijven trommelen?’ vroeg men. ‘Je kan toch ook wel iets nuttigs doen op een dag?’
Vond ik eigenlijk ook wel, maar ’t streven de ene tik van de vinger onhoorbaar over te laten lopen in de tik van de andere vinger bleef mij in hoge mate fascineren. Tiktak moest straks één langgerekte tik worden.
Ik zou er nog steeds mee door zijn gegaan, als ik niet op gegeven moment bij mezelf opmerkte dat er tussendoor ook nog gegeten diende te worden. Of dat er vrouwen, meisjes, waren die aandacht verdienden. En die meisjes, zeker op die leeftijd, hadden het over het algemeen niet zo op een nimmer stoppende roffelende puber. Daarnaast vonden mijn docenten het prettig als ze het idee hadden dat ik enigszins belangstelling had voor hetgeen ze mij wilden bijbrengen.
Ik stopte. Voor zover ik me daartoe kon dwingen, in ieder geval. En slechts op mijn kamer, op het moment dat ik moest blokken op lesstof die maar niet in mijn hoofd wilde blijven hangen, of er een meisje was die mijn verzoek op een afspraakje niet had ingewilligd, waagde ik het de wereld weer een halt toe te roepen, de gang der dingen te beperken door verandering met mijn vingers tegen te gaan.
Huiswerk: schrijf eens over de dag dat er niks met jou en je lichaam gebeurde en kijk of dat bevalt.

(Deel 0 staat hier, als introductie op wat ik 50 afleveringen lang heb volgehouden te schrijven voor ‘t weblogmagazine about:blank, maar verloren werd gewaand. Dl 1, Dl 3  [daar kan je ook lezen wat er aan de hand is met Dl 2], Dl 4, Dl 5, Dl 6, Dl 7, Dl 8, Dl 9, Dl 10, Dl 11, Dl 12, Dl 13, Dl 14, Dl 15, Dl 16, Dl 17, Dl 18 & Dl 19 zijn reeds herverschenen alhier. De komende tijd zal ik de rest van ‘t materiaal dat ik ondertussen geheel heb teruggevonden alsnog hier gaan publiceren.)

 

Blblbl

‘Duizendbladluis.’
‘Nee, duizendbladbladbluis.’
‘Nou zeg jij ’t ook verkeerd.’
‘Ik zei geen duizendbladbluis.’
‘Nee, je zei duizendbladbladbluis, maar ’t moet dus duizendbladbladluis zijn. Ook niet duizenbladbluis.’
‘Bluizendbladbladluis.’
‘Bijna goed. Doe nog eens…’

Vroege vogels kwamen even twieten in Zijperspace.

Archaïsch

Men moet mij verschonen. Ik heb een liefde meegekregen vanaf men mij woorden bijbracht. Ik geur ze, poeder ze, polijst ze schoon.
& Liefst had ik dat laatse woord met dubbel ‘s’ geschreven. Omdat ’t goed stond. ’t Schikte.
De stropdas van Pa, dit keer niet zelf gekozen. ’t 1e Evangelie klonk gelijk mijlen beter, de galm over de schouwen, ruk aan kinders knokkelig bot om niet te kijken waarheen.

Ze voegen zich niet altijd in wat gewoon is in mens mond. Liefst soms ietwat anders. Ze dragen ’t, ze doen ’t, ze laten zichzelf bij mij.
& Ik doe wars & dwarrel ze, zodat ze elkaar misschien wel herkennen, maar zichzelf kort niet.
Zij doen huppel in m’n mond, wat ’t bord tracht te besturen, toetsen schuddend zodat er vanzelf iets verschijnt licht benevens waar, maar meer vloeiend, vleiend, richting henzelf.
Mij ’t medium, die toevallig beknopt is om gestuurd te worden. De trippeltrap van voederzoekende ekster die klikt op wat glimt.

Ik buik & ik pers, wacht af wat komt. Burps, wroet, & laat uiteindelijk los.
Moet in de wachtstand want dwang maakt kwark niet lekker. Letters wel.
’t Is niet als hark, dark of stark, want kwark is kwark. Ik ga bijna lusten.

Ben benieuwd hoe ’t afscheidt in Zijperspace.

Magnetrontosti

Ik geloof zelf niet dat de rest van de mensheid er op zit te wachten, maar evengoed is ’t welbestede tijd even overzichtelijk te maken wat de randvoorwaarden zijn voor ’t welslagen van ochtendlijk ontbijt. Van een specifieke soort bovendien, nl de tosti uit de magnetron.

Men kan er gevoeglijk van uitgaan dat ik gedurende de jaren, zeg maar vanaf ’t tijdstip dat de magnetron zijn intrede in mijn huishouden deed, er al dan niet structureel of doelgericht met een voor de toekomst beoogd resultaat over nagedacht is, dit tijdens de talloze malen dat ik mezelf een begin van de dag aan ’t bereiden was. Daarbij ’t aperitief, de thee, gemakshalve negerend.
De onvolkomenheden deden zich in die begintijd nl geregeld voor: voortijdig zakkend kaas, zich verpreidend over de glasplaat (met sombere toekomstvisies, bruin tot zwart plakkend voor de rest van zijn bestaan; ondoenlijk dat te verschonen, tenzij giftig materiaal zou worden ingezet), ’t brood daarbij verlatend.
Een kettingreactie tot gevolg. Vingers graaiend in weg vliedende slierten, alsof ze voor ’t 1st de zwaartekracht hadden ontdekt. Haastig werd de mond gebruikt, waarbij de tong te lichtgevoelig bleek voor de onverwachte hitte die altijd net iets onder ’t oppervlak schuilt bij deze bereidingsmethode. ’t Broodje te vochtig, te week & te glibberig tegelijkertijd om ‘m recht te kunnen houden, wat resulteerde in een soortgelijk vervolg. De in partjes gesneden olijven zwommen zich door de kaasblurrie een in hun ogen veiliger bestemming dan mijn (onderwijl vooral om mezelf m’n verontrusting te tonen) openstaande mond. & Alles wat nog op ’t broodje restte kon slechts in smaak opgesmukt worden door een vette klodder saus, zodat ’t niet alleen aan week brood hoefde te doen denken.

Men dient er, niet al te veel, maar toch wat tijd & aandacht aan te besteden. De piep komt altijd eerder dan verwacht op de ochtenden die lijzig zijn ingezet, maar in een stroomversnelling kunnen geraken zo gauw ’t ootmoedig plan ’tosti’ op de rails is gezet.
Verder verdient ’t aanbeveling ’t proces in 2-en te delen: 1st de onderlaag, bestaande uit een eventueel plakje van andere structuur dan de kaas, waarna de laatste in kleine hoeveelheden met een redelijke afstand van de broodkorst wordt toegevoegd. Men lette bij ’t plaatsen in de magnetron er op dat ’t broodje door vorm of drager niet scheef komt te liggen, zet hem vervolgens aan bij een milde stand, snijdt hierna in snel tempo de andere ingrediënten (waaronder volgende laag plakjes) & keert daarbij geregeld ’t hoofd ter controle richting ’t raam van ’t apparaat, indien deze (nog) doorzichtig genoeg is (anders stopt men ’t proces kort door de deur te openen). Als alles nog niet uit de hand loopt, vervolgt men ’t snijwerk om hierna de voorverwarmde 1e helft te bedekken met: allereerst de olijven & eventuele partjes komkommer met daarbovenop de rest van de kaas. Wat niet past of te dicht bij de rand dreigt te gaan hangen dient onverwijld in de mond gestoken te worden. ’t  Voorkomt bovestaand of andersoortig scenario.
Wees wederom secuur bij ’t checken van de voortgang.

De saus dient pas op ’t laatst te worden toegevoegd, maar ook dit alleen als ’t er nog op past & er servetten of keukendoekjes meegenomen zijn richting de etensplek.

We hebben deze ochtend weer genoten in Zijperspace, maar schudden voorlopig niemand de hand.

Tipula

Mijn mailadres is openbaar. Ik moet immers mensen te woord kunnen staan die op de site van IVN-Amstelveen komen zoeken naar antwoorden over aangetroffen insecten. Of wellicht dat ze mee willen doen met ons groepje insectofielen als wij een bepaald gebiedje afspeuren naar van alles dat vliegt & kruipt & van 6 poten is voorzien.

Dus op een foto van een beestje met slechts 5 plus de uiteindelijke vraag wat dit zou kunnen zijn, antwoordde ik.

‘Dit is een langpootmug. Langpootmuggen hebben nogal eens de neiging om 1 van hun poten op te offeren als ze bedreigd worden. Liever een poot kwijt dan m’n leven, is ’t motto.
Lanpootmuggen zijn over ’t algemeen ‘slordige’ vliegers; ze walsen alsof lichtelijk beschonken op en neer en heen en weer door de begroeiing. Dat zorgt ervoor dat ze net even wat moeilijker te vangen zijn. En als dat toch mocht voorkomen, dan hebben ze nog een paar poten die ze op kunnen offeren.
Deze langpootmug is van de familie Tipula, hoogstwaarschijnlijk de soort Tipula confusa. ’t Woord ’tipula’ is afkomstig uit ’t latijnse woord voor ‘waterspin’. Met de lange poten van dit soort muggen kan men zich daar wel iets als een schaatsenrijder (een insect dat zich op de oppervlakte van ’t water voortbeweegt) bij voorstellen. ‘Confusa’ is met een beetje kennis van ’t engels te duiden als ‘verward/verwarrend’; misschien dat dit duidt op de verwarrende vlucht van ’t beestje.
Men heeft jammer genoeg nog geen nederlandse naam voor de soort bedacht.’

Vervolgens heb ik daar vriendelijke groeten aan toegevoegd.

De dame in kwestie liet me zojuist nog even weten dat ze, blijkbaar dankzij mijn verhaal, geen zorgen meer maakte over de langpootmug; waarschijnlijk zal ’t, terwijl ze even niet oplette, met z’n 5 poten vrolijk ’t leven weer in zijn gezwalkt.

Onderwijl quarantaine ik geduldig verder in Zijperspace.

Bron

Er is een man langs geweest. Hier, bij mij thuis.
Al vóór de deur had hij een masker op, van betere makelij & meer gezichtsomvattend dan de flubbertjes die ik uit een pak van 50 voor € 5,- heb liggen. Gemeente-instellingvoorschrift, dat zal ’t wel zijn, waar ik voor ’tzelfde doel geen belastinggeld uit mag geven.

& Terwijl ik met die man opliep, hem vóórliep eigenlijk, door de reeds nauwe gang die de ruimte met boekenkasten moest delen, bedacht ik dat ’t alweer lang geleden was dat er een gemaskerd persoon hier binnen was getreden.
De man wiens antwoord op mijn tevreden glimlach ik niet kon zien, was desondanks de 1e aan wie ik dacht toen ik middernachts ’t bericht te lezen kreeg dat ik positief was bevonden.

Gedoemd dus. Men zou mij nakijken voortaan, hoewel ik dat moest ervaren vanuit een hermetisch gesloten onderkomen. Niets naar binnen, niets naar buiten. De ademende partijen mochten zich niet mengen.

Deze man kon ’t niet zijn die mijn last plaatsvervangend had kunnen dragen, schuld van mij ontschouderd. Die bovendien – een tijdsduur van mijn wachten tussen afspraak maken & hem daadwerkelijk hier aanwezig zien zijn – die 2 wachtweken vermorzelde door ’t slot van de tuindeur in een letterlijke handomdraai weer sluitbaar maakte & er daarna ter vergelijking langer over deed om de gang richting terug buiten te doorkruizen.

Hij niet dus & ik had hem evenmin hebben kunnen bereiken. Hij zat opgesloten achter de telefoniste die de afsprakenmolen oliede voor de woningcorporatie. & Een mens heeft geen zin vrijwillig dezelfde foltering van steeds weer opdoemende doorkiesnummers te doorlopen om hét verhaal te moeten vertellen. ’t Resultaat is dan vaak te horen krijgen dat daar een andere afdeling voor is, wat waarschijnlijk de telefoniste is die achter haar zit, maar daar kan ze nu even geen verbinding mee krijgen, ’t spijt me, meneer.
Dat heb ik dus niet laten plaatsvinden.

& Waarom ik dit vertel tegen ogenschijnlijk niemand, over opgezadeld worden met een virus, waarvan ik dacht dat die me bijna onmogelijk treffen kon, de braafste jongen van de klas, hele dagen thuis of anders als eenling in de natuur, zoen noch knuffel gebezigd & slechts 1 keer in 2 besmettelijke weken geld gespendeerd aan kroegbier.
Een levenswijze die anderen zien als martelgang, ik vanzelfsprekend & geduldig draag. Zonder pijn overigens & me een heilige voelend evenmin.

’t Is alleen de vraag die me warrelend lastig valt: kwam hij van links me slinks langszij, een kuchje, een zuchtende opmerking, een ijl spetterende lach, een adem die niet gehoord werd, etc.

Dat ik hier nu verplícht opgesloten zit in Zijperspace?