Lent (II)

Ik sta voor een open deur. De hor houdt een verre blik tegen. Slechts de stenen die in gras overgaan, een dun strookje plant er achter, zijn mijn horizon. & Ik denk dat ik denk niets te denken.
M’n waterige ogen proberen me te bekeren tot een ander oordeel over mezelf.

Wie ben ik & hoe ben ik hier gekomen, doemt op. 1 Vriend, of moet ik maat zeggen, is op de voorspelde tijd vertrokken. De ander klopte een paar uur eerder aan op m’n slaapkamerdeur & toen hebben we maar een ziekenauto laten komen.
Zo gaan die dingen. Daar moet je helder bij zijn. Een stoel klaar zetten voor de garagedeur. Vragen of hij wel water bij zich heeft. Maar ’t kan best zijn dat ik dat vergeten ben. Op z’n gemak stellen; dat kon ik evengoed wel.

Weet je, denk ik tegen de open deur aan (ik denk ondertussen dat de leegte opgevuld wordt): een mens kan dan opeens blanco zijn. Er is plots geen voor & geen achter. Alles wat er normaliter toe doet is even in ’t huis hiernaast gaan slapen. Net geen verstoppertje, gewoon een standby-knop die ingeschakeld staat op ‘wachten op betere tijden’. Of wat voor tijden, getijden, dan ook.
De deur knikt met de wind mee. Niet van nee, want dan zou hij slechts 1 antwoord, 1 medeleven tot zijn beschikking hebben.

Ik heb Tineke op een gegeven moment gebeld. Toen hij was afgevoerd. Zij was de ziekenwagen voor mij 2 jaar gelee. Van Lent naar Radboud. Om daar aangekomen te horen te krijgen dat we dat nooit meer moesten doen.
Dat daalt nu in. Die waarschuwing, dat goed bedoelde verwijt. Dat ’t ooit gaat stoppen. Ons misschien wel stom gedrag, ons gelukkig gedrag. Van wat de wereld ons kan maken, of god, mocht-ie onverhoopt toch bestaan, & macht hebben over ons.

Dat denk ik allemaal tegen de deur. De deur met beperkte horizon, maar wel groen gras in ’t vooruitzicht. Een plantje nog net in bloem.

Hij stuurt bericht dat de terugweg dit keer een taxi is.
Ik zal ‘m straks vragen of de fiets er nog in zit waar we mee weg kunnen vluchten uit Lent, ’t plaatsje dat nu 2 mensen ongerust heeft gemaakt.
& Pas bij Tineke zal ik m’n waas van voor de deur durven tonen, vrees ik.

Toch hopen we volgend jaar Lent te kunnen herhalen in Zijperspace, want we willen voelen dat we leven.

Lent (I)

Dagelijks denk ik dat ik ’t op ga noteren. Met vooral een mogelijke constructie van een verkeerd denkende zin. Dat moet ’t de moeite waard maken. Voor mij, voor hen. Zodat ’t aandacht trekt, beroert, zaait.

De weg naar hier begon eergister; zojuist m’n 3e avondmaaltijd aan de andere kant van ’t begin, een lekke band plus nutteloos maandags bezoek aan een fietsenmaker later (ze zijn blijkbaar buiten ’t grootsteedse niet voor niets normaliter op maandag gesloten).
Ik zadelzat die ochtend van sporadisch tegenverkeer, daarnaast nihil inhalers, me in te prenten dat ik ’t heerlijk prozaïsch glorende ochtendgemijmer later bij aankomst zou gebruiken voor m’n 1e verslag. Ik zou ’t hebben over de boerenzwaluwen bij ’t Gaasperpark, de bussen die zojuist ontwaakt waren, de stoplichten die hier 24 uur doorgingen waar geen tijdstip daardoor vanaf te lezen was, de 1e vlagen van m’n zweet & hoe dat mee zou vallen, want vooral op gezichtsniveau riekt dat niet & heet dat nog okselfris & al dat andere dat m’n geheugen niet meer genegen is op een doeltreffende manier op te slaan.

Alleen de beelden van broer Carel komen vaker terug. De dood, de jeugd, ’t stapelbed & de angst te veel geluid gemaakt te hebben waar hij last van zou kunnen hebben. Waarbij de dood, in tegenstelling tot bovenstaande chronologie, aan ’t eind van de rij, aan ’t eind van ’t besef komt. Bij wakker worden op een vreemde plaats & nog niets geschreven staat.
De tocht voltooid. Zonder noemenswaardige klachten van m’n lichaam, behalve die onrust, de slechte slaap die niet verdoofd had kunnen worden door een paar liter bier.
& Carel die maar levensecht terug bleef komen, in de vorm van ’t idee dan dat ik nog steeds een kamer, een stapelbed met hem deelde. Dat ik stil moest zijn & niet moest liggen woelen.

’t Is bij mezelf thuis, waar ik nu niet ben, inmiddels niet anders. ’t Middernachts wakker worden, de wereld zich traag kenbaar makend & ik vermoedend dat m’n broer die nog steeds bevolkt.
Ik laad me leeg op de plee, was me schoon van de waan & zet een hoorspel aan, iets wetenswaardigs om me vol te proppen met kennis die minder beklijft dan de aanwezige afwezige. Thuis, maar ook hier.

Ik heb hem om me heen gehad. Jarenlang, vanaf dat ik de wieg verliet. Ik besef me inmiddels niets anders meer dan dat hij altijd blijft, dat dat straks ’t laatste is.

Iets om mee rekening te houden in Zijperspace, in Lent, gedurende de zomer & wat daarop volgt.

Lok een stippelmot voor meer tuingenot

Wil je volgend jaar ook lekker veel voortplanting in je tuin, schaf jezelf naast wat nestkastjes een appel aan. Of een vogelkers. Of een meidoorn. Etcetera…
Je wordt een instant-vogelliefhebber als je voor het eerst in je leven naast een nestkast koolmezen hebt gestaan waar de jonge kuikens beginnen te piepen als een van hun ouders lijkt aan te komen vliegen met broodnodig voer. Je hart slaat een keertje over en je mondhoeken krullen onbedwingbaar omhoog tot hun gelukstand bij het zien van vader of moeder met een pietepeuterig rupsje in de snavel. Dat zou dan op een niet grotere afstand dan vier meter moeten zijn, wil je dat daadwerkelijk ontwaren, maar gelukkig is mensenfantasie zo toeschietelijk om die details als vanzelf in te vullen.

Hordes koolmezen (plus nog wat andere beesten) zijn in de meimaand afhankelijk van stippelmotten. Die hebben hun interne agenda zo ingesteld dat ze in dezelfde tijd groeien als het koolmezenjong. Zelfs de klimaatverandering heeft daar nog niet significant invloed op.

En die vogeltjes boffen maar: de stippelmotten hebben zich onderverdeeld in diverse soorten met verschillende smaken. Wereldwijd zijn dat er zo’n 72 en in Amstelveen zou je daar acht van moeten kunnen vinden. Acht met zes verschillende voedselvoorkeuren, want de kardinaalsmuts is populair bij drie verschillende stippelmotten.

Wetenschappers hebben recentelijk de stamboom van deze motjes uitgezocht. Eén van de conclusies daarbij was dat de oervoorvader al voorkeur voor de kardinaalsmuts had, maar gedurende miljoenen jaren zijn enkele nakomelingen op andere bomen terechtgekomen. Een verre nazaat later is als spijtoptant teruggekeerd naar de kardinaalsmuts.
Voor de rest lijken ze allemaal sprekend op elkaar: allemaal zwarte stippeltjes op een witte ondergrond. Meestal heb je de boom nodig om het motje goed op naam te kunnen brengen. Slechts eentje heeft een grotere vlek op z’n vleugels. Die heeft dan ook geen boom in zijn naam nodig, maar heet gewoon grootvlekstippelmot.

Niet bang zijn dat je boom of de volledige oogst door de motjes eraan zal gaan. Met z’n allen bij elkaar hebben ze verschrikkelijke honger, die een kardinaalmuts bijvoorbeeld kaal kan scheren. Maar de kardinaalsmuts heeft daar een trucje voor verzonnen: zo gauw de rups is uitgegeten en onderweg is van pop tot mot te worden, maakt hij nieuwe bladeren aan. De meeste andere stippelmotten schijnen vooral een voorkeur voor bladeren aan twee- tot vierjarige takken te hebben.

Het koolmeesjong maakt zich overigens niet druk om het dieet van de stippelmot, laat staan om zijn naam, en eet zich, hooguit piepend, met honderden rupsjes groot.

Droomt zichzelf bij ieder maal een eigen uitbreidend Zijperspace.
(Column namens IVN geschreven voor Amstelveens Nieuwsblad)

Vork

Ik zoek de haat, terwijl ik ondertussen verder ga met ’t verzamelen van bestek. Hapje voor hapje, een duik in ’t hete water met om beurten m’n rechter, m’n linker hand voor ’t flukse grijpen. De borstel wisselt soepel tussen beiden.
Wat boven komt moet geselecteerd, zegt m’n dwangmatig brein. Hoewel ik vaker geprobeerd heb dat proces te vermijden, keert de afwijking, zo doe ik vermoeden dat ’t heet, steeds weer terug. Want ’t heeft ook een handigheid, alle messen tegelijk borstelen & vervolgens staande in eenzelfde bakje laten droogdruipen. Vervolgens de lepels ’t zelfde laken een pak; ’t lepelvlak, koning eenoog,van dit eetgereedschap trots maar onnozel uitkijkend boven de rand van ’t droogrek.

& Dan zijn de vermaledijden.
’t Is aan ’t eind van een langer ritueel. Hier zijn borden al aan vooraf gegaan, invriesbakjes met hun frustrerende dakjes ertussendoor. Om ’t gebeuren niet onmetelijk saai te laten worden, middenin tussen ’tussen’ & ‘door’. ’t Hoofd wil afwisseling. Dus de frustdeksels krijgen om een bakje hun beurt: bakje, deksel, bakje, deksel.
Soms sla ik over, wat een vernietigende uithaal van verveling oplevert als ik geen bakjes meer omhanden heb om al ’t nare te kunnen intomen.
’t Komt door de akelige randjes van deksels. Die moeten extra schoon, want een verzamelplaats van alles wat onzichtbaar is & me uiteindelijk zal doden met hun vergif dat ’t reinigingsmiddel niet heeft kunnen bereiken. Mijn ongeduld werkt daar geduldig aan mee. Steekt steeds z’n kop op als ik niet kijk.

Vermaledijden beginnen ook met een ‘V’. Als verdoemden, verachtelijken, vorken.
Ze hebben hun uitstraling niet mee, hun, de woorden die opstarten met die schuin omhoog lopende punten. Je wordt bij aanvang al gespietst door hun indringende aanwezigheid.
& Dan zijn die van mij nog krom ook.
Dat heeft dan wel weer voordelen. Iets olijk lepelachtigs, waardoor ik ze niet eeuwig kan verbannen.

Ik heb viertanden, met een krommende kont dus. Of een bollende buik.
In sommige restaurants is 3-poot koning, met rechte rug, vanwege design. Waarschijnlijk zouden die beter bevallen bij mijn afwas, want ’t levert minder rand op. 4 Keer tand is nog een extra boel van niet kunnen zien dat kan blijven plakken & uiteindelijk fier vooruitstekend in m’n onschuldig mond stop.

Dat denk ik niet allemaal, maar wel grootdeels, onderweg naar ’t onvermijdelijke einde van de vaat, de vorken vissend uit vlammend water.
& Dit schrijvend verklaart veel van m’n verborgen afkeer. Ik snap weer wat beter.

Maar hekel zet je niet makkelijk bij ’t vuil in Zijperspace, dat blijft sussend sissen.

Nachtvlindercheck

Waarneming.nl is een prachtig middel om te kijken hoe het gesteld is met de natuur. Je neemt de Nederlandse bevolking, dat gedeelte dat graag door de natuur loopt en er van houdt om de boompjes, plantjes en beestjes bij de naam te noemen, verzamelt hun gegevens en gooit dat op een grote hoop. Als je dat maar lang genoeg doet, komt er vanzelf wel een indicatief getal naar boven van hoe het met bepaalde organismen gaat. Is een bepaalde populatie in grootte vooruit gegaan of heeft de klimaatverandering, de vervuiling of het bouwen van een nieuwe wijk invloed op hun aantal?
Natuurlijk is het resultaat niet vanzelfsprekend wetenschappelijk verantwoord als je alle cijfers zomaar bij elkaar gooit. Het ene moment zijn lieveheersbeestjes in de belangstelling. Het volgende moment zijn iepen het slachtoffer van een vreemde ziekte. En een natuurinstelling kan ook zomaar besluiten dat een bepaalde boom het bos te veel overheerst.
Exit beestjes die de boom als voedselbron gebruikten.
Ander voorbeeld: sinds enige tijd laten boswachters dode bomen liggen. Daar komen dieren op af die dol zijn op oud dood hout, in gezelschap van grote hoeveelheden paddenstoelen bovendien.
De meeste paddenstoelen zijn gemakkelijk te zien als hun vruchtlichaam te voorschijn komt en worden in die periode dan ook grotendeels doorgegeven aan de website Waarneming.nl, maar die kleine insecten die diep verborgen zitten in het hout: wie weet die zichtbaar te maken?
Waarneming.nl heeft een app voor smartphones ontwikkeld om door middel van soortherkenning snel te weten te komen wat de namen zijn van de soorten op de foto’s die men in de natuur maakt. Als de app geen zekerheid geeft, is er nog altijd een klein legertje aan ‘soorten-experts’ die de binnenkomende waarnemingen nauwkeurig op juistheid beoordelen.
Maar des te kleiner en minder waargenomen een soort is, des te moeilijker te bepalen is wat de daadwerkelijke grootte van een populatie is.
Neem nu de nachtvlinders van Amstelveen. Wie komt die wel eens tegen? Hooguit toevallige passanten die iets waarnemen op een boom of plant. Of die door stom toeval iets onregelmatigs zien tussen bladeren of op de bodem eronder.
Nachtvlinders worden zichtbaarder als je ’s nachts speciaal licht met UV-straling aanzet. Die straling trekt ze aan en na een paar uur is je daardoor plots duidelijk wat voor nachtleven er zich in de buurt bevindt waarvan je ervoor totaal geen weet had.
Een eenvoudig onderzoekje op Waarneming.nl wees uit dat er afgelopen jaar niemand met dergelijk licht heeft gekeken naar nachtvlinders. Wel in natuurgebieden eromheen, maar niet in de tuinen van de bewoners van Amstelveen.
Dus we dachten dat het tijd was om een vlinderval in te zetten. Een klein clubje mensen zetten die lichtval in hun tuin en gaan de volgende ochtend kijken wat er is gevangen. De val verhuist van tuin naar tuin en wie weet weten we aan het eind van het seizoen wat meer over wat er zoal ‘stiekem’ leeft op de tuinen in de stad.

Inmiddels 6 vlindervallen aanwezig in Zijperspace, terwijl er licht schijnt op een laken in de achtertuin.

Carla-afscheidgenoot

Ik ben blij dat ik met jou afscheid van Carla heb kunnen nemen. Diverse keren tranen in m’n ogen, maar dat heb jij wss niet gezien omdat ik voor je zat.
Maar daar voelde ik me ook wel lekker bij. Men hoefde mijn tranen niet te zien; ’t was goed zo, niet te veel over je heen laten stromen, maar wel aanwezig.
Blij ook dat ik bij jou was. Dat ik er was & ‘sterk’ genoeg.
Maar evengoed waarschijnlijk geen goede, voor jou benodigde reacties kon geven. & Evengoed tevreden omdat jij mijn onhandigheid, mijn niet met iedereen kunnen communiceren over ’t juiste onderwerp op ’t juiste moment, dat je dat ondertussen accepteert, er mee om kan gaan.

’t Was ondanks alle verdriet een mooie dag. Carla zou me een knuffel hebben gegeven, me ff bij m’n schouders hebben gepakt, heen & weer geschud, 2 keer. That’s all, of iets beter passends bij haar tegen mij, tegen ons in ’t algemeen, gezegd.

Weet je nog van toen haar naam voor ’t 1st door Zijperspace schalde, zeiden wij, knikten wij.

Sommige dieren houden wel van het Antropoceen

Tijdens de opeenvolgende stormen en de daarmee gepaard gaande vlagige regenbuien werd er veel binnen gezeten. En ondanks vergaande isolatiemaatregelen in menig huishouden leek de wind door de woningen te kieren, versterkt door het gebeuk van weer zo’n stroom onzichtbaar geweld dat een hoek om kwam denderen en het huis deed trillen.
Dus werd de thermostaat een half tot heel graadje hoger gezet. En dat deed een zeer kleine Amstelveense inwoner ‘ontwaken’. Want oorspronkelijk afkomstig van tropische tot sub-tropische oorden is deze gast van menige woning toch wel gehecht aan een lekker ouderwets temperatuurtje die haar behaaglijk doet voelen en verlangen tegelijkertijd naar gelijksoortig gezelschap.
Aristoteles had in het oude Griekenland nog nooit van de klerenmot gehoord. Zelfs Linnaeus (1707-1778), die elk dier of plant die hij tegenkwam opnam in zijn klassensysteem van de natuur, had de tegenwoordig zeer algemeen in Nederland voorkomende mot niet aangetroffen. Pas toen in de 19e eeuw steeds meer huizen verwarmd en beter geïsoleerd werden, kregen de enkele klerenmotten die per ongeluk in Europa terechtkwamen de kans om zich te vestigen bij de mens. Het besloot voortaan ‘synantroop’ door het leven te gaan, waarbij ‘syn’ Oudgrieks is voor ‘samen/met’ en ‘antroop’ voor ‘mens’.
Buiten de behaaglijke warmte houdt de klerenmot om nog een andere reden van de mens. Haar keratofage karakter doet haar continu verlangen naar haar, wol, veren of nagels. Deze lichaamsonderdelen van veel soorten dieren bevatten keratine en dat is een stofje dat slechts door een klein clubje insecten dankzij een bepaald eiwit kan worden geconsumeerd. Waar ze vroeger in tropische landen afhankelijk was van bijvoorbeeld vogelnesten om aan eten te komen, kan de klerenmot nu ook noordelijker gelegen landen bevolken. De mens in z’n warme huis heeft altijd wel iets dat deze mot tot maaltijd kan dienen.
En aangezien de rups van de mot al door kieren groter dan 0,01 mm kan kruipen, weet het bijna altijd, voor mensen vaak ongemerkt, bij zijn voedsel terecht te komen.
Het vrouwtje kan tot 100 eieren per keer leggen. Daarna sterft ze, maar vervolgens kunnen haar nakomelingen zich binnen een jaar nog tot drie keer voortplanten.
Amstelveen is allang door de klerenmot gekoloniseerd. En met die stad de rest van de wereld. Aangezien het beest gelooft in het Antropocene tijdperk, waarin de ‘antroop’ mens de dienst uitmaakt, heeft het zijn geld daarop ingezet.

In Zijperspace heeft men daar wat minder vertrouwen in.
(Column namens IVN geschreven voor Amstelveens Nieuwsblad)

Lichaam

Ik zit daar nog steeds. Een berouwvol lichaam. Spijtvol, hulpeloos, van historie geknepen, een naakte baby, misschien nog klaar & onbevangen hangend voor de druppels uit ’t doopvont. Terwijl ik waarschijnlijk amper mezelf de mogelijkheid heb gegeven m’n kont tegen ’t platte vlak van de tegels te drukken. M’n dunne huid te voelen die doorgaans pukkels laat groeien waar die noeste straattaal van klinkers geen wijken weet. Geen deuk, geen emotie van gelijke bewogenheid ontmoetend als ‘Wat is mij gebeurd?’.

Ik zit daar nog steeds.
Toen mij nog niets meer deed dan de verwondering op ’t laatste moment te moeten uitwijken & dat niet voldoende bleek. Stuurwiel tegen trapper. Waar ’t grootste effect vooral de beweging van m’n armen, handen & lichaam zijwaarts, wegwezen, was. Ik & in ’tzelfde tempo traag maatregelen nemend object, een vrouw erbovenop, pogend, risico-mijdend, te komen tot een hard punt, ’t zat er aan te komen, langzaam naderend vlak van hoe ’t nog niet zou voelen zo hard nogmaals dichterbij komend punt zich uitstrekkend, maar nog steeds hard vlakkend vlak, zo plat, hard, hart.

Boems, boems. Knie, knie, ontmoetend tegel of klinker, onduidelijk wie welk, links, rechts.

Ik heb dat allemaal in me opgenomen, de trage film.
Zo veel indrukken op m’n plaat die juist bezig was overtollige informatie af te vlakken. Zodat de naald niet meer nogmaals zou verspringen.
Maar nu moeten constateren dat ’t ouderwets steeds in dezelfde groef terug zou keren. Als vanzelf.
‘Hips, hier ben ik terug, u weet wel.’
‘Hips, hier ben ik terug, u weet wel.’
‘Hips, hier ben ik terug, u weet wel.’
Draaiend vlak dat om z’n eigen herhaalde waarheid tolt. Des te vaker de meer waar. Omdat ’t me blijkbaar iets duidelijk wil maken. De herhaling, de tegel, ’t links/rechts-onderscheid van knieën & inmiddels geschramde knuisten.

Een begripvolle jongedame. Ze was er ook geweest. De geest die propvol zat & wist dat er dan niet zomaar iets van belevingsvol bovenop past. M’n telefoon overneemt & daarin haar nr plus die van de gebeurtenisgetuige noteert. De verantwoordelijke, die haar fout al aan ’t wegpoetsen is, die slachtofferafhankelijke liefde (‘Mag ik dat zeggen,’ zingt Mart in m’n hoofd, ‘ja, dat mag ik zeggen.’) creëert, boetevrij, onbevlekt.

’t Deed geen pijn, & dat bloed laat geen sporen na. Maar waar mijn te veel al te veel was & dacht eindelijk ruimte voor nieuwe ervaringen te hebben, daar knijpt ’t opnieuw. Knijpt & perst tranen. Schuldig aan volheid die de straat lijkt te willen overladen met verborgen leed, waar dat niets meer is dan een emmer vol, nokkie gevuld, waar wat m’n wangen doet stromen niets meer is dan overtolligheid.
Langzaam weer richting kade wadend. De oever, omkijkend, ’t tranendal overziend. Berustend, wachtend op de hierna te verwachten volgende golf.
Vast minder hoog, wetend de grootste vloed voorbij.
Er wacht eb.

Berustend Zijperspace wacht op wat er na de pauze volgt.

Saus

Ik doe m’n sauspot nog een lik. Geef m’n laatste worst een poging tot vluchten. Want vol is vol; je moet niet er aan toevoegen wat je niet dacht dat er nog zou passen.
& Toch zit de hap er al in. Ook al is/was buik nagenoeg tot proppens toe gevuld.

Zoals ’t vanmiddag ging. Je doet wat, spuit een opmerking, & maakt vervolgens deel. De 3 marketingfases van verder komen zonder te beseffen waar je daadwerkelijk staat. Sociaal marketingfases. Herstelmarketingfases. Om je proberen te doen beseffen dat je bijna genezen bent. Geestelijk bijna evenwichtig: de term ‘erbovenop’ dient zich aan.
Men beroept zich op er zelf in te zullen geloven,

Van dan af concentreren, je afvragen of spontaniteit ’t oplost of ‘mond toe’ de betere keuze is.
Geen struikelende valkuilen, oprispende steenhoge drempels. De opwippende hielen geven een stomp richting inhoud buik. Men weet wel: de golven bieden ’t uitzicht van een op en neer deinende horizon waar de darmen, gewoon getrouw, nog niet in geloven.
Als u niet, die van mij zijn nooit gewend geraakt aan grote afwijkingen van ’t elke-dag-dieet. Indien wel, dan is de wraak als een niet te verwijten naamgever van een storm die ver boven ’t tegengestelde niveau uitstijgt van reeds genoemde, ooit haast vergeten maar verdienstig mens (Corry, Dudley, Eunice of Franklin…) die zich eindelijk plots aan vanzelfsprekende anonimiteit als woest om bijna vergeten leven ontwortelt.

Ik ben daar. Men heeft mij wakker geschud uit m’n 1-ogig bestaan. Nu maakt mijn ontwaken m’n 2 ogen blind. Die kunnen de overwoekerende informatiestroom niet meer eenduidig benoemen. ’t Valt niet in de nieuwe taal te bevatten. Elke zin gedeeld door de helft van z’n inhoud.
De afbrokkelende stenen doen de onnoemlijk hoge toren niet meer tot verbeelding spreken.

Tot aan ’t einde.
Nog slechts 1 woord.

Zijperspace, happend naar adem.

Cursus Lijfloggen, deel 21

Flikker!

Duizenden kilometers reden we met het gehele gezin op elkaar gepakt in de auto richting Zwitserland. Pa achter het stuur. Om het voor hem niet te vermoeiend te maken een tocht van drie dagen. Langs niet al te drukke snelwegen, met mooi uitzicht.
De kinderen zaten, zo lang als mogelijk, braaf op de achterbank stripboeken te lezen, moeder was de verzameling Libelles van afgelopen jaar, geruild met haar zuster voor een jaargang Margriet, aan het doorspitten, en vader trommelde lustig op zijn stuur de maat mee van de liedjes van Roger Whittaker, wiens grootste hits via het cassettedeckje ons muzikaal begeleidden. De zoon die uitverkoren was enkele honderden kilometers naast de bestuurdersplaats te mogen zitten keek voor zich uit.
Iedereen, behalve m’n moeder, wilde voorin zitten, maar enkelen onder de broertjes waren nog te jong. Dus was de reis een aaneengesloten ruzie tussen de 1 jaar oudere broer Carel en mij, over hoelang, wanneer wisselen, welk stuk, waar pauze houden en hoeveel verder nog.

Als ik dan voorin zat, eindelijk voorin, met weids uitzicht, overzicht over de weg die nog te gaan was en de vrijheid had om te bepalen waar ik naar keek en wanneer ik de snoepjes voor onderweg uitdeelde aan mijn broers achter me, dan wist ik van balorigheid eigenlijk niet meer wat ik moest doen. Mijn taken waren beperkt. Ik hoefde slechts zo af en toe het lijstje met steden die onze richting over de snelwegen zouden bepalen aan mijn vader voor te lezen, mocht de blauwe verkeersborden voor hem uitspellen en commentaar geven op de te passeren caravans die niet zo evenwichtig en weloverwogen beladen waren als die van ons.

De verkeersweg werd één rechte lijn. Of eigenlijk enkele: de vangrail die wit langs ons voorbij stoof; de electriciteitspalen met er tussenin slap hangende en daardoor op en neer schommelende electriciteitsdraden; de korte streepjes in het midden van de weg verwerden tot een aaneengesloten streep; met tot ver in den einder de auto’s voor ons, als een stoet op weg naar waar wij heen gingen. Alles verwerd tot geen beweging doordat we er zo snel aan voorbij gingen, een continue stroom, waar steeds minder in gebeurde naarmate je er langer naar keek.

Ik sloot mijn ogen.

En opende ze weer (vechtend tegen de slaap, om niet aan broer Carel te laten merken dat ik niet volop van de plek naast m’n vader genoot).
Ik sloot mijn ogen.
En opende ze opnieuw.
Dicht.
Open.
Steeds sneller achter elkaar.
Dichtopendichtopendichtopen.

Het licht dat tot mij kwam, de dingen om me heen, de weg die voorbij ging, het landschap dat zich al verwijderde terwijl het naar ons toe kwam, dat alles werd een flikkering van licht. Het knipperde mijn bewustzijn binnen doordat ik het slechts stelselmatig via mijn ogen tot mij door liet dringen.

Open. Dicht.
En elk moment werd anders. Doordat de veranderingen zo snel op elkaar volgden. Doordat de tocht vanaf toen bestond uit slechts momenten, afzonderlijke momenten, met daartussenin het zwart van mijn gesloten ogen. Ik maakte foto’s in mijn hoofd. Beleefde daarin de stilgelegde plaatjes van onze schijnbaar eentonige reis. En in elke moment van open ogen, met de herinnering eraan als mijn ogen op zwart stonden, lag een avontuur bestorven doordat ik geen tijd had om het geheel van al zijn onderdelen te kunnen bevatten. Elk plaatje werd meer dan zijn continu doordraaiende film waar het aan ten grondslag lag. En dat door de reis slechts in afzonderlijke delen tot me te laten komen, het licht van buiten te laten flikkeren i.p.v. aan één stuk tot me door te laten dringen.

Zo is het leven, besefte ik. Niet een aaneengesloten stroom. Wel een opeenvolgend aanbod van losse deeltjes, zo’n verschrikkelijk grote hoeveelheid deeltjes dat je er in één oogopslag geen overzicht van kan krijgen, doordat je de losse onderdelen niet kan onderscheiden. En je zult, ging ik gezeten naast mijn vader in gedachten verder, eerst de afzonderlijke delen moeten kunnen benoemen voordat je het groter geheel zal kunnen bevatten.

Huiswerk: Neem een foto van een zo groot mogelijk gedeelte van je lichaam en doe dat vervolgens vlak voor de volgende aflevering van de cursus weer. Schrijf over wat er in jouw ogen in de tussenliggende tijd veranderd is.

(Deel 0 staat hier, als introductie op wat ik 50 afleveringen lang heb volgehouden te schrijven voor ‘t weblogmagazine about:blank, maar verloren werd gewaand. Dl 1, Dl 3  [daar kan je ook lezen wat er aan de hand is met Dl 2], Dl 4, Dl 5, Dl 6, Dl 7, Dl 8, Dl 9, Dl 10, Dl 11, Dl 12, Dl 13, Dl 14, Dl 15, Dl 16, Dl 17, Dl 18, Dl 19 & Dl 20 zijn reeds herverschenen alhier. De komende tijd zal ik de rest van ‘t materiaal dat ik ondertussen geheel heb teruggevonden alsnog hier gaan publiceren.)