Vlakervoor

Ik realiseer me, vlak voor slapen gaan, dat ik de drang om te schrijven achter me gelaten heb. ’t Is niet noodzakelijk: ik heb toegelaten dat ik er zonder leven kan.
Terwijl daar rechtsachter, voor de kijkers links, hoog in ’t schijnbaar aanwezig knobbeltje in m’n schedel, iets bezig blijft te zeggen dat zoiets niet mogelijk is. Er spijt zal komen. Routine noodzakelijk.
Links knobbeltje terzelfder hoogte fluistert verslaving aan achterover leunen in een hoge fauteuil van eindelijk verdiende landerigheid. De merites, de miskenning & de tegelijkertijdshalve mislukking die daartoe dwingen.

Ik voel tijdelijk dat m’n verlangen m’n leven schrijvend te verantwoorden, of juist m’n schrijven te verantwoorden door er op te wijzen dat ik een ‘is’ is, z’n doel voorbij is gegaan, m’n paar stappen richting tandenpoets-wc, weg van m’n dagelijkse routine in m’n privé-afsluitcafé achter ’t toetsenbord – wordt die gebruikt voor een zogenaamd hoger streven of juist ’t doolhof van afleiding daarvan? – waardoor ik door datzelfde tegenstrijdige op de vingers wordt getikt (ik heb zojuist een artikel gelezen over hoe Goodreads ervoor kan zorgen dat je er méér naar gaat verlangen een boek uit te hebben, dan te ervaren hoe mooi de vervoering van ’t lezen ooit voor iemand kon zijn) & ik vlak voor de gang door de holte tussen woonkamer & toilet, om de overdag verzamelde viezigheid in mond op te schonen voor een morgenochtend fris begin, dat dat verlangen vervangen is door schuldbewust weten dat juist schrijven mij bevrijd heeft van de noodzaak van andere wasbeurten.

Ik zoek plots de woorden weer. ’t Is te complex om ’t alleen maar te voelen. De wirwar van voor- & achteruitberedenering, slippen, remmend corrigeren, gas geven, achterover tuimelen door de druk van de vooruitgang & tegelijk zoeken naar een parkeerplek die comfortabel & achteraf ook bereikbaar voelt.
Woorden die op zich niet zo ingewikkeld hoeven te klinken, maar vind ze maar eens op de juiste volgorde van oprecht & in de betekenis van ‘mijn’ zelf.

Ik ben de routine beu, maar weet tegelijkertijd dat regelmatigheid, ’t binnenrijm der woorden streelt al typend m’n gemoedsrust, m’n vingers zal behouden voor slepende, versaaiende, vermoeidheidskramp de juiste volgorde der letters te vinden.
De wandelende jood & de nog vroeger door mij gevonden held, misschien wel de oorsprong van een gefingeerde, Odysseus, schieten me te binnen. ’t Zwerven, dwalen, niet weten waar de ziel zich bevindt, een huis van woorden om te laten blijken blij te zijn eindelijk daar opnieuw te zijn aangekomen, maar stom te zijn zolang 1-oog koning is.

De woorden zijn moeilijk, ze bereiken ondoenlijk traag hun voorheen gemakkelijk gevonden tekst. Ze liggen niet op ’t voorheen routineus te bereiken randje van de tong, vertaald door 10 vingertipjes. Ze zijn al vermoeid bij ’t strekken van hun benen tijdens ’t opwarmrondje.

M’n tanden snakken, m’n slaapzin evenzo, naar hun beloofde opschoonbeurt, een wasstraat waar je languit kan liggen & af mag wachten tot de zon schijnt achter de regen die alles gewend is schoon te spoelen richting wonderlicht.

Maar Zijperspace is slechts een woord, waar weliswaar meer uit kan vloeien, de belofte in de naam.

Moes

Hé Moes,
Ik besef me nu pas dat m’n herinnering dat ik je nog op je bed heb zien liggen misschien wel achteraf gecreëerd is. Door wat Quint zei, of Jan. Tante Cor kan ook.
Dat maakt op zich niet zoveel uit natuurlijk: een geheugen wordt ook opgebouwd uit beelden die bij elkaar geconstrueerd worden om ’t totaalbeeld te laten kloppen. ’t Is niet prettig lopen over een pad met gaten & andere oneffenheden.
Maar ’t is zoveel jaren later alsof…
Hoeveel jaren zijn ’t nou?
Ik moet een truc uithalen met te berekenen wanneer ’t voorbij was voor Pa & dat Carel niet snel daarna er plots niet meer was. Ik verzin de omstandigheden erbij waar ik mee te maken had, wie met me meeging naar de begrafenissen, & wat er bij jouw dood daar aan veranderd was. Of veranderen ging.
Dat doe ik met moeite, die lijntjes verbinden: als ik ’t ene touwtje heb, weet ik soms waar en/of hoe ’t volgende er aan vastgeknoopt zit: hun oorzakelijk verband bindt & smeedt weer herinnering. Waarbij jouw lichaam (wanneer ben ik eindelijk je tegen jou gaan zeggen?) steeds terug knippert als levenloos liggend op je bed.
Ik verzin er een al werkende elektrische deken bij, hoewel ik niet eens zeker weet of je die wel gebruikte, een half uur voor de gang naar bed traag op stoom komend om de nachtelijke tocht te veraangenamen.
’t Kan Jan zijn, misschien Quint, die me op de hoogte heeft gesteld. Ik heb Tineke gebeld & plannen voor vertrek gemaakt.
Ook dat zijn logische herinneringen, maar ’t zijn slechts vanzelfsprekende verpakkingen, waar echter de kleur van ’t omhulsel aan ontbreekt. Ik weet niet waar ik ’t huis binnenkwam, wie er was, wanneer ik besloot in ’t computerkamertje te slapen.
De begrafenisondernemer trad binnen. ’t IJsdeken werd onder je neergelegd, ook elektriek, maar tegengesteld doel. Kaarten, foto’s, herinneringen werden om je heen verzameld, voor hen die over de dagen kwamen kijken. Gordijnen toe. Geen buurvrouw of tante meer die je over ’t venster heen op erg vaste slaap kon betrappen.
Ik deed ’t toetsenbord, daar was ik bedreven. Dus naast m’n bed schreef ik de afscheidswoorden voor op de kaart & in de krant.

‘Maar onze hoop zou ’t wel verlengen
Tegen beter weten in tot eeuwig lang.’

’t Is nu enige jaren later alsof ik je beeld weliswaar nog heb, maar alles eromheen zich aan ’t vermisten is.
Wie zou achter inmiddels vervangen gordijnen nu daar wachten tot & of men haar vergat?

Maar hé, Moes, hier spreekt Zijperspace…

Instaspace (LXXXI)

Geel vraagt aandacht, anders slaat ’t je te hard op de bek; subtiele verleiding vergt ’t & ’t idee dat z’n sfeer verre van onnatuurlijk is – met haar, m’n laatste, had ik discussies, veldslagen zelfs, kunnen hebben over wie die pion kon voeren, op weg naar de overwinning, maar ’t aardse in groen & de gekte die onze onderlinge strijd zou kleuren, deed mij gemakkelijk accepteren: m’n wanden zijn 1920-geel, de rest (naast een noodzakelijk goedkoop blauw voor onder de voeten) herbergt mijn persoon in uiteindelijke rust, maar somtijds weet ik dat ook de kleur van wanorde dat bij mij kan bereiken.

Geel gaat niet zonder groen in Zijperspace.
(Foto [in betere kwaliteit, want rottig kopiëren als je je eigen foto’s ergens anders wil plaatsen & ‘t je onmogelijk wordt gemaakt door FB] & tekst eerder geplaatst op Instagram.)

Uitparkeren

Ik heb naast veel vrouwen gezeten terwijl ’t fout ging. Dat was dan meestal met auto’s. Een enkele fiets. Daar gaat de twijfel over ’t algemeen terloops.
De bravoure van mannen hoest zich er overheen. 2 Of 3 keer kuchen ongeveer. Hard schrapende keel vormt dezelfde rekensom van opgelucht verdergaan.

& Sinds ik dat vermaledijde kastje in de hal heb neergezet lijd ik aan dezelfde kwaal: men zou mij niet moeten zien. Gelukkig ben ik voorbij die fase.
Handig zo’n kastje, ik vergeet nog slechts zelden urgente zaken op weg naar buiten. Ik heb ze daar al uitgestald & raak met ze in de knoop. Of ik raak in een kluts waarbij deze me de tijd geeft om naar bevrijdende gedachten te zoeken: er zijn zinniger dingen om me mee bezig te houden dan vloeken op een meubel of een stuur in z’n achteruit.

Terwijl ’t zo soepel kan lopen op weg naar z’n haven, waar hij ’s nachts tot rust kan komen. Je schuift ‘m er recht in & slaat de hoek om als de stuur z’n vrijheid heeft verkregen. Hij voelt veiligheid tijdens de inzet van de bocht na de laatste staander van dat schijnbaar luchtig kastje. Slechts open wanden, waar planken tussen hangen. Slechts enkele zakken, waarvan hij weet dat de inhoud tot broodmaaltijden zal leiden. Op kniehoogte slechts kratten leeggoed, als overkomelijke niemendalletjes van obstakel (waar ‘trapper meets knie’) van rust. Oud papier zo hoog, waar de koplampen nimmer zullen kunnen reiken, ’t ultieme niveau, in zijn fietserslatijn, brabbelt dat stalen ding van mijn.

Ik ben mezelf steeds weer aan ’t uitvinden, op weg naar de volgende tocht. Probeer daarbij te beredeneren dat wat naar binnen gaat, dezelfde weg kan volgen als je de film terug speelt.
(we vroegen m’n vader wel eens daarom, de 8 mm-filmpjes van familie-happenings: alles zag er dan uit als een fout, de klunzige lichaamsbewegeningen als je er over terugdacht & ’t nog zag gebeuren ook, de klunzigste broer won de hoofdprijs van de gemeenschappelijke toekijkerslach, terwijl hij op de heenweg niets fouts leek te hebben gedaan; z’n koksmuts plots een karikatuur waar eerder vertedering klonk)

Ik beredeneer m’n weg naar buiten, zoveel is wel duidelijk, waar eigenlijk ’t proces z’n oplossing zelf al is. Ik zie mezelf de dag ervoor binnentreden, doe wat shots vooruit, waar de fiets de veilige haven heeft bereikt, maar mis daar plots de aansluiting met waar die nog maar net in zicht kwam.
Ik ben aan ’t binnen komen, waar ik naar buiten aan ’t treden zou moeten zijn. Ik ben niet daar waar ik eerder was, slechts mezelf een weg aan ’t wurmen waar ik straks kan zijn.
De hoek mag ‘tzelfde zijn, ’t pad gelijkend, maar je moet bij jezelf toegeven dat er eigenlijk geen ‘achteruit’ bestaat. De tijd staat ’t niet toe.

De koksmuts is een schijnvertoning in Zijperspace & vaders had een knopje voor de lach.

Boekenman & Westmalle

Alleen om de titel te schrijven kost me al moeite. Typen doe ik wel, maar de waarheid vertellen moet ik terug zien te winnen. Een mens deelt zijn leven tenslotte & waar een schijn van waarheid is, daar schuilt die.

Boekenman woont tegenwoordig bij mij in de straat. Voordat hij hier kwam zag ik ‘m ook in zekere zin regelmatig.
‘Hé, Boekenman!’ riep ik in ’t voorbijgaan van ’t metrostation.
Daar stond vroeger de methadonbus. Als ik vroeg op was. Dat was lang voordat hij daar om de hoek een huis kreeg.
‘Lang voordat’ is een mensenleven op junkie-schaal.

‘Nee, ik gebruik niet meer,’ heeft hij zich ooit moeten verontschuldigen.
Hij was een krattendief. Hij had ’t in die tijd voor een kwartje gedaan. Evengoed was ’t beneden z’n waardigheid om groot geld te jatten. Of gewoon niet snel genoeg.
Of te weinig vrienden. Als je die al zo mocht noemen.

Westmalle zei dat zo’n beetje iedereen dood was.
Ik had mezelf geïntroduceerd met: ‘Zo! Leef jij nog!’
In ’t midden van nergens, waar hij voorover gebukt stond met een toestel die wij al meer dan 10 jaar niet meer gebruiken.
‘Wie ben jij dan?’
‘We noemden je altijd de Indiaan,’ reageerde ik.
Z’n favoriete biermerk verzwijgend.
Hij wist even later dat hij een keer voorbij gefietst was & dat ik door ’t raam m’n hand opstak.
Ik zag een beeld uit een 50-er jaren film. Waarin ze dat nog deden.
Maar tegelijk reed hij voorbij op z’n fiets, waar hij daarvoor slechts lopend ging. M’n hand die groette. Van tijden voorbij. & Z’n blik die reflecteerde, maar toch herkende.
Een donkere schijn van voorbij willen gaan.

Ik riep eerder deze week weer, bij mij in de straat, zo vertrouwd: ‘Hé, Boekenman!’
Hij was kwieker, meer bij de tijd, dan ik gewend was.
‘Hé, kerel!’
Alsof hij m’n naam ooit onthouden had. Ik kon ’t ‘m vertellen, maar hij wist ’t slechts te onthouden tot vlak nadat hij ’t bonnetje voor onze broodjes moest overhandigen.
Biertje uit koelkast & weg was de verplichting.
Een knikje in geval van een lange rij, maar ik twijfelde of z’n geheugen zo’n lange tocht kon maken.
Ik was verrast over de snelheid van ‘Hé, kerel!’
Ondanks ’t loslaten van een blijk van werkelijke herkenning die als vermoeden bij mij op de loer lag.

Met Westmalle gaat ’t goed. Hij fotografeert mooie natuur met z’n toestel van 10 jaar geleden.
‘Nee joh!’ klonk ’t als uit een ver maar bekend verleden, ‘Ik ga die smartphones toch nooit meer begrijpen. Ik heb al te veel kapot gemaakt in m’n hoofd.’
& Ik: ‘Haha,’; van: ‘Zoveel is er toch niet veranderd’ om 15 jaar te verdonkeremanen.
‘Joh,’ ging ’t door, m’n gedachten veronachtzamend, ‘ik leef nog. De rest is er immers al niet meer.’

Boekenman was als de dood van hem. Hij had ‘m mensen zien snijden voor de Appie.
Maar hij moest sterk zijn, had Westmalle me ooit verteld.
‘Kijk, je bent in je 1tje. Niemand die je in deze wereld komt helpen. Dan kan je beter helemaal alleen zijn. & Niet doen alsof.’
& Juist de eenzamen die ervoor kozen eenzaam te zijn. Niet door hun vrouw gestoken, kanker overleden, hartstilstand, cel bezweken, anoniem & onbekend gegaan.
Zelfs hun familieleden.

Verhalen die niet bestaan in Zijperspace naast korte, spaarzame vlagen mist.

Instaspaced (LXXX)

Een boekje over haren, ik meen dat dit een beginnetje moest worden van wat z’n levenswerk straks zou zijn, zoals vanochtend de man die alle riedels van koolmezen registreerde, bijna z’n leven lang – die laatste is niet voortijdig heen gegaan, zo tevreden klonk hij met z’n geluidsapparatuur, maar de waarschijnlijk inmiddels kalende man, op ’t moment van publicatie van wat tot z’n magnum opus moest leiden: hij staat verborgen in verhulde catalogi die ’t trage verleden als iets tastbaars moesten handhaven opdat zij, die straks wat was geweest alsnog zouden kunnen raken, strijken of achterover kammen als herinnering aan de jaren die toen nog moesten komen.

We zijn ’t strijken nabij in Zijperspace.

(Foto [in betere kwaliteit, want rottig kopiëren als je je eigen foto’s ergens anders wil plaatsen & ‘t je onmogelijk wordt gemaakt door FB] & tekst eerder geplaatst op Instagram.)

Hoek

We staan daar op de hoek van een fietspad.
Komt zij: ‘Hé, woon je hier in de buurt?’
‘Nee joh, ik ben onderweg naar huis. Maar we staan ff te praten.’
Vraag ik me gelijk af of ik ‘joh’ wel had kunnen gebruiken. Ze is een vrouw.
Of ben ik nou te ouderwets.

Dus praten we verder. & Zij fietst.
Hoewel we dat gesprek toch eindelijk toch moesten stoppen. We hadden al veel besproken. Een groot gedeelte zou niet meer onthouden worden.
Patrick wel, een klein gedeelte. Ik ook, maar veel kleiner deel.
Misschien moesten we ’t later bij volgend bier bij elkaar puzzelstukken.

Ik wist trouwens niet dat dit de kortste weg was voor hem. Dat dit de hoek was van voorbij van de middag. Wreed verstoord door een vrouw die ik kende.
Een burpsje kwam als vanzelf. ’t Koolzuur van 5 bier plus een maag die z’n eigen leven leidde & z’n eigen route volgde. & Dat op omgekeerde volgorde maar wederzijds beïnvloed.

Weet je, we raken elkaar nog steeds niet aan. We vinden dat normaal. Niks geen nieuw normaal, of nieuw moraal. We denken dat ’t momenteel gewoon moet zijn.
Ik vertel dat m’n broer afgelopen vrijdag z’n 1e prik heeft gehad, dus op m’n verjaardag kreeg ik een hug. Wat tegelijkertijd klinkt alsof je een verkoudheid hebt. Hug, hug, hug.
Je moet maar net de ‘h’ verkeerd uitspreken & je bent besmettelijk.

Ik fiets door. ’t Gesprek is afgelopen omdat zij wilde weten of ik hier woonde. We verloren onze à propos.
’t Plan is haar bij te benen & dan er overheen. Een Mathieu van der Poels.
Ik ben een held als ’t me lukt, de dag voor de Amstel Gold Race. 2 Jaar na dato (ach, men moet maar ’t filmpje tevoorschijn toveren). Dat ik een vrouw inhaal, die niet wist waar wij ’t over hadden. & Die ik afgewimpeld heb door te zeggen dat we aan ’t praten waren.

Maar wat is praten nog, zegt m’n fiets. Die geen fluisteringen meer geeft, niet weet van mensentaal, behalve de spieren die ik hem als voeding geef.
Ik fiets om haar in te halen, maar weet dat ’t beter is dat niet te doen. Maar ’t lichaam wil, de drank, de ontnuchtering die zij veroorzaakt heeft.
Weg was bier, weg was een uur of 4 om me te kunnen herinneren.

Maar ’t moest geschreven zijn, voor ’t voortbestaan van Zijperspace.

Cursus Lijfloggen, deel 18

Raak!

Mijn schoonzus, de eerste echte schoonzus die bij ons de familie inkwam, las voor het slapen gaan verhaaltjes voor. Op verzoek van m’n twee jaar jongere broer. Hij wilde wel naar bed, maar dan moest Leny een verhaaltje komen voorlezen.
‘Ga jij dan ook maar mee,’ zei mijn moeder die eerste keer.
Ik ging mee vanwege de spanning. Er was een vreemde vrouw opgenomen in de familie. En die zou zomaar eens gaan voorlezen terwijl mijn broertje in bed lag. Nog nooit vertoond, nog niet eerder meegemaakt. Hooguit een tante die op ons kinderen had gepast en ons daarbij ‘s avonds had toegestopt. Dat was ons nog niet gebeurd met een jong knap meisje.
Leny ging naast het bed van mijn broertje zitten op een kruk. Zij las voor, mijn broertje maakte grappen. Hij kietelde aan haar oor, terwijl zij dapper verder probeerde te lezen. Hij wreef in haar nek; zij hikte lachend het verhaal verder. Hij wroette met zijn vinger onder haar oksels en toen hield het verhaal plots op. Mijn broertje kreeg als beloning de kieteldood.
Ik keek vanuit de hoek van de kamer toe. Giechelde hooguit een beetje mee.

De zondagen erna moest Leny steeds weer komen voorlezen. Ik mocht er elke keer bij zijn, maar durfde niet altijd. Ik kon zien hoe de grote schoonzus naast mijn kleinere broertje drong, waarna ze samen in bed liggend het boek gingen lezen. Hij tegen haar aangeklemd. Geheel tegen haar aanleunend, over haar schouder meekijkend naar het verhaal.
Terwijl ik niet dichter bij durfde komen dan dat hoekje naast de deur, een meter of 2 van zijn bed verwijderd. De deur nog half op een kier, zodat ik snel weg kon.

De titel hier bovenaan zou de toevoeging ‘aan’ best kunnen gebruiken. Omdat ’t deze aflevering nu eenmaal over aanraken gaat. Tegelijkertijd zou het dit artikel geen goed doen. Want een aanraking hoeft nog niet te beroeren. Iemand aanraken hoeft niet direct te betekenen dat iemand daardoor bewogen raakt, verschuift, op een andere plek komt te staan.
Het duidelijke ‘Raak!’ van de titel impliceert veel meer. Het klinkt meer als een speldenprik, recht je arm in. Je wordt even wakker geschud, men haalt je uit je concentratie, omdat iets zich recht naar binnendringt.

Zelf ben ik me er altijd zeer bewust van als mensen me aanraken. Een aanraking is voor mij vaak al een speldenprik. Het kost me moeite iemand toe te staan me bij de arm te houden terwijl deze persoon iets tegen me zegt. Ik heb in zulke situaties al snel de neiging mijn arm terug te trekken. Mijn fysieke radius, de afstand die mensen zich tot mij mogen bevinden om mezelf op m’n gemak te voelen, is in vergelijking met anderen erg groot. Als je iets tegen me wilt zeggen, kan je dat het beste op een afstand van een meter doen, dan je hoofd helemaal tot naast mijn oor te bewegen.
Dat dit bij mij anders was dan bij anderen werd me duidelijk toen mijn schoonzus en broertje geheel op hun gemak in het bed van m’n broertje lagen om verhaaltjes te lezen. M’n broertje dicht tegen zijn pas verworven schoonzus aan en ik op een veilige afstand van 2 meter.
Ik heb te gevoelige sensoren, heb ik me op een gegeven moment mezelf maar voorgehouden, waardoor ik me er te bewust van word. Er kan een schok door m’n lichaam gaan als iemand mij plotseling aanraakt.

Dat betekent niet dat mensen mij dus maar niet aan moeten raken. Zeker vrouwen niet. Het mag mij iets meer doen dan anderen, het wil niet zeggen dat ik er niet van kan genieten. Een aanraking doet me huiveren, in eerste instantie, ik ben me er van bewust, hyperbewust, maar ik heb de ervaring dat zogauw ik het toucheren heb aanvaard, ik er ook extra in meegaan. Een zoen is voor mij niet zomaar een zoen.

Op zo’n manier zou je ook moeten schrijven. Niet een algehele massa aan informatie over wat er met je aan de hand is, wat je gedaan hebt en hoe je het de volgende keer gaat doen. Daarmee raak je de willekeurige lezer niet. Familie en vrienden lezen je wederwaardigheden heus wel; de toevallige passant van jouw bestaan op de hoogte stellen kost veel meer moeite. Je krijgt ‘m niet vanzelfsprekend mee in jouw belevingswereld, niet voor de lange duur.
Je zou moeten doseren, om de hete brij heen draaien en dan plots in het voorbijgaan je hand uit moeten steken, de voorbijganger op de schouder of bij het oor moeten raken, een speldenprikje, waarvan hij niet meteen weet waar die vandaan komt, maar waar zijn lichaam een kort moment van opleeft, schrikt, schokt, zodat hij zich realiseert wat er in jouw leven omgaat, en nieuwsgierig wordt naar wat daar nog meer in te beleven valt. Door een korte, snelle aanraking, niet door keihard in zijn oor te fluisteren, onder het mom van besloten intimiteit.

Huiswerk: beschrijf wanneer je voor het laatst iemand effectief hebt aangeraakt, welke lichaamsdelen erbij betrokken waren & waarin het uiteindelijk resulteerde.

(Deel 0 staat hier, als introductie op wat ik 50 afleveringen lang heb volgehouden te schrijven voor ‘t weblogmagazine about:blank, maar verloren werd gewaand. Dl 1, Dl 3  [daar kan je ook lezen wat er aan de hand is met Dl 2], Dl 4, Dl 5, Dl 6, Dl 7, Dl 8, Dl 9, Dl 10, Dl 11, Dl 12, Dl 13, Dl 14, Dl 15, Dl 16 & Dl 17 zijn reeds herverschenen alhier. De komende tijd zal ik de rest van ‘t materiaal dat ik ondertussen geheel heb teruggevonden alsnog hier gaan publiceren.)

Instaspaced (LXXIX)



’t Is wel eens lastig om bepaalde symboliek op een gepast subtiele wijze te verwerken in een uiting, een plaatje van medeleven of een teken dat je er stil bij staat, maar ’t vreemde blijft dat sommige gebeurtenissen moeilijk anders in woorden zijn te vinden dan met iets als dat op klaarlichte dag, waar anderen de hergeboorte van ’t jaar denken te vieren, enkelen datzelfde moment ervaren als ’t bevriezen van de doorgaans ook voor hun voortschrijdende klok: deze is voor jou, Connie; ik hoop je straks nog even te kunnen groeten.

& Dat jouw echo (’t gelijknamige bos was om de hoek van ’t kerkhof waar ik ’t nieuws hoorde) zal blijven weerklinken in Zijperspace.
(Foto [in betere kwaliteit, want rottig kopiëren als je je eigen foto’s ergens anders wil plaatsen & ‘t je onmogelijk wordt gemaakt door FB] & tekst eerder geplaatst op Instagram.)

Groots

Ik denk ondertussen dat ik vooral kleine dingen meemaak. Al in de tijd dat ik nog barman was. M’n hoofd maakt ’t groots, veelomvattend & velerlei aspecten waar anderen gemakshalve aan voorbijgaan. ’t Zou te veel ruimte kunnen innemen of tot onnodige stress kunnen leiden.

Daar ben ik zelf niet zo van. Niet met opzet, niet op zoek naar meeslepend of dergelijks. Meer dat er zoveel aspecten bij gehaald dienen te worden. Dat als je gezamenlijk op een terras zit, of laten we in dit geval ’t momenteel wél toegestane park nemen, zelf blikjes meegenomen, een omgeving met velerlei bankjes, in de schaduw of randje zon, prullenbak in de buurt, etc… Dat als ik dus in een park half in de zon half in de schaduw zit, vooral niet met tegenlicht, ik bij een toevallige voorbijganger denk: ‘Wat doet zo’n man nou als hij ’s avonds bij ’t tandenpoetsen merkt dat hij een zwelling op z’n linkerwang heeft?’
Of: ‘Ligt z’n hond nou naast hem op de bank als hij een film kijkt? & Mag-ie dan ook mee op bed? Hoe vaak wast híj z’n beddengoed?’

’t Zijn merendeels efficiëntie-vragen die ik mezelf stel. Niemand die er een antwoord op hoeft te bedenken. ’t Heeft slechts tot doel overzicht te krijgen, van mogelijkheden, van wat naast mij kan bestaan, me een voorstelling kan maken van onbegrensde mogelijkheden & dat gevoeglijk zo te laten.
Hoewel dat ‘gevoeglijk’ wel betekent dat ’t me evengoed minutenlang kan bezighouden. Als de vraag die ik mezelf stel geen antwoord met zich meedraagt & m’n fantasie te kort schiet.

Gister zag ik op een kerkhof 2 vrouwen. Ze leken zich comfortabel te voelen in hun niet alledaagse houding. Camera’s bij zich, spullen herschikkend, waardoor ik bij dat laatste in 1e instantie dacht dat ze ’t graf van hun gemeenschappelijke ouder aan ’t kuisen waren (camera’s nog niet opgevallen).
Maar toen ik om de hoek van de kerk hun weer in ’t vizier kreeg, zag ik een witte paraplu, standaards klein & groot & verstond ik een conversatie over de lichtval & of er in een hoek van ’t kerkhof nog iets te vinden was.

& Hoewel deze gebeurtenis me had kunnen uitnodigen tot urenlang met mezelf zitten delibereren over wat & hoe mbt hen, bleef ik onverstoord doorgaan met me bedenken wat ik de dag ervoor allemaal in de pan had gedaan wat sinds vanochtend m’n lichaam alweer grootdeels had verlaten.
Dát hield me op dat moment bezig, was ik aan ’t verwerken, dieper aan ’t opslaan, veilig, voor herhaling vatbaar. Dat zelfverzonnen recept dan, bedoel ik bij dat laatste.
& Nu dringt de vraag pas tot me door, die zich wel voordeed, maar nog niet ergens een landingsplaats had gevonden: waar waren zij mee bezig?

Niet dat ’t iets oplevert voor Zijperspace, behalve de vraag.