Ondoorgegaan

Vroeger is niet doorgegaan. Alleen de herinneringen, ‘t gemijmer, ‘t herbeleven.
Als toen had blijven bestaan, dan was ‘t voor mij een extra reden om te vertrekken. Dat kan niet anders dan ‘t geval zijn geweest; ik heb ‘t 2 keer geprobeerd, de laatste poging slaagde.
Ik kon niet blijven waar alles zo lang ‘tzelfde bleef, ontwikkeling onmogelijk leek.

& Als ik dat hier, aan de tafel bij m’n schoonzus in ‘t ochtendlijk uur van overal Helderse rust nog (‘t geluid van m’n vertrekkende broer de enige auto afgelopen uur), zit te overpeinzen, besef ik dat ik slechts weg ben gegaan om zelf ergens anders ooit stil te kunnen vallen. Met een snelle sprint als aanloop & een lange uitloop.
‘t Hort & stoot, zeg maar, die traag tot stilstand komende stoomtrein die een tussenstop nodig heeft voor kolen om nieuwe kracht aan te voeren. Waarbij eigenlijk verkozen wordt geen nieuwe voorraad te gaan laden.

We vatten de veranderingen samen. Op 2 achtereenvolgende avonden & ochtenden. Alsof anderen, buitenstaanders, ons de vraag stellen hoe & met wie we nog contact hebben. Terwijl we ‘t over de andere broers hebben. Carel, de dood, niet meegerekend.
Ik weet niet of we oordelen. We duiden onze wroeging van wat verkeerd ging nadat we op ‘t onjuiste pad terecht waren gekomen voordat ook Ma was overleden. Of dat ‘t al lang geleden was gebeur.

8 Was nog maar 5. Ons onvermogen elkaars gevoelens te duiden, vol te houden, of open te stellen, deed dat aantal nog meer slinken. Ik heb 2, Quint heeft 3, Jan heeft 2.
De broers die ik niet meer spreek, ik weet ‘t niet. Misschien ken ik ze niet meer. Alsof de resten van wat neergestort lijkt vage resten zijn, niet meer dan wat anderen ons vertellen. & Meestal is dat ook al 2e-hands.

Er is een foto gemaakt, zo rond 1990. We waren de gebroeders Zijp. Een enthousiaste fotografe in opleiding deed haar eindstuk door ons gezamenlijk vast te leggen. De vaak gemaakte opmerking dat we allemaal op elkaar leken bleek niet geheel waar. Maar door ‘t kader dat om ons ‘Ons’ heen werd getrokken maakte die mogelijkheid wel reëler. We waren een eenheid. We waren broers. & Met z’n 6-en lijkt dat een behoorlijke pact.

We maken samenvattingen. We vullen elkaar aan. De van-horen-zeggens worden aangedikt of afgeslankt door vermoedens van al dan niet vervormde ervaringen, broerschapdeskundigheid & wat moeder ons ingegeven heeft in onze jeugd.
Toevallig doen we dat tijdens de paar dagen dat ik me tussen 2 woonhuizen begeef, redelijk in de buurt van waar wij groeiden, stagneerden, vasthielden uiteindelijk.

Die foto, zo waren wij. Wat daarna kwam was afscheid nemen.
Inmiddels weten we dat we maar wat graag alles vast hadden gehouden. Maar er waren 5 keuzes die gemaakt moesten worden. Misschien wel 6, maar we kunnen ‘t Carel in ieder geval niet meer aanrekenen.

Zijperspace suist verder door een duister, maar traag heelal.

Onherstelbaar

Sorry, ik ben onderweg. Ik ben een update aan ‘t halen van wat van vroeger was door is gegaan.
Ik doe de Middenweg, na de Marsdiepstraat links te passeren (dat al jaren bezet is door een jonger stel dat ‘t huis onherstelbaar aan herinneringen bezeerde), zodat ik de herroepen geur van gister als een vage schim van herinnering voorbij kan voelen stromen. Een dun vlaagje die m’n nekharen slechts spaarzaam kietelt.

Ik neem de weg langs de duinen, waar we sleeën hebben gebruikt, fietsen ook, om hard van hun hellingen af te roetsjen, wonden op knieën & ellebogen verzamelend om later stoer aan te refereren, toen we dat woord nog moesten leren.
Ik ontwijk de stranden waar ik graven dieper dan een duits model met m’n broers heb gespit (de 2 oudsten hadden toen al verlof) & de 1e meisjes naakt naast me heb zien rennen om middernachtelijk spettershoog licht uit zee te laten schijnen, zo mooi straalden ze later nog zelden.

Maar ik kom in de buurt van de 1e vertrokken tante (haar uitvaart gemist uit een gebrek aan vermogen te weten hoe te gedragen), m’n peet, waar ik ‘s zaterdagochtend een kopje thee dronk voor een week lang gratis krant voor haar uit m’n wijk te besparen. In de buurt van m’n gisterse Oma, die een vrijage had kunnen zien, had ze 95 gehaald.

Ik ga van verhaal naar verhaal, een poging de onmogelijke Zijper-kroniek te completeren, stukjes aan te schuiven die wellicht op de verkeerde plek ingepast worden, doordat de verhalen niet gelijk afgespeeld gaan worden. Niet ‘tzelfde toerental hebben. Ongelijk gestart zijn.
Maar wel de genen dragen van wat ons is overgeleverd.

Ik fiets, ik overdenk, poging niet te concluderen, evenmin samen te vatten. Ik fiets, kijk slechts wat er aan heuvels, wegzakkend zand, dikke dijken, gebaande begaande paden lekker opnieuw te rijden zijn. & Pak een souvenir mee waar ‘t me uitkomt.

Ik fiets, m’n bagage wordt door ‘t paard gedragen, we gaan in draf, maar kunnen niet blijven hangen als op een wandeltocht.

Groeten uit Zijperspace.

Ogentoe

Op ‘t gevaar af dat ik mezelf herhaal. Ik kan dit al eerder verteld hebben. Anderen zijn hier al geweest. Men was al op de hoogte…
Maar wie zal zoiets nu nog weten? ‘t Kost mij al moeite te weten te komen of deze woorden mij al eens verlaten hebben.

Ze vroegen me aan een mooie herinnering te denken.
Paniekerig probeerde ik daar rust in te vinden.
Mooi moment? Herinnering? Kan ik dan nog terug als ‘t een foute associatie was? Was ‘t weer wel ok genoeg om tijdens de gang van ‘t graven van dit stukje verleden daar geen spijt van te krijgen? Sta ik straks boven op een berg & brak ‘t onweer los? Bedrijf ik zo de liefde & heb ik haar nooit meer gezien daarna?

Bij die laatste vraag besloot ik mezelf maar over te geven.
M’n ogen dicht. Een stem uit m’n laptop die me verder los liet gaan.
(…)

(…)
De neuzen stootten. Niet zo moeilijk. & ‘t Was niet mijn neus die schuldig was. Die had een ingetogen leven altijd geleid. Die van haar was prominent. Waardoor je nog dieper in haar ogen zonk.
De vloer van ‘t filmhuis hoefden ze de volgende ochtend niet te vegen. Wij hadden ons laten vallen tussen de krukken, na ‘t werk, na wat drank, & met onze kleren dat wat onder ons lag geschoond met wat aan kleren nog aan ons lichaam hing. Een uur lang, daarna besloten wij te kiezen voor haar huis.
Sporen gewist, afgesloten, naar haar getogen.

Bij haar binnen gingen al snel de lampen uit. Maar ik hoefde haar neus niet te missen. Makkelijk te vinden, ook in dit nog niet eerder bezochte donker. Daardoor haar ogen evenmin. Noch de grote wimpers waar ze af & toe in wreef. Dan boog ze haar hoofd voorover & haar rechterhand ging naar de binnenkant van haar ogen, waar de lijntjes waren gebleven. Tanden poetsen vonden we ook niet nodig.
Een kleine aai, een korte pink. & De lucht om haar ooghoek schoot als vleug mijn kant op.
We hebben de liefde bedreven waarbij tast ‘t visuele vulde & geur de sfeer.

‘Probeer te zien wat je toen zag!’ klonk de volgende opdracht vanuit de laptop. Dus probeerde ik m’n ogen er weer bij te halen. ‘t Was vast niet de bedoeling dat ik in vergane erotiek verzandde, ook al zat ik thuis achter m’n laptop.

Ze bracht me naar de deur. Een broek van haar geleend, want de viezigheid van de filmhuisvloer zat aan die van mij geplakt. Met sporen van gemorst bier.
‘Werk ze!’ zei ze (aai op wang) in de zaterdagse morgen van ½ 11, waar helderse mensen zich gereed maakten om hun geleende boeken te verzamelen om straks in de bieb aan mij te overhandigen, met af & toe boetedoening.
Een kruimel kaas kuste ik van haar naar mijn lip. Een zacht strelen van de huid terwijl de neuzen hun wederzijdse groet wreven. Een hand die zich los laat vallen uit de laatste zachte vingers & vlak voor aankomst bij de eigenaar haar heup nog even schampen.

‘Kijk om je heen wat er te zien is!’

Aan de overkant waar Oma toen al niet meer woonde. Maar ik stelde haar toch aan als getuige. Dat ik in zicht van die van haar een huis verliet. Een vrouw die terug naar binnen keerde. Een zacht zuchtend briesje dat lente rook de Middenweg vluchtig vulde.
De lantaarnpalen richting bieb telde ik door ze om beurten een hand te geven. ‘t Regende weliswaar niet, er werd niet gezongen, maar ik wist hoe ik om ze heen moest slingeren door een film waar dit wel ‘t geval in was.

‘Je kan ‘t nu weer loslaten. Probeer rustig aan weer tot hier & nu te komen. & Open je ogen als je er klaar voor bent.’

Morgen fiets ik door Den Helder. Door de straat van m’n oma kom ik dan ‘t centrum in. Wanneer ik andere herinneringen al ben gepasseerd.

Ik zal pas opletten als ik lantaarnpalen aan de overkant zie van Zijperspace.

Archivaris

Ik leg een archief aan. Een database. ‘t Gaat over bomen & ‘t gaat over beesten. Nee, organismen moet ik schrijven. Want ik stop niet bij insecten. Ook niet bij hersendragenden, of hoe je ze ook wil noemen.

Als ze me tegenwoordig vragen welke insecten ik ‘doe’, weet ik een antwoord. Een paar jaar heeft dat geduurd. Dat werd veroorzaakt doordat ik ‘t uit wilde leggen. Lange zinnen kwamen daarvan.
Ik hoefde ‘t slechts te comprimeren tot een beeld. Taal gebruiken om dat beeld te creëren.

‘Ik ben geïnteresseerd in insecten waar ze bomen ontmoeten,’ is nu mijn antwoord.
Dan heeft de andere entomoloog meteen een aanleiding om te zeggen: ‘O, dan ben je bij onze club aan ‘t juiste adres.’
Daar weten zij dan weer variaties op, maar ‘t is uiteindelijk die strekking.
Dan is ‘t iemand die in de micro-vlindergroep zit. Of aan wantsen doet. De mensen van de zweefvliegen zijn ook altijd tevreden mijn antwoord te horen. & Ik ben blij als ze me wat extra info kunnen leveren. Over een stofje van de eikenprocessierups waar niet iedereen tegen kan. Of larven van zweefvliegen de luizen goeddeels opruimen.

Thuis zoek ik dat na. Ik bijt me een middagje vast in wat ik gekregen heb. Ik moet artikelen hebben om de details te kunnen staven & vervolgens te verwerken (in m’n hoofd) & op te slaan (in m’n archief).

Dat laatste, dat vertel ik nooit. Tot ik ook daar de juiste woorden voor vond.
Ik moest mezelf weer eens verexcuseren dat ik altijd zo fanatiek ben. Er zit geen rem op. Ja, de verveling uiteindelijk, maar dat duurt meestal een paar jaar. Korter als geldgebrek ontstaat.
De juiste woorden dus. Mensen denken dan niet meteen dat er iets loos is.

Ik zei: ‘Ik hou ervan om stompzinnig artikelen over te typen, want dan krijg ik de materie tenminste in m’n hoofd.’
Dat was een gouden greep. Werd gelijk gebruikt tegenover anderen om duidelijk te maken dat je daar je rust in kon vinden, jezelf mee op weg hielp, iets incorporeerde.

Ik heb toen niet verteld dat ik ze ook nog op zo’n manier opsloeg dat er sprake zou kunnen zijn van een gedurende jaren ontwikkeld & nu zichzelf bouwend systeem. ‘t Heeft minstens 2 jaar geduurd voordat ‘t wat mij betreft voldeed. ‘t Kost zelfs geen moeite om onverwachte uitzonderingen op mijn systeem zo te behandelen dat ‘t toch op een juiste plek terecht komt.

Laatst heb ik de inhoudsopgave opnieuw uitgevonden. Eerder al gebruikt, maar nu volledig, vloeiend zou ik bijna zeggen, in ‘t systeem geïntegreerd.
Elke soort organisme had al z’n ingang, onderverdeeld naar families.
Nu dus die inhoudsopgave die de delen van de families keurig presenteert, op volgorde.
Hapbaar, uitklapbaar, inzetbaar.

Ik vind ‘t ‘t lekkerst als een inhoudsopgave uit minstens 10 of 12 elementen bestaat. Dan mag ‘t in rood neergezet, in grootte 8, ipv 12 voor titel & 10 voor tekst. Dan kan ik los. Blijf ik zitten tot ik ‘t passend heb. Passend met de inhoud, gewoon correct. Maar bovenal kloppend.
Dan blijf ik 10 min zitten. Uitzicht op ‘t resultaat. & Ga dan pas nadenken of ik nog moet eten.

Er is tenslotte niemand die me wakker roept in Zijperspace.

Anti

Tijdens ‘t overleg werd de jonge dokter in opleiding gevraagd wat ze dan voor zou schrijven. Dat was de vraag van de verantwoordelijke reguliere arts in dienst.
Ze antwoordde met een technische term, medisch technisch; onbegrijpelijk in ieder geval voor een leek. Daaraan toegevoegd: 10 dagen.
Dat zou de ander ook gedaan hebben, bleek uit de reactie.
Vonnis geveld.

Eerder, toen ze erbij geroepen was & uiteindelijk kwam (dokters, zeker op de Huisartsenpost vermoedde ik na mijn ervaringen, hebben ‘t druk, werken geconcentreerd, vandaar vergeten: sorry als jullie lang hebben moeten wachten), scoorde ‘t jonge meisje niet.
Dat was niet kwalijk. Goed onderwijs floreert als er mogelijkheid tot fouten maken is.
‘Nee, nee. Dit is een duidelijk voorbeeld van hoe ‘t begint.’ Haar vinger wees naar zijkant buik. ‘Dit kan fout gaan, dus je komt er niet met 1 zo’n pil.’

Ik had wat achtergelaten. M’n buurvrouw haalde ik er bij als voorbeeld. Die stond rond middernacht laatst in m’n portiek met ontblote schouder. Misschien had ze vlak voor ‘t naar beneden komen speciaal een haltershirtje aangetrokken.
‘O, wacht. Ik heb wel een pincet,’ zei ik. ‘Die is speciaal voor insecten.’
Ter vervanging van een lepel.
‘Die heb ik altijd bij me,’ zei buuv nog. ‘Maar ik denk dat die ergens in de auto ligt.’
Net terug uit lang verblijf in Portugal. Corona. De spullen hier liggen nog niet op een voor haar vindbare plek. ‘t Geheugen daaraan is misschien wat mistig in de tussentijd.

‘Dus stonden we daar,’ vertelde ik ‘t meisje in opleiding. ‘Zij scheen met een usb-lampje over haar schouder. & ‘t Lukte me om te draaien, wat ik later bij mezelf niet gedaan kreeg. Maar toch bleven toen ook pootjes achter.’
Dat was de 1e keer dat ik zoiets deed. & Nog geen week later stond ik mezelf middernachtelijk te opereren.
”t Kan nu even pijn doen,’ onderbrak zij met een zinnetje dat al die dokters & al die verplegers dagelijks gebruiken. Tenzij veel pijn verwacht wordt: dan praten ze luchtig belangstellend over je werk of je hobbies & zetten ze ineens de verrassingsaanval in.
Incisie, wist ik nog van de ondertitels van E.R. op ‘t moment dat ‘t mes er in ging. Ik vroeg me af of die lepel eenzelfde soort effect zou hebben gehad. Als pijn, niet als resultaat.

Ze was met de poten bezig. Dat voelde hooguit als kriebelen. Ontspanning trad weer in.
”t Is lang geleden dat ik 10 dagen lang niets dronk. Dat moet zo’n 30 of 40 jaar geleden zijn.’
Pas daarna ging ik rekenen. 16-Jarige leeftijd kon niet kloppen. Maar ‘t zou niet veel schelen.
De te verwachten vraag over dagelijkse consumptie verscheen daarop.
‘& Niet naar buiten als de zon schijnt,’ kwam als extra straf toen we dat onderwerp hadden afgesloten.
Daar had ze de verantwoordelijke arts niet voor nodig.

‘Goed insmeren met zonnebrand,’ vertelden ze me bij de apotheek. ‘& Doe een pet op.’

Want zo’n crème kleurt niet mooi bij een kalende kop in Zijperspace.

Instaspaced (XLII)

Dat zen-gedoe hebben ze daar in ‘t oosten afgekeken, niet per se van deze wants, maar vast gelijkend, &, ó zo nederig theïstisch, doen geloven dat ze wel konden zonder goden om de perfectie te vervolmaken, waar ze ‘t negeren van plakken aan ‘t aardse mee bedoelden & zodoende kungfu uitgevonden werd of een ander kunstje, terwijl deze zuringvariant heus nog wel houvast heeft, niet aan een ver afgoding (spatie is geïntendeerd), maar gewoon aan wat-ie pakken kon – of zeg ik dat nu al te bruusk?

In Zijperspace is, heel gemakkelijk, gewoon alles afgekeken.
(Foto [in betere kwaliteit, want rottig kopiëren als je je eigen foto’s ergens anders wil plaatsen & ‘t je onmogelijk wordt gemaakt door FB] & tekst eerder geplaatst op Instagram)

Instaspaced (XLI)

Achter een gesloten hek, met slechts enkele vrijwilligers, ze hadden permissie daar te zijn, begonnen zij nietsontziend, op een liggend grafzuil, maar in de voortgang onder ‘t toezicht van een aantal paar ogen, aan een volgende generatie; zij ongevaarlijk maar tevens onbekommerd, terwijl hun naamgever in toorn mens deerlijk kan schaden – ach, hoe teder dan, hoewel hoofden op andere horizonten stonden, dit nageslachtelijk tafereel zeker van minstens een uur gaans.

& Toch was Zijperspace gewijd aan de dood van lang gelee.
(Foto [in betere kwaliteit, want rottig kopiëren als je je eigen foto’s ergens anders wil plaatsen & ‘t je onmogelijk wordt gemaakt door FB] & tekst eerder geplaatst op Instagram)

Instaspaced (XL)


Voor 8,50 een paraplu gekocht, voor ‘tzelfde bedrag vorige week een 2e; de corona -devaluatie gaat hard bij mijn favoriete warme-worstleverancier (‘Beetje extra mosterd, mag dat?’), merk ik aan de fietslichtjes, de herenonderbroeken, de leesbril, maar de paraplu gaat niet mee in die tendens weet ik na mijn anderhalve maand inkoopgapendgat, zodat ik opnieuw heb kunnen vaststellen dat de zwarte spikkels bij 2 opeenvolgende exemplaren van deze wants nog steeds 263 bedraagt; tel maar na & hou in de gaten dat dat oneven nr onder z’n linkeroksel wordt verklaard.

Misschien een andere favoriete warme-worstleverancier (‘Is de mosterd hier ook gratis, mevrouw?’) zoeken in Zijperspace.
(Foto [in betere kwaliteit, want rottig kopiëren als je je eigen foto’s ergens anders wil plaatsen & ‘t je onmogelijk wordt gemaakt door FB] & tekst eerder geplaatst op Instagram)

Cursus Lijfloggen: Deel 6

Buk!

Waarom zou je altijd maar de wereld vanaf dezelfde hoogte moeten aanschouwen? Waarom zou je niet een enkele keer door de knieën kunnen gaan? Gewoon om te kijken hoe de wereld er uitziet vanaf die hoek. Alles groter, boven je uit torenend, machtiger, en vaak onverwachts lachwekkend bovendien.

Een kind beoordeelt z’n leefomgeving anders dan de volwassen mens. Hij heeft nog relatief weinig mee gemaakt, weet niet alles te benoemen, want is het vaak nog niet eerder tegengekomen, waardoor hij een redelijk onbevooroordeelde visie heeft op datgene dat hij meemaakt. Een frisse kijk, dit in tegenstelling tot de volwassen blik die de gedachte herbergt alles al eerder te hebben ervaren.

Buk dus af en toe. Waan jezelf even in het hoofd van dat kind dat je vroeger was, stel jezelf de vragen waarom iets in elkaar zit zoals het zit, waar het uit opgebouwd is en waarom de dingen niet instorten. Stel jezelf veel te veel vragen, als aan een ouder die tenslotte moe wordt van de ongrijpbaarheid van die grote hoeveelheid antwoorden, die allemaal geformuleerd moeten worden, gevat moeten worden in zinnen die begrijpelijk zijn, in antwoorden die eigenlijk niet te vinden zijn, omdat de ouder er geen weet van heeft of er überhaupt ooit een antwoord op gevonden is.

Ik weet me zelf te herinneren dat ik aan mijn vader vroeg waarom we de taal spraken die we spraken. Nederlands, was dat dan de enige taal die goed was, vroeg ik hem. En hoe kwam het dat als vanzelf die taal op een gegeven moment uit mijn mond kwam? Hoe kwam het dat hij dezelfde taal sprak en kon het ook niet toevallig zo zijn dat ik met een andere taal geboren was?

Die vragen had ik allemaal willen stellen, maar na de eerste vraag was mijn vader het spoor al bijster. Hij bracht iets naar voren over tongen en kelen, hoe het lichaam en het hoofd in elkaar zaten, en hoe je hersens opdrachten gaven aan je mond, waardoor er spraak uitkwam. Maar hoe dat resulteerde in de taal die wij als normaal beschouwden, daar moest hij mij in de steek laten. Hij moest tenslotte ook nog op het verkeer letten terwijl hij reed.

Ik had in ieder geval dezelfde kant op gedacht. Het moest iets met de tong te maken hebben. Door de tong was het mogelijk Nederlands te spreken. Dat hoorde je al aan de Duitsers, die hadden vast een andere tong, want die konden Scheveningen niet fatsoenlijk uitspreken.

Bukken hoef je dus niet letterlijk te doen. Buk op een manier dat je de wereld van een andere kant kan beschouwen. Laat los wat je aan ervaringen in de loop van de jaren hebt meegenomen. Laat je vooroordelen, je dogma’s los. Stel vragen die men niet beantwoorden kan, of laat mensen kijken zoals zij nog niet eerder keken.

Stel je een fotograaf voor, die door de knieën gaat om een foto van een voetballer te nemen. Hij had ook rechtop kunnen blijven staan, maar dan zou hij het effect van de hoog in de lucht zwevende voetballer, zijn voet zoekend naar contact met de dolende bal, niet kunnen vangen. Een voetballer, los van de aarde, door de hoek van de opname lijkt ’t alsof hij boven het publiek op de tribune uitstijgt, slechts doordat hij trefzekerder bleek, in een plaatje gevangen juist vlak voor het moment dat hij de bal opdracht gaf het net te vinden, waardoor de naam van de voetballer nog (als er al een beperking op blijkt te zitten) onsterfelijker werd. De fotograaf weet ons dat door een onverwachte manier van kijken voor te schotelen.

En als ik zelf buk, daadwerkelijk buk, meestal denk ik dan onmiddellijk aan m’n rug, ik moet ‘m niet te veel belasten, maar vaak is het ook, ik kom ze wel eens tegen, omdat ik kinderen te woord moet staan, dan kan het zijn dat ik me weer thuis voel, m’n lichaam voelt jonger, mijn spelletjes van vroeger, het toneelspelen met m’n neef, het playbacken op de slaapkamer, herinner ik me als nog maar pas geleden; als ik dan buk, besef ik me soms dat het niet uitmaakt waar je lichaam aan toe is, wat je lijf nog kan, wat je geest wil, maar je lichaam niet toestaat; het gaat er om dat je je even op een ander niveau bevindt, de wereld beschouwt als ooit, lang geleden; dan relativeer ik de toestand, mijn lichaam, m’n pijn in de rug, geef het kind een lolly omdat ik plotseling weer besef dat lolly’s het mooiste cadeau kan zijn dat een kind kan krijgen, zomaar vanuit het niets, waardoor het voor de rest zijn mond houdt.

Huiswerk: Neem een lolly in de mond, beschouw voor zeker 5 minuten jezelf als kinderlijk wijs, leef je in, en stel, als je niet meer dan slechts het kale stokje in je mond hebt, de vragen die je vroeger altijd aan je ouders had willen stellen over het menselijk lichaam. Verzin zelf hun antwoorden.

(Deel 0 staat hier, als introductie op wat ik 50 afleveringen lang heb volgehouden te schrijven voor ‘t weblogmagazine about:blank, maar verloren werd gewaand. Deel 1, Deel 3  [daar kan je ook lezen wat er aan de hand is met Deel 2], Deel 4 & Deel 5 zijn reeds herverschenen alhier. De komende tijd zal ik de rest van ‘t materiaal dat ik ondertussen geheel heb teruggevonden alsnog hier gaan publiceren.)

Bonnenprikker

‘t Was de grootste uitgave van de dag. Ik reken de afzonderlijke boodschappen bij Appie niet mee. Dat zou zo’n 4 euro meer zijn geweest. Maar dit was slechts 1 artikel.
Voordat hij verkocht werd, toch, vroeg ik de verkoper naar de prijs. Ik kon een ‘Oeps’ niet onderdrukken. De man bleef stoïcijns. Wat er toe leidde dat ik de conversatie een half uur lang bleef herhalen. Elke intonatie, iedere mogelijkheid beschouwend om er een andere draai aan te geven in ‘t verleden dat al heengegaan was in onomkeerbaarheid.

Dat is overigens mij niet vreemd. De dag ervoor kwam ik Rob tegen. Door ‘Hé, Ton!’ wist ik pas dat ik moest kijken om te herkennen. Dat lukte nog net.
‘Hé!’ kwam echter al automatisch uit m’n mond voordat ‘t zover was. Maar waar de ‘h’ in de ‘é’ overging kwam er een schakeling in m’n herinneringsafdeling tot stand.
We kruisten, zeg maar: ik scheurend voor een paar auto’s langs; hij rustig als een ervaren bedaarde vader & goed voorbeeld gevende onderwijzer over ‘t fietspad dat na mijn auto’s volgde. Hoewel hij die rol niet hoefde te spelen. Geen kind te zien op voor- noch achterzit.

‘Hé!’dus. Daar was ik gebleven. Dat vloeide in ‘t omkijken van herkenning tijdens ‘t kruizen over in ‘t 1e wat me te binnen schoot.

Nou moet ik er bij vertellen dat ik ‘m wel vaker op straat tegen kom. Eens onderweg naar ‘t Amsterdamse Bos liep hij met vrouw & kinderen. Toen was ik ‘t die riep.
Op dat moment zei hij vrolijk gedag. Een tel later kwam er een woedende schreeuw die ‘t gehele verkeerspleintje vulde uit z’n mond. Ik zag ‘t in ‘t nakijken van m’n verzonden groet uit z’n lichaam komen.
‘Ik zei dat je bij ‘t fietspad moest wachten,’ kwam er als een donderwolk uit, richting zoon die snel besloot ‘t knopje van ‘t voetgangersstoplicht voorbij ‘t fietspad niet meer in te zullen drukken.
‘t Is lang geleden dat ik een dergelijke woede heb zien afspelen. Ouders doen dat niet meer openbaar, zo lijkt ‘t.
Maar hij was vader. Hoofdonderwijzer bovendien. Wist ik van de ontmoeting daarvoor. Hij wist vast dat je je af & toe moest laten gaan in die 2 functies.

Ook die conversatie bleef lang nasudderen. Hoewel die niet verder was gegaan dan ‘Hé, Rob!’ mijnerzijds & ‘Hé!’ van hem, plus een corrigerende terugroepactie die de buurt zich nog lang zou heugen.
‘t Lijkt niet veel, maar genoeg om alternatieve scenario’s mezelf voor te leggen, te beoordelen, nuances van intonaties te wegen & ‘t effect daarvan me voor te stellen. Maar eigenlijk vooral domweg herhaling als een wereldgoal tijdens een grote wedstrijd, bezien vanuit elke mogelijke camerapositie.

Ik was dus voorbij rustig fietsende Rob. ‘Hé!’ was m’n laatste & ook nog enige woord dat ik uitblies.
‘Die baard staat je goed!’
Alsof ‘Hé!’ niet die uitroepteken van zichzelf had, maar eerder een komma als vooraankondiging van een sympathieke opmerking.
‘Ja, jouw baard ook!’
Ik vind die uitroeptekens overigens geheel niet erg in onze korte 2-secondenconversatie. In zo’n korte tijdspanne kan je niet anders dan een dergelijke interpunctie in je communicatie aanbrengen, zeker omdat de meters voorbij vliegen naar snelle onverstaanbaarheid in een stad als deze.

Ach, ik laat de rest van de woorden die ik samen met de bonnenprikkerverkoper gewisseld heb gewoon achterwege. Zo bijzonder was dat niet. Ik liep 9 euro armer de winkel uit met een daarbij behorende bon die, ondanks dat-ie zelf geprikt ging worden, de ander zou ontmaagden.

Maar ‘Waartoe, waartoe, waartoe,’ bleef zonder geformuleerd te worden echoën in Zijperspace.