dakloos

Er zat weer een daklozenkrantverkoper voor de bieb. Dat was een tijd geleden. Hij zat op de plek waar vroeger de Bolle zat. Die had haar tot over z’n oren, maar toch niet lang, een alcoholistenkop & hij ouwehoerde veel. Tussen ’t sjekkies draaien & roken door. Soms met ’t peukje nog in z’n mond. Dan zag-ie welke boeken iemand meenam & gaf-ie er commentaar op. Dat soort daklozen heb je nodig voor een bieb, vond ik altijd. Geen supermarkt-dakloze, die een praatje maakt met de tante van op de hoek, maar iemand die vroeger wat gelezen had, of misschien nog steeds wel las.
Soms zat de Bolle een ½e liter weg te drinken. Haalde hij uit z’n plastic boodschappentas. Drinken hoort niet voor de bieb. Maar hij deed ’t altijd zo, dat ’t personeel binnen z’n fles niet kon zien. Hij zette ‘m naast z’n benen, aan de straatkant. & Na een dorstige slok begon-ie z’n blad aan te prijzen aan de toevallige bieb-bezoeker.
‘Misschien als u terugkomt,’ zei hij als deze zachtjes weigerde. ‘Overigens een prachtig boek dat u daar in uw hand heeft, dat boek van Quintilianus. Moet u binnenkort een redevoering houden?’
Als je ’t blaadje uiteindelijk niet kocht, liet-ie merken dat-ie daarvan baalde.
‘Ja, hoor. Loopt u maar gewoon door. Ik blijf hier nog wel een paar uur zitten in de kou.’

Deze daklozenkrantverkoper zei niks. Hij zat alle mensen aan te kijken, dat wel, maar prees z’n blaadje niet aan. Stilzwijgend zat-ie op ’t stenen randje naast de toegangsdeur. Waarschijnlijk met een ijskoude reet, de plassen op straat waren nog bevroren. Z’n wangen waren rood.
Toch liep ik voorbij. Ik wilde snel door. Niet veel tijd. Straks naar m’n werk. Bij passeren zag ik nog net dat ik dit exemplaar nog niet had aangeschaft. Maar ik kon m’n vaste verkoopster natuurlijk niet in de steek laten, vond ik als excuus.
Hij zat daar roerloos, met z’n warrige dreadlocks nog net uit z’n ogen. Keek me op z’n droevig-honds aan. Zodat ik de schuld toch met me mee naar binnen zou dragen.
Dat zorgde ervoor dat ik op de weg naar buiten meteen de bocht naar m’n fiets maakte. Zodat ik ‘m niet hoefde aankijken. Terwijl ik m’n fiets van slot haalde, handschoenen aandeed, keek ik sluiks hoe ’t met ‘m ging. Hij was opgestaan, liep rondjes, bewoog zoveel mogelijk lichaamsdelen voor een paar tellen. Hij liet zelfs een volgende bezoeker ongemerkt voorbijgaan in z’n bezigheden ’t weer een beetje warm te krijgen.
Ik had een blaadje moeten kopen, dacht ik.

Ik zette m’n fiets voor de winkel neer. Er kwam een man aanlopen. Een grote rode Dirk-tas in z’n hand. Doodgewone man, die niemand op zou vallen.
Hij was bezig me te passeren, toen hij zich plots bedacht & z’n lichaam mijn kant opkeerde. Daardoor besefte ik opeens hoe hij er uitzag. Een kort kapsel, waar bijna geen model in zat. Bolle wangen, zonder dat ’t wees op dikkigheid. Hij droeg een blauw ski-jack, tot bijna aan z’n knieën. Z’n kleren vormden geen combinatie, maar juist daardoor ging-ie anoniem over straat. Z’n blik stond onnozel toen-ie zich tot mij richtte. Die man doet geen vlieg kwaad, dacht ik.
‘Mag ik u iets vragen?’
‘Natuurlijk,’ antwoordde ik.
‘Kunt u misschien wat kleingeld missen?’ Hij keek daarbij moeilijk. Alsof-ie ’t niet gewend was te vragen.
Ik geef altijd geld aan mensen die op straat er om vragen. Sinds ik zelf een periode zeer krap heb gezeten ben ik daar zeer principieel in. Ze vragen ’t niet voor niets. Een enkele uitzondering daargelaten. Die weten niet anders meer dan dat ze zo aan hun geld kunnen komen. & Er moeten ook niet 3 bedelaars binnen 5 minuten op me af komen. De 1e krijgt dan wat, vervolgens heeft mijn portemonnee wat rust verdiend.
Ik haalde m’n portemonnee uit m’n broekzak.
‘Ik zal ‘ns kijken.’
Maar ik bedacht me al dat ik al m’n kleingeld thuis eruit gehaald had. Die had ik in de winkel nodig.
Inderdaad: niets, zei ’t vakje van de muntjes.
‘Sorry, ik heb geen kleingeld,’ zei ik ‘m.
Hij keerde zich al om: ‘Jammer.’
‘Anders had je wel gekregen,’ zei ik nog.
Dat gaf ‘m hoop. Hij was al 1½ meter van me verwijderd, maar keek me weer aan.
‘Ik kan ook een paar euro’s teruggeven, hoor.’
‘Ja, maar ik heb alleen een briefje van € 50,- bij me.’
‘Ja, hmm. Nee.’
Hij liep verder. Ik ging de winkel in. Geld uitgeven.

Er is genoeg schuld, maar te weinig geld in Zijperspace.

feinstein

Onder de studenten Film & Tv die in ’t bezit waren van een passpartout zou tijdens ’t Rotterdam Filmfestival een prijs verloot worden: een ½ jaar studeren aan de new-yorkse filmacademie. Die avond zou ’t bekend gemaakt worden. Ik was vroeger uit de film dan anderen. Zette me alvast in de danszaal van ’t Hilton & las de dagkrant, die altijd rond 12 uur beschikbaar was. Suna had gewonnen, las ik.
Langzaam kwamen m’n mede-studenten uit de films onze ontmoetingsruimte indruppelen, maar ik hield ’t voor me. Toen Suna verscheen sleurde ik haar onmiddellijk mee naar de perskamer, een etage hoger gelegen. Terwijl we in de lift omhoog stonden, ik probeerde ’t nog wat spannender te maken, zei ik nog steeds niets, behalve dat ik een verrassing voor haar had. Ze gilde ’t uit toen ze bij de perskamer door kreeg wat er aan de hand was.

We dronken & praten de rest van de nacht. We hadden iets te vieren. Iedereen was bereid een praatje met ons te maken. Regisseurs & critici. We waren jong, de studentes die tot onze groep behoorden waren een verademing temidden van de reeds verrimpelde echtgenotes van de regisseurs. Iedereen wilde wel kontakt hebben met een groep waarin zich een winnaar bevond. Beerekamp, van Buren, Feinstein. De barman overigens ook. De namen van de regisseurs zijn echter ondertussen vergeten; ’t waren kleine artistieke films.

Howard was zeer geïnteresseerd in mij. We discussieerden. Over welk point of view je in moest nemen. Waarom tv net zo interessant was. Waarom onze generatie ’t zou maken. Dat wij een andere manier van kijken hadden ontwikkeld, gewend als wij waren aan snelle beelden, opgevoed met levenslang tv. Hij was ’t nergens mee eens.
Hij trok de woorden uit m’n mond, net als dat hij dat met z’n gasten deed, tijdens ’t praatprogramma van ’t festival. De ene dag presenteerde Theo van Gogh dat, de andere dag Howard. Hij zei een kort zinnetje & er volgde een vloedgolf aan woorden afkomstig van z’n gesprekspartner. Zijn woorden vormden stekelige zinnetjes. Je werd er vanzelf breedsprakig van.
‘Jij had de prijs moeten winnen,’ zei hij tegen mij.
‘Waarom?’
‘Je bent stukken intelligenter dan dat zij is, hoe heet dat wicht?’
‘Ik zou nogeneens durven reizen naar New York. & Binnen een week zou ik heimwee hebben.’
Zichtbaar door mij geïntrigeerd bleef-ie bij me staan. Als ik geen bier van de groep kreeg, haalde hij ’t voor mij.
‘Die Suna krijgt niks van me,’ zei hij, ‘die krijgt vanzelf wel van de bijen die op haar reet afkomen.’
Elke keer als ’t onderwerp naar haar verschoof, maakte hij een denigrerende opmerking. Stelselmatig & consequent.

Ik werd de volgende ochtend om 9 uur wakker. Ik had nog maar net in m’n hoofd kunnen prenten dat ik Howard had beloofd met hem te ontbijten.
‘Nee, nee, ik heb geen geld,’ hielp niet. Hij ook niet, zei hij, maar dat ontbijt wilde hij graag. In ’t hotel tegenover Thalia. Daar kreeg-ie korting vanwege z’n festivalpasje.
Ik had ja gezegd, omdat hij niet afliet me complimenten te blijven geven. Ik was de meest intelligente student die hij tot nu toe tegengekomen was; ik stond in de wereld & had er zelf ideeën over; ik was eerlijk; ik had iets te melden. Wat ik dan te melden had wilde ik tijdens dat ontbijt wel horen.
Ik mocht nemen wat ik wou. Dus nam ik iets wat ik nog nooit als ontbijt had genoten. Gefrituurde garnalen, of iets dergelijks. Ik zag nog net de prijs staan voordat de menukaart werd verwijderd: al kreeg Howard korting, ’t was waarschijnlijk nog steeds duur. Maar hij vertrok geen spier.

Of ik mee ging naar z’n kamer. Voordat de 1e film zou beginnen konden we nog wel wat gaan drinken. Ik wist onderwijl veel van Howard. Hij had veel verteld, met z’n onderkoelde humor, z’n scepsis om zichzelf, in korte abrupte zinnetjes. Over z’n ex-vrouw, z’n kind, z’n liefdes, z’n bi-sexualiteit, z’n leven in films, & over z’n laptop, die z’n artikelen kon printen, waardoor hij ze op de receptie kon laten faxen.
Maar of ik, na zoveel dingen die hij over zichzelf had verteld, niet als genoegdoening voor ’t luxe ontbijt, zuiver & alleen maar omdat-ie had laten merken wie hij was & waarom hij zo was; zou ik misschien, hij vroeg ’t nog steeds zonder zinnen volledig te beëindigen, hij zei liever de 1e woorden & liet ’t mij dan afvertellen, interpreteren, terwijl hij op de bedrand zat & ik in de enige stoel van de krappe Hilton-hotelkamer; had ik geen zin om m’n broek uit te trekken? Dan zou hij alleen maar kijken.

Maar ik had daar geen zin in. Ook niet na lang aandringen. Ik wilde wel m’n glas leegdrinken, hoewel ik door de averechtse nadorst allang geen trek meer had. & Ik liep langzaam langs z’n knieën naar de deur van z’n hotelkamer. Howard keek me aan. Van m’n heup tot in m’n ogen.
‘Ik ga naar de film,’ zei ik.

Er was een continue voorstelling in Zijperspace.

wederkeer

Vanuit Breda nam ik de trein die mij via Rotterdam naar Amsterdam zou leiden. Ik had ook die van Den Bosch kunnen nemen, maar dat deed ik niet. Kwam net minder goed uit, weliswaar slechts 1 minuut langer zitten, maar daarnaast 3 minuten later vertrekken. Doorslaggevend.
Hugh & Marlies brachten me tot aan ’t perron.
‘Ik kan in Rotterdam ook uitstappen om daar wat te gaan doen,’bedacht ik hardop. ‘Weten jullie iets?’
Geen suggesties tot ’t oog van Marlies op de poster van de Kunsthal viel: Impressionisme; Meesterstukken uit de Fondation Corboud.
Ze zwaaiden me gedag terwijl m’n trein ’t station uitreed. Ik was op weg naar Rotterdam.

Ik wist de weg naar de Kunsthal. Ik had al ‘ns eerder overwogen daar naar binnen te gaan. Boijmans Van Beuningen bleek toen dicht. Om de hoek lag de Kunsthal. Maar ’t was niet iets wat ik in m’n hoofd had. ’t Stond me niet aan, zo plots m’n oorspronkelijke plannen aan de kant te schuiven. Ik ben niet besluitvaardig genoeg als ik in m’n 1tje ben.

Ik liep ’t station uit zoals ik wel vaker ’t station had verlaten. Lopend, de weg afsnijdend, achteromkijkend of er geen tram aankwam. Koud, guur. Richting de Nieuwe Binnenweg, waar m’n logeeradres jaren geleden zich bevond. Daar moest ik nu niet aan denken, ook al was ’t filmfestival in volle gang: ik was gekomen voor iets anders.
Ik passeerde de straat die vergeven was van toko’s. Een straat vol eten, genoeg voor de hongerige studentenmagen, die geen tijd & geld hadden voor andersoortig voedsel, vanwege de films die bekeken moesten worden.

Boijmans Van Beuningen had weer ‘ns z’n ingang verlegd. Uit onzekerheid liep ik die meteen maar voorbij. Een ingang is al een levensgrote drempel om te nemen. Verlegt men die ingang, dan wordt de drempel een obstakel. Onneembaar.
Nonchalant, ik moest ondertussen tevens in de gaten houden of m’n gedragingen niet te veel opvielen (Wie is die jongen? Waarom loopt-ie zo twijfelachtig? Hij gedraagt zich raar. Of in ieder geval onzeker. Durft-ie geen kunst te kijken?), nam ik ’t pad door ’t park, beschouwde de beelden, liep over een brug die z’n funktie van brug slechts in z’n vorm moest bewijzen, maar niet in ’t overbruggen van iets, & arriveerde bij de Kunsthal.
Waar ik niet meer durfde.
Ik poogde nog naar de prijzen te kijken; misschien kon ik daarin m’n motivatie hervinden; misschien kon ik daarin de gelegitimeerde reden vinden om toch maar niet te gaan; maar zag slechts prijzen, bevestiging noch ontkenning van mijn gedrag was aanwezig. Ik ben een lafaard.

Ik was eigenlijk gekomen om Rotterdam te herbeleven. Rotterdam Filmfestival. Had ik net besloten. Op ’t moment dat ik m’n rug keerde naar de Kunsthal. Ferme passen stapte ik terug. Ik zag er goed genoeg uit om tot ’t filmfestival-publiek te behoren. Ik paste daar vast wel weer in. Mijn uiterlijk was geschapen om als filmadept door ’t leven te gaan. Kijken of ik nog oude bekenden tegen zou kunnen komen. Onder ’t genot van een biertje aan 1 van de barren van de bioscopen. Ik wist vast nog wel hoe ik me moest gedragen, na ooit daadwerkelijk vast onderdeel te zijn geweest van ’t festivalpubliek.

De akelige deuren van Lantaren/Venster waren nog steeds dezelfde: weinig grip om de deur naar je toe te trekken. Een geluk dat ik naar binnen moest. Schuw wierp ik een blik op de cassière in ’t hokje, hoewel ik wist dat ik dat juist niet moest doen. Zelfverzekerd doorlopen maakte me tot reguliere bezoeker. Onmiddellijk richting theatercafé benen. Daar aangekomen zoekend naar gezichten achter blaadjes. Programmablaadjes. Men moet dan wel ’t café-gedeelte aanschouwen, ’t publiek daar gezeten recht in de bek kijken. Je bent dan immers op zoek naar een bekende. Waarvoor zou men anders hier terechtkomen?
Ik wist me echter niet de juiste houding te geven & liep meteen door naar de wc. Ook nog steeds op dezelfde plek als 8 jaar geleden. Bepaalde dingen waren nog steeds vertrouwd. Ik voelde me alleen een indringer.
Ik deed m’n plasje & liep naar buiten. Voorbij de cassière, die nog steeds geen aandacht voor mij wilde opbrengen.

Ik liep langs div bioscopen, waar we ooit in de rij hadden gestaan; passeerde ’t Hilton, waar we met scenaristen, regisseurs & filmcritici hadden staan praten & filmposters van de muren hadden gejat; zag gebouwen waar we per abuis in terecht waren gekomen; schoof voorbij eettentjes waar ’t meeste geld onnodig uit m’n zak werd geklopt; & vond m’n weg terug naar ’t station.

Terug in Amsterdam, terug in m’n stamkroeg. Amber stond achter de bar. Ik hoorde iemand een opmerking maken over Rotterdam. Oja, Amber deed nu Film & Tv-wetenschap.
‘Moest jij niet naar ’t Filmfestival?’ vroeg ik.
‘Nee, ik had er geen tijd voor. Bijna niemand van de studie gaat.’
‘Kunnen jullie dan geen goedkope kaartjes krijgen?’
‘Nee. Bovendien hebben we deze week allemaal tentamens.’
‘Ah. Ze houden nog steeds geen rekening met ’t belangrijkste festival voor de student Film & Tv-wetenschap.’
‘Is ’t leuker dan ’t IDFA?’
‘Véél leuker. We logeerden daar allemaal, een week lang. Een groep van een man of 20. Verspreid over de stad. Ik zou zo weer heengaan als ik wist dat er zij er ook waren.’

Maar Zijperspace heeft allang niet meer dezelfde bewoners.

stemming

Er mag weer gestemd worden. Ditmaal niet georganiseerd door een onzinnige instantie als BNN (opeens vanuit ’t niets organiseerden zij een blog-40), maar door webloggers zelf. Vorig jaar kwam ik nogeneens door de voorronde; ditmaal zal dat waarschijnlijk ook niet lukken, want daar heb ik te weinig webloggers onder m’n lezers zitten. Zowiezo te weinig lezers. Met mijn 100 lezers per dag kom ik nogeneens in de top 100 van meest geraadpleegde blogs van België/Nederland.
Mag ik evengoed een stem-advies uitbrengen? Stemt u dan op 1 van de onderstaande redelijk leesbare alternatieven. Noemt mij tussen neus & lippen door.

Wij wensen u veel wijsheid toe vanuit Zijperspace.

PS: Ik zie plots onderaan ’t stemformulier staan:

Men dient een stem uit te brengen in elke categorie.

Niet al m’n vrienden, kennissen & familie-leden weten natuurlijk wat er zoal afspeelt binnen weblogland, dus ik zie mij gedwongen mijn stemadvies ietwat uit te breiden. Voor elke categorie 1 suggestie:

Beste Lifelog: Zijperspace.
Beste Linkdump: Mijn Kop Thee.
Beste Nieuwkomer: Mikzlog.
Mooiste Lay-out: Verbal Jam.
Beste Mannelijke Logger: Zijperspace.
Beste Vrouwelijke Logger: Merel Roze.
Lifetime Award: Mijn Kop Thee.
Best Geschreven Log: Zijperspace.
Beste Initiatief: About Blank(ik moet ze te vriend houden).
Beste Weblog Overall: Zijperspace.

Men mag dit lijstje klakkeloos overnemen. Zo wordt uw stem in ieder geval geldig.

breda

‘Ik denk dat ik naar boven ga,’ zei ik. Daarbij doelend op de woongelegenheid die Marlies & Hugh als logeerplek annex kantoorruimte hadden ingericht. Net zo groot als hun eigenlijke woonhuis. Wat minder comfort, zichtbaar ingericht voor onderhuurders van de vorige bewoner, maar wel een xtra huis. Gewoon onder ‘tzelfde dak. Mijn slaapplek lag daar op zolder. Een comp met adsl-verbinding een verdieping lager.
‘You don’t fancy another beer?’ vroeg Hugh.
‘No, no. I just want to go upstairs.’
‘Je wil nog ff op ’t internet,’ zei Marlies.
‘Ja, tuurlijk.’
Dat was toch vanzelfsprekend. Hoe zou ik een dag zonder ’t internet kunnen, leek ik in m’n antwoord te willen leggen. Die opmerking was zeker niet bezijden de waarheid, dacht ik.
’t Was bijna 1 uur. Normaliter zou ik rond deze tijd m’n bed gaan opzoeken, maar ik had al een ½e dag geen comp aangeraakt. Ik wilde wel ‘ns een keertje naar boven.

Ik bekeek m’n eigen weblog. Daarna m’n kijkcijfers. Een soort van gewoonte; alles zou toch weer ‘tzelfde zijn als altijd. Ik keek via ‘secure webmail’ van Xs4all of er nog post was binnengekomen. & Dat was alles wat ik in Breda op een comp wist uit te voeren.
Een internetverbinding in Breda is maar saai. Vooral als je een hele dag ernaar verlangd hebt.

Vlak voordat ik vertrok vroeg Wieger, hij stond achter de bar van m’n stamkroeg, een ietwat cynisch, brede lach om z’n mond, of ik niet vereenzaamde. Elke keer dat ik vroeg naar huis ging. Waarom niet wat langer blijven hangen als anderen dat ook deden?
Nee, daar had ik helemaal geen behoefte aan. Ik vereenzamen? Juist niet. Ik vermaakte me prima. Ik & m’n comp. Ik zou niet anders meer willen. Zo probeerde ik ‘m in ’t kort duidelijk te maken.
Of was dat juist eenzaam?
Sommige dingen zeg je niet.
Veel plezier in Breda, volgde daarop. Ik had m’n jas al aan. Moest me haasten om de trein van 15.23 nog te halen.

Ik zat achter een toetsenbord. Een toetsenbord waar ik normaal altijd wel raad mee wist. Maar dan moest ik wel de keus hebben tussen een boek, de tv, of dat toetsenbord. Dan bleek ’t toetsenbord altjd weer belangrijker. Maakte meer los. ’t Zou ook kunnen dat de tv, dan wel ’t boek, regelmatig iets in mij los maakt, waardoor ik uiteindelijk ’t toetsenbord nodig heb. Ik heb geen afstandsbediening om dat te dirigeren.

Uit verveling pakte ik uit m’n rugzak ’t blikje bier dat ik had bewaard voor de terugreis morgen. Ik keek vervolgens naar ’t beeldscherm. Nam een slok. Ha, dacht ik, ik ga een verhaal schrijven.

Dat zou Zijperspace ook leefbaar maken in Breda, dacht ik.

IFFR-verslag

0.09 Uur. Ik zet de tv uit. Geen zin in ’t verslag over ’t filmfestival. Al jaren niet meer. Ik wil niet weten wie er rondlopen, wat er draait, waar je moet zijn. Ik wil de straten van Rotterdam niet zien. Met bijbehorende zalen, die inmiddels niet meer de zalen zijn van weleer.

We liepen over straat. Een kleine 15 minuten. Ik ben ’t adres allang alweer vergeten, maar als ik er weer ben zal ik ’t zo terug kunnen vinden. Eigenlijk liep ik in m’n 1tje over straat. ’s Ochtends vroeg. Dat was na 11-en, zogauw ik wakker was. Bas die volgde later wel, als hij op zijn beurt uitgeslapen was & ik de kaartjes voor ons beiden bemachtigd had.
’s Avonds laat, of beter, diep in de nacht, liepen we met z’n 2-en terug. Dan hadden we iedereen gezien, genoeg films ook, & waren we eindelijk weer moe. ’t Was dan weer tijd om die enkele wegen van Rotterdam te bewandelen die ons bekend waren. Tussen bios & logeerplek. Of eigenlijk: tussen ’t Hilton & logeerplek.

We hadden er al vroeg genoeg van. 5 Films op een dag was toereikend naar ons gevoel. Liever zaten we na 12-en met z’n 2-en alvast voor te genieten van de drukte die straks zou komen. Aan 1 van de wanden een tv die aanstond, soms een groot projektiescherm, zodat we de uitzending over ’t festival konden volgen. Met, dan wel zonder geluid, AT5, soms Nederland 3. Altijd even kijken of wij er zelf in voorkwamen. Anders 1 van onze mede-studenten. Misschien een film die wij hogelijk gewaardeerd hadden, of net gemist, misschien iets voor morgen. We keken gewoon. We hadden niks anders te doen tussen ’t praten door, in afwachting van wie er nog meer zou komen voor de afterparty, bij de bar biertjes halend voor 2. De bardames kenden ons. Wisten ons nog van vorig jaar te herinneren.

Rond 1 uur begon ‘t. Er was altijd iemand die ’t initieerde. Meestal niet behorend tot onze groep, want wij zaten de dj te vervloeken tot ’t moment dat we genoeg gedronken hadden. Rond 1 uur begon iemand de dansvloer te betasten. Hans Beerekamp volgde al snel met z’n gelegenheidsvrouw van ’t festival. ’t Rode sjaaltje dat-ie normaliter om z’n nek gedrapeerd had wilde hij wel eens gebruiken om z’n bezitterigheid te laten merken door ’t om haar nek te zwaaien & vervolgens naar zich toe te trekken. Cees van Buuren liet de dansvloer links liggen & zat zichzelf op te neuken aan de vrouwen aan de zijkant.
Wij doken de dansvloer op zogauw wij dachten dat de dj weer bij zinnen was. & Anders dronken we nog wat xtra. De vrouwen raakten vanzelf wel geïmponeerd van ons, zo dachten we.

0.09 Uur. We zouden rond deze tijd weer op adem zijn gekomen. Eindelijk weer fit genoeg. Geen film meer die we moesten zien. Lekker biertje. Daar kwam Chris, daar kwam Steven (of Steven kwam diep in de nacht), even later Kiki, Carolien, Femke, Jorrit, Machteld, Hans. Omstebeurt kwamen ze uit hun laatste film de zaal van ’t Hilton binnendruppelen.
0.09 Uur. Ik hoef de tv niet meer te zien. Ik weet ’t al. Hoewel ik vele films niet heb gezien. Ik weet waar Rotterdam ligt. & Hoe groot ’t voor mij is.

Zeker niet groter dan 4 straten van Zijperspace.

leeshonger

Ik had de kinderbijbel van m’n broer uit & nog minstens een ½ jaar te gaan voordat ik bij m’n 1e communie er zelf 1 zou krijgen. Dat zou veel te lang duren voor een ongeduldig leesgierig kind als ik.
Ik had al verschrikkelijk lang moeten wachten voordat ik had leren lezen. Totdat ik in de 1e klas kwam te zitten kon iedereen in m’n direkte omgeving lezen, ze maakten er in mijn ogen veelvuldig gebruik van, behalve ik (& m’n jongere broertjes, maar die telden niet mee, want die waren nog klein). Ik wilde ook opgenomen worden in die magische wereld van letters die gingen leven. Ik wilde weten wat er school achter die lange lijnen van tekens, die vele pagina’s vulden, & waar schijnbaar alle wijsheid uit voortkwam. Ik hoefde niet meer voorgelezen te worden zogauw ik de kunst van ’t lezen mezelf machtig had gemaakt; dat zou behoorlijk wat last van m’n ouders wegnemen & ik kon eindelijk ‘ns zelf bepalen wat ik las. Bovendien zou ik dan kunnen controleren of alles wat ze hadden voorgelezen er werkelijk wel stond.
De dunne boekjes die we op school te lezen kregen waren best leuk, maar bleven me niet al te lang interesseren. Ik wilde dikker, spannender, meer verhaal. Dus klom ik op ’t stapelbed om vandaaruit de onbereikbare boeken bovenop de kast te kunnen pakken. Schuin hing ik voorover, steunde nog net met de vingers van m’n linkerhand op de rand van de kast, onder me de afgrond van 1½ meter, & pakte 1 voor 1 de boeken uit de rij. Als ik een boek te pakken had, interessant genoeg bevonden voor nadere bestudering, duwde ik mezelf terug uit de schuin hangende houding & ging op ’t bed van m’n broer bekijken wat ik te pakken had.
Meestal oude gebundelde jaargangen Okki & Taptoe, atlassen & kookboeken. Een enkele keer bijzonder genoeg om door te bladeren, maar niet de verhalen die ik zocht. Ik moest m’n leeshonger stillen, m’n zucht naar avonturen zoals die in de bijbel hadden plaatsgevonden.
Ver weg in de rij stond een dik boek met een groene kaft. Eigenlijk net te ver. Ik zou mezelf onmogelijk vast kunnen houden. Ik zou m’n evenwicht verliezen. Dus verschoof ik in m’n 1tje ’t stapelbed. ’t Kwam daardoor wel wat verder weg van de kast te staan, maar de punt was dichterbij ’t bewuste boek gekomen. Ik klom er weer op, ging schuin voorover leunen & met m’n rechterhand wurmde ik ’t boek uit de rij. Om niet uit evenwicht te raken liet ik ’t op de grond vallen, waar ik even later ook plaatsnam.

‘Groot Sprookjes Boek’ stond er op de voorkant. Een oma met een hoofddoek om zat geleund tegen een boom uit een boek voor te lezen. 4 Kinderen & een pop zaten ademloos toe te luisteren. Met een gans. Die zat ook naast de oma. & 2 Duiven erboven op een tak in de boom. Alle 3 schijnbaar net zo ademloos als de kinderen. Oma hield haar vinger omhoog, haar mond stond ½ open, haar ogen waren gericht op de kinderen. Ze zat blijkbaar midden in een verhaal.

Ik ben gaan lezen. Dit was ’t mooiste boek dat ik ooit in handen had gekregen (hoewel dat er op dat moment nog niet veel geweest waren). Op bijna elke 2e blz stond een tekening, een enkele keer stak er zelfs een gladde blz uit, waarop aan 2 zijdes een kleurentekening prijkte. Exotische tekeningen, van mensen met tulbanden, prinssessen met kroontjes, mannen met hele wijde broeken & bontmutsen op hun hoofd, muizen die met elkaar leken te praten, vrouwen met een vissenlijf.

Ik heb er jaren over gedaan ’t boek uit te lezen. Niet omdat ’t zo dik was, of moeilijk; daar draaide ik m’n hand niet voor om. ’t Was meer uit angst. Ik durfde niet verder te gaan dan ’t verhaal over een prinses die haar 2 betoverde broers moest bevrijden. Ze waren veranderd in stenen beelden, zouden zich nooit meer kunnen bewegen. ’t Wemelde van de stenen beelden op de plek waar zij stonden. Allemaal betoverde mensen. Elk beeld was ’t grafzerk van een levend, maar versteend mens.
Er was geen plaat van deze scene, maar ’t beeld zat zeer levendig in m’n hoofd. Zo levendig dat ik niet meer durfde te slapen. Dagen achter elkaar lag ik wakker, of had nachtmerries. Ik durfde ’t boek niet meer aan te raken.
& M’n ouders wisten van niks, want ik had ’t boek verstopt. Ze mochten immers niet weten dat ik ’t boek van boven de kast had afgehaald.
Om m’n gemoed te kalmeren ben ik maanden achter elkaar de verzamelde Okki’s gaan doornemen. Daarna de Taptoe. & Tina’s van m’n nichtjes.

’t Ging een tijdje wat minder snel in Zijperspace.

dansen

‘Waarvoor heb je een pet op?’
‘Omdat m’n haar raar zit.’
‘Hoezo?’
‘Ik heb gister verschrikkelijk staan zweten. Ik was aan ’t dansen. M’n haar was kleddernat. & Toen ik vanochtend opstond stond m’n haar alle kanten op.’
‘Heb je ’t dan niet gewassen bij ’t douchen?’
‘Tuurlijk niet. Dan zou ’t helemaal verschrikkelijk zitten.’
‘Was je ’t dan nooit?’
‘Jawel, maar niet als ’t al zo lang is. Dan krijg ik er daarna geen model meer in.’

Ik werd niet alleen wakker met een raar kapsel. Ik had daarnaast ’t gevoel dat ik me weer ‘ns verschrikkelijk had staan aanstellen. Ik had de avond ervoor er enkele uren over gedaan om mezelf genoeg moed in te drinken de dansvloer te betreden. Toen ’t 1maal zover was ging ’t loos. Ik zou ze wel eens laten zien hoe er nog meer gedanst kon worden. M’n benen vlogen alle kanten op, zonder dat ik vantevoren bedacht wat ze moesten doen.

Lang geleden liep ik over straat. Een drukke zaterdagse winkelstraat in Den Helder. Ik kwam meisjes tegen die ik de avond daarvoor op de dansvloer was tegengekomen. Ik zei ze gedag & wrong me ondertussen tussen de mensen door. Raakte niemand aan, maar zigzagde door de massa. Ik hoorde de meisjes nog net tegen elkaar zeggen: ‘Als-ie loopt is-ie net zo elastisch als dat-ie staat te dansen.’
Maar korter geleden had ik besloten niet meer op de dansvloer te staan. Ik kon me de verjaarde hippies nog herinneren, die anachronistisch de dansvloer bevolkten bij een new wave-nr. Wapperende haren, zwierende armen gestrekt terwijl ze dansend rondjes draaiden, hoofd in de lucht, ogen ½ gesloten, alsof ze aan ’t mediteren waren. Toendertijd had ik bedacht niet op een dansvloer te gaan staan op ’t moment dat ik te oud zou zijn. Op welke manier dan ook. Ik zou niet laten zien dat ik uit de tijd zou zijn.

Hijgend liep ik naar buiten. In t-shirt. De stralen zweet hielden mij op temperatuur terwijl ik over een landengte liep. ’t Zou 5° C moeten zijn, maar ik merkte er niets van. Ik hoorde 2 nrs de revu passeren, terwijl ik al wandelend afkoeling zocht. M’n haren kleddernat, m’n t-shirt, m’n hoofd, alles. De liters vocht die ik die avond reeds tot me had genomen moesten in die korte tijd dansvloer volledig verdampt zijn, of anders plakten ze aan m’n lichaam. Ik had dorst, maar wilde niet naar binnen voordat ik weer redelijk toonbaar was.

De spiegel vertelde me vlak na ontwaken dat er een slag in m’n haren was terecht gekomen die niet te herstellen was. Een lok, die normaliter m’n voorhoofd bedekte, floepte nu schuin omhoog, een 5-tal cms links boven m’n hoofd uit. Aan de rechterkant was ’t onmogelijk een krul uit m’n haar te trekken. Een golf die nog nooit eerder mijn hoofd had gesierd & zich ook geenszins voegde aan de rest van ’t model. Als ik op dat moment mocht spreken van model. M’n kapsel leek mijlen ver verwijderd van enig model. Eigenwijs bleef ’t me aan gisteravond herinneren. Ondanks ’t water dat ik ter verzwaring aanbracht. & Ondanks de wax, in kleverige klodders er op gesmeerd.

Doorslaggevend was de collega die, terwijl ik me klaarmaakte om achter de bar te gaan staan, door ’t gat in de deur me eventjes gedag zei.
‘Hoi, Ton. Alles goed?’ Een kort moment van stilte & een snelle blik naar boven: ‘Wat zit je haar raar.’
Ik zette m’n pet vervolgens op & nam naast haar plaats.

Gister is voorbij in Zijperspace, zolang ’t maar niet zichtbaar is.

zondagochtend

M’n vader kon altijd al slapen. Tegenwoordig gaat-ie vroeg naar bed & staat-ie laat op. Na ’t middageten rust-ie nog een uurtje uit, misschien wel 2. & Als-ie tv kijkt valt-ie op de bank in slaap. Z’n leven is momenteel vooral gericht op ’t zoveel mogelijk slapend doorbrengen van de tijd. Als ik bij m’n ouders binnenval wordt m’n vader van boven gehaald, waarna hij met een van slaap doortrokken hoofd even later beneden komt stommelen.

M’n vader geloofde in slapen. Terwijl m’n moeder al bij ’t minste gerucht naast bed stond, ging m’n vader ongestoord door met snurken, z’n hoofd diep weggestoken onder ’t deken. Tijdens vakanties, vanwege ’t felle licht dat de caravan in kon vallen, met een handdoek op z’n ogen.
Doordeweeks moest m’n moeder moeite doen m’n vader te bewegen ’t bed uit te stappen & naar werk te gaan. 3 Keer roepen was geen uitzondering. ’t Ontbijt stond grotendeels al klaar, de thee ingeschonken, suiker, wolk melk; m’n vader hoefde slechts z’n kleren aan te trekken, ’t voer & drinken richting mond te brengen. Maar de slaap vond-ie interessanter. M’n moeder riep, af & toe 1 van de zonen in opdracht van, m’n vader bromde & keerde zich om.

’s Zondags waren we al om 7 uur beneden. We zetten de radio aan, kropen achter ’t gordijn, onder de vensterbank & luisterden naar Ko de Boswachtershow. Muisstil zaten we. Carel & ik. Een ½ uur lang.
Na de show van Ko werden we onrustig. Alle spanning van ’t stil zitten luisteren moest er uit. Maar Pa wilde slapen. Die sliep op zondag uit. Terwijl alle dagen van de week de slaapkamerdeur van m’n ouders wijdopen stond, was-ie op zondag gesloten. Uit bescherming voor ’t lawaai dat wij op zondagochtend maakten. Voor de broodnodige rust, die m’n vader op zondag wilde inhalen.
We moesten m’n ouders wel storen, zo af & toe. Dan hadden we de stiften nodig, of tekenpapier, & wisten we niet waar dat lag.
Heel zachtjes kroop 1 van ons de slaapkamer binnen. Muisstil. We hadden van tevoren bepaald wie nu ‘ns een keertje aan de beurt was voor deze zware taak. M’n broer had vaak een goede reden om mij daarvoor aan te wijzen. Of zei dat-ie anders geen zin had om te doen wat we van plan waren te doen. Dus moest ik vaak sluipend richting m’n moeders kant van ’t bed.
M’n vader gromde zogauw-ie merkte dat er iets van reuring in z’n slaapkamer plaatsvond. Snel glipte ik naar m’n moeder, fluisterde zachtjes in haar oor wat we van plan waren & wat ervoor nodig was. M’n vader gromde weer. Bewoog, leek zich om te draaien, waarbij je slechts een deken zag bollen. M’n moeder zuchtte, vroeg waarom we dat nou juist nú nodig hadden & gaf antwoord.
‘Kijk maar boven in de kast.’
Op kousenvoeten liep ik weer de kamer uit. In de hoop dat m’n moeder de juiste plek had aangewezen. Zoniet, dan was m’n broer aan de beurt, vond ik, maar Carel was onverzettelijk.
Als we ’t juiste speelgoed hadden gevonden kon ’t kabaal weer beginnen. Waarop m’n moeder beneden kwam om ons tot meer stilte te manen.
‘Pa kan nu eindelijk uitslapen,’ was de motivatie.
‘& Wij kunnen nu eindelijk spelen,’ probeerden we.
Daar moesten we dan wel heel guitig bij kijken, m’n moeder mocht niet de indruk krijgen dat we die opmerking serieus meenden, anders was ’t afgelopen met de pret. Zonodig dreigde ze met ’t uit bed halen van Pa. Dan waren we wel stil & niet brutaal. Want Pa moest blijven slapen.

Zeker op zondag in Zijperspace.

belletje

‘Hoi, Ma. Hoe gaat ‘t?’
’t Is zaterdagochtend. Nog rustig op m’n werk. De stilte voor de storm. Ma opbellen is een manier om dat gat van nietsdoen op te vullen.
‘Zeg, je schreef dat je de stukjes over Pa bij elkaar had gezet,’zegt m’n moeder, ‘maar nu zie ik dat niet staan.’
’t Staat gewoon aan de linkerkant,’ zeg ik. ‘Als je nou naar de comp aanzet, dan kan ik ’t je beter uitleggen.’
‘Maar dan moet ik wel naar boven.’
‘Ik blijf wel hangen. ’t Is toch rustig.’
Er zijn 2 telefoons aangesloten bij m’n ouders: 1 in de huiskamer & 1 in ’t kamertje van de comp.
‘Niek, praat jij eens met Ton terwijl ik naar boven ga.’
Ze heeft blijkbaar de telefoon overgegeven aan m’n vader. Tot ’t moment dat ze boven de hoorn opgepakt wordt kan beneden niet neergelegd worden, want anders is de verbinding verbroken.
’t Blijft stil.
‘Nou, zeg dan wat tegen hem,’ hoor ik m’n moeder van een afstand zeggen, waarschijnlijk vanaf de trap.
Op wat geritsel na blijft ’t stil.
‘Hoi, Pa,’ probeer ik.
‘Je kan toch wel iets tegen Ton zeggen?’
Ik hoor m’n vader wat tegen m’n moeder murmelen. Al pratend komt m’n moeder weer dichterbij de hoorn.
‘Hier. Als je er nou in praat, dan kan ik naar boven, terwijl jij wat tegen Ton zegt.’
‘Hallo, Pa.’ Nieuwe poging.
‘Ben jij dat Ton?’
‘Ja, ik ben ‘t.’
‘Ma neemt boven de telefoon.’
Voor de rest zwijgt m’n vader.
‘Heeft-ie nou wat gezegd?’ M’n moeder aan de andere telefoon.
‘Nou, 1 zinnetje. Ik weet ook niet of-ie nou neergelegd heeft.’
‘Ik snap ’t niet hoor. Ik geef ‘m de hoorn aan & hij houdt ‘m op z’n kop aan z’n oor. Dan hoor je ook niks.’
‘Hij is dus weer erg in de war?’
‘Gister ging ’t goed hoor. & Als-ie straks een dutje heeft gedaan kan ’t weer helemaal over zijn. Maar andersom kan ook ’t geval zijn.’
‘Je hebt nu internet? Nou, links staat ‘t. Moet je een stukje naar beneden.’

’t Leven moet wel gewoon doorgaan in Zijperspace.