padvinderij

De hopman was mank, had een ijzeren poot; de 1e vaandrig was verlegen & stotterde dat ’t een lieve lust was; een hulpje van de hopman was ietwat ruw, bleef niet al te lang; weer een andere, een vaandrig in wording, was veel te streng, kon z’n handen niet thuis houden & is daardoor ook niet al te lang blijven hangen; & dan had je Herman.

Herman heb ik nooit begrepen. Herman was gewoon een sympathieke jongen. Een lange slungel van in de 20 (zo leek ’t in ieder geval) temidden van allemaal mislukkelingen op middelbare leeftijd.
Je was voor iedereen bang, behalve voor Herman. Ook al kreeg je straf. Zelfs straf was leuk bij hem. Moest er een balk doormidden gehakt worden. Was je wel een uur mee bezig, je had na afloop blaren aan je hand, maar ’t was tenminste een straf van Herman.

Nou ja, eigenlijk was ik ook wel voor Herman bang. Hij had vreselijk grote handen, die je plots vast konden grijpen. Dan kon je niet meer weg. Dan kon je een draai om je oren krijgen. Of stevig vastgehouden woden, zodat ’t de rest van de dag van je armen was af te lezen. Of hij stopte me in een jutezak & sleepte me overal mee naartoe. Zonder dat ik iets kon zien. Ik was zo bang voor Herman dat ’t elke keer een uitdaging was hem kwaad te krijgen. Zogenaamd.

Herman was groot & sterk. Hij snapte wat de jonge padvinders later ook wilden worden. Maar ik snapte niet wat hij bij de padvinderij deed.

Hij reed bijv motor. Dat deden padvinders over ’t algemeen niet. Zeker niet in die tijd. De hopman & de vaandrig reden altijd in tuffende automobieltjes, deden er uren over om op de plek van bestemming te komen, terwijl Herman er in een poep & een zucht arriveerde.

Hij vond ’t uniform niet leuk. Alleen bij officiële gelegenheden droeg-ie ’t zoals de hopman ’t graag wilde. Maar de hopman had niet zoveel invloed meer op Herman.

& Hij vond treintjes leuk. Op zijn zolder had-ie een volledige baan gebouwd, zo groot had ik ’t nog nooit gezien, waar wel enkele treinen tegelijk konden rijden. Märklin-treinen. Over heuvels, rangeerterreinen, door steden, & over overgangen waar de slagbomen automatisch naar beneden gingen. De wissels waren vanaf 1 punt te bedienen, vlak naast de verschillende trafo’s voor de locomotieven.
Dat had niks met padvinderij te maken.
Maar was wel veel leuker.

Herman ging echter varen. Waarom, vraagt een klein kind zich dan af. & Wat heeft ’t voor zin om nog bij de padvinderij te blijven? De landverkennerij zou toch nooit meer zo leuk worden als ten tijde van Herman.
M’n ouders wisten daar wel een antwoord op. Een antwoord van wel 3 jaar lang. Een antwoord van elke zaterdagmiddag ergens anders onderdak hebben, m’n ouders een rustig huis voor zichzelf.

Volgens mij kon Herman geen vrouw krijgen. Hij had littekens van puisten op z’n gezicht, maar daar viel dankzij z’n lach nog wel mee te leven, had ik ’t idee.
’t Was meer dat er geen vrouw te vinden was die met een man wilde leven die bij de padvinderij zat & met treintjes speelde. Daarom is-ie maar gaan varen. & Heeft-ie ons verlaten.
Ik wist wel hoe ’t zat.

Zijperspace bestond nog 3 jaar uit saaie zaterdagmiddagen.

Dit ihkv geleverde suggesties nav ’t stukje wachten, waar overigens nog altijd meer aan toegevoegd mag worden. Dit schrijven is tot stand gekomen dankzij de suggestie van Marc. Wordt vervolgd zolang de voorraad strekt.

oordelen

Stiekem beoordeel & veroordeel ik de mensen die met me in de trein zitten. Op uiterlijk, stem, conversatie, uitstraling, begeleidend gezelschap, of desnoods alleen maar op ’t kapsel.

’t Meisje schuin voor me, naast de deur van de coupé gezeten, was een uitgesproken voorbeeld van ’t laatste. Ze droeg zo’n zogenaamd modieus in 2-en gedeeld kapsel. Of eigenlijk in 3-en: ze had in ’t voorste zwart geverfde gedeelte nog een a-symmetrische scheiding zitten. Plat zat ’t haar op haar hoofd geplakt. Daarachter stak de rest in een poging tot bordeaux-rood bovenuit. Met de nadruk op de vervoeging van ’t werkwoord ‘uitsteken’.
Terwijl zij blijkbaar ’t idee had dat ik haar tersluiks zat te bewonderen, op momenten dat onze blikken elkaar kruisten, zat ik me elke keer weer af te vragen welke moeder haar dochter zo over straat durfde laten gaan. Bekrompen als mijn burgergeest inmiddels is geworden. De enige conclusie die ik uit deze gedachtengang kon trekken was dat we ooit allemaal jong & dwars zijn geweest. De 1 wat meer met de nadruk op lelijk & dwars, terwijl de ander zich meer bezighoudt met tegendraads & natuurlijk.

Vanwege mijn o zo natuurlijk drinkgedrag in ’t plaatsje Den Helder zag ik mij genoodzaakt enkele malen gebruik te maken van ’t minst populaire hokje van de intercity, waarvan ik altijd ’t idee heb dat iedereen ziet dat ik er gebruik van maak. Dat is waarom ik op dit soort reisjes altijd zo onopvallend mogelijk deze gelegenheid bezoek, daarbij hopend dat zo min mogelijk mensen m’n bezoekfrequentie in de gaten heeft. Wat bij mij resulteert in een plasje aan ’t begin van de tocht (vóór Alkmaar) & 1 redelijk tegen ’t einde ervan (ná Alkmaar). & Onderwijl houd ik iedereen in de gaten die tegen dat einde van de rit ’t toilet voor kortere of langere tijd bezet houdt.

Zo zag ik even voorbij Castricum een stoere sportieve jongeman passeren. Hij hield voor korter dan 2 minuten de gelegenheid bezet. Niets om mij ongerust over te hoeven voelen, besefte ik me achteraf. Meer onrust moest mij bekruipen bij aanschouwing van de oude dame, die doodgemoedereerd ging staan wachten toen ze bemerkte dat de deur niet opende als ze die naar zich toetrok.

Ik had op kunnen staan, haar kunnen vertellen dat de deur de andere kant op geopend diende worden. Ik had haar kunnen vertellen dat ’t handiger was jezelf vast te houden aan de grepen bij de deuren. Ik had haar ook op gemak kunnen stellen dat de deuren, de tussendeuren van de coupé, zichzelf automatisch zouden sluiten. Maar ik was te lui. & Ik vond ’t maar een vreemd verschijnsel dat een vrouw, op de leeftijd van m’n moeder, een houding aangenomen kon hebben, een verschijning te zijn, die niet geleek op iets wat ik normaliter associeerde met ’t vrouwelijk wezen.
Daar stond ik zogezegd nog verbaasd over toen ’t meisje gezeten tegenover ’t modieuze kapsel besloot haar over de werking van de ns-toiletdeuren in te lichten.

Met een gezonde blos, een schaamtevolle blos over haar eigen onbenulligheid, misschien ook wel een blos veroorzaakt door ’t meemaken van de tunnel onder ’t Noordzeekanaal door, passeerde ze de nobele dame die haar de methode ter opening van de wc-deur had bijgebracht. Een schuchtere lach daarbij met zich meedragend.
Terecht, dacht ik.
& Ik stond enkele minuten later op, vlak na de stop op ’t Amsterdam-Sloterdijk-station, om mij van een gemakvolle fietstocht huiswaarts te vergewissen.

Je staat verbaasd hoe schaamteloos mensen voor zich uit kunnen staren. Hoe men zogenaamd nonchalant een blaadje kan bestuderen, een zekere gestrengheid op ’t gezicht kan toveren, als men zich bewust is van eigen wandaden.
Teruggekomen van ’t toilet wilde ik eigenlijk een kort moment met m’n buren in de coupé converseren. Ik wilde tegen toevallige voorbijgangers iets korts meededelen. Ik had ’t gevoel dat ik de conducteur wellicht kon verblijden met mijn kennis over de gang van zaken. Ik had ’t idee dat ik de hele coupé kon versteld doen staan van afschuw.

Maar eigenlijk wilde ik ’t liefst me keren tot de oude dame, ze zat er zo netjes & keurig bij met haar schotse rok, haar tijdschrift driftig lezend voor haar hoofd geheven, op haar toestappen & schreeuwen:
‘Zo, dus jij denkt dat je zomaar alles hier kan onderschijten? Dat je alle keutels op de grond dient te deponeren & ’t vloeiende gedeelte van je ontlasting op de muren van ’t voertuig kan spuiten? Jij denkt dat niemand doorheeft dat jij degene bent die last heeft van spastische darmen, die naast dit euvel helaas ook nog ’t talent ontbreekt om welgemikt in een rond gaatje te kakken?’

Tuurlijk houden we onze mond aan ’t einde van de reis naar Zijperspace.

boterhamzakjes

100 Zakjes zitten er in. 100 Keer kan ik m’n belegde boterhammen er in opbergen. Beschermen tegen invloeden van buitenaf. Desnoods zou ik ze kunnen hergebruiken, maar ik waag me niet aan die gedachte. Hergebruik trekt me niet aan. Stel dat de economie instort, dan ga ik er anders over denken. Vooralsnog 1 maal, voor een bepaald stapeltje boterhammen.

Aan die hoeveelheid van 100 lijkt geen einde te komen. Ik kan me de dag niet heugen dat ik ’t huidige doosje heb gekocht. ’t Moet lang geleden zijn. & Toch gebruik ik bijna dagelijks 1 zakje.
Een mogelijkheid is dat men zich op de verpakkingsafdeling misgeteld heeft. Misschien dat ’t meisje achter de telmachine dacht: ‘Deze gaat vast naar een leuke jongeman. Ik stop er wat xtra in.’ Anders zou ’t ook nog kunnen dat de communicatie tussen de ontwerp- & de verpakkingsafdeling in ’t verleden niet erg soepel verliep. Uit balorigheid heeft men op ’t hoogtepunt van ’t wederzijdse onbegrip de aantallen toen verdubbeld, dan wel gehalveerd.
Ik vaar daar wel bij.

’t Geeft me een gevoel dat de dagen weliswaar voorbij gaan, elke dag een nieuw zakje, elke dag een stapje dichter naar ’t eind, maar dat er nog veel voor me in ’t verschiet staat.

Ik kon gister echter toch wel de bodem van de verpakking voelen. ’t Overviel me een beetje. Zou ’t dan toch? De luxe van de oneindigheid voorbij?

Om mezelf enigszins gerust te stellen heb ik me een nieuwe voorraad aangeschaft. Die staat nu gereed om bij te springen zogauw ’t toch onverhoopt zover mocht komen. Ik heb ‘m onder z’n voorganger geplaatst. Dan is-ie in ieder geval bij de hand.

Toch zal ik die oude verpakking niet licht vergeten. Net als ’t scheermesje (m’n laatste held heet Mach 3) dat mij reeds 10 keer van haren heeft ontdaan. ’t Voelt aan alsof ze grotere prestaties leveren dan je van dit soort produkten mag verwachten.

Ik ben een tevreden consument. Zeker als ’t produkt mij waardig behandelt. Ik zal zo’n artikel dan niet verlagen tot eeuwige recycling. ’t Heeft z’n hoogtepunt gehad; z’n lot dient niet te lang uitgesteld te worden.

Men krijgt de behandeling die men verdient in Zijperspace.

gehoorzaamheid

Ik wantrouw m’n lichaam momenteel. Zoals ik dat wel vaker tot nu toe in m’n leven gedaan heb. M’n lichaam is niet een instrument dat m’n geest volledig onder controle heeft. Eigen willetje. ’t Probeert me weliswaar seintjes te geven, ’t laat zich makkelijk beïnvloeden door humeurtjes & pijntjes van de geest, maar ’t gaat daarbij wel z’n eigen gang. Ik kan ‘m daarin niet makkelijk tegenhouden.

’t Is eigenlijk een hufter, m’n lichaam. ’t Werkt bijv nooit mee. Zeker op momenten dat ik denk recht heb op enige samenwerking te hebben. ’t Vindt elke keer weer een andere manier om z’n stress bot te vieren. Vanuit een totaal onverwachte hoek valt ’t me aan. Laat me krimpen, laat me kruipen. Totdat ik gehoorzaam.

Momenteel probeer ik spanning uit m’n hoofd & nek te bannen. Terwijl ik niet weet waar de spanning vandaan komt. Rollend & tollend met m’n hoofd, m’n hoofd ligt dan weer boven m’n rechterschouder, dan weer boven de linker, onderweg tussen beide haltes een tel boven m’n borstkas, probeer ik wat ontspanning te veroorzaken, wat meer soepelheid in m’n nekspieren, zodat ik in ieder geval weer recht vooruit kan kijken.

Ik heb ooit eens langs de kant van de gymnastiekles gestaan. Met een bonkend hoofd. Ik wist dat m’n hoofd niet gehoorzaamde, ik wist dat de pijn in m’n hoofd m’n wil dicteerde; m’n geest zou er niks tegenin kunnen brengen.
Ik stond op een bank, terwijl iedereen kunsten uithaalde met ringen, touwen, bokken & bruggen. Onder ’t commando van Hans. Hans kon drillen. Maar hij had gezegd dat ik langs de kant mocht staan.
Ik legde m’n hoofd tegen de muur achter me. M’n hoofd moest voelen dat de muur harder was. Ik moest voelen wat pijn was. De pijn in m’n hoofd. Dat pijn nog erger kon zijn dan de pijn die ik op dat moment voelde. Ik moest proberen meer pijn te voelen. Ik moest de pijn zelf worden.
& Langzaam verdween ‘t. Ik zat in de pijn.

Terwijl ik m’n tekst op ’t toetsenbord intik, verdwijnt ’t gevoel in m’n enkel (die andere dwarse plek die langzaam tot m’n voortijdige dood zal leiden) & in m’n hoofd. Ik voel slechts ’t tikken, de golvende beweging, van m’n vingers op ’t toetsenbord. Maar ik voel me wel gedwongen m’n hoofd in een ideale positie, houding te drukken. Alle aders moeten openstaan. Er mag zich geen obstakel voordoen, wat de doorbloeding kan vermoeilijken.

Ondertussen denk ik dat ik een ernstige ziekte onder de leden heb. De laatste kwalen waar ik over gehoord, gelezen heb, manifesteren zich momenteel in mijn lichaam. Elk onverwacht teken dat m’n lichaam ter attendering dat ’t leeft geeft, duidt voor mij aan dat ik een stapje dichter bij de dood ben. Ik sterf. Dit is een teken.

Ik grijp m’n hoofd. Ik wrijf m’n ogen uit. Blijf wrijven. Druk m’n ogen onderwijl in. De spanning moet weg uit m’n oogkassen.

Ik geloof m’n lichaam niet. ’t Kan niet zo zijn dat ’t mij kan dicteren. Ik heb verdorie weekend. Ik hoor ontspannen te zijn. & Vrij van alle problemen.

’t Lijf probeert mij te dwingen rekening te houden met ’t verleden. Verminkingen. Ongelukken. Die m’n lichaam gevormd hebben. Misvormd wellicht. Je ziet alleen de gevolgen niet aan de buitenkant. Maar de lijn staat strak. Dwingt me in ’t gareel te blijven.

Ik vertrouw m’n eigen lichaam niet. ’t Kan toch niet zo zijn dat mijn lichaam de dienst uit maakt.

’t Is verdomme geen democratie in Zijperspace.

monumentje

Buiten ’t voornemen dat ik wat van me moet laten horen, tov vrienden, vind ik de laatste tijd ook dat ik me wat meer dingen moet laten gebeuren. Ik moet er wat meer m’n best voor doen. Een plek opzoeken waar wat te beleven valt, waar mensen samenkomen, of de gebeurtenis al plaatsvindt vanwege m’n aanwezigheid. Ik kan wel dagen achter elkaar thuis blijven zitten, zo af & toe dezelfde café’s bezoeken, regelmatig boodschappen gaan doen, maar dat geeft niet bepaald afwisseling aan m’n leven.

Dus besloot ik, na met m’n moeder & tante koffie gedronken te hebben (ik dronk bier), & onze eigen kleine avontuurtjes te hebben beleefd in hartje Amsterdam, maar ‘ns een café te bezoeken waar ik doorgaans niet kwam. & Dan ‘ns niet een ‘bier’-café, waar mannen over ’t algemeen de dienst uitmaken, waar mannen deskundig hun neus ’t glas in tuiten, snuivend ’t aroma tot zich nemen, de 1e slok langzaam laten kolken door de mondholte, om na ’t subtiel doorslikken ervan de verwikkelingen mbt de verantwoordelijke brouwerij met de barman door te nemen.
Nee, ’t was weer ‘ns tijd voor een oerdoodgewoon amsterdams café, waar mensen na afloop van arbeid simpelweg een vaasje bestellen, desnoods er een kopstootje van maken, een spelletje backgammon met de buurman wordt gespeeld, de kachel aanstaat, & Truus van om de hoek de soep van de dag heeft bereid.

Kortom, tijd voor café ’t Monumentje in de Westerstraat, waar niets van dat al plaatsvond, behalve dan ’t spelletje backgammon. ’t Koste me wel 10 minuten ronddralen langs div etablissementen in de Jordaan, stiekem glurend naar gezelligheid door de ramen, de juiste dosering drukte overwegend, de leeftijd van ’t barpersoneel schattend op korrektheid, voordat ik deze beslissing spontaan kon nemen. Maar toen was ’t dan toch tijd voor een middagje zien wat komen gaat. Als ’t niet beviel kon ik na ’t 1e biertje al vertrekken.

’t Was een goede keuze, besloot ik na binnen een minuut geholpen te zijn door de accordeonist van de Virtuoze Matrozen, een plek, lekker koele plek, gevonden te hebben naast de deuropening, waardoor ik me niet van m’n jas hoefde te ontdoen, & in conversatie te zijn geraakt met de oudste bezoeker van ’t dranklokaal.

‘Je kan net zo goed je tas op die stoel tussen ons zetten; we zitten nu toch al met z’n 2-en aan deze tafel. Niemand die er dan nog bij komt zitten.’
& : ‘Ik doe ’t zelf ook altijd.’
& : ‘Nou, dat was me wat, hè, afgelopen zondag?’
& : ‘Ongelooflijk, toch.’
& Enkele goedbedoelde glimlachjes.

Men moet maar denken: die jongen is dat niet meer gewend.

Ik heb me ook voorgenomen mensen die ik al lang niet meer gezien heb, wiens naam me evengoed te binnenschiet, desnoods ook niet, ook in geval de herkenning niet onmiddellijk wederzijds is, te begroeten. Spontaan, enthousiast.
Zondag was ’t bijv Desmond. Op 10 meter afstand riep ik ‘m aan.
Zondag was ’t ook Muriel. Die bij mij kwam bier drinken. Ik wilde wel weer ‘ns zoenen met een mooie vrouw. Op voorwaarde dat ze me gedag zou zoenen kreeg ze ’t biertje gratis. Goede deal.
Vandaag was ’t Hugo. Vlak voordat we elkaar voorbij liepen was er herkenning & maakten we een praatje.
In ’t Monumentje waren ’t Dennis & Nosmo. Ze herkenden mij al voordat ze de deur open hadden.

’t Oude mannetje maakte ruimte voor zoveel vriendschappelijkheid, zoveel verhalen over vergane tijden, zoveel informatie over hoe ’t nu wel ging, hoe ’t allemaal gekomen was, wat er nog aan gedaan kon worden, wie de schuldige was, hoelang dan in coma, of hij nu volledig z’n geheugen terughad & hoeveel bier Nosmo tegenwoordig kon drinken, & een kort moment van voelen waar ’t gat in z’n schedel zat.
‘Voel maar. Moet je je hand hier ‘ns overheen halen. Daar heb ik gewoon geen schedel meer.’

Zijperspace bestaat vooral uit verhalen die nog niet volledig zijn.

burenbezoek

Goed. Men heeft mij ontdekt. Men is te weten gekomen hoe ’t in elkaar steekt. Waar ik m’n geld mee verdien. Hoe ik m’n klanten behandel. Dan kan ik net zo goed open boek geven.

M’n 1e klant is de Surinamer. Hij komt bij me aan de toonbank terwijl ik aan de telefoon hang met Bierenco voor ’t verlaat doorgeven van de bestelling. Bij wijze van uitzondering, vertellen ze me, zullen ze ’t dinsdagmiddag komen leveren. Da’s morgen. Tijdens ’t telefoongesprek dat ik met Dave van Bierenco voer, scan ik ’t flesje van de Surinamer, neem ’t geld in ontvangst, geef wisselgeld retour & vraag ik me af waarom hij zo lang moet blijven staan. Ik vraag Dave of-ie aan de lijn wil blijven hangen & bekijk ’t goedje dat de Surinamer aan ’t uitpakken was.
‘Wil je dat onmiddellijk opbergen,’ zeg ik hem dwingend, ‘dat wil ik hier nooit zien. & Meteen m’n winkel uit.’
‘Ja, je hebt gelijk,’ zegt-ie, terwijl-ie z’n pillen weer inpakt, die hij achter een grote fles bier verstopt had proberen te houden. Waarop-ie z’n fles meeneemt naar buiten.
Hij heeft een opgezwollen kop, een gladde waas over z’n ogen, z’n tong wil de hele tijd z’n mond uit als-ie iets zegt. Z’n schouders bewegen bij elke stap die hij zet mee met z’n lichaam.
‘Je hebt gelijk, dat had ik niet moeten doen.’

10 Minuten later glipt hij opnieuw achter een klant langs naar binnen. Gaat achter ‘m staan om door mij geholpen te worden. Hij haalt alvast een biljet van 20 tevoorschijn.
Niet weer, denk ik, hij heeft net al een groot gedeelte van m’n wisselgeld meegekregen.
‘Als je daarmee wilt betalen, dan lukt ’t niet,’ zeg ik ‘m.
‘Ah nee,’ reageert-ie.
‘Nee, ik heb je daarnet ook al 2 munten van 2 gegeven. Betaal daar maar mee.’
‘Nee, dat meen je niet,’ zegt-ie, ‘als een blanke man voor je staat, heb je altijd wisselgeld. Waarom doe je nou zo tegen me? Je bent een rascist.’
‘Sinds wanneer ben ik een rascist? Ik heb gewoon wisselgeld tekort & jij haalt m’n kassa leeg voor die handel in pillen van je. Dan ben ik nog geen rascist.’
‘Jij behandelt me nooit goed. Altijd heb je wat. Ik kom elke dag. Ik ben een vaste klant. Je verdient aan me.’ Hij praat ondertussen met stemverheffing tegen me.
‘Zeg, je kan ook wat zachter praten, ik heb meer klanten dan jij. Als je niet normaal met me er over kan praten, kan je meteen vertrekken.’
‘Je bent niet de enige in deze buurt die bier verkoopt, hoor.’
‘Nee, gelukkig niet.’
‘& Als je me ’t niet wilt verkopen, dan blijf ik wel buiten op je staan wachten.’
‘Weet je wat. Zal ik gewoon de politie bellen, om te vragen wat zij van jouw oplossing vinden?’
‘Ja, doe dat maar,’ zegt-ie, maar hij liep al naar de uitgang.
‘& Vergeet niet dat je hier niet meer welkom bent,’ zeg ik ‘m achterna.

Ik herken Luna al in de deuropening, haar gezelschap niet. Dat zou haar partner kunnen zijn, denk ik, & reik m’n hand uit om me voor te stellen.
‘Ik weet wel wie je bent,’ zegt VJ, waarop z’n identiteit me plotsklaps te binnen schiet.
‘Ik mis de zonnebril van je nieuwe logo,’ probeer ik me er uit te redden.
’t Voelt een beetje onwerkelijk aan, zo plots overvallen te worden door 2 medewebloggers. Als een verrassing, een kadootje, maar ik weet mezelf nog geen houding aan te meten om ’t kadootje netjes uit te pakken.

Gelukkig staan er 100-en soorten bier die Luna & VJ kunnen bewonderen & heb ik zo af & toe een vaste klant die z’n dagelijkse spoelmiddel in komt slaan.
‘Mag ik je wat vragen?’ zegt Speedy, hortend & stotend, z’n lichaam net zo erg als z’n stem.
‘Tuurlijk mag je wat vragen.’
‘Ik moet ff m’n pillen goed wegstoppen. Mag ik dat ff snel hier doen? Dan doe ik ’t zo dat niemand buiten ’t ziet.’
De 2e keer dat ik de pillen, waar ’t allemaal om draait in deze buurt, vandaag zie. Want Speedy heeft ze al tevoorschijn gehaald voordat ik er toestemming voor kan geven. Weliswaar onopvallend, met de rug gedraaid naar de straat, maar toch.
‘Eigenlijk wil ik daarvan niks in m’n winkel zien,’ zeg ik ‘m.
‘Dat weet ik, daarom doe ik ’t ook op deze manier.’
Hij is er al mee klaar. De pillen zitten keurig op een stapeltje in z’n andere broekzak.
Met z’n stoterige lichaamsbewegingen loopt-ie weer naar buiten. Ik vervolg m’n gesprek met de webloggers.

Enkele minuten later zien we ‘m alweer terug. Voor ’t statiegeld op z’n lege fles.
Dat kan ik snel afhandelen, denk ik. Maar Speedy ziet grote flessen staan. Daar wil hij meer over weten.
‘Dat wil ik je allemaal wel uitleggen,’ zeg ik ‘m, ‘maar ik heb nu een belangrijk gesprek. Dat doe ik de volgende keer wel.’
‘Ok, is goed.’ & Hij schuift de winkel weer uit.

& Midden in dat wereldje van junks & alcoholisten, die zich laten afwisselen door toeristen die zich van niks geen kwaad bewust zijn, praat ik met Luna & VJ over dat kleine landje waar wij deel van uitmaken. Als we niet met beide benen op de grond staan.
Hoewel ze al op ’t punt staan om te vertrekken, in de veronderstelling dat ze me in m’n werk storen, weet ik ze nog wat langer binnen te houden.
‘Ik vond ’t net zo leuk dat jullie er waren,’ doet ze nog wat langer blijven.

Ze zijn nog maar net een paar minuten vertrokken, na een verblijf van ong een ½ uur, of er komt een vieze zwerver langs. In een walm van weed. Met een sinaasappelnetje over z’n haar. Met een doffe blik, waar geen logische gedachte meer achter kan steken.
Hij zegt dat-ie een hele tijd in Joegoslavië heeft gezeten, dat-ie daarom niet wist dat ’t oude 10-tje er uit was, waar-ie mee wilde betalen.

Waar moet je ’t relaas van zo’n dag mee afsluiten? Als ’t zich door alle gebeurtenissen niet al laat aanvoelen. Alle conclusies zijn overbodig, ik hoef geen overweging meer mee te geven.

Zijperspace heeft z’n plekje in Weblogland, & men is blij met z’n buren.

marsepein

Een kinderlijk genoeglijke glimlach verscheen op m’n vader’s gezicht bij ’t uitpakken van z’n kado. Hij wist al wat er in zat. Net zoals-ie wist wat er uit de daaropvolgende verpakkingen bij de anderen zou komen. Hij had tenslotte zelf voor de ruimhartige Sint gespeeld. Hij was zichzelf daarbij, net als andere jaren, niet vergeten.

Je kon (& kan wellicht nog steeds) ‘m geen groter plezier doen dan door ‘m een stuk marsepein voor Sinterklaas te geven. Tijdens ’t ontrafelen van een dergelijke verrassing begonnen z’n ogen te stralen, z’n wangen rezen een blije cm omhoog, z’n neus ging ietwat vooruit staan & aan ’t lichtjes trillen van z’n onderlip kon je zien dat-ie op ’t punt stond z’n blijdschap te vertalen in een waardig dankwoord richting de gulle gever.
‘Dankjewel, Sinterklaas,’ begon-ie dan, terwijl iedereen z’n pakjes ff met rust liet. ‘Ik zat al te denken dat je me dit jaar vergeten was. Of dat je je wat zorgen had gemaakt over de ontwikkelingen rond m’n gebit. Maar ik merk dat je, net als ik, hebt ingezien dat ik & m’n tanden ’t wel weer aankunnen.’

De schoondochters smaalden mee. Er was altijd iets met z’n glimlach, waardoor de dames liever naar hem keken dan naar de op hun leeftijd afgestemde partner, naast hun gezeten. Waarschijnlijk tevens in de veronderstelling dat als ze meer lieve glimlachjes wierpen naar die oude man, schoonpapa geheten, de bal marsepein die nog moest komen wellicht groter zou worden.

Elk jaar kocht m’n vader via z’n school een bonk marsepein in. Die werd onmiddellijk na aankomst verstopt. Zodat alleen m’n vader stiekem kon voorproeven. Niemand die er voor de rest bij mocht komen.
Slechts als 1 van de schoondochters op bezoek kwam, werd er een uitzondering gemaakt. Dan kwam-ie plots met een klein bolletje aanzetten, zorgvuldig rond gerold.
‘Wil je alvast voorproeven?’ vroeg hij dan met z’n glimlach.
Er stak wat ondeugends in die lach. Hij sloot daarmee een pact met de dames, waar de broers geen invloed op konden hebben. & Met dezelfde glimlach, verleid, pakten de dames ’t bolletje aan & staken ’t in hun mond.
Als zoon & als partner kon je ’t de rest van de dag wel vergeten. Bij conflicten met je vader zou je voorlopig geen gelijk meer krijgen.

Een paar dagen voor aanvang van pakjesavond begon m’n vader z’n bonk in partjes te verdelen. Hij gebruikte er zelfs een weegschaal bij. ’t Moest zo eerlijk mogelijk. De gevormde hoopjes draaide hij tot strakke ronde bolletjes. De uiteindelijke stapel legde hij weer terug op de geheime verboden plek. Daarnaast de grote bol, die hij zichzelf als wintervoorraad had toebedacht.

‘O, Sinterklaas is nog wat vergeten,’ kon ’t aan ’t eind van de bewuste avond klinken vanuit z’n mond.
Hij zocht z’n geheime plek op, die inmiddels bij alle 6 jongens genoegzaam bekend was, maar ondanks die wetenschap toch niet betreden werd, & haalde de schaal marsepeinbolletjes tevoorschijn. Ieder kreeg z’n deel. Met een xtra glimlach voor z’n schoondochters.
M’n vader is een charmeur, besefte ik me toen, als ’t gaat om schoondochters & marsepein.

Zoetigheid wordt sindsdien met argwaan beschouwd in Zijperspace.

Dit ihkv geleverde suggesties nav ’t stukje wachten, waar overigens nog altijd meer aan toegevoegd mag worden. Dit schrijven is tot stand gekomen dankzij de suggestie van Theo. Wordt vervolgd zolang de voorraad strekt.

tijdperk

Ik heb een jetlag van 1 uur. M’n ogen somberen. M’n wimpers knipperen treurig op & neer. M’n maag probeert nog steeds m’n eten te verteren, maar weet dat-ie er te laat aan begonnen is.

Ik dacht dat ik er gister voorbeeldig aan begonnen was, de wintertijd. Lekker laat naar bed, ’s nachts nog wat gestommeld & pas om 10 uur op. Wintertijd dus. Ik was voorbereid.

Ik vroeg me nog af hoe ’t nou zat. Hoe ’t komt dat de tijdsaanduiding rechtsonderaan m’n beeldscherm ’t steeds weer presteert achter te lopen. & Elke keer als ik de comp herstart weer geheel gelijk komt te staan. Hoe zou die tijd in m’n comp reageren als de wisseling van seizoenen weer zou gaan plaatsvinden, vroeg ik me af.
De videorecorder was geruisloos overgestapt naar de nieuwe tijd. Vlak voordat ik naar bed ging, waarschijnlijk 2 uur dus. De comp liet op zich wachten. Maar stond de volgende ochtend wel klaar met enkele vragen mbt de instelling van de nieuwe tijd. Na beantwoording van deze vragen ging ’t gedwee mee in een blijkbaar nieuw era.

Bomen horen voor eeuwig in een tuin te staan. Ze horen de mens te overleven. Ik weet niet anders dan dat ze ouder worden dan de mens. Maar de japanse sierboom, zoals ik ‘m inmiddels heb genoemd, bleek vanmiddag genoeg te hebben aan 1 menselijk leven dat ‘m reeds had verlaten. De 1e de beste najaarsstorm onder mijn hoede legt-ie ’t loodje & gaat-ie pontificaal hangen over de tuin van m’n buren. Die meteen hun tuin niet meer indurven.

Dit moet een teken van vergankelijkheid zijn, denk ik, terwijl ik onderdoor de pluk aarde kijk, die de boom heeft meegesleurd, waar-ie heel symbolisch z’n eigen wortels dmv z’n gewicht de grond uit heeft getrokken. Totaal geen houvast, totaal geen hang naar ’t verleden meer.

Bepaalde elementen zijn niet goed voorbereid op de seizoenswisseling in Zijperspace.

fred

‘Leg je schriften met ’t huiswerk maar op tafel,’ begon Dinkla de les in Handel, ‘dan kom ik ’t tussendoor bij iedereen controleren.’
Ik legde m’n schrift open op een willekeurige blanco blz. Dinkla begon z’n inspectietocht in mijn rij. Zoals ik verwacht had, dan was-ie eerder bij mij, z’n grootste oponent. ’t Was een spel, waarvan ik de regels kende, maar waarbij Dinkla alleen niet wist dat-ie m’n enige tegenspeler was.

‘Wat is dat?’ vroeg-ie verontwaardigd, wijzend naar m’n maagdelijk witte blz.
‘Da’s een schrift,’ glunderde ik naar ‘m, ‘dat weet je toch wel, Fred? Schriften gebruiken we om notities in te maken of ’t huiswerk in te doen. Kijk,’ & ik pakte m’n pen & hield ’t voor z’n neus, ‘dat doen we dan hiermee. Heet een pen.’
‘Weet je wat jij doet? Je dondert maar op als je je huiswerk niet gemaakt hebt.’

Ik had vaak wel m’n huiswerk gemaakt, of in ieder geval een gedeelte ervan, maar ’t ging me om de uitdaging. De minieme variaties die Dinkla & ik in ons spel konden aanbrengen wilde ik ontdekken. Ik wilde zien hoe ik ’t spel tot op ’t bot kon ontleden & binnen een minimaal tijdsbestek kon laten verlopen. Dus als ik na 1 minuut alweer buiten ’t klaslokaal stond was dat een kick. Tenzij ik wist dat Küppers ergens rondliep.

M’n xcuus voor ’t niet maken van huiswerk was dat ik de voorgaande les er uit gestuurd was. Vond ik een geldige reden. Dinkla niet. Hij stuurde me weer weg.
Dat was niet volgens de regels van ’t spel, maar dat kon ik Dinkla niet kwalijk nemen, want die regels kende hij niet. Ik was gedwongen een paar dagen zijn spel te spelen. Eigenlijk was dat ook weer onderdeel van mijn spel: te bepalen wiens spel we speelden.

‘Fred, mag ik je wat vragen?’ begon ik de les.
”t Is Dinkla voor jou. Of eigenlijk Menéér Dinkla.’
‘Je hebt gelijk, Fred. Maar mag ik wat vragen?’
‘Weet je wat: je mag pas iets vragen als je je vinger hebt opgestoken. Dan geef ik je wel een beurt.’
Er gingen onmiddellijk 4 vingers de lucht in. Iedereen mocht z’n vraag stellen; technische vragen over de stof die we als huiswerk mee hadden gekregen. Ik kwam pas als laatste aan bod. Al die tijd hield ik m’n arm echter omhoog.
‘Ben ik nu aan de beurt, Fred?’
‘Dinkla. Ik wil dat je Dinkla zegt.’
‘Goed Fred Dinkla, zal ik doen. Maar ben ik nu aan de beurt?’
‘Zeg ’t maar.’ Hij kon er niet meer omheen.
‘Waarom zie je er zo slecht uit vandaag, Fred? Wat heb je gisteren gedaan?’
‘Sodemieter maar op, Zijp.’
Hij wees met z’n vinger naar de deur. Bleef stilstaan achter z’n buro & wees.

Er werd veel vals gespeeld in Zijperspace.

Dit ihkv geleverde suggesties nav ’t stukje wachten, waar overigens nog altijd meer aan toegevoegd mag worden. Dit schrijven is tot stand gekomen dankzij de suggestie van Marc. Wordt vervolgd zolang de voorraad strekt.

wie

Wie ben ik?
Ik ben de man die rent. Kent u de film niet? Ik ben de man die rent over de sloten. Over weides die groen zien van snelheid. Die struikelt over de rand van de 3e sloot. & Stapt in de stront op ’t weiland na de 4e. Dat doet me slechts sneller glijden over ’t asfalt, dat de weilanden & de sloten met elkaar tussendoor verbindt.

Ik gebruik springplanken. Vlak voor de overgang van straat & groen laat ik de stoep werken. Ik zet me af. Spring omhoog. Zweef voor een kort moment. M’n ledematen golven alle kanten op. Zwabberen voor een tel door de lucht. Ze zeggen voor even niks. Men kan m’n zwenkende beweging volgen. Ik ga.
& Kom terecht.
Ik ren.

Ik heb geen rem. Daar is m’n lichaam niet op gebouwd. Dan trekken m’n wangen naar achteren. Of nee, naar voren. M’n speeksel loopt vervolgens uit m’n mond. Laat sporen achter in de lucht van voorbij. Dat zie ik niet. Liever ren ik door.

Ik ren over gazonnen. Door hofjes. Over siertuinen. Ik ren voorbij de vroege krantenbezorgers. Ren voorbij de mannen die vertrekken in ’t ochtendgloren. Laat hun achter in verlegenheid van ’t ochtendkloffie. (Hun stropdas hangt scheef).
Ik ren over de auto’s die langs de kant van de weg staan. Ik ruk met m’n jas de spiegels er af. Niet moedwillig, ’t gebeurt onderweg. In de vaart van m’n lichaam. De spiegels kunnen me gewoon niet bijhouden. Ik ren nl.

Ik ren verder. Ik ren door ’t bos. Niet meer over de smalle bospaadjes. Ik sjees voorbij de takken van bomen. Passeer struiken, ze zien me amper. De vogels durven me niet na te fluiten. Ik hol m’n ouders voorbij. Ik ren de bladeren tot herfst.

Ik heb geen haar meer op m’n hoofd. Ze slijten terwijl ik nog maar net op gang begin te komen. Onderwijl sprint ik door een winkelpassage. Neem ’t raam ipv de reguliere uitgang. Dat springt, dat zingt, dat splintert uiteen. Allen gaan opzij. Iedereen laat me voorbij. M’n haren laat ik onderweg achter. M’n huid schilvert erachteraan. Ik hop over fietsen, rollators, steppen & zebra’s met blinde stokken heen. & Ren verder.

Ik ren de bergen van Nederland tot polders. De sloten tot rivieren. De sprongen worden tochten met een veerpont. De verlegenheid worden verhalen. ’t Speeksel stuift m’n verleden achterna. Drijft als sliertende massa m’n wangen na.

Ik draaf voorbij de prikkeldadende lijnen, de behegte lanen. Stop geen moment. Buiten adem, buiten zinnen ga ik nog steeds verder. Ik ren in Noord. & Ga voor West. Maar weet dat ik via Zuid zal moeten gaan.

Ik ren. Men probeert mij te volgen.

Men weet blijkbaar niet dat ’t sluitingstijd is in Zijperspace.