klutenwacht (2)

Je zit dus in een caravan in een letterlijk weidse omgeving. Alles is plat aan ’t omringende landschap, behalve dat wat de mens geschapen heeft. De dijk in de verte van 500 meter & de huizen van Camperduin op een km afstand, maar die zijn met ’t blote oog amper te ontwaren in ’t schemerdonker. Geen muziek, een beetje licht, een beetje kachelwarmte & ’t gezelschap van een andere waker. Die moet ervoor zorgen dat je niet gek wordt van de stilte tussen ’t gekrijs van de kluten & meeuwen door.

Plassen moet je plannen, & poepen moet je hopen dat ’t je niet overkomt. Want alles moet in de direkte omgeving van de caravan gepleegd worden, meer overzicht heb je nou 1maal niet over ’t terrein. Je weet waar ’t pad richting fietsen loopt, maar zelfs daar zitten kuilen in, & zijn schapen ijverig geweest in ’t op hun manier plaveiden van de wegen. Je bevindt je tenslotte midden in de weilanden. De plek van de caravan maakt deel uit van ’t te begrazen gebied.
Slechts plassen dus, aan de achterkant van de caravan. De menselijke drol stinkt dermate dat ’t niet collegiaal is tegenover latere wakers. Maar wie durft er in deze nacht z’n onderlichaam te laten hangen boven iets vaags onbekends? Een held, zo stel je je voor, met ontzag voor niemand & geen enkele situatie, durft z’n billen bloot in de lucht te laten schommelen om insekt-appetijtelijke dampen te produceren.

Je waakt. Je kijkt of er vreemde auto’s onder de dijk vreemd lang blijven staan. Je tuurt met de verrekijker. Je luistert naar geluiden. Je wordt gek van de kluten. Je verlangt naar meer bier dan dat je meegenomen hebt. Je probeert te lezen, maar de stilte is te overweldigend, ondanks de kluten. Je probeert te slapen, maar je waakt.

& Plots weet je ’t zeker: er bevindt zich iemand op ’t terrein. Je hoort schuifelen, je hoort bewegen. Je hoort grassprietjes buigen. Je hoort kluten gealarmeerd opvliegen. Alles lijkt er op te wijzen dat er iemand is.
Hoor jij ’t ook?
& Samen fok je elkaar op. 4 Oren maken overuren. & Proberen toch de schijn van rust op te houden. Des te langzamer de ander z’n hoofd beweegt, des te snijdender de spanning, want dan moet er iets te horen zijn, weet de 1 af te lezen aan de uitdrukking op ’t gezicht.

Ik hoor iemand hoesten, zegt 1 van beiden, in de verte. De oren die net ontspannen waren, worden weer tot concentratie gebracht. & Inderdaad hoest er iemand, maar ditmaal al dichterbij. Hij hoest de hoest van een oude man, die steeds meer de caravan nadert. Maar buiten de schapen hoor je niemand bewegen.
Er moet iemand op jacht zijn naar de kluteneieren, constateer je met z’n 2-en. Maar waarom valt-ie aan vanaf de weide-kant? Waarom neemt-ie de weg langs de caravan, waar de hele tijd licht brand?
1 Van 2-en suggereert de aanwezigheid van de boer. Maar dat wordt als onmogelijk weggewimpeld. Die zou duidelijk hoorbaar met de auto komen. Die zou licht meenemen. Die zou….

Plots weet je ‘t. Je wist ’t altijd al. Je was ’t alleen vergeten. Zo gefixeerd was je op ’t geluid van eierdieven. Zo gespitst op menselijke aanwezigheid.
Gerustgesteld hoor je een natte kuch naast de caravan, terwijl ’t lichaam zich er aan schuurt.

Schapen hoesten ook in Zijperspace.

klutenwacht (1)

Net onder de dijk, ter hoogte van Camperduin & Groet, onder Petten, moesten de kluten bewaakt worden. Gedurende ’t broedseizoen. Een klein natuurgebiedje hadden de vogels voor ’t broeden tot hun beschikking, bestaand uit vooral brak water met kleine eilandjes, pollen net uitstekend boven de waterspiegel, aan de rand van de dijk: de Hondsbosse Zeewering. Een kolonie kluten streek hier elk jaar neer in de periode mei-juni om nest te maken.

De kluteneieren waren populair bij rijke japanse heren, die op hun grote buitens uitheemse vogels aan hun gasten wilden tonen. Voor veel geld zouden deze japanners de kluteneieren opkopen om ze vervolgens uit te laten broeden & de vogels op hun japans landgoed uit te zetten. De kluut deed ’t goed bij de vermogende japanners. Ze vonden de vogel mooi, xotisch voor hun japanse standaard.

De kolonie kluten moest derhalve beschermd, bewaakt worden. Een caravan werd aan de rand van ’t natuurgebiedje geplaatst om ’s nachts mensen wakend de nacht te kunnen laten doorbrengen. Voor een kleine ‘onkostenvergoeding’ verbleef men daar van zonsondergang tot -opgang, ’t tijdstip dat speciaal ingehuurde eierkapers op jacht waren.

Ik had met m’n 2 broers afgesproken. Jan was verantwoordelijk voor de organisatie van de wacht, & Marc zou me die nacht gezelschap houden. Vanuit Alkmaar was ik naar Groet gereden & volgens Jan z’n aanwijzingen verder gereden naar de caravan. Gelegen temidden van de weilanden & aan de rand van ’t brakke water. Aan de andere kant van ’t water lag de weg langs de Hondsbosse Zeewering, daarachter de dijk die er deel van uitmaakte. Ik zag langzaam de zon erachter wegzakken.

Ik was veel te vroeg. & Zoals gewoonlijk Jan veel te laat. Op een bepaald moment hou je rekening met ’t late gedrag van andere mensen, vooral als je zelf altijd ruim op tijd aanwezig bent. Altijd dient voor dat soort situaties een boek in de bagage meegenomen te worden. Wat heb je echter aan een boek als je geen comfortabele plek hebt om ’t boek te kunnen lezen?
Om de caravan heen lagen overal dikke plakkaten van schapenschijt. Zorgvuldig moest je je stappen plannen om niet tot aan je enkels er in weg te zakken. Er was nergens een plek om te gaan zitten behalve aan ’t hek. ’t Hek dat de schapen in hun graasweide moest houden. Maar ook die zat onder de strond. Van vogels in dit geval. Kluten waarschijnlijk. Of anders meeuwen, want ook die waren ruim vertegenwoordigd in dit natuurgebiedje. Ze lieten in ieder geval zeer luid van zich horen.

Ik inspecteerde de omgeving. Stelde me op de hoogte van de hoeveelheid plakkaten & waar ze gesitueerd waren. Liep naar de uiterste punten van ’t gebied dat begaanbaar was rondom de caravan. Keek naar de zenuwachtig rondvliegende, toezicht houdende kluten & de lawaaierige meeuwen. & Ik bewonderde ’t uitzicht richting dijk.
Die moest beklommen worden, besloot ik op een gegeven moment. Ik moest ‘ns gaan bekijken hoe de zee er uitzag vanaf dit punt van de kuststrook. Den Helder kende ik ondertussen, enkele kms strand daar zuidwaarts van ook wel, maar ik kon me niet herinneren, of slechts vaag, ooit voet gezet te hebben op de Hondsbosse Zeewering.
‘Waarom heette ’t eigenlijk zo?’ vroeg ik me af. Misschien dat ik dat te weten kwam zogauw ik de dijk wat dichter benaderde.

De route om de weilanden heen leek een te grote omweg, ook al zou ik op de fiets gaan. ’t Was hemelsbreed over ’t graasland van de schapen immers slechts 500 meter. Ik kon ’t beter lopen, want met de fiets zou ik onderaan de dijk waarschijnlijk ook geen raad weten. Zonder slot om ’t ergens aan vast te maken.
Ik besloot tussen de schapen door een wandeling richting dijk te maken, & wipte over ’t hek. Meteen m’n handen onder de vogelpoep, die ik poogde af te smeren aan pollen gras.

De schapen keken me van een afstand al nieuwsgierig aan.
‘Hé, jullie zijn geen koeien,’ dacht ik, ‘koeien horen nieuwsgierig te zijn, schapen niet.’
Ik was een waar natuurmens, zo voelde ik me, vooral met deze wetenschap in m’n achterhoofd & ik stapte weer ijverig verder tussen de vlaaien door. Daartoe moest ik af & toe flink m’n voeten optillen of een ferme sprong opzij maken. De schapen volgden nog steeds nieuwsgierig m’n manoeuvres. Ze waren blijkbaar benieuwd of ik hun opgelegde blokkades zou kunnen omzeilen.

Ja, altijd al wantrouwend tegenover de dierenwereld gestaan. Ik was zeker wantrouwend tegenover de dierenwereld die me met opengesperde ogen zat aan te staren. Van een afstand van 100 meter. Waarbij de kudde’s volledige opengesperdheid inmiddels op mij gericht was.
Niet alleen de ogen waren op een gegeven moment op mij gericht: alle schapenlichamen stonden in mijn richting. De schaap die de spreekwoordelijke dam slechtte deed een stapje naar voren. De rest volgde z’n voorbeeld. Nog een stapje, & nog een stap. Allengs werden de stappen van de voorste schapen groter & door een groter gedeelte van de groep nagevolgd.

Ik huiverde voor een kort moment. Zou ik wel doorgaan naar een groep schapen die en masse mijn kant op leek te komen? Was ’t niet beter ff stil te staan om te kijken wat de schapen van plan waren?
Maar veel tijd had ik niet om daar over na te denken. De voorste schapen zetten ’t al op een rennen. Enthousiast kwamen ze me tegemoet. In zoverre ik een kudde van meer dan 200 eenheden schaap enthousiasme kan toedichten. ’t Was eerder een golvende wollen zee die mij tegemoet trad. In volle vaart op ’t moment dat ik besloot geen deel van deze golfslag te willen uitmaken.
Ik rende voor m’n leven, ik zou overspoeld worden door een zee van schapen die zich als een vloedgolf mijn kant op spoedde. Ik sprong van graspol op graspol, ondertussen pogingen ondernemend zomin mogelijk bruin goed aan m’n broek & schoenen mee te nemen. Af & toe achterom kijkend, om te constateren dat schapen zich veel sneller over weilanden kunnen voortbewegen dan een mens.

Ik klom over ’t hek, verwijderde aldus weer wat vogelstront, & keek achterom naar de schapen die smeekten om voer van hun boer. Maar dat durfde ik pas een ½ uur later zo uit te leggen. Toen er ruimschoots xtra voedsel gedropt werd voor de hongerige schare schapen.

Ik zat tijdens de voedering inmiddels veilig in de caravan. Ik keek door ’t raam met de verrekijker van m’n broer naar de dijk in de verte. Mooi uitzicht. Meer hoefde ik niet te zien.

De zee is toch altijd ‘tzelfde in Zijperspace.

klantenservice

Op de Wijttenbachstraat hadden ze me verteld dat ik ’t telefoonnr 0800-0416 moest bellen. Voor alle duidelijkheid omcirkelde de dame ’t nr op ’t papier dat tegelijkertijd afhaalbericht & -bewijs was. ’t Gratis te bereiken telefoonnr, zoals zij xtra verduidelijkte.

’t Nr bleek buiten dienst te zijn, op moment van bellen. Voor ’t bereiken van de PTT Post Klantenservice diende een ander nr gedraaid te worden, zo werd door de opgenomen stem meegedeeld. Niet gratis, concludeerde ik bij ’t horen van de 1e cijfers.

1st Moest ik m’n naam & adres opgeven, vervolgens werd ik verder ondervraagd. & Alle antwoorden werden door de telefoniste verwerkt in de comp, zo hoorde ik aan ’t getik op ’t toetsenbord.
‘Wanneer kreeg u ’t bericht in de bus?’
‘Dinsdag.’
‘Dan had u ’t op woensdag de 25e dus op moeten kunnen halen. Staat dat op ’t papiertje aangegeven?’
‘Ja.’
‘Waar had u ’t af moeten halen?’
‘In de Wijttenbachtstraat.’
‘Staat er enigszins leesbaar aangegeven wie de bezorger was?’
‘Gerard van Tol lijkt er te staan.’
‘Voor welk bedrijf werkt hij?’
‘Huh?’
‘Voor PTT Post of voor TNT.’
‘Oh, zo te zien voor TNT.’
‘Welk nr staat er bovenaan vermeld?’
”t Begint dus met 3 S, vervolgens volgt Q D B F 1 2 3 5 8 1 0.’
‘Ja, er staat niks aangegeven over dit pakket in de Wijttenbachstraat. Ik ga bellen met de Klantenservice van de PTT [ik dacht dat ik de Klantenservice al aan de telefoon had], dan gaan zij uitzoeken wat er met uw pakket gebeurd is. Binnen 5 werkdagen krijgt u van hen een telefoontje.’
‘Ok, dankuwel.’

Ik ben de ideale klant. Vooral telefonisch. Ik kan zo verschrikkelijk beleefd zijn, dat ik af & toe ’t idee krijg dat mensen xtra handelingen voor mij verrichten, omdat ze ’t gevoel hebben dat ik zo meelevend met hun meedenk. Hun, als telefonisch medewerker van grote instanties & bedrijven. Hun, de uiteindelijke slachtoffers van ’t totale disfunctioneren van de mallemolen van geluidsbanden (die inmiddels volledig geautomatiseerd je overal & nergens naar doorverwijzen dmv vaag omschreven diensten die achter in te toetsen nrs op de telefoon schijnen te huizen). Hun, de bereidwillige oren die beschikbaar staan voor gefrustreerde consumenten die in een wereld van veredelde anonimiteit eindelijk een stem tegenover zich krijgen, eindelijk een oor ook om eens lekker tegen te fulmineren.
Ik sta op een gegeven moment hún te woord, zij kunnen hun ei bij míj kwijt, in korte zinnetjes tussen neus & lippen door. Terwijl ik geduldig wacht tot zij de juiste schakel in de juiste richting zetten.

M’n GSM gaat op vrijdag.
‘Met Ton.’
‘Spreek ik met de Heer Zijp?’
‘Ja, met Ton Zijp.’
‘Met Jorrit Vermeer van de PTT Klantenservice. U had gebeld over een pakket dat niet op ’t bewuste postkantoor was aangekomen?’
‘Ja, dat klopt.’
‘Vanochtend is uw pakket gearriveerd op de Wijttenbachstraat.’
‘Da’s wel een beetje laat, hè?’
‘Ja, daar kan ik niks aan veranderen.’

Bij ’t ophangen verlang ik pas een xcuus. Ik wilde helemaal niet dat hij er iets aan zou veranderen. Ik wilde slechts een xcuus. Namens dat hele grote bedrijf. Niet namens alle telefonische medewerkers. Niet namens de Klantenservice. Niet van Jorrit Vermeer. Niet namens Gerard van Tol. Gewoon xcuus voor ’t vermist laten raken van misschien wel een heel belangrijk pakket.

& Toch gedraagt men zich ook de volgende keer weer zeer geciviliseerd & wellevend in Zijperspace.

2e reaktie

Beste Derk,

Wat een door en door sarcastische en teleurgestelde wereld is die weblogwereld zeg.

Ik ben bang dat je ’t daarbij ook over mij hebt. Is voor de rest niet zo erg dat je dat over mij denkt, maar ik wil er wel wat bij aantekenen.

Je moet je beseffen dat de weblogwereld, weblogland zoals ’t door de webloggers genoemd wordt, eigenlijk niets meer dan een internet-community is. Met minder stringente regels als elders weliswaar, maar de gedragsregels worden toch wel bepaald door de bewoners. Een indringer wordt niet zomaar geaccepteerd, zeker niet als die zomaar de vruchten van noeste individuele arbeid wil plukken. Men heeft zichzelf bewezen door consequent iets op z’n eigen weblog te publiceren, door duidelijk te laten zien dat men kán schrijven, door te bewijzen dat men kwaliteit kan leveren (hoewel ik aan dit laatste vaak twijfel). Langzaam maar zeker heeft de weblogger zich omhoog gewerkt in de waardering van de kijkcijfers, & de waardering van de mede-webloggers gaat daarmee op gelijke tred. Die waardering wil men niet zomaar afstaan aan een buitenstaander, die waardering maakt deel uit van ’t self-esteem, die drukt ’t gevoel van eigenwaarde meteen uit. Van onderop, vanaf 0 hits in den beginne van ’t weblog, heeft men zich opgeklommen tot datgene wat men op een gegeven moment aan aantallen hits haalt.

Ik ben er ook deel van. Ik heb daarom ook grapjes gemaakt mbt jouw/jullie initiatief. Met de achtergrondliggende gedachte dat ’t voor mij niks zou zijn. Ik ben schrijver, zo voel ik ’t wel, maar ik ben absoluut niet geschikt voor ‘tgeen jullie willen bewerkstelligen. Dat heb ik ook duidelijk proberen te maken in m’n stukje reaktie. Gelijk een trap erachteraan gegeven, want er moest toch wel afstand geschapen worden tussen de weblogschrijver & de indringer van buitenaf, waarvan jij de representant was. Ik was toevallig ook de 1e, dus kon ik lekker m’n eigen gang gaan in m’n stukje. Daarnaast: als ik ’t niet als 1e op die manier geschreven had, dan had iemand anders dat wel gedaan. Ik schreef ’t zonder noemenswaardige nuances aan te brengen, gewoon kijken wie ’t op zou pakken. Dat is nl ook onderdeel van weblogland: ’t geschrevene moet ook reakties van anderen opleveren.Jij hebt dat snel begrepen & volgens mij daarom je teruggetrokken van reakties via de weblogs zelf. Terecht, maar ’t zal de webloggers niet weerhouden al je mededelingen toch te publiceren op hun blogs.

Doet er voor de rest niet toe. ’t Gebeurt allemaal, & ik beschouw ’t allemaal als niet meer dan logisch dat ’t op een dergelijke wijze gebeurt. Ik hoop alleen niet dat je me (toch, hè, zie ik terwijl ik dit schrijf, toch moet ik mezelf xcuseren) als een teleurgesteld iemand beschouwt. Ik ben juist vol goede moed. Ik denk dat van de webloggers die je aangeschreven hebt, ik ’t meest sta te trappelen om m’n schrijven in iets definitiefs, iets betaalds, om te zetten (sommigen verdienen hun geld reeds dmv schrijven), maar zal dat zeker niet doen op een manier die mij dwingt tot ’t doen van concessies. Dan wacht ik liever gewoon af. Zoals ik ook mijn stukken zonder concessies schrijf. Dan zijn ze maar lang, dan leest men mij maar minder dan onbenullige blogs van anderen (hoor de opgekropte jaloezie), dan begrijpt men m’n stukken maar niet. ’t Zijn in ieder geval mijn teksten & ik heb ’t gevoel dat ze op een gegeven moment hun waarde wel zullen bewijzen. Ik ben niet teleurgesteld. Nog niet in ieder geval. Dat gevoel wil ik zo lang mogelijk in de wachtkamer laten staan.

Sukses met je initiatief. Ik hoop dat ’t wat wordt (hoewel ik natuurlijk ook m’n kanttekeningen plaats bij de manier waarop jullie dat willen bereiken, maar ik vind dat ik daar niks over hoef te zeggen als ik me er niet mee in wil laten), & dat men in de toekomst meer gewend zal raken aan online verhalen lezen. Ik hoop ook dat jullie ’t in de toekomst wel iets beter aan zullen pakken, maar beschouw ’t geheel als beginnersfouten.

Oja, & ik heb een hekel aan ’t veelvuldig gebruik van smileys. Vandaar dat je die niet altijd bij mijn reakties de afgelopen dagen kon vinden. Dan lijkt ’t inderdaad misschien ook behoorlijk sarcastisch.

Maar men wil nou 1maal geen concessies doen in Zijperspace.

roadmovie

Ik ben een man van impulsen. Dwangmatige impulsen, als die samenstelling zou kunnen bestaan, daar twijfel ik ff over. Ik sta op, bedenk dat ik de dag ervoor een zeer positieve recensie heb gelezen over een boek, & besluit na m’n ontbijt ’t huis speciaal daarvoor te verlaten. Ong zoals met ’t Groot Synoniemenwoordenboek, u zult ’t zich vast nog wel herinneren, maar dan niet met als uitgangspunt dat ik toch geld zat heb. ’t Zou zelfs best wel kunnen dat pinnen geweigerd wordt; ’t idee & de kooplust zitten echter al in m’n hoofd. Ik zal er op uit moeten.

Ik hanteer ook dezelfde volgorde van boekhandels als bij de synoniemenwoordenboekspeurtocht. 1st Ga ik dus naar ’t zaakje om de hoek, waar de dame ditmaal metéén in de comp gaat staren.
‘Hé, kijk uit hè,’ denk ik, ‘ik ben niet van plan te gaan wachten tot jullie de bestelling binnenkrijgen. Ik ben nl dwangmatig impulsief (ik heb besloten dat de samenstelling in ieder geval voor mij bestaat) & wil ’t nú. Of anders zodirekt. Dan betrek ik ’t van een andere boekzaak. Waar ze niet suffig voor zich uitkijken als ik de naam ‘Wiene’ noem.’

M’n hart gaat sneller kloppen als ik wederom ’t zaterdagmorgense verkoopmeisje aantref in de winkel in de Utrechtsestraat.
‘Niet naar haar kijken,’ repeteer ik in mezelf, ‘niet naar de glimlach kijken, niet naar haar stem luisteren.’
‘Wiene?’ vraag ik, ”Nestor’ van Wiene.’
‘Nee, die hebben we nog niet.’
Oh, ’t is een heerlijke zaterdagmorgen-fietstocht op zoek naar een boek, denk ik tot mezelf te verzuchten, maar ik blijk ’t al luidop als mededeling met glimlach tot ’t meisje te richten. Ach, blijkbaar spreekt daar zo’n joie de vivre uit dat ’t meisje haar gouden glimlach tevoorschijn tovert. Snel wegwezen.

Ik wil ’t nog niet geheel bekennen bij mezelf, wederom zitting nemend op m’n fiets, maar ’t begint een slepende kwestie te worden. In boekwinkels werken gewoon mensen die niet weten wat ze verkopen. Die te laat hun boeken bestellen. Geen idee hebben van wat er verschijnt & wie ’t geschreven heeft. De boekwinkel bestaat bij de gratie van de klant die weet wat-ie leest, niet van de verkoper die er verstand van heeft. Dat laatste lijkt een contradictio in terminis.

Dan maar mezelf nog een stuk verder van huis wegslepen. Naar de winkel op de hoek van de Singel. Daar geven ze tenminste altijd toe dat ze een boek nog niet gelezen hebben, maar weten ze wel de juiste recensies tevoorschijn te toveren. Zonder ’t boek overigens, in dit geval.
Maar de dame heeft een goed advies: ‘Wij krijgen dinsdag pas weer geleverd. Bij Scheltema krijgen ze zelfs zaterdag nog een levering. Dus je hebt een goede kans dat-ie daar aanwezig is.’

De verkoper aldaar weet m’n vraagstelling eindelijk te verbeteren.
‘Oh, u bedoelt ’t nieuwe boek van Wiener. L.H. Wiener.’
Met de ‘r’ aan ’t eind. Hoe vaak heb ik z’n naam vandaag al genoemd zonder ‘r’? Hoe hard moest ’t meisje lachen van de 2e winkel? Hoe vaak heeft men bij ’t speuren naar ’t boek de naam op de juiste manier tegen mij uitgesproken, zonder dat dat tot mij doordrong?

Ik & m’n boek, begeleid door m’n dwangmatige impulsiviteit, ondernemen de weg naar huis. Een lange weg. Toch zeker 10 minuten op de fiets. & Dan kies ik nog wel de kortste route: tegen de richting in over ’t fietspad.
Dat laatste verwacht een vrouwelijke voetganger, die we onderweg tegenkomen, natuurlijk niet. Ze schrikt vlak voor ze wilt oversteken, terwijl ik op een afstand van meer dan 10 meter aan kom rijden, struikelt daardoor over de stoeprand, terwijl ze eigenlijk stil wilde staan, & versperd vervolgens met haar languitgestrekte lichaam de weg.
‘Gaat ‘t?’ vragen ik & een clubje toegesnelde voorbijgangers.
‘Ik geloof dat ’t er spectaculairder uitzag dan dat ’t uiteindelijk voelt,’ zegt ze laconiek terwijl ze opkrabbelt.
‘Ha, ze heeft ’t over boekenwinkels,’ laat ik mezelf toe te denken.

Vervolgens was Zijperspace een tijd lang onbereikbaar.

brood-xpert

Als je er elke dag 6 van consumeert word je vanzelf een xpert in ’t beleggen ervan, & niet alleen dat. Is mijn mening. Men mag er anders over denken, men eet er dagelijks bijv 10, men smeert bijv voor ’t gehele 8-koppige gezin, maar op bescheiden nivo, op ’t nivo van de zeg maar alleenstaande, zichzelf nog best wel goed verzorgende jongeman, durf ik toch best te beweren dat ik er een hoop van af weet.

Zo merk ik aan de struktuur van de boterham of-ie van ’t ene brood of van ’t andere afkomstig is. Niet elk brood heeft dezelfde vorm. Ook al zijn ze afkomstig van dezelfde bakker. Ook al zijn ’t beiden broden van ’t merk Waldkorn.
Ok, ik moet toegeven dat m’n kennis zich beperkt tot de Waldkorn-versie van ’t verschijnsel brood. Ik eet nu 1maal slechts deze ondersoort. Maar juist op ’t gebied van deze kan ik wel degelijk zeggen dat ik van alle ins & outs op de hoogte ben.

Over ’t maken van brood weet ik echter niets. Ik ben van mening dat, wil men ten volle genieten van ‘tgeen men eet, ’t beter is niet alle details van ’t produktieproces te weten. Ik wil geen krijsende varkens voor ogen krijgen op ’t moment dat ik een lekker sateetje in m’n mond steek. Of een ijverig tokkende kip wiens kop verwijderd wordt tbv de kip tandoori die ik op gegeven moment tot mij neem. Laat mij gewoon maar consumeren, daar ben ik nl goed in. & Je talenten moet je proberen ten volle te benutten, is mij altijd bijgebracht.

Laten we onze aandacht dus vooral spitsen op ’t gebruik van de boterham.
Er bestaat een onder- & een bovenkant bij een sneetje brood. De meeste mensen is dat nog nooit opgevallen, of staan er simpelweg nooit bij stil. Men pakt een paar sneetjes uit de broodzak, legt ze op ’t bord & begint te smeren.
Ik pak dat anders aan. Ik kijk 1st welke kant boven moet. Daartoe leg ik ‘m op de snijplank (inderdaad: ik nuttig m’n ontbijt van een plank, de geur & smaak van de boterham komen dan beter tot hun recht; men eet dan zeg maar de boterham zoals de bakker ’t bedoeld heeft) & bestudeer de snee zorgvuldig. Naarmate hij verder verwijderd is van ’t midden van ’t brood is duidelijker te onderscheiden of je te maken hebt met een onder- dan wel bovenkant van ’t je aanstarende sneetje. Dat klinkt misschien wat banaal, maar bij zorgvuldig kijken zal men ’t onderscheid gewaar worden.

Oh. Ik geloof dat ik nu toch zal moeten stoppen. Ik meen te moeten constateren dat m’n brood zojuist ontdooid is.

Er kan begonnen worden met ’t ontbijt in Zijperspace.

lijflog 9

Kijk, er zijn 2 omstandigheden. De 1e is natuurlijk ’t schrijven van Charlotte. Zij brengt daarmee ’t lijflog op een bijkans onbereikbaar nivo voor mij. Oftewel: ik heb geen scanner, laat staan röntgen-foto’s van m’n lichaam. Ik heb nou 1maal nooit iets gebroken.
Verbaasde gezichten van m’n lezers alom, want ik heb afgelopen jaar toch maar liefst 4 ongelukken gehad met m’n fiets? Een dergelijke brokkenpiloot zal toch in z’n leven ooit wel wat gebroken moeten hebben? Helaas, in deze omstandigheid zeg ik helaas, mij is nooit een dergelijk drama overkomen dat ’t noodzakelijk was mijn botten met schroeven & pluggen aan elkaar te haken. Wel zijn er een enkele maal scans van m’n hoofd gemaakt, vanwege hersenschuddingen, dan wel een scheurtje in m’n hersenpan, maar de resultaten waren blijkbaar niet van dien aard dat ik er een kopietje van mee naar huis mocht nemen.
Maar goed, dat is omstandigheid 1.

2e Omstandigheid is ’t dames-topje dat ik vrolijk met de wind zag meedeinen aan m’n waslijn hedenochtend, bij ’t opentrekken van de gordijnen.
Nee, Ma, ik had geen visite, heb dat al een tijdje niet des nachts gehad, & buiten dat is ’t geen gewoonte heden ten dage om na zo’n nachtelijke visite ’t ondergoed onmiddellijk vrolijk wapperend aan de buren te tonen.
Ik concludeerde dat m’n bovenbuurvrouw met de onvaste knijpervingers, dat zijn vingers die de knijper niet al te stevig vast knijpen, dat mijn bovenbuurvrouw Suze mij weer ‘ns wilde laten zien dat zij heus wel zo af & toe de was doet. & Wat zij dan zoal daarbij schoonmaakt. Zoals daar dus hing, een topje van een vrouw, waarschijnlijk ook eigendom van genoemde Suze.

Ik heb heus wel vaker topjes, bh’s of andersoortig lingerie van ’t vrouwelijk soort in handen, voor m’n neus, in de nabijheid gehad. Ik weet hoe ’t er uit ziet, ik weet in sommige gevallen hoe je ze hanteert (nooit beweren dat je alle sluitingen binnen de kortste keren weet te openen, is mijn advies aan alle mannen die dat nog moeten meemaken), & ik weet ook dat sommige bh’s behoorlijk kunnen jeuken, maar dit terzijde. Maar ik heb ze ook vaak genoeg zelf op moeten hangen aan de waslijn. Ik heb tenslotte 2 jaar samengewoond met iemand van de vrouwelijke sekse.
Dit windgevoelige topje bracht mij dus niet in bepaalde staat. Doodnormaal: een stukje ondergoed van m’n bovenbuurvrouw is toevallig op mijn waslijn terechtgekomen. Die moet straks maar in een plastic zak door de brievenbus gedouwd worden.

Maar die 2 omstandigheden tezamen brachten me ertoe te beginnen aan dit stukje. Een soortemet lijflog-bekentenis stukje. Of een lijfbekentenislog. Of iets dergelijks.
’t Is best ingewikkeld te beschrijven hoe je ertoe komt iets op papier (internet) te willen zetten. Bij deze heb ik ’t voor dit stuk gedeeltelijk verklaard. Natuurlijk zitten er veel ingewikkeldere processen achter, maar om ’t geheel nog overzichtelijk te houden heb ik me tot ’t bovenstaande beperkt.

& Waar ’t nu allemaal eigenlijk om gaat, hoe ’t komt dat ik door bovenstaande omstandigheden ben begonnen met ’t schrijven van dit stuk, waarom ik me gewaagd heb aan deze uitleg, waarom ik al de hele tijd om de hete brij heen draai, is dat ik best in m’n volgend leven een vrouw zou willen zijn. Lijkt mij wel ‘ns leuk. Lekker borsten hebben.
De rest hoeft overigens niet van mij, hoor. Die borsten vind ik wel genoeg. Natuurlijk dan wel in een vrouwenlichaam, ik denk dat ’t ook in de toekomst nog steeds vreemd gevonden zal worden dat een flink behaard lichaam met 2 van die bobbels op borstkas-hoogte rondloopt. Maar niet dat ik dan ook verliefd ga worden op een man. Nee, daar moet ik toch op dit moment niet aan denken. Ik ben best wel tevreden met m’n huidig ‘man’-zijn, maar ik kan me toch niet echt voorstellen, ’t is een gebrek in m’n inlevingsvermogen, ik geef ’t toe, dat de helft van de wereldbevolking ’t prettig vindt liefde voor dit geslacht uit te spreken.
Ik zei al: ’t zou me alleen maar om de borsten gaan.

Vooralsnog maak ik natuurlijk 1st m’n masculiene levensloop in Zijperspace ff af.

reaktie

Beste Ton,

Allereerst onze complimenten voor je website. Je hebt een schrijfstijl die lekker leest vanaf het beeldscherm. Ook speel je het klaar om bijna elke dag een nieuw stuk te schrijven. Dit zijn twee redenen waarom je dit mailtje ontvangt.

Webroman.nl is bezig met een haalbaarheidsonderzoek naar een heel nieuw genre: de webroman. Met jouw schrijfstijl en -tempo ben je in principe erg geschikt voor het schrijven van een webroman. Lees onderaan dit mailtje meer informatie over webromans.

Behalve overeenkomsten zijn er ook verschillen tussen het schrijven van een weblog en een webroman. Maar wanneer je het leuk lijkt om fictie te schrijven, dan zien we jouw manuscript graag tegemoet op manuscript@webroman.nl. We zoeken romans in de categoriën actie, avonturen, liefde, streek en detective.

Wellicht ga je bij ons een toekomst tegemoet als goedbetaalde schrijver. Aarzel niet om vragen te stellen via info@webroman.nl. We beantwoorden ze graag.

Met vriendelijke groet,

Derk Runhaar, projectleider
http://www.webroman.nl

Beste Derk,

In reaktie op bovenstaand schrijven zie ik me gedwongen je enkele dingen mede te delen.

Ten 1e hoef je me niet te complimenteren met m’n website. Had deze er mooi uitgezien, gelikt, vernuftig, dan had ik ’t compliment op z’n plaats gevonden, maar deze weblog, mijn weblog, is niet meer dan een instrument teksten te publiceren. De vorm is niet belangrijk, de teksten wel. Daarom noem ik ’t ook geen website, vind ’t woord niet overeenkomen met ’t doel.
Ik betwijfel of m’n schrijfstijl geschikt is voor ’t beeldscherm. Ik schrijf veel te lange stukken, gebruik veel te lange zinnen, & kom daardoor af & toe in ingewikkelde zinskonstrukties terecht. Dat laatste weliswaar lang niet altijd. Ik streef ernaar de zinsopbouw zo simpel mogelijk te houden, maar ’t komt zeker voor. Ik moet zeggen dat ik er soms ook wel op kick: een lekker lange zin met onverwachte wendingen & een bijna niet te herleiden struktuur. & Dat-ie dan toch klopt. Heerlijk vind ik dat.
Maar goed; ik betwijfel dus of mijn schrijfstijl geschikt is voor ’t beeldscherm, zeker met jouw ideeën over hoe een tekst er voor een webroman uit zou moeten zien.

’t Zinnetje waarin je schrijft dat ik ’t klaar speel ‘om bijna elke dag een nieuw stuk te schrijven’ schoot me in ’t verkeerde keelgat. Vooral om ’t woordje ‘bijna’. Ik speel ’t nl klaar. 2 Keer per dag. Voorheen met een frequentie van 3 per dag, maar dat vond ik na bijna een jaar toch ietwat te vermoeiend, gecombineerd met 2 banen. & Nog is ’t zo dat die 2 stukjes me veel tijd vergen. Minstens 3 uur per dag ben ik bezig met ’t bedenken, voorbereiden, schrijven, corrigeren van m’n stukjes.
& Dan doe jij dat af met de constatering dat ik bijna elke dag schrijf. Ik schrijf verdorie elke dag. (oja, dat heb ik al gezegd). & Ik gebruik daarbij geheel geen uitroeptekens. Zelfs nu niet.

Maar waarschijnlijk irriteer ik me vooral aan de toon van je meeltje. ’t Klinkt alsof ’t zo veralgemeniseerd is opgesteld dat je ’t tegelijk aan 13 andere personen kon versturen. Waarbij desnoods ’t zinnetje met ‘weblog’ vervangen is door een andere internet-gerelateerde schrijf-aktiviteit, afhankelijk van waarmee de andere ontvanger van deze meel mee bezig is.

Edoch, ik beschouw mijzelf niet geschikt voor jouw doeleinden. Ik kan verschrikkelijk goed over mezelf schrijven, ooit komt m’n verzamelde autobiografie nog wel ‘ns uit, maar zie me niet in staat om te schrijven in de stijl van een aktie-, avonturen-, liefde-, streek- of detective-roman. Zeker niet als ‘tgeen ik opschrijf mij zelf niet overkomen is.

Laat mij ondertussen maar lekker verder dromen dat ik ooit wel ontdekt word door de juiste persoon, met de juiste intenties, de juiste ideeën, ’t juiste begrip voor m’n talenten & teksten, dan wens ik jou veel sukses met ’t produceren van flut-romannetjes. Die heb ik in m’n funktie als bibliotheek-medewerker te veel door m’n handen laten gaan om daar nog met genoegen aan mee te kunnen werken.

Vriendelijke groeten terug vanuit Zijperspace.

tellen

Getalletjes zijn fascinerend. Vooral als ze met z’n allen tegelijk een voorstelling geven & daarbij de hele tijd van waarde veranderen. Voor je ogen. Internet is daar heel goed in.

Ik had vanochtend bijv door kunnen lezen in m’n boek. Bijna uit. Lekker als ik ‘m beëindigd heb vlak voor ik werkwaarts ga. Dat geeft voldoening. Beter dan vanavond weer ’t boek ter hand te nemen & de herinnering van ’t verhaal weer op te moeten roepen.
Maar ’t was een o zo fascinerend gebeuren, ’t downloaden van een programmaatje. Groot programmaatje, dat was, alsof ik nog niet eerder een groot programmaatje had meegemaakt. Fascinerend om te zien dat-ie 1st voorspelde er toch zeker een uur over te zullen doen, met ’t kb-tellertje langzaam verspringend met 1heden van hooguit 4, & langzamerhand ’t tempo opgeschroefd te zien worden & de prognoses over de duur zien veranderen in slechts enkele minuten. & Daarbij de hele tijd de klok in de gaten houden. Kijken hoeveel tijd er goed gemaakt is, gewonnen eigenlijk. Want volgens de 1e raming zou ’t pas om 10.20 uur volledig binnengehaald zijn. Nu zou ’t zelfs om 9.35 klaar kunnen zijn. Oh, wat spannend allemaal.

& Als ’t gebeuren achter de rug is, vraag ik me pas af waarom ik de hele tijd die tellertjes in de gaten aan ’t houden was. Had ik m’n tijd niet zinniger kunnen besteden?

Nu ik ’t toch over tellertjes heb, & over internet, & over fascinerend, & over zinnig, & over staren naar cijfertjes; nu ik ’t over al die dingen heb: ik stond bijna op ’t punt de tellers ’t raam uit te gooien. Veel te frustrerend, vond ik. Mensen die lang niet zo enerverend, fascinerend (daar heb je ‘m weer), onderhoudend & nog wat andere zelfoverschattende bijvoeglijke naamwoorden, hun blog vullen als ik, hebben kijkcijfers van over de 100 of zelfs een veelvoud daarvan. Op dagen dat ik m’n mooiste stukjes schrijf, leest slechts een enkeling dit. ’t Grootste gedeelte van m’n bezoekers komt hier doordat ze door een zoekmachine hierheen worden gestuurd, niet om de echte inhoud. Des te meer ik schrijf, des te minder mensen langskomen. Des te meer behoefte ik aan bevestiging heb, des te minder. Ik bedoel: ’t is altijd minder.

Maar ik doe ’t niet, hoor. Ik hou ze toch. Want ik weet dat de tellers er ook voor zorgen dat ik op moet schieten met nog een stukkie schrijven. Dat ik beter wil schrijven, omdat ik dan uiteindelijk nog betere lezers krijg. Dat de tellers er misschien voor zorgen dat de kwantiteit niet hoog is, maar de kwaliteit ten lange leste wel.
Als u begrijpt wat ik bedoel.
Nee, vast niet.
Nou, ik ben gewoon verslaafd aan cijfertjes & aan de tabelletjes, overzichten & scoringslijsten gemaakt van die gegevens.

We kijken kijkcijfers in Zijperspace.

ontmoeting

Je begint de vaste gezichten te leren kennen, zeker als je de voorkeur voor een bepaalde hoek in de zaal deelt. 1 Man suggereerde me vandaag al om dan maar op een uitklapbaar krukje te gaan zitten, aan de rand van de stoelenrij. Dan kon ik in ieder geval m’n benen kwijt, zei hij. Hij kon ’t makkelijk zeggen, want hij had 1 van de 4 zitjes aan de zijmuur weten te bemachtigen. Daar heb je meer ruimte, daar ben je sneller weg, daar voel ik me niet opgesloten. Maar voor die plekken was ik te laat gearriveerd in ’t Concertgebouw.

Daardoor hoorde ik de gesprekken die gevoerd werden in de rijen. Hoorde ik wat ’t geroezemoes daadwerkelijk inhield. Een toevallige ontmoeting bijv van een vader met kind & een kunstenaar, zittend in de rij achter me. Waarbij de kunstenaar merendeels ’t woorde voerde.

‘Mijn ene zoon is nu 23. Helemaal grijs, maar met een zwarte baard. Precies ‘tzelfde. M’n andere zoon is 21. Die begint ook grijs te worden. Heeft een zwarte snor. Hij heeft geen baard, maar die zou vast ook zwart zijn geweest.’
‘Prachtig,’ zei de vader van ’t kind.
‘Ik wist niet waar ’t vandaan kwam. We schijnen al eeuwen in Amsterdam te wonen. Maar men is eens terug gaan kijken. Waarschijnlijk is mijn familie oorspronkelijk van russische komaf. Er schijnt een russisch dorpje te zijn waar de hele mannelijke bevolking grijs is & zwarte baarden draagt. Daar schijn ik verwand mee te zijn. Ze dragen daar andere baarden dan ik. Zij hebben veel langere pluizerige baarden. Heel onverzorgd. Mijn baard is kort & bijgeknipt. Daar hebben de kinderen van 17 al lange baarden. In plukken, op sommige plekken kaal, hangt ’t aan hun kinnen.’
‘Prachtig,’ uitte de vader z’n bewondering opnieuw voor de baard van de man, ‘Maar u bent kunstenaar?’
‘Ja, ik schilder. & Ik ben architect. & Ik ontwerp allerhande dingen, zoals wandkleden. Woensdag is m’n vrije dag. Dan kom ik hier altijd met m’n vriendin. Maar die ligt momenteel in ’t ziekenhuis.’

Op dit moment keek ik om. Ik moest toch ‘ns weten wie er bij die stem hoorde. ’t Was de man, inderdaad met grijze haren & zwarte baard, die de invalide dame regelmatig begeleidde. Zij zat met haar rolstoel vaak in de weg voor ’t rijtje stoelen langs de zijkant. Waar ik graag zat. Maar haar licht geafaseerde glimlach (zo leek ‘t) die ze ’t gehele concert droeg, maakte over ’t algemeen veel goed.

’t Kind kreeg tijdens ’t concert een niesbui, begeleid door doffe kuchjes. Ze probeerde ’t in te houden. Zo zachtjes mogelijk, alsof de verantwoordelijkheid zwaar op haar drukte, liet ze ’t gebeuren. Maar voor de vrouw die 2 stoelen van me af zat, vlak voor ’t kind, was ’t op een gegeven moment genoeg.
Bij de 2e maal opschrikken uit haar concentratie siste ze: ‘Is ’t nou opgehouden?’
& Dat tegen een kind, dachten een 10-tal mensen in haar omgeving, midden tijdens een concert in ’t Concertgebouw. Met een hoofdletter C. Dat dacht zeker haar vader. Hij probeerde onhoorbaar zacht z’n kind te verdedigen, maar hij werd gered door de kunstenaar.

‘Pardon, stil nu.’

Monotoon, zacht, te horen voor slechts 4 mensen, maar effectief. De dame keerde zich gegeneerd weer om naar ’t optreden van ’t Kaleidos Strijkkwartet.
’t Kind fluisterde haar vader in dat ze ’t niet meer hield. Waardoor ik voor ’t 1st mensen tijdens de voorstelling de zaal zag verlaten. Met spijt in de ogen. Bij beiden.

Ik kwam de kunstenaar bij de uitgang tegen. Grijs haar, zwarte baard, duidelijk te herkennen. Hij was na afloop eerder dan de rest opgestaan uit z’n stoel.
Hij stond verstild vlak voor de draaideur van ’t Concertgebouw. Iedereen liep langs ‘m heen, terwijl hij voor zich uit keek. Een blik in z’n ogen alsof hij z’n gesprek met de vader van ’t kind nog voort wilde zetten. Hij had ook spijt in z’n ogen. Of dacht aan z’n vriendin.

Verstilde muziek speelde door de straten van Zijperspace.