Vader-aan-Moeder-brieven (VIII)

Ongemerkt begin ik me af te vragen wat voor jongeman m’n vader was, daar, op nog net 19-jarige leeftijd, in de haven van Semarang. & Daar, op dat bankje bij ’t Carillon, naast m’n moeder.

Ik heb alleen dat vergelijkingsmateriaal van toen ik me eerder afvroeg wat voor mán hij was. Op 54-jarige leeftijd met de naweeën van zijn overspannenheid, waardoor hij de mogelijkheid kreeg om met vervroegd vervroegd pensioen te gaan. Dat heette de DOP, een extra regeling voor onderwijzenden voor wie de VUT nog niet vroeg genoeg was.
Ik geloof dat ze bij hem nog wat extra maanden afgeknabbeld hebben. Er waren blijkbaar zorgverleners die ’t nut niet meer zagen de man nog extra te belasten zo vlak voor pensioen.

De man, zo noem ik hem, omdat ik in ’t duister tast hoe hij zich toen voelde. Terwijl ik bijna op dezelfde leeftijd in een zelfde situatie terechtgekomen ben.
Met dit verschil dat ’t niet meer zo snel ‘overspannen’ genoemd wordt, maar in mijn geval burn-out & dat hij bovendien een vooruitzicht had te kunnen gaan doen waar hij zin in had.

In een gesprek met Marianne, 1 van m’n begeleiders, kwam ter sprake of ik als mijn vader was. Of mijn vader zoals mij.
Ik noemde daarop de schoonzussen die de revue waren gepasseerd in de loop der jaren. Enkele hadden wel vaker over mij gezegd dat ik ’t meest op m’n vader leek.
Dat was geloof ik niet alleen wat uiterlijk betreft, zoals baard & houding in zijn jonge jaren.
‘Maar je bedoelt natuurlijk qua afwijking?’ ging ik verder, de afwijking die ons, over de 50, heeft uitgeschakeld voor de arbeidsmarkt. ‘Dat weet ik wel zeker.’

& Toch snap ik niet dat hij op jonge leeftijd een boottocht maakt om geld te verdienen. Of dat hij in Soerabaja op z’n vrije zondag aan wal gaat om tevergeefs op zoek te gaan naar een kerk voor ’t bijwonen van de ochtendmis. Ik snap ook niet dat partners, of zoals dat vroeger normaler gezegd werd: echtgenoten, ’t een leven lang uit kunnen houden bij zo’n persoon als hij & ik.

Ik zie hem zitten op z’n stoel, maak dat met zwaaiende armen naar achteren duidelijk waar die gepositioneerd is in een spreekkamer die niet op onze woonkamer lijkt, om duidelijk te maken waar z’n jazz-verzameling stond, z’n plank lag, de vogeltjes buiten, m’n moeder in de keuken die roept: ‘Niek, zeg jij er nou eens wat van!’ over de drukke kinderen die moeten worden ingetoomd, waarop hij slechts zegt:
‘Jongens, doe niet.’
& Zonder opkijken opnieuw in z’n catalogus, z’n genealogie, z’n oude, te vertalen geschriften, z’n geplastificeerde plantjes, etcetera duikt.

Nog 4 weken, schrijft-ie, & hij is weer bij haar.
Hij zou haar nagenoeg nooit meer verlaten. & Zij hem evenmin.

Maar mogelijke antwoorden op ’t waarom heeft nu nog de vorm van een schoenendoos, op een tafel in Zijperspace.

Instaspaced (LXXI)

Ik snap ’t blijkbaar nog niet helemaal dus ga ik ze in grote getale in me opnemen, wat leidt tot herhaling, nog een keer, weer dezelfde & opnieuw, want 1 keer kan niet genoeg zijn & de leeftijd, wellicht ’t drankgebruik net zo, is er naar om repetitief te rammen & stampen, zodat er uiteindelijk toch nog een ietsiepietsie van systeem wordt herkend & ze deel worden, deel ja: als ik op m’n kop krab & later m’n zwarte nagelriemen aanschouw denk ik dat ik ze werkelijk deel zijn van dit lichaam.

& Daarom deel van Zijperspace.
(Foto [in betere kwaliteit, want rottig kopiëren als je je eigen foto’s ergens anders wil plaatsen & ‘t je onmogelijk wordt gemaakt door FB] & tekst eerder geplaatst op Instagram.)

Ballast

Voor dit soort bekentenissen bestaat geen juiste weg. Ze hebben die nog niet geplaveid & zullen de methode daartoe ook nooit vinden.
Lees dus niet verder, zeker als ’t vermoeden bestaat dat er slechts verkeerde woorden gevonden zullen worden.

Ik heb last van tranen in m’n ogen.
Als ik niet 4 maal daags zou druppelen zou ’t nog erger zijn. Maar dat is vanwege een tegenstrijdigheid: die van te droge ogen waardoor irritatie ontstaat.

Zo gauw er echter moois ontstaat, terug gegraven moet worden in m’n geheugen, &/of mijn zenuwen overwonnen moeten worden, dan druipt ’t óók.
Er bestaat geen controle.

Ik heb dat ook los moeten laten, hoewel ik daar nog niet al te bedreven in ben. Vaak voel ik de dwang dat in te moeten leiden door een excuus. Want je belast een ander. & Dat was juist ‘tgeen je wilde vermijden.
Waarbij ik in die laatste zinnen buiten mezelf probeer te treden. Ik wordt je. & Die schijnbaar tegenstrijdige spelling klopt.

’t Is evengoed wat er gebeurt: ik ben er niet, een verborgen dwang tot emotie neemt ’t over. Waar ik controle had, waar ik dacht dat ik was, daar nemen tranen over & lijk ik niet meer bij mezelf te zijn, terwijl ’t traanvocht denkt dat juist ’t tegengestelde waar is.

Men moet vooral niet denken dat dit een continu proces is. Ze komen eerder overwaaien als vlagen. Ze waren er niet, zo opeens zijn ze er wel. Er is geen schuld, alleen ’t moment van 2 dingen die botsen. Dat van in de mond & dat van wat nog gaat moeten komen.
& Op de kruising beslist iets in me dat ’t me net te veel is. Maar ’t lijkt alsof dat mechanisme buiten me staat. Als op een rotonde, waar niet de bestuurders, maar ’t middelpunt draait & onverwachte hoeken toont, waardoor je de verkeerde afslag neemt.

Waarbij ik moet bekennen dat er niet zoiets bestaat als een verkeerde richting. Men gaat een weg, men komt ergens aan. Wat onderweg is meegemaakt is belangrijker dan ’t punt waar men is aangekomen.
’t Glijden van vocht, dat is te voorspellen. Dat volgt naar waar zwaarte hoort.
Dat wat recht voor zich uit kijkt, ziet waarschijnlijk een andere toekomst. De mogelijke tranen leunen zwaar. Hoe licht ze ook gelanceerd zullen worden.

Maar alle ballast, dat maakt Zijperspace zwaar.

Op Zijperspace!

Ik zou ’t in verband kunnen brengen met ’t feit dat dit jaar m’n weblog 20 jaar oud gaat worden. Of bijkomend kleinood: dat ’t volgende maand een jaar geleden is dat ik er nieuw leven in bracht.
Maar tegelijkertijd wordt de Ziektewet komende maart omgezet in een uitkering, waardoor ik nog minder dan de 70% van m’n laatste salaris maandelijks ga ontvangen. Een traktatie wordt daardoor nog meer een feest.

Oja, ander heuglijk feit: vanaf 7 september 2001 heb ik 3343 stukken geschreven & op Zijperspace achtergelaten ter lezing. Waarschijnlijk wel meer, want van de 1e periode (die enkele maanden duurde), toen Zijperspace nog was ondergebracht bij Blogspot, zijn de posts bij een verhuizing zoek geraakt. Maar goed, laten we evengoed dat getal 3343 vasthouden & dat verminderen met zeg maar 10 (alle teksten die ik uiteindelijk niet geplaatst heb, maar wel als ‘concept’ staan opgeslagen), dan heb ik ook nog een mooi getal.

Ik wil ’t geen feest noemen, evengoed. Eerder een kleine handreiking voor nagenoeg elke dag proberen te bedenken waar ik over zal schrijven, hoe ik vervolgens ijverig m’n toetsenbord bevingertrommel, twijfelend ’t resultaat beschouw & vaak ondanks die onzekerheid of men hier wel op zit te wachten toch ’t knopje publiceren be-‘muis’.
(waarmee ik maar probeer te zeggen dat die 2 instrumenten ‘werk’-woorden voor me zijn; overigens zonder negatieve connotatie)

Als er elke dag iemand zou zijn die mij symbolisch op een biertje trakteert, dat ik vroeger dankzij mijn werk vaak genoeg gratis kreeg toegeschoven (oja, ik zat afgelopen 28 mei, voor degenen die dat hebben gemist, 25 jaar in ’t biervak), word ik daar natuurlijk niet rijker van. Maar ik kan na gedane arbeid naar de keuken lopen, een fles of blik opentrekken & tegenover ’t beeldscherm proosten op een gulle schenker & me beseffen dat wat ik schrijf aangekomen is & op een zekere ‘waarde’ geschat.
Bij dat laatste dient men dat symbolische aspect in gedachten te houden.

Zijperspace bestaat overigens niet alleen dankzij m’n wil te schrijven. Zonder Irene van Ipixitude was dit blog waarschijnlijk, door slecht onderhoud & gebrek aan kennis van blogtechnische zaken, jaren geleden al ingestort. Zij heeft gelijk met mij een banner geplaatst met de vraag of men haar verhalen een biertje waard vindt.

Dus vanaf heden heeft de tevreden bezoeker de mogelijkheid om middels bovenstaand plaatje, dat natuurlijk ook aan de linkerkant van Zijperspace staat, een link te openen naar Paypal. Daar kan men op eenvoudige wijze een zelf te bepalen bedrag invullen & naar mij overmaken, zodat ik diezelfde avond een proost richting ’t ons verbindende beeldscherm kan uitbrengen.

Daar gaat-ie: op Zijperspace!

Instaspaced (LXX)

Tijdens de cursus had ik bij winterexcursies al snel versteende vingers & toppen van tenen die op afbreken stonden; zelden maakte ik de bedoelde 2 uur vol – tegenwoordig merk ik de kou vaak pas op nadat de foto is genomen, de determinatie onderweg is, betere kwaliteit noodzakelijk & afgeleverd in de app & ik m’n handschoenen opnieuw aan heb, maar ook dan zit ik nog te diep in gedachten van wat zo’n korstmos nou uiteindelijk is & sterf ik pas onderweg naar huis, nadat ik heb gemerkt dat m’n vingers de aan een braam losgetrokken veters niet meer kan strikken.

Toch heelhuids aangekomen in Zijperspace, hoewel je dat niet meer kon voorspellen.
(Foto [in betere kwaliteit, want rottig kopiëren als je je eigen foto’s ergens anders wil plaatsen & ‘t je onmogelijk wordt gemaakt door FB] & tekst eerder geplaatst op Instagram.)

Instaspaced (LXIX)

Ik drink Bokma jenever & heb me een stuk hout overhandigd om mezelf een paar minuten te geselen met concentratie & ampele pogingen meer/minder licht, idem contrast, scherpte & wat zo meer toe te voegen om m’n gedachten over plotse hitte, 1 shirt uit, doorzettend zweet, broek omlaag, panikerende wervelingen, rommelende buik, drang tot toiletbezoek, wat uiteindelijk resulteert in die kop die stil moet, laat dat lichaam maar, hij weet niet wat-ie doet & gooi er liters verdoving in zodat de niet aanwezige dosis pillen daadwerkelijk overbodig: stop – slok.

Rust weert keer in Zijperspace.
(Foto [in betere kwaliteit, want rottig kopiëren als je je eigen foto’s ergens anders wil plaatsen & ‘t je onmogelijk wordt gemaakt door FB] & tekst eerder geplaatst op Instagram.)

Vader-aan-Moeder-brieven (VII)

De stempel op de envelop geeft de datum 20 mei 1952 aan, bovenaan de brief heeft m’n vader nog even ‘P. Saïd Maandag’ toegevoegd.
De boot zal nog diezelfde dag de reis richting Australië voortzetten, maar voordat ’t zover is heeft m’n vader nog een dienst aan ’t B-dek.
Dus schrijft hij nu aan m’n moeder, want nog net een beetje tijd daarvoor.

Hij heeft de 2 brieven van Annie, m’n moeder, ontvangen. Plus een brief van ‘thuis’.

Zie je wel dat je schrijven kan.

Schrijft m’n Pa.
Waardoor ik teruggetrokken word naar haar schemerende onzekerheden. Er waren diverse, maar ik herinner me vooral die van ’t schrijven. Haar loopbaan van huishoudschool, naaister, moeder & huisvrouw, moet haar dwars gezeten hebben.
Niet dat ze er onder leed, maar ze liep er ook niet mee te koop. & Op 17-jarige leeftijd moet ze met haar opleiding al geen hoge dunk van bepaalde aspecten van haar capaciteiten hebben gehad, vermoed ik, bij gebrek aan onderwijs.
Haar 5 broers mochten studeren. Pas de jongste van haar 5 zussen mocht iets meer doen dan de huishoudschool. Die kon typen uiteindelijk.

Jaren later plakte & schreef ze enkele vakantiealbums vol. Waar we zoal geweest waren & hoe hoog de rekening was voor ’t boerbuffet op onze vaste plek in Zwitserland.

Buiten die ene zin reageert m’n vader niet op de inhoud van de 2 brieven van m’n moeder. Hoewel hij aan ’t eind toch even opmerkt dat hij liever niet heeft dat ze de brieven aan anderen voorleest.

Zo een enkele brief wel, maar intieme brieven niet.

Ik zal wel een bril van bijna 70 jaar later op hebben, maar buiten zijn verlangen op ’t bankje bij ’t Carillon te zitten, heb ik nog niet iets gelezen wat ik niet met anderen had durven delen als ik ’t geschreven had.

Of nee, dat bankje zou ik ook delen. Dat had de hele wereld mogen weten.

Bij die gratie bestaat Zijperspace tenslotte.

Kleed

Ik weet niet hoe de dag er uit ziet. De gordijnen zijn nog toe. Er kiert slechts zuinig licht tussendoor 2 van de 4 delen ervan. Alsof een voorproef. Of een lokmiddel van wat er gaande is.
Zo las ik daarnet een aankondiging van sneeuw. Waarbij ’t kleed van wit me al vrolijk tegemoet trad in m’n hoofd. Hoewel ik niet eens registreerde voor welke tijd die voorspelling gold.

Maar ik was moe. Had behoefte aan languit. Nog wat langer languit, want m’n bed was nog maar net geleden.
Gister deed zich gelden, opnieuw. Van een lange tocht te voet. Van zoeken & tegelijk verscholen zijn in m’n hoofd.
Ik zei de mensen wel gedag, maar wenste ze voorbij: ’t bos was mijn. ’t Verborgen leven dat daar deel van was eveneens.

& Dan ben ik verbaasd, al liggend, mezelf peinzend wakker ontmoedigend, dat ’t kleed, ’t laken (beter wellicht, want die is in ’t oorspronkelijk concept altijd wit)(maar dunner), me vrolijk, huiselijk stemt, terwijl de herinneringen juist over kou & sneeuw in de bek gaan. Op de oogleden ook, op de muts, de handschoenen, & tussen de spleten van de lippen dus.
Probeer maar eens een krant uit een fietstas te frummelen terwijl alles van ijskristallen vergeven is & de handverpakking te dik om iets te kunnen voelen van wat de inhoud doet. & Dan ben je nog niet over ’t tuinpad gegleden om ’t vervolgens schier onmogelijk droog in de bus te proppen.

Zo’n dag is ’t vandaag. Waarin alles mogelijk is, maar ’t voorlopig nog even opgebouwd wordt uit wat was & waarschijnlijk niet komen gaat. Met valse geconditioneerde herinneringen.
Ik ben de hond wiens tong druipt bij ’t verleden van een vooruitzicht & zie dat lichaamsvocht tot glibberig ijzel omvormen. Verheug me bij voorbaat op m’n val.

De realiteit moet maar iets meer dan kieren doen in Zijperspace.

Cursus Lijfloggen, Deel 15

Verjaar!

Tja, iedereen verjaart. Elk jaar weer. Zolang je blijft adem halen zal daar niet zoveel aan veranderen.
Het ene jaar telt 365 dagen, een enkele 366. We hebben nu eenmaal afgesproken, dit naar aanleiding van een vroege ontdekking in de menselijke historie, dat een jaar op zodanige wijze ingedeeld overeenkomt met onze gezamenlijke tocht rondom de zon. Voor het gemak delen we dat jaar ook nog even op in seizoenen, maanden en weken, zodat we over het geheel van 365 een beter overzicht krijgen en een beter besef hebben van het voorbij gaan van de tijd. Maar daarvan zou men kunnen zeggen dat het slechts arbitraire delingen van het overkoepelende jaar zijn.
Feit blijft staan dat we elke keer dat we op hetzelfde plekje teruggekomen zijn die wij innemen ten opzichte van de zon, we kunnen spreken over het verstrijken van weer een jaar. We zijn weer verder gekomen (we zijn in onze beleving nog niet dood), weer grijzer, weer dikker, nog een stukje langer, of juist gekrompen, onze ledematen strammer, en wederom zijn we een stukje dichter genaderd tot het onafwendbare moment dat we dat niet meer kunnen vieren.

Ik merk zelf dat ik niet meer de snelste fietser van Amsterdam ben. Mijn longcapaciteiten en daarmee samenhangend de souplesse van de spieren in mijn benen voldoen niet meer om fietskoeriers even een lesje te leren. Ik trek niet vanzelfsprekend als eerste op bij een stoplicht, de politie te fiets houdt me tegenwoordig met gemak bij, waardoor ik dat risico ook niet al te vaak meer kan nemen, of ik zou van te voren eens goed om me heen moeten kijken. Maar aangezien mijn nek ook enige tekenen van stijfheid vertoont, ben ik vooral genoodzaakt me te laten leiden door de grote mate van wijsheid die ik gedurende de jaren heb opgebouwd.
Wat mijn geest graag zou willen, kan mijn lichaam niet meer aan, maar daarentegen geldt ook: wat mijn lichaam niet meer kan, daar is mijn geest in staat dit onvermogen in enige mate te ondervangen. Het is zodoende een genot om een fietskoerier ver achter me te laten door via de middelste ring van een rotonde de weg af te snijden en op die wijze enige straten verder voor een tweede keer door dezelfde, maar ditmaal verbaasde persoon ingehaald te worden.

En om er vooral niet te veel spijt van te krijgen dient elke gelegenheid te baat genomen te worden om kenbaar te maken, om het voortgaan van de tijd, om het verval van het lichaam, later ook de geest, te ontkennen door er een feest tegenover te stellen. Men nodigt vrienden en familieleden uit voor een gezellig samenzijn onder het mom van weer een jaar versleten, drinkt en eet hierbij genoeglijk en bovendien vaak te veel, waardoor men de volgende dag berouwvol van de essentie van het wel en wee van het lichaam doordrongen is.
Men neme daarvoor het passeren van de grens tussen 31 December en 1 Januari of gewoon het bereiken van dezelfde datum als waarop men volgens de overleveringen geboren schijnt te zijn. Voordelen van het kiezen voor de laatste datum zijn o.a. dat men niet perse voor toegang tot een café hoeft te betalen, men de mensen naar zich toe kan laten komen i.p.v. andersom, de visite geneigd is met een aardigheidje aan te komen zetten om het feestelijke feit meer luister bij te zetten, en het tevens zo is dat men niet hoeft te wachten tot het moment van klokslag 12 zich aandient, maar gewoon ’s ochtends vroeg wakker kan worden en de gehele dag in de roes van feestvarken kan voortbewegen. Ik dacht: laat ik de positieve aspecten van dit gebeuren eens belichten, de negatieve negeren, daar ik hierboven reeds enkele nadelen heb genoemd die het tikken van de tijd met zich meebrengt.

Gekomen echter bij dit punt, het tijdstip van vandaag, de dag dat het oude jaar vervangen is door een nieuw jaar, geheel symbolisch en gesteld op een waarschijnlijk volkomen willekeurig moment binnen die ommegang van de aarde om de zon, doet het mij elke keer weer beseffen dat het niet lang meer zal duren of ik mag mijn eigen feestje opnieuw gaan organiseren. Niet dat ik zo bezeten ben van dit besef dat ik me ver van tevoren reeds ga verheugen op mijn verjaring; nee, geenszins. Ik zie al voor me hoe ik na afloop van het gezellig samenzijn mijn huis weer zal moeten ontdoen van allerhande troep die slechts uitnodigen tot het akelig pijnlijk stoten van mijn tenen, de deuren open zal moeten gooien om mijn neus weer normaal zuurstof te kunnen laten snuiven en bij het verschonen van diverse koppen en schotels, schalen, pannen en bestek mijn handen zullen verweken tot zachte kussentjes waar geen eelt meer op zit. Om niet te spreken over de eerder genoemde gevolgen van het in te grote hoeveelheid tot me nemen van verstrooiende middelen.

Nee, ik begin er over omdat ik nu eenmaal op de honderdste dag van het jaar jarig ben en het derhalve zo makkelijk aftellen is.
Ik wilde u opdragen vooral te genieten van het elk jaar weer terugkerende moment dat u zichzelf een jaartje ouder mag noemen, maar bedacht me dat ik dit moeilijk kan verlangen als ik het zelf niet van plan ben. Ik laat die honderdste dag dit jaar zonder al te veel ophef aan mij en mijn dierbaren voorbijgaan. Dit omdat ik vijfentwintig dagen later, te weten: op 5 Mei 2005 (5/5/5), 15.000 dagen oud zal worden. Een mooie datum voor zulk een heuglijk feit. Daarom wilde ik mijn opdracht tot huiswerk ditmaal een ietwat aanpassen. Misschien niet in overeenstemming met het thema van deze maand, maar wel er naar verwijzend daar het evengoed refereert aan het verstrijken van de tijd.

Huiswerk: Bereken op welke datum de 10.000e, dan wel 15.000e dag van uw leven bereikt wordt en breng te zijner tijd verslag uit van de viering van deze gedenkwaardige mijlpaal.

(Deel 0 staat hier, als introductie op wat ik 50 afleveringen lang heb volgehouden te schrijven voor ‘t weblogmagazine about:blank, maar verloren werd gewaand. Deel 1, Deel 3  [daar kan je ook lezen wat er aan de hand is met Deel 2], Deel 4, Deel 5, Deel 6, Deel 7, Deel 8, Deel 9, Deel 10, Deel 11, Deel 12, Deel 13 & Deel 14 zijn reeds herverschenen alhier. De komende tijd zal ik de rest van ‘t materiaal dat ik ondertussen geheel heb teruggevonden alsnog hier gaan publiceren.)

Vader-aan-Moeder-brieven (VI)

Brief gestempeld op 19 mei 1952, z’n 1e brief na vertrek uit Nederland. Waarschijnlijk verzonden in Gibraltar. Dat zou ik misschien kunnen zien aan de postzegel, maar ik heb zojuist bemerkt dat die er niet op zit. Van de voorgaande enveloppen tonen 2 voorbedrukte postzegels. Die waren bij thuiskomst niet interessant voor de verzameling die m’n vader toen blijkbaar al had aangelegd. De andere enveloppen missen allemaal een hoek aan de voorkant.
Zou m’n moeder ze hebben afgescheurd om ’t m’n vader te geven bij thuiskomst?

Doet me gelijk bedenken dat ik eigenlijk niet weet wanneer hij gestopt is daarmee. Met Parkinson was dat natuurlijk niet meer te doen, maar ik was er niet bij toen hij er uiteindelijk geen aandacht meer aan kon besteden. Waarschijnlijk een geleidelijk proces van verminderde aandacht, van steeds minder kunnen & uiteindelijk bestonden ze misschien niet meer voor hem.

Hij babbelt over z’n bezigheden aan boord. Dat ’t hard werken is, hij enkele hutten toegewezen heeft gekregen, & hoe hij bij de maaltijd elke dag een vol bord krijgt, waarbij je laat staan waar je minder trek in hebt.

M’n vader heeft onderweg naar Santiago de Compostella een verslag bijgehouden. Natuurlijk heel belangrijk dat iemand zoiets doet. Voor zichzelf. Maar ook voor ’t nageslacht.
Hij maakte er dan ook kopieën van, bundelde ’t & gaf ’t aan z’n zoons.
Waar ’t ergens hier in huis staat, ben ik kwijt. Wat ik ervan toentertijd heb gelezen, stelde me qua stijl een beetje teleur.
Maar nu ik z’n brieven aan m’n moeder lees, krijg ik ’t idee dat hij niemand had om zijn pelgrimage-wederwaardigheden aan te richten. Dat was meer een reis in zichzelf, voor zichzelf. De brieven dienen om met m’n moeder te communiceren, de praatjes op een bankje in Den Helder te vervangen.
& Die taal spreekt-ie, is hem vertrouwd. Hij was al jaren kind aan huis bij de familie van m’n moeder door z’n vriendschap met haar broer. Ze waren al naar elkaar toegegroeid. Dat hoor je in die brieven, zo ook in deze 1e.
Maar bij ‘Hou je taai […]’ aan ’t eind moet ik toch even nadenken of dat een gangbare uitdrukking was richting je vriendin.

Moet nadenken of dat ooit heeft geklonken in Zijperspace.