ingesteld

De vraag van Christien klonk weer alsof ’t er plots uitfloepte. Een gedachte die haar te binnen schoot & de weg naar haar mond had gevonden voordat tegenargumenten zich hadden kunnen vormen om ’t vooral niet te zeggen.
Haar gezicht was de verrader. & De manier waarop de woorden uit haar mond stroomden. Met lichte hortjes & stootjes om aan te geven dat de zin in haar hoofd nog niet tot volledige wasdom was gegroeid. Korte storingen van naar lucht happen om ’t volgende woord achter in de keel te laten ontstaan.

‘Jij had ’t toch ook aan je schildklier?’

Ook.

‘Nou, ik ben er aan geholpen,’ antwoordde ik, ‘maar nu is-ie te langzaam.’
Dingen die al zo vaak uitgelegd zijn, dat er een formule is ontstaan die kort & bondig alle ins & outs belicht. Of in ieder geval een soortement introductie op de materie geeft, waarbij de luisteraar kan kiezen om dmv een vervolgvraag meer informatie te verkrijgen.
Dat laatste hoop ik dan altijd maar. Ik wil graag dat mensen begrijpen hoe ik me zou kunnen voelen. Ik wil een toelichting geven, mezelf verantwoorden, mythes uit de weg ruimen, me niet meer schuldig voelen, aandacht krijgen.
Ook dat.

‘Ja, ik dus ook,’ zei Christien.
Ook.

Ik wil er niet over praten. Ik wil er wel over praten.
Als ik ’t er over heb, krijg ik wellicht meer overzicht, zo denkt m’n mond.
Mensen die van niets weten, wat is een schildklier, waar zit die, wat voor hormonen maakt-ie aan, hoezo te snel, hoezo te langzaam, waarom ben je moe & misselijk, daar kan ik uren tegen praten zonder ’t gevoel te hebben dat er iets blijft hangen.

Je voelt je schuldig dat je jezelf zo hebt laten kennen.

‘Ben je vaak moe?’ vroeg ik Christien.

‘Ja,’ zei ze met dat onnozel eerlijke gezicht van haar.
Ze keek alsof ze alweer te veel heeft gezegd. Dat ‘ja’ was er opnieuw zo makkelijk uit gekomen, leek ze nu te denken.
Maar gelijk een glimlachje omdat ze herkend werd.

”t Is 4 weken geleden bij me geconstateerd.’
‘Dus thyrax?’ vroeg ik als understatement.
‘Ja, thyrax,’ antwoordde ze, als vanzelfsprekend. ‘Ik moet nog ingesteld worden.’

Ingesteld. Ik was blij dat ze ’t zei. Ingesteld.
We waren gelijke geesten, wist ik nu zeker.

‘Oh, ’t komt wel goed,’ zei ik 5 minuten later tegen haar.

Soms voelt alles zo vertrouwd in Zijperspace.

negenentwintig

Een maand na z’n dood vroeg een vriendin me of ik nog wel ‘ns aan m’n vader dacht.
‘Ja, elke dag.’

Dat is inmiddels niet meer zo.
Ik haal z’n beeld af & toe te voorschijn. Z’n baard, z’n manier van lopen. Voor & na Parkinson. Z’n glimlach met een nieuw gebit, nog wennend aan ’t idee dat-ie z’n tanden daar opnieuw bij kon tonen. De manier waarop-ie m’n moeder om een zoen kwam bedelen.

Ik denk ook lang niet elke dag meer aan m’n broer. 4 Jaar geleden nu.
De laatste tijd, ja, de laatste tijd komt-ie terug in m’n hoofd.
’t Komt door hoe de bladeren er nu bijhangen. Aan hoe de kou snijdt in m’n keel. Hoe eenzaam ’t voelt als de wind m’n oren & wangen ongenadig teistert & ik voorovergebogen m’n weg probeer te vinden.

Ik had laatst ook dat ik in ’t donker op de trein aan ’t wachten was. Dat gebeurt blijkbaar niet zo vaak.
De reis naar Alkmaar kwam terug. Die zondagochtend, tussen jongeren die de nacht hadden doorgemaakt in uitgaand Amsterdam.
Ik denk dat ’t de laatste keer was dat ik ’t echt koud had. Langdurig koud. Een koude van 1½ uur strekte zich voor me uit in m’n herinnering.
Ik was laconiek, want niets was meer belangrijk.

’t Staat me bij dat ik de conducteur had willen zeggen wat er aan de hand was, als zou blijken dat m’n kaartje niet klopte.
Maar waarom zou m’n kaartje niet hebben kunnen kloppen? Ik had ‘m 2 uur eerder gekocht.
Alles kan verkeerd gaan, moet ik gedacht hebben, zeker in dit soort situaties.
Zouden ze evengoed rouwende mensen een boete willen geven?

’t Was de langste reis naar Alkmaar. Elk station werd meegepikt. Er blijken nogal wat gehuchten met een station te zijn tussen Amsterdam & Alkmaar.
Maar daardoor kon ik voor ’t 1st weer lang onder de mensen zijn. Eerder mocht dat niet. Ik straalde een week lang te veel radio-activiteit uit. Ze hadden m’n te snelle schildklier gesmoord met bestraalde jodium & me daarmee veroordeeld tot een week lang isolatie.

’t Was raar dat al die dingen samen kwamen. Alsof ’t voorbestemd is, dacht ik onderweg steeds weer. M’n dode broer roept me bij zich & confronteert me onderweg met hoe ’t er momenteel met me voorstaat.
Vreemd om opnieuw onder de mensen te mogen komen & je gehele familie, incl een lijk, voorgeschoteld te krijgen.

Niet alleen dit 4e jaar, elk jaar dat nog moet komen weer, zal ik geen wandeling in de kou kunnen maken zonder een broer die er niet meer is tegen te komen. Hij verstopt zich in kale vlaktes, in ½ bevroren plassen, in helderblauwe ijzig koude hemels, in een vuurtoren in een vergeten plaatsje aan de kust, in een schoen die zich voor de andere schoen zet, daarbij voorzichtig doch resoluut aftastend of zich daar geen gladheid bevindt, in takken in winterstand, in de zachte geur van een regenbuitje over ’t herfstrestant.

’t Is 29 januari in Zijperspace, elk jaar weer.

vademecum

Ik doe de laatste tijd een spelletje. Dat maakt ’t allemaal wat makkelijker.
Ik neem ’t 1e woord dat ik vanaf een bepaald moment in een boek tegenkom & daar moet ik dan een stuk over schrijven.
Dat bepaalde moment is ’t moment dat ik me bedenk dat er nog iets geschreven moet worden.

Ik heb ’t tot nu toe 1 keer toegepast.
Niet een erg actief uitgevoerd spelletje, maar men zou kunnen zeggen dat ik er mee bezig ben. ’t Heeft al 1 keer tot positieve resultaten geleid.

Ik heb ook wel ‘ns mensen gevraagd of ze een woord wilden noemen. In een ver verleden was dat. ’t Bloggen stond toen nog in z’n kinderschoenen. Weet je wel.
Dat men vooral niet vergeet dat ik al heel oud & oldskool ben.
Zei men: jodenkoek. Dan schreef ik over jodenkoeken.

Zo werkt dat nu ook ongeveer.
Ik lees een boek. Bedenk me, enigszins schuldig (een onontkoombaar gevoel, dat hoort bij mij & schrijven; zonder schuldgevoel geen tekst), dat ik nog niets heb geplaatst, probeer evengoed de letters & woorden te volgen die m’n ogen als vanzelf af blijven tasten & neem me dan voor dat ’t 1stvolgende zelfstandig naamwoord ’t volgende onderwerp moet zijn.

Wammes, daar is ’t onderwerp.
Blijkt de hoofdpersoon op dat moment zijn onderbroek aangetrokken te hebben: ik ga ’t over mijn overgang van slipjes naar strakke boxers hebben.
Heeft-ie moeite de straat over te steken: geheid dat ik een zebrapad in een groot avontuur een rol laat spelen.
Zit-ie op de wc (geen zorgen maken, mensen; hoofdpersonen, zowel in film als in literatuur, zitten zelden of nooit op de wc): ik geef een vademecum over hoe men ’t beste de billen kan vegen bij temperaturen die de 30 graden overstijgen.

’t Kost me geen moeite.
’t Woord dicteert de inhoud.
Ik moet alleen iets opgelegd krijgen. Een dwingend woord dat me richting verhaal dirigeert.

O ja, dan ook nog de tijd. & De lichamelijke conditie.
Die moeten ook nog meewerken.

Maar in principe bestaat ’t verhaal al zogauw ’t woord zich aankondigt in Zijperspace.

mis

Dus niet dat men nou gaat denken dat ’t ooit wat geworden is met Linda.
Ze was wel ’t meisje dat mij ’t meest uitzinnig tussen lantaarnpalen heeft doen swingen. Van linkerkant bij de 1 naar de rechterkant bij de volgende. Onderweg naar m’n werk, ruikend nog naar gister en vannacht. Ergens onderweg m’n fiets kwijtgeraakt.

Nou goed, dat is alleen in m’n herinnering. Ik weet niet of ik ooit wel een fiets gebruikt heb, de avond ervoor.
Ik kan me barkrukken herinneren. Die pardoes omvielen toen we besloten hadden dat onze monden nader kennis wilden maken.
& Een lange weg, een veel te lange weg die ik tegemoet moest zien als ik niet voortijds een andere slaapplek gevonden had.

Heb ik andere excuses gevonden? Heb ik Linda wellicht gezegd dat ze tegenover m’n oma woonde? M’n oma die inmiddels overleden was, maar wiens bejaardenwoning ik aanwijzen kon, waar ik verstopt onder een stoel de zondagse soep had zitten afwachten, ongeduldig, omdat de vaders, de moeders, de ooms, de tantes, de oudste neven, de oudste nichten, altijd voorrang hadden. & Dan zou je zowat Oma zelf vergeten.
Wij kleintjes kregen de koude soep, met de minste ballen.
Ging je protesteren, dan kreeg je niets.

Dat ging dus niet goed met Linda. Ze woonde tegenover dat wat vroeger was. Ze woonde tegenover een onheilspellende herinnering van zondagse soepuitdelingen, zondagse nette kleren, zondagse spelletjes met neven die net zo stil moesten zijn als ik, plus ook nog onderdrukte gillen & kreten die eigenlijk luidkeels geschreeuwd moesten worden bij ’t spel dat we op dat moment aan ’t spelen waren.
’t Enige wat je kon doen was je verstoppen onder een stoel om te wachten op een restje soep.

‘Ik vind ’t wel leuk tussen al die oudjes,’ zei Linda. ‘Als ik een kopje suiker nodig heb, dan krijg ik een hele zak.’
Ze lachte, stak de sigaret die we deelden kort tussen haar lippen & gaf ‘m aan me terug.
Ik bewonderde voor een enkele tel de schaduw van haar neus. Opflakkerend achter de gloeiende kegel terwijl zij inhaleerde.

We propten de donkere ruimte, ’t buitenlicht verstopt achter de gordijnen, bordevol met onze woorden. We waren uitgeput, maar nog niet uitgeput genoeg om onszelf de monden te snoeren.
Ik vertelde over ’t verleden van ’t leven verstopt onder stoelen, zij vertelde over ’t verleden verstopt voor ’t geheugen.
Daar was niet zo veel verleden aan, aan dat laatste.
Niets mocht ze zich herinneren. Elke aanraking daarmee bijna fataal.

Ik weet niet of ik daar achter ben gekomen tijdens die nacht. Of dat ik daar zwalkend dansend tussen lantaarnpalen de volgende ochtend al van op de hoogte was.

Wat ik wist, in ieder geval later wist, te weten ben gekomen, was dat ik niets mocht weten, me niets mocht herinneren, alles moest vergeten, behalve wat mij zelf ooit overkomen was.

Maar die kus, die urenlange kus, deden me geloven dat ’t niet zo hoefde te zijn.
Ik rende tussen lantaarnpalen, pakte ze vast, liet me zwieren om hun hals, keek naar de nimmer eerder zo zonnig bewolkte hemel, & liet slechts een glimp van ’t huis van m’n oma tot me doordringen.
Met daar een stoel, waarvan ik me later pas zou beseffen dat-ie diende om op te gaan zitten. Om te krijgen waar je recht op had.

Maar we zwijgen, niets heeft ooit mogen plaatsvinden in Zijperspace.

raak

Ze heette Linda.
Eigenlijk was dat niet haar echte naam, want de Linda die ik kende had geen grote neus. Maar Linda komt ’t meest overeen met de naam die ze eigenlijk had.
Ik kan me ook wel voorstellen dat een Linda net zo’n grote neus had. Dat past wel.

Dus heette ze Linda. & Had ze een grote neus.

Zo’n grote neus dat ik m’n hoofd in m’n nek moest gooien om verder te kunnen zoenen, maar dan van de andere kant.
Onderweg drukte ik zachtjes m’n lippen erbovenop. Zodat je ’t net niet horen kon.

Zien konden we zowiezo niets. Aardedonker.
Ik heb zelden bij meisjes in zo’n donker bed geslapen.
‘Ik kan niet slapen als er licht door de gordijnen schijnt.’
Maar dat overkomt een man alleen als hij nou juist wél wat wil zien. De neus bijvoorbeeld.

Ach ja, er waren ook vrouwen die hun borsten verborgen hielden.
Dat heb ik ze ook nooit kwalijk genomen.

Nee, nee, zo iemand was ze niet. Ze was best trots op haar neus, vertelde ze. & Haar borsten vond ze ook lang niet onaardig.

Ze proestte ’t uit toen ik er een kus op gaf. Ik was er toch al in de buurt met m’n mond. & M’n lippen hadden in ’t voorbijgaan helemaal niets te doen.
Ze bleef een tijd lang nahikken. We moesten 5 minuten later helemaal van voren af aan beginnen. Best moeilijk, de alcohol was inmiddels ook al uitgewerkt.

Ze deed met haar linkerhand een veeg door m’n haar. Nadat we kalmerende dingen tegen elkaar hadden gezegd. ’t Was een veeg waarbij ’t leek alsof ze kon zien dat m’n kapsel daar beter van ging zitten.
Wat natuurlijk niet zo was. Maar ik wilde de pret, de zorgzaamheid, niet drukken.
We lagen ondertussen gewoon weer naast elkaar. Handen boven de dekens. In zoverre die nog aanwezig waren. Die handen. Die dekens.

Ik vind best veel dingen lief. Maar zelden dat ik ’t zeg.
Sommige vriendinnen hebben me wel ‘ns iets dergelijks horen beweren. Maar ’t moest vooral geen gewoonte worden.
Linda dus ook niet. Zeker zo’n 1e nacht niet. Zo’n per-ongelukke nacht, dat je van tevoren niet ’t vermoeden kon hebben dat je daar naast elkaar zou belanden.
Maar poeh, zo’n hand door je haar. Een trage aai om ’t bij je oren weg te vegen. Zo’n onnozel gebaartje dat eigenlijk helemaal niet had gehoeven. Nadat je 5 minuten bent wezen ontnuchteren & de lichamen hun gezamelijke gordiaanse knoop allang weer zijn vergeten.

Ik keerde m’n hoofd naar haar toe. Stootte m’n neus ergens onderweg. Tuitte m’n lippen. & Kwam precies goed terecht.
Maar er viel ook niet te missen.

In ’t donker is alles raak in Zijperspace.

onherkenbaar

Ik sta naar mezelf te kijken.
Kom net thuis.
M’n pet afgedaan. M’n haar zit verkeerd. Links rechtovereind, rechts plat.

‘Ben ik dat dan?’ vraag ik aan mezelf.
Bril op. De roodwitte schaduw van m’n pet op ’t voorhoofd. Frisse lucht, maar dan écht fris, op m’n wangen afgetekend.

Ik fietste daarnet Ramon voorbij. Ik dacht, hem herkennend vanuit de verte: ‘Ik zal ‘m maar vroeg groeten. Anders heeft-ie geen tijd om te weten te komen wie ’t is.’
Pet.
Bril.
Capuchon bovendien, om m’n oren te verwarmen.
Slechts een cm² die mijn neus verraadt.
Maar ’t kostte hem geen moeite. Ik heb andere fysieke kenmerken blijkbaar dan ik zelf zie.

Hier voor de spiegel denk ik dat ik ’t wel weet.
Ik zal vast niet de barman zijn die mensen denken dat ik ben, nu ik hier in m’n eigen huis anoniem sta uit te hijgen.

’s Ochtends ligt alles plat. Dan durf ik niet onder de mensen te komen zonder in ieder geval m’n pet opgezet te hebben. De winkelmeisjes krijgen daar een voorproefje van.
Als ’t even tegenzit hangen de wallen. Dan heb ik zowiezo geen zin. Niet vanwege de wallen overigens. Vanwege geen zin.

Ik moet niet te lang blijven kijken. Dan weet ik ’t helemaal niet meer. Niet meer wie ik denk dat ik ben & niet meer wie ik denk dat anderen menen te herkennen.

‘Oehoe,’ zwaai ik. ‘Oehoe.’
Maar heel zachtjes hoor. Je weet nooit of de bovenbuurman op dat moment ook in de wc staat & z’n oor dichtbij ’t onluchtingskanaal houdt.
Dan denkt hij ook: ‘Dat is niet de buurman die ik dacht dat-ie was.’

Weten we dan ook niet meer waar ’t werkelijke Zijperspace ligt.

discreminatie

M’n moeder deed een dutje op de bank. Zo rond een uur of 3.
Als we op woensdagmiddag vrij van school waren mocht 1 van ons erbij komen liggen. In haar knieholte. Haar linkerheup het kussen.
Maar we waren met z’n 3-en. 3 Van de leeftijd dat je nog bij je moeder in de knieholte wil komen liggen. Dus moest er, net als met veel andere zaken, verzonnen worden wie wanneer aan de beurt was.
Allemaal afhankelijk van bepaalde factoren. Wie was er vroeg uit school gekomen, wie was vorige week geweest, of anders afgelopen zondag na de kerk, wie was er nog maar net opgeknapt van de griep & wie moest er nou eindelijk eens wat meer tot rust komen?
M’n moeder was de scherprechter. Een zeer onrechtvaardige, vonden we alle 3. Ze kon zomaar een reden verzinnen waarom iemand anders bij haar mocht komen liggen ipv degene die eigenlijk aan de beurt was.

‘Hij heeft zaterdag al bij u gelegen toen wij bij de welpen waren,’ brachten 2 van ons ertegenin.
Of: ”t Is al 2 weken geleden dat-ie ziek was.’
Of: ‘Hij kreeg gister ook al de grootste gehaktbal.’

Er was veel onrechtvaardigheid in ons gezin. Volgens mij vooral veroorzaakt door ’t feit dat die 2 broers allebei een bril droegen. Daar gingen ze er zieliger van uit zien.
Ik bracht ’t echter niet ter sprake. Ik wilde niet discremineren. Een woord dat m’n vader me kort geleden had uitgelegd. Een woord ook dat ik goed kon gebruiken om voor m’n eigen rechten op te komen.

‘Mam, u discremineert mij.’
‘Wat zeg je nou?’
‘U discremineert mij, want ik heb al 2 weken niet in ’t holletje gelegen & op zaterdag ben ik er nooit & op zondag moest ik al 2 weken voor straf in de kinderbijbel lezen omdat ik niet stil was in de kerk, terwijl ik de kinderbijbel al uit heb & zij hebben een bril.’
Had ik ’t toch gezegd.
‘Ga jij vanavond maar 1st aan je vader vragen hoe je discrimineren schrijft & ‘m laten uitleggen waarom jij de komende 2 weken niet op de bank mag komen liggen.’
Waarop zij & m’n broertje hun ogen sloten & voor een ½ uur onbereikbaar werden.
Stiekem verstopte ik z’n bril.

Hij heeft nooit meer helder kunnen zien in Zijperspace.

snel

Ik las te snel, zei m’n docent.
De ‘z’ sprak ik goed uit inmiddels.
‘Ja, moet ook wel,’ glipte ik er snel tussendoor, ‘want ik heet Zijp natuurlijk.’
Hij glimlachte even. & Ging toen door.
Maar ’t verschil tussen de ‘v’ & de ‘f’ was nog steeds niet te verstaan.
Maar vooral… Maar vooral…

Hij begon al zijn zinnen met ‘maar’. Ik wilde ’t ‘m niet zeggen, maar ’t zou toch wel bijna tijd worden voor iemand die zoveel commentaar had op anderen.

Maar ik las vooral te snel voor.
Waarbij hij nog even ‘snel’ extra benadrukte.
Het zal ook wel geklopt hebben. Het zweet stond me nl op ’t voorhoofd.

M’n neefje zei ’t ook.
‘Vond je ’t wel een mooie toespraak?’ vroeg ik ‘m toen ik terug kwam zitten.
‘Weet ik niet,’ zei hij zoals kinderen kunnen zeggen.
Een volwassene zou je al snel een slag voor z’n kanis hebben gegeven. Een kind bewonder je om z’n introvertie van dat moment.
”t Ging allemaal zo snel.’
‘Ja, daar heb ik altijd al moeilijkheden mee gehad,’ reageerde ik dus maar quasi-verbolgen. ‘M’n leraar zei ’t ook.’
‘Ik wist niet meer of ik nou aan dode Opa moest denken of dat ik m’n best moest doen te begrijpen wat jij nou zei.’
We waren in de kerk. We moesten stil zijn, begreep ik van de elleboog van m’n moeder.
Die eeuwige elleboog. Of een kneep in de knie, wist ik me weer te herinneren van de kerkbanken in de Petrus & Pauluskerk.
Ik probeerde ’t meteen op m’n neefje uit. Zonder dat z’n vader ’t zag.

‘Ging ’t goed?’ vroeg ik wederom aan m’n neefje.
Hij zou wel een wat milder oordeel hebben nu hij 1½ jaar ouder was.
‘Huh?’ reageerde hij.
We spraken zacht. De volgende broer stond alweer op ’t spreekgestoelte. Terwijl ik naar m’n stoel terugstruikelde, was die alweer tussen de klasgenootjes van ’t vaderloze nichtje gehinkstapsprongd.
‘Hoe vond je ‘t?’ verduidelijkte ik m’n vraag.
‘Is dat ’t enige wat je van je dode broer herinnert?’
Nu was ik aan de beurt met: ‘Huh?’
‘Dat jullie op ’t strand in de duinen aan ’t spelen waren?’
‘Nee, tuurlijk niet.’
& Ik wilde ‘m heel snel uitleggen dat ’t eigenlijk symbool stond voor al die tijd dat ik met m’n 1 jaar oudere broer de wereld ontdekte, dat ’t leeg was, zo leeg als een zandstrand, maar dat we er samen invulling aan gaven. Met torens, met bergen, met boeven, met cowboys, met goed, met slecht, met dood, met ach verdomme, dacht ik, met alles.
Heel snel.
Ik kneep ‘m in z’n knieën. M’n andere broer was aan z’n in memoriam begonnen.

Een stilte als nooit tevoren kwam over ons heen in Zijperspace.

ondervraging

Voor de watertoren werd ik afgesneden.
Hij zat ook op een fiets. Oerdegelijke stevige fiets. Hij kwam onstuimig schuin voor me staan, mijn voorwiel tegen de stoeprand klemmend, waardoor ik wel moest stoppen.
Keurige jongen, enkele jaren ouder, woeste blik.

Hij haalde snel een pasje te voorschijn. Hief ‘m naar me op & stopte ‘m meteen weer weg.
Ik wist niet wat-ie daarmee bedoelde te zeggen.

‘Ik wil je even ondervragen,’ zei hij.
‘Waarom? Ik heb toch niets verkeerd gedaan?’
Ik keek nog even achterom, om mezelf ervan te overtuigen dat ik door ’t groen van de gepasseerde stoplichten was gereden.
‘Ik wil wat informatie van je hebben.’
‘Wat dan?’
‘Hoe heet je?’
‘Waarom wil je dat weten?’
‘Ik ben rechercheur bij de politie. Ik laat je net m’n pasje zien.’
‘Laat die dan nog maar ‘ns zien.’
Hij zweeg. Keek streng.
‘Ik kan je ook meenemen naar ’t bureau. Maar dan zit je wel enkele uren vast.’
‘Daar geloof ik niets van. Dus neem me maar mee.’
‘Je bent er 1tje van Zijp? Marsdiepstraat?’

Hij was zenuwachtig. Kwaad ook. Ik had blijkbaar iets heel ergs uitgehaald. Op heterdaad betrapt, te merken aan zijn haast.  Maar ik was me nergens van bewust.
Ik reageerde dus maar niet op z’n laatste vraag. Dat kon ik beter op ’t bureau doen.

‘Je oom heet Siem van Wijk?’
‘Wat dan?’
Oei, dat was als ½ toegeven dat z’n informatie klopte.
‘& Je hebt een broer met de naam Quint?’
‘Hmpf.’
‘Waar waren ze op 12 december?’
’12 December? Da’s bijna een ½ jaar geleden. Wat wil je van me horen?’
‘Je weet dat ze verdacht worden van verkrachting van je nichtje? Samen met nog een oom van je.’
Ik begon te lachen. Ik haalde m’n voorwiel weg uit de klem van fiets & stoep. Ik zwaaide met m’n hand om aan te duiden dat-ie flauwekul aan ’t kletsen was.
‘Hé, kom,’ zei ik, ‘fietsen we lekker samen naar ’t politiebureau. Dan gaan we even een mooi rapportje opstellen. Dat jij je voor rechercheur uitgeeft. & Dat je te veel luistert naar dat nichtje van me, dat allerlei vreemde verhalen over iedereen verzint.’
Hij bleef staan. Grabbelde nog wat in z’n broekzakken. Keek nog net zo streng. Maar een vleugje onzekerheid kwam in z’n blik bovendrijven.
‘Hè joh,’ ging ik verder, ”t kan best gezellig zijn op ’t bureau. Kom, ga mee. Leuk.’
Ik stond inmiddels voor ‘m met m’n fiets. Begon langzaamaan op te starten. Daarna sloeg ik traag de bocht om naar rechts, richting politiebureau.
‘Kom,’ gebaarde ik nog even naar ‘m & verdween achter de toren.

Hij staat nog altijd te wachten tot ik weerkeer op dezelfde plek in Zijperspace.

schoolziek

1st Deden alle zussen ’t samen, ook bij m’n Oma, later kwam Lia, toen kwam 1 van m’n tantes alleen, daarna mevrouw Goes & als laatste m’n geadopteerde nichtje.
Er zullen er vast nog wel meer zijn geweest die 1 keer per week ons huis schoon kwamen maken, maar hun herinner ik me in ieder geval nog.

Behalve m’n geadopteerde nichtje hadden ze allemaal wat over mij te zeggen. Dat mocht in die tijd nog. Kinderen die vervelend waren, daar moest je een opmerking over maken, ook al was ’t niet je eigen kind.

‘Ga maar even aan de kant,’ zei nicht Lia op snauwerige toon.
‘Blijf van dat kaarsvet af!’ riep mevrouw Goes.
‘Kan je zelf ook niet eens wat doen?’ zei 1 van m’n tantes.
‘Hihihi,’ giechelde m’n geadopteerde nicht.

Maar die ene tante zei elke keer dat ik me niet zo aan moest stellen.
M’n moeder was ’t daar mee eens.
‘Zo, zijn we weer eens schoolziek?’ zei ze als ze me bij binnenkomst aantrof. ‘Kom me dan maar even helpen met de afwas. Dan mag je daarna de hele ochtend doorgaan met schooltelevisie kijken.’

Niets zo leuk als schooltv.
Nou ja, er was 1 ding dat leuker was: de maandelijkse uitzendingen van de STER op dinsdagmiddag.
’t Stond nergens aangekondigd. Je moest ’t toevallig weten of er tegenaan lopen als je wilde zien hoe ’t testbeeld er uitzag. Dan kreeg je de mooiste televisie voorgeschoteld van de hele week. Kon je later vertellen op school dat je alle nieuwe reclames al had gezien.

‘Je bent niet echt ziek,’ zei m’n tante dan.
Waarna ik onmiddellijk m’n meest beroerde gezicht weer optrok. Gelijk m’n voeten er achteraan omhoog, want m’n tante moest er met de stofzuiger langs. Ze kroop met de slang onder m’n benen door. Want die generatie ging er nog vanuit dat je iets niet schoon kreeg als je ’t niet op je knieën deed.
‘God, alweer een panty verknald, An,’ zei m’n tante dan aan ’t eind van de dag tegen m’n moeder.
‘Ok, maar dit keer neem je gewoon een stel van mij mee,’ zei m’n moeder.
Ze haalde gelijk een nieuw setje uit de voorraadkast in de gang. Alle panties hadden toen nog dezelfde kleur.

‘Zie je,’ ging m’n tante verder, ‘je lacht nog veel te vrolijk voor iemand die zich niet lekker voelt.’
Ik ging wat rechter op zitten om vooral niet weer in m’n wang geknepen te worden. Ook om ondanks m’n ziekte toch wat meer autoriteit te krijgen, al was ’t maar de autoriteit van een neefje tegenover z’n 10-tallen jaren oudere tante.
‘Maar ik ben de hele tijd moe.’
‘Ja, dat ben ik ook als ik straks thuis kom. Maar morgen moet ik toch weer in m’n eigen huis aan de slag.’

De dokter kwam langs.
‘Ah,’ zei m’n tante terwijl ze de voordeur open deed, ‘komt u voor dat schoolziek knaapje langs?’
Ze keerde zich om & riep richting 1e verdieping: ‘An! Annie! De huisarts komt er voor zorgen dat je zoon morgen weer naar school kan.’

Ik moest gecheckt worden. Druk meten. Bloedafname in ’t ziekenhuis. Een paar dagen later uitslag.

Dinsdag kwam m’n tante weer.
‘Zit je nou nog steeds schooltelevisie te kijken?’ riep ze quasi-verontwaardigd uit.
‘Er is niets anders op tv,’ antwoordde ik.
‘Moet je dan niet naar school?’
‘Nee,’ zei ik triomfantelijk, want eindelijk gewonnen van m’n tante. ‘Ik heb Pfeiffer. De dokter heeft gezegd dat ik de 1e weken absoluut niets mag doen.’
Ze keek me bezorgd aan.
‘Dus ook geen afwas,’ voegde ik er nog even snel aan toe.
Ik stond op om de tv op ’t testbeeld van Ned 1 te zetten. De radio-uitzending van Hilversum 1 was leuker dan tv voor kinderen van 6.

Ik wikkelde me weer in een warme deken op de bank in Zijperspace.