Hoekje

Ik hou me niet bewust afzijdig van mensen, behalve dan dat ik toch maar wat graag naar de uithoeken van ‘t Diemerbos fiets vooraleer ik wandelend de onverharde paden betreed. Ik stop niet met er rekening mee houden dat ik hondenbezitters, zeldzame stelletjes of de magere man met plastic tas, korte broek plus gehaast pasje & met een doorzichtig coronamasker, kan tegenkomen.

Ik heb ‘m de 1e keer gedag gezegd, zoals ik iedereen gedag zeg hier, ‘t is tenslotte alsof je jezelf in een dorp hebt verplaatst. Maar bij gebrek aan iets meer dan een ‘Brmpf’, wat dat ook betekend moge hebben, heeft die 1e ontmoeting mij niet gestimuleerd bij hem nog een keer te doen.

Gister hoorde ik een homostel al van 20 m aan komen lopen. Ze hadden ‘t over paddenstoelen zoeken. & Ik begreep dat ze ‘t over die in ‘t bos verstopte baardige man moesten hebben, voorovergebogen met een fototoestel in gereedheid.
Hoewel dat laatste niet klopte, begreep ik dat mijn houding mijn mobieltje in iets duurders had omgetoverd.
Dus ik rechtte mijn rug & zei dat ik daar inderdaad mee bezig was, maar dat ik eigenlijk voor insecten ging.
‘Maar ja, er zijn er nog maar zo weinig nu.’
‘Nou, veel plezier,’ zei de babbelkous.
& De andere humde er iets achter aan, terwijl hij snel verder ging met waar ze gebleven waren voordat ik in ‘t vizier kwam, voetstappen traag zompig wegzakkend in ‘t modderpad.

Geen hond zowaar. Je komt zelden hondlozen tegen, tenzij de magere man met plastic tas & korte broek.

Toen ben ik maar gaan zitten. 1st Broodje als veel te late lunch, daarna snel een bier er overheen.
Ik zette m’n bril op. Las m’n boek die altijd meereist zolang-ie niet uit is.
& Die enkele keer dat er nog anderen in dit vergeten hoekje me voorbij kwamen, geen stellen, de magere man was allang voorbij, wel hondenbezitters, een keer vergezeld van bezoek, een keer van slechts zijn hond; ik schoof m’n bril omlaag (anders kan ik niet zien of ze mij zien) & zei gedag.

Mijmerde vervolgens verder dat ik ‘t toch wel kon, wat ik ooit dacht nooit te kunnen. Niemand zien, niemand om over na te denken. Op die magere man na dan.
& Die 2 vrouwen die raar keken toen ik m’n bril omlaag deed om gedag te zeggen.

Daar in ‘t bos hoef je niet je 2e hand te gebruiken om te tellen wie er nog meer zijn in de nabijheid van Zijperspace.

Instaspaced (LV)

Zo’n exceptioneel grote paddenstoel moest natuurlijk vastgelegd worden, maar dan moest m’n bier wel droog staan & ik gereed, voordat de slak klaar was voor een duik van de hoge springplank richting zijn fav-verdrinkingsdood.

Normaliter wordt zo’n beest aangemoedigd in Zijperspace; ik hoop dat men de bewoners ooit wil vergeven…
(Foto [in betere kwaliteit, want rottig kopiëren als je je eigen foto’s ergens anders wil plaatsen & ‘t je onmogelijk wordt gemaakt door FB] & tekst eerder geplaatst op Inst\agram.)

Instaspaced (LIV)

‘t Kan niet lang meer duren met ‘t kabouterrijk als zij hun behuizingen tot Babylonische proporties proberen uit te bouwen, waarbij je toch zou denken dat zij, wiens wijsheid in vroege grijskleuring in de baarden prijkt, hun verstand tot hoog in de punt van de muts reikt, toch vast wel gehoord moeten hebben van onze spraakverwarring, die ertoe heeft geleid dat uiteindelijk wel nagenoeg iedereen opnieuw 1 taal verstaat, maar dat ondanks dat vooral de gekken die stront kramen de weg mogen wijzen.

Gelukkig blijft Zijperspace met slechts 1 bewoner daarvan gevrijwaard.
(Foto [in betere kwaliteit, want rottig kopiëren als je je eigen foto’s ergens anders wil plaatsen & ‘t je onmogelijk wordt gemaakt door FB] & tekst eerder geplaatst op Instagram.)

Parkeren

Tijdens ‘t parkeren kom ik Robert tegen. We ontmoeten elkanders blik. Hij schuldbewust maar met een sussend sausje over z’n blik dat ik toch evengoed wel mag herkennen.
‘Hé,’ komt er uit m’n mond.
Ik draag er een onbekommerde glimlach bij. Die van vrolijk gefietst; blij dat ik stil sta.
Hij lacht me gedag. Hij lijkt gewend dit soort ontmoetingen op deze manier te vergoelijken.
‘O sorry,’ voeg ik er maar aan toe, ‘ik ken je van je boeken.’

Hij gaat door met zijn fiets volladen, ik met die van mij ordenen, alsook de rugzak, zodat ik klaar ben om in de supermarkt vol te laden.
Daar gaat zeker een halve minuut mee gemoeid.
Vlak voordat hij kan vertrekken passeer ik ‘m uiteindelijk.
‘Ik heb enkele boeken van je gelezen,’ kan ik toch niet laten te zeggen. ‘Ik heb ze erg kunnen waarderen.’
Terwijl ik op de jongen afloop die er op toeziet dat iedereen een winkelwagen ter hand neemt, lacht hij me nogmaals toe, zegt: ‘Dank je,’ & bestijgt z’n transportfiets.
De jongen van de supermarkt veegt ‘t karretje nog een laatste maal Coronavrij voordat-ie ‘m mijn kant op duwt & vraagt: ‘Hard gefietst?’
‘O nee, ik zweet altijd heel snel.’
Ik weet wat ‘t is om lastig gevallen te worden.

Evengoed bestaat langzaam fietsen niet in Zijperspace.

De Onmogelijkheid der Dingen (II)

De Afwasborstel

Ik ben me terdege bewust van ‘t feit dat menigeen niet meer op de hoogte is van ‘t huidige uiterlijk van de afwasborstel. Vandaar dat ik bij wijze van uitzondering bij dit schrijven een afbeelding toegevoegd heb die mijn exemplaar vertoont, op ‘t punt staand, zo lijkt ‘t, om 2 bakjes plus wat bestek te ontdoen van etensresten.

Althans, zo lijkt ‘t.
Mijn afwasborstel heeft nl de gewoonte op onverwachte momenten, er hoeft slechts een beetje water in de wasbak te staan, pardoes zichzelf om te laten kantelen, zogenaamd onder ‘t mom dat hij bij ‘t zien van al dat vies er weer heel veel zin in heeft.
Puur schijn.

Wat zijn motivatie wel is, daar tast ik nog steeds over in ‘t duister. Wat beweegt ‘m om als een dolle hond (‘t doet me tegenwoordig denken aan de uitbundigheid die Doortje, ‘t hondje dat meestentijds onder de hoede van Tineke & haar vriend is, tentoonspreidt als die mij in ‘t vizier krijgt) vanuit een schijnbaar onmogelijke stand doldwaas in de vaat te storten?
Soms denk ik zelfs na zo’n actie een brede glimlach op de borstel te ontwaren.
Even met m’n hoofd schudden & alles lijkt weer terug normaal.

& Toch hè, ik bemerk telkens in die ultrakorte flits van deze steeds weer herhalende gebeurtenis, dat ‘t borsteldeel, de stijve haren die platter gaan staan onder de last van ‘t afwaswerk, als 1e ‘t diepe in duiken. & Dat daarbij de poot, waar ik ook de stengel zou kunnen zeggen, vloeiend daar achteraan ‘t water in schuift.
Ik weet ‘t: dit neigt naar antropomorfisme, ware ‘t niet dat ‘t in dit geval niet om een levend wezen gaat. Maar anderen, die net als ik nog regelmatig gebruik maken van een afwasborstel, al is ‘t slechts tijdens primitief kamperen tijdens de vakantie, zouden eens in de gaten moeten houden hoe vaak de borstel onverwacht al in ‘t sop ligt zonder dat men er nog maar over gedacht heeft om ‘m ter hand te nemen voor de afwasklus.

‘t Ongemakkelijke in mijn geval is dat ik doorgaans gloeiend heet water gebruik. Om ‘t alvast goed in te laten weken. & Tevens omdat ik ‘t besluit af te gaan wassen al beschouw als een behoorlijke opgave & ik de weerzin daartegen enigszins probeer af te zwakken door op mezelf een rem te zetten door gedurende een kwartier onhandelbaar heet water ‘t 1e werk in alle stilte te laten volbrengen. Terwijl ik ondertussen nog even ter ontspanning iets anders doe.
Maar de vieze troep is nog niet ondergedompeld of meneer borstel ligt alweer te poedelen, waardoor ik mijn handen alsnog brand omdat-ie verstrikt zit tussen de diverse onderdelen van de vaat.

Tuurlijk zou ik een spijker of haak in de muur kunnen slaan (elke afwasborstel is tenslotte bij ‘t ontwerp op een hangend bestaan voorbereid), maar buiten ‘t feit dat in die regio bij mij thuis weinig ruimte bestaat, daar waar wasbak & afdruiprek de ruimte moeten delen met sponsjes, dweiltje & boiler, daartussenin nog een afvalbakje gepropt plus een compostverzamelpot, zou dit mijn werkruimte voor deze akelige maar somtijds toch noodzakelijke bezigheid benauwend verkleinen.

Buiten dat, ik denk dat-ie dat als een uitdaging gaat zien & hij in stilte voorbereidingen zal treffen voor een alleronverwachts bommetje.

We willen geen mismaakte koeien hier in Zijperspace.

De Onmogelijkheid der Dingen (I)

Het Voorspel

Ik heb nog wel even zitten peinzen of ‘onmogelijkheid’ wel ‘t juiste woord was, maar van ‘ongemakkelijkheid’ dacht ik dat ‘t in de loop der tijd de lading niet zou dekken. Men neigt ernaar te denken dat ‘t de eigen onhandigheid is die bepaalde gebruiksvoorwerpen, verpakkingen & soortgelijks onhandelbaar & onverwacht wegfloepend en/of verdwijnend maken, maar vaak is ‘t ‘t ding zelf, z’n vorm, z’n uitstraling, z’n identiteit, z’n zijn an sich, die ‘t leven van de mens somtijds zwaar te dragen maakt.

Voor niet iedereen geldt dit waarschijnlijk. Velen zullen dit gedurende ‘t leven op een gegeven moment gewillig aanvaard hebben. Er zullen er zijn die in de loop der tijd zelfs een bepaalde handigheid hebben aangewend om de onmogelijkheden ervan zoveel mogelijk te frustreren, door ‘t bijv te negeren dan wel er op enigerlei wijze op te anticiperen. Maar ik vermoed dat er ook velen zullen zijn die zich kunnen herkennen in mijn in deze nieuwe reeks nog te volgen beschrijvingen van hoe de dingen zich zoal kunnen gedragen & waar de daaruit voortvloeiende onmogelijkheid voor de gebruiker wanhopige verzuchtingen kan veroorzaken.

Men vermoedt onschuldigheid. ‘t Zal bijv vast liggen aan waar ik met mijn aandacht was toen ik ‘t voorwerp terzijde legde. Of: ik was ook met 10 dingen tegelijkertijd bezig terwijl ik in m’n hoofd de 5 grote geneugten van ‘t afgelopen weekend op een ranglijst aan ‘t indelen was.
Maar, & hier kan men zeker spreken van voorbedachte rade van ófwel de ontwerper ófwel de opdrachtgever van die ontwerper, waarbij in ‘t 1e geval sprake is van op frustratie uit zijnde moedwilligheid, in ‘t 2e geval onwetendheid, ondeskundigheid of totale desinteresse voor de uiteindelijke gebruikswijze van ‘t uiteindelijke product. Er is vaak structureel sprake van een onhandig gebruiksartikel, veelal veroorzaakt tijdens ontwerp & afwerking ervan door moedwillig geknoei, gebroddel & algehele onnauwkeurigheid. Waarschijnlijk om zodoende geld te besparen & meer per eenheid te verdienen.

Dit gezegd hebbende volgt tevens dat door de onmogelijke hanteerbaarheid van ‘t voorwerp, dit er tegelijkertijd voor zorgt dat, zeker naarmate men er vaker mee te maken krijgt, deze zichzelf een karakter ontwikkelt, al dan niet in ‘t hoofd van de gebruiker, waaruit nog meer onhandigheden zich automatisch verder blijven ontwikkelen, zolang ‘t artikel niet afgestoten wordt.

Ik was eigenlijk van plan om hier meteen te beginnen met de bespreking van de onmogelijkheid van de afwasborstel. ‘t Schrijven van deze korte introductie heeft mij echter doen besluiten om bovenstaande eerst tot de lezers te laten doordringen, waarna mijn 1e verhandeling over ‘De Onmogelijkheid der Dingen’, in ‘t 1st aankomende geval de afwasborstel dus, terecht zal komen bij een publiek die zich al enigszins heeft kunnen voorbereiden & daardoor hopelijk wat opener zal staan voor de daadwerkelijke onmogelijkheid ervan.

Waarbij de (sub)titel natuurlijk diende voor extra aandacht voor wat er allemaal aan zit te komen in Zijperspace.

igst

Carel was ‘t grappigst op een gegeven moment. Getraind door z’n vrienden & klasgenoten.
Daarna kwam Quint.
& Ondertussen sudderde Jan door met z’n woordspelletjes. Brand hier is, Brandaris. Ik ben nog steeds geneigd die woorden te herhalen als ze ‘t over die vuurtoren hebben. Maar ik had de betekenis pas door tegen de tijd dat ik zelf begon te roken.

Carel was zo grappig dat meneer de Boer een beetje genoeg van z’n voetbal had die steeds weer over ‘t hek z’n tuin in viel.
Die zou hij doorsnijden, zei hij dan.
Moest-ie maar proberen, zei Carel. Waarna meneer de Boer weken lang met verband om z’n duim rond moest lopen.

& Tijdens ‘t eten maakte Jan daar dan weer een droge grap over. & Theo de woordspeling die daarop moest volgen.
Er was een volgorde in die dingen. Met m’n moeder die ‘t allemaal probeerde in te tomen.
Niek, zeg jij er dan ook iets van!
Terwijl Marc de pap nog een keer met z’n lepel uit ‘t kommetje spetste vanwege de grote mate van lol rond de eettafel.
‘Haha!’, voluit.
‘Hihi!’, op een gegeven moment besmuikt achter een hand.
Afhankelijk van de leeftijd & rank daar in. & Pa die ‘t slabbetje over de kin van Marc sleepte. & Ma die zei dat we moesten stoppen. Plus nog een keer: Niek!
Die ‘t slabbetje aan Jan had doorgegeven omdat die ‘t dichtst bij Marc zat. Op zijn beurt flauw vlaggend ermee, alsof-ie de kapitein was, of matroos.
Elke dag anders. ‘t Moest wel spannend blijven. Ook voor Pa & Ma.

Ik zat aan ‘t hoofdeind. Marc tegenover me in de babysit.
De rest had ook z’n eigen plaats. Maar elke dag was de rolverdeling anders, hoewel we uiteindelijk slechts langzaamaan veranderden.

Pa werd pas grappig als-ie de deur uit was. Dat lag niet aan m’n moeder. Ik weet nu pas hoe dat zit. Terwijl ik altijd heb zitten kijken wat er nou allemaal gebeurde tijdens ‘t eten, dringt ‘t nu pas tot me door.
Zo veel vrouwen voor versleten daarvoor. Voor uiteindelijk begrip.
Maar dan die grapjes die ze nooit begrepen. Die vriendinnen leken wel m’n moeder. Die natuurlijk de liefste was, dat waren ze met me eens.

Misschien dat ‘t daar fout bleef gaan met de vrouwen in Zijperspace.

Spiertje

Niet dat ik prat wil gaan op ‘t feit dat ik een keertje de juiste woorden heb gevonden voor in welke omstandigheid ik me bevind; er zijn mijns inziens gewoon geen andere woorden voor dan dat er geen spierkracht in me schuilt als ik tot daden over zou moeten gaan.
Ik heb ‘t gevoel dat ik door toevalligheden, mensen die de juiste vraag gesteld hebben & me daarna weer in contact gebracht hebben met een andere juiste persoon, waardoor ik enigszins verder kom dan doelloze apathie & struisvogelgehannes.

Ik kom net bij zo’n persoon vandaan. Ze had me enkele suggesties gedaan waar ik mogelijk recht op zou hebben, waarna we vanochtend een afspraak met elkaar hadden om 1 & ander uit te zoeken & aan te vragen.
Dit jaar is geen succes, zo bleek, door omstandigheden die verder onbelangrijk zijn om te benoemen. Volgend jaar, over 3 maanden dus, spreken we weer af & kunnen we meer realiseren.
Ik voel me bij zo’n gelegenheid ‘t angstige, hyperventilerende jochie. Zij de daadkrachtige vrouw die voor niets haar schouders zal laten zakken.

Of ik er koffie bij wil, wordt na binnenkomst op dergelijke afspraken gevraagd. Vaak met de verzuchting dat ze dat wel eens eerder had kunnen vragen. Maakt niet uit wie ik tegenover me vind. ‘t Is een scenario dat je in kan vullen van hoe een ontmoeting in dergelijke situaties doorgaans verloopt.
Nee, want dat drink ik niet. Op een beleefde toon, maar ondertussen pogend ‘t waarom van geen koffie weg te stoppen. Als ‘t achterin m’n keel al zit te kriebelen om er onverwachts toch, ondanks mijn gesputter, uit te rochelen.
Thee dan?
Nee, altijd water bij me. ‘s Ochtends al te veel thee bij m’n ontbijt gedronken, komt er dan alsnog makkelijk uit. Ik heb geen kracht meer onnozelheid uit m’n mond een 2e keer te blokkeren.

Terwijl dat water alleen maar dient om geen ongemakkelijke situatie te creëren.
Te hete thee.
Geen plek om ‘t natte zakje te deponeren.
Een onnodig houten roerstokje ergens kwijt moeten.
‘t Niet lekker vinden & toch door moet drinken: ‘t bekertje moet leeg zijn bij vertrek.

Als er niets te drinken aangeboden wordt, door bijv bijtijds mijn water voor me op tafel, zou, heel tegenstrijdig, voor mij voor meer comfort kunnen zorgen.
Evengoed snap ik dat deze sociale interacties in de meeste gevallen noodzakelijk zijn. De kans is over ‘t algemeen groot dat dit in mijn geval ook zo zou zijn, vanuit hun optiek.

Waardoor ik daarnet enigszins vermoeid, geestelijk in de war geschud, nog meer verworden tot een hoopje van toevallig aan elkaar verbonden slappe spieren, mezelf voor m’n deur vond.
Niets denkend. Door onvermogen. Door de wil dat niet te doen. Maar toch mislukkend omdat de zintuigen ondanks alles overal heen blijven schieten.

Op dat moment van totaal overgeleverd zijn aan allerhande triggers, zag ik hoe vies van stof mijn voordeur was. ‘t Vergelijk met de deur naar de opgang van de bovenburen deed ‘t niet erger lijken, minder evenmin. Irriteren deed ‘t evengoed.
Mijn fiets de fiets gelaten, richting keuken gelopen, dweil plus spons gepakt, spuitfles met schoonmaakmiddel van minstens 5 jaar oud & de alles wat grauw zag er vanaf gewreven & geschuurd.
Dat er geen oneffenheid meer in m’n blikveld stond de komende tijd als ik na dergelijke buitenhuizige afspraken thuis zou komen, gespannen, gekwetst, uitgeblust, welk hokje ik in zo’n geval ‘t liefst aan zou kruizen.

& Dat ik zou weten dat ik toch nog ergens een spiertje had.

Maar dat die nu ook niet meer werkt in Zijperspace.

Steun

‘t Werd daarnet bij me naar binnen gefrommeld. Zo klonk ‘t in ieder geval.
Doorgaans hoor ik dat soort dingen niet. Zittend in m’n woonkamer hoor ik vaak niet meer dan ‘t weer dichtvallen van de brievenbus. Na zoveel jaar moet je dat geluid wel thuis kunnen brengen.
Dit keer had ik de deur van de wc open. Niet echt m’n gewoonte. Ik heb vriendinnen gehad wiens communicatie niet stopte tijdens ‘t bezoek aan de wc. ‘t Halve lichaam van Stella hing zelfs buiten de deur. & Iemand anders, een ander soort relatie, ging op de wc door met ‘t dirigeren van de rest van ‘t huis. Dit moet nog gedaan & kan je daar nog even naar kijken. Dat soort zaken. Bij Stella was ‘t gezelligheid & in ‘t vuur van ‘t gesprek; ik kan me geen moment herinneren dat ‘t stil was als ik bij haar langs was. Bij die ander ging ‘t puur om de efficiëntie.

Ik had de deur dus open. Dat kwam door piepgeluidjes die ik hoorde. Ik vermoedde ze in huis. & Dat was op ‘t moment dat ik de deur dicht zou trekken. Dus in m’n kwetsbaarheid van broek omlaag moest ik toch nog enigszins controle houden, door me zo goed mogelijk op de hoogte te stellen van wat er gaande was.
Nog een piep. Daarna pieppiep. & Toen een tik van de brievenbusklep. Waarop de frommel begon.

‘t Is gek dat je bij de piep nog volledig van niets weet. Slechts vragen, veronderstellingen, spoken door ‘t hoofd.
Maar dan de tik van de klep, die zorgt ervoor dat je plots alle details weet.
Groene sokken.

Groene sokken in te grote maat. M’n steunzolen moesten er in passen. & Thermo omdat ze m’n zogenaamd noorse sloffen gaan vervangen.
Die laatste zaten lekker, ze waren betaalbaar, zeg maar: goedkoop. Nadeel was alleen dat binnen een jaar de 3e laag van de onderkant aan de beurt was voor slijtage. Ze zouden een 2e winter niet meer voldoen.
Buiten dat, ik durfde me er niet mee te vertonen. Snel sloffen uit als er aangebeld werd. Even kijken of de buren van achter doorkijk hadden als ik snel wat in de tuin moest doen. Vuilnis. Of compost.

Kijk, dat soort dingen zou ik dus allemaal met Stella hebben besproken. Alles was even belangrijk. Hoewel ze liever had dat ik vertelde wat ik nou weer met vrouwen had uitgespookt. Maar ik mocht best van wal steken met zo’n verhaal over sloffen. Als ik me maar verloor in die details, dan werd ‘t leuk.

‘O Ton, zoals jij praat, je lijkt af & toe wel een wijf.’
‘Misschien dat ik me daarom zo bij ze op m’n gemak voel.’
‘& Zij bij jou. Ik heb nog nooit een man meegemaakt die met zo veel vrouwen in bed heeft gelegen zonder ze te versieren. Al m’n vriendinnen hebben ‘t met jou gedaan!’
‘Nee, da’s niet waar.’
‘Al de vriendinnen die geen vriend hadden.’
Ook dat was niet waar. Maar ze kon ‘t zo lekker enthousiast vertellen.
‘& Heb ik ‘t nou echt nooit met m’n dronken kop met jou gedaan,’ vroeg ze dan voor de zoveelste keer. Waar Erik bij was, haar toenmalige vriend.
‘Nee, echt niet. Jij was al dronken in slaap gevallen.’

& Nu heb ik nieuwe groene thermo-sokken. Dat had ik haar best willen vertellen. Met alles hoe & waarom. & Dat de vrouwen in de HEMA ‘t mooist waren, maar de sokken niet.

Toen werd er nog niet geleverd in Zijperspace.

Ontdooid

‘t Brood is nog niet ontdooid, dus ik heb nog even.
Hoewel ik betwijfel of ik daadwerkelijk wel tijd heb als ik mezelf een rijtje voorspiegel van wat ik (nu nog) in deze dag wil stoppen.
Kriebel in de keel doet zich niet gelden & als ik ‘t vergelijk met voorgaande jaren lijkt de loopneus mijn lichaams antwoord op ‘t herfstige verschijnsel van de boom verlatende blaadjes. Dat betekent dat buiten een mogelijkheid is & dat ‘t volgens onze MP tot 6 uur nog niet zo streng is daar.

Ik heb dus in m’n hoofd al kilometers gefietst, div parken & bossen bezocht, bomen betast & gallen geregistreerd, zonder daar bewust allitteratie bij te willen combineren. ‘t Is mooi meegenomen, dat laatste, maar ik spreek mezelf toe dat ik beter niet kan dromen & met mezelf oreren, want ‘t leven duurt, de dag nog meer, tenslotte niet al te lang. & In die korte tijdspanne wil ik ook nog even kringloopwinkels inspecteren op de aanwezigheid van natuurboeken.
Routes worden intern gevisualiseerd, & doordat Maps al zo vaak hier is gebruikt. worden vroege suggesties automatisch aangepast omdat ik fietsend A’dam toch zeker beter ken dan zo’n verreweg satellietjesnetwerk.
Al mijmerend & tijd verdoend. Ik had er al kunnen zijn.

Hoewel, m’n brood…
‘t Is jammer dat ik ‘m altijd als is ‘t een taartje moet beleggen. ‘t Zou zeker 5 min schelen als ik gewoon kaas op de met boter besmeerde snee zou leggen, dubbel zou vouwen & na gedane vreetarbeid ‘t huis zou verlaten.
Maar nee, hier moet er van-alles-wat op gelegd & gesmeerd worden, zodat ‘t een perfecte combi wordt van smaak & voedingswaarde. & Die gelaagdheid, waarbij de afzonderlijke elementen ‘t nut niet kunnen inzien van aanwezigheid van zoveel concurrentie, zorgt ervoor dat ‘t in alle rust genoten moet worden, want anders burpt de boterham ipv ondergetekende consument.
Ik heb er ooit over nagedacht & ‘t uiteindelijke tevoorschijn gekomen concept ongemerkt uitgebreid & geperfectioneerd, waarbij ik ‘t resultaat van z’n ingrediënten lekkende boterham over ‘t hoofd heb gezien.

Maar goed, ‘t broodje lijkt ontdooid.

Laat de dag maar beginnen in Zijperspace.