mannenpukkels

‘Dit zijn mannenpukkels,’ dacht ik.
’t Komt doordat ik vanuit m’n bed rechtstreeks naar m’n computer loop, onderweg de knop van de kachel een slinger geef, in de stoel voor ’t beeldscherm ga zitten & op een gegeven moment achterover hel om de achterleuning warm te laten worden.
‘’t Zal toch een keer moeten gebeuren,’ denk ik daarbij, ‘dan kan ik ’t net zo goed meteen doen.’
Dus druk ik m’n nog bedwarme lichaam tegen ’t koude hout van de stoel aan. Je lichaam moet er even doorheen, maar als ’t er eenmaal aan gewend is, dan heb je tenminste een stoel waarin je ontspannen kan zitten. Achteroverleunend of voorover gebogen, ’t maakt dan niet meer uit. Een kort moment van ongemak waaruit je veel profijt achteraf kan peuren.
Om tijdens dat ritueel, zo mag ik ’t onderhand wel gaan noemen, toch nog enige lichaamswarmte voor mezelf te bewaren, zet ik m’n benen vaak omhoog. Met de knieën tegen m’n borst. Zodat er zo min mogelijk verloren gaat, dat wat er aan warmte verloren gaat, wordt doorgegeven aan een ander deel van ’t lichaam. Een hoge mate van efficiënt energieverbruik, denk ik daar vaak bij.
Tuurlijk kan ik ook meteen kleren aantrekken, maar dat zou veel van m’n vrijheidsgevoel, ’t idee dat ik nog uren de tijd heb & dat niemand me kan dwingen te haasten, wegnemen. Ik loop liever nog een tijdje in m’n onderbroek, hooguit t-shirt, rond, om ’t idee te behouden dat niets me opjaagt, dat niets moet, dat de verplichtingen straks pas komen. Ik gooi de helft van de gordijnen open, laat de andere helft dicht, zodat niemand van de achterburen mij kan zien & er toch behoorlijk wat daglicht m’n huis kan binnendringen. De rest komt later wel.

Maar in die hoedanigheid, in de houding waarbij m’n knie tot aan m’n borst reikt, kwam ik tot die gedachte. De gedachte van de mannenpukkel. Ik heb ze in ieder geval nooit bij vrouwen mogen ontwaren. Of ’t is aan mijn aandacht voorbij gegaan.
Uiteindelijk bestaat mijn wereld slechts uit waarnemingen, vooroordelen, bevestigingen, omdat ik toevallig bereid ben bepaalde feiten in m’n beleving op te nemen, illusies, veronderstellingen, & daaruit volgend een hoegenaamd vaststaand beeld van waaraan ’t universum waarin ik mij voortbeweeg als vanzelfsprekend moet voldoen. Iets wat niet past binnen die vastomlijnde definities van wat mogelijk is & wat niet ontglipt aan mijn vermogen ’t op te nemen in dat beperkte kader, zal ik niet kunnen zien. Ufo’s bestaan niet & mannenpukkels op vrouwenbenen evenmin, totdat men mij plausibele uitleg geeft over de mogelijkheid van wel-bestaan & mijn ogen zullen geopend worden.

Om ’t nou niet meteen te ingewikkeld te maken: ’t zijn witte pukkels. Eigenlijk witte pitten in kleine rode heuveltjes. Waarbij je die heuvels slechts moet zien als een kleine ophoging van de huid, niet meer dan een mm. Ik vermoed bij aanschouwing altijd dat ze veroorzaakt worden door ’t haar dat zich op mijn benen bevindt. Misschien dat ik ze daarom ook als mannenpukkels definieer. Omdat vrouwen gladde benen hebben, zeker heden ten dage. (’t Zou ook kunnen dat vrouwen veel meer aandacht besteden aan ’t verwijderen van dit soort verschijnselen, waar ik niet van zal staan te kijken, maar vooralsnog ga ik daar mbt deze pukkels niet van uit).

’t Zouden talgklieren kunnen zijn, die ze produceren. Ik heb nl wel ‘ns gehoord van talgklieren in ’t kader van ’t ontstaan van pukkels. Dat was mij onderwezen door een vriendin die hield van uitknijpen. Ze kon er uren aan besteden & ik moest voor de lieve vrede mij een willig slachtoffer betonen. Door ’t knijpen in mijn huid lukte ’t mij echter niet om met meer dan een ½ oor te luisteren naar haar uiteenzettingen. Waardoor de essentie van wat zij te zeggen had over mijn huid & specifieker: mijn pukkels & puisten, mij al snel weer ontgaan is. ’t Staat me echter nog steeds bij dat ze ergens onderweg, terwijl ze m’n lichaam van onder naar boven, of andersom, bewerkte met haar nagels, ’t gehad moet hebben over talgklieren. Ik weet nog steeds niet wat ik aan die informatie heb, maar ’t leek me zinnig te tonen dat ik gerust wel meer wist dan de gemiddelde man. Misschien dat ’t tot resultaat heeft dat men niet de neiging krijgt te willen tornen aan mijn wereldbeeld van mannenpukkels op mannenbenen.

Ik weet dus niet waar ze vandaan komen. Worden ze wellicht veroorzaakt door de spijkerstof van m’n broeken? Of door de kou & ’t schuren van de koele stof over mijn thuis verwarmde benen? Moet ik m’n benen insmeren met allerhande zalfjes zodat de conditie van m’n huid een dusdanige vooruitgang boekt dat ’t vitaminegehalte of de eiwitconstructie ervan een barrière vormt voor dergelijke uitwassen?
Geen weet hebbende van wat te doen met zulke vragen, ook een beetje onder de indruk van m’n eigen onbenulligheid & sterker: m’n bemoeienis met dergelijke pietepeuterigheden, zet ik dan vaak m’n nagels in m’n been. Met als goed voorbeeld die vriendin van toen.
‘Wie schoon wil zijn, moet pijn lijden,’ pleegde zij net als mijn moeder te zeggen.
Mijn moeder bezigde die uitspraak echter meer dan 15 jaar eerder, als zij met haar zakdoek mijn oren hardhandig uitbaggerde, daarbij stijf m’n bovenarm omklemmend met haar hand, een verrassingsaanval, daar had ze de hele dag naar uit zitten kijken, ’t geel van m’n oorsmeer gloorde haar tegemoet, maar ze moest nog even ’t juiste moment afwachten dat ik te dicht bij haar kwam & ze me stevig vast kon pakken. Traumatische gebeurtenissen voor een onschuldig kinderzieltje.

Nagels tegenover elkaar leveren te weinig resultaat op. Slechts een enkele witte pit laat zich uit de huid drukken, wat resulteert in een kleinood die zich niet met ’t blote oog laat bestuderen. Dat zou dit werkje nou juist nog interessant maken. ’t Krabben van de nagel over ’t oppervlak bewerkstelligt in ieder geval dat ’t landschap zich snel ontdoet van z’n witte heuvels, weliswaar met achterlating van de schijnbaar ontstoken ondergrond, maar weg is weg, denk ik er dan altijd maar bij.
‘Mannenpukkels,’ dacht ik na ’t bezien van ’t resultaat van mijn krabwerkzaamheden, ‘dit zijn echte mannenpukkels. & Ik ben een echte man, die efficiënt & op ’s mans wijze mannenpukkels verwijderen kan.’

Of zoals in Zijperspace een oud zegswijze luidt: Waar broeken spreken, moeten rokken zwijgen.

nogtewassenwas

’t Was woensdag dat ik ’t bedacht had. ’s Ochtends vroeg.
Of nee, dat kan niet. Want ik had ’t al voorbereid. In gedachten had ik ’t al voorbereid. Dus moet ’t dinsdag zijn geweest.
Ja, want toen dacht ik ’s avonds laat: ‘Waarom ben ik ’t nou weer vergeten?’
‘Weer’, ik dacht ‘weer’.
Dus in 1e instantie had ik maandag al besloten dat ’t dinsdag moest gebeuren.
Niet woensdag, maar maandag dus. Toen al. Ja, ik weet me de gedachte wel te herinneren van: ‘Als ik ’t dan niet doe, dan krijg ik later in de week problemen. Vanavond niet, want dan kan ik ’t nog even rustig aan doen.’
Zoiets moet ik gedacht hebben. Ik weet ’t bijna zeker. Daarbij hield ik al rekening met de dagen die na dinsdag zouden volgen. Een mens wil tenslotte wel bijtijds schone, bovenal droge kleren hebben.
& Toen ik dinsdagavond laat bemerkte dat ik was vergeten wat ik voor ogen had, ben ik verder gaan plannen. Ik wilde niet midden in de nacht de machine laten draaien. Hoewel m’n buren er weinig last van zouden hebben, vanwege ’t feit dat ze er toch niet zijn. Nee, vooral omdat ik dan de langmouwige t-shirts een dag niet aan zou kunnen trekken.

‘Heb je 3 t-shirts aan?’ vroegen ze laatst.
‘Nee,’ antwoordde ik, de 3 bovenste optillend, ‘4.’
‘Ton, die houdt van laagjes,’ zei Jos.
Jos kent me al wat langer.
‘Daar blijf je ’t warmst bij,’ legde ik uit, ‘met laagjes. De bovenste 3 gebruik ik niet de hele dag. Die gebruik ik zoals anderen een trui gebruiken. De onderste is elke dag een ander.’
Verantwoording afleggen. Stel je voor dat ze zouden denken dat ik weken achter elkaar in dezelfde vieze spullen zou lopen. Ik vergat erbij te vertellen hoe vaak ik de langmouwige t-shirts door de was liet gaan. Want daar was m’n uitleg eigenlijk voor bedoeld. Ik wil vooral niet dat men ’t idee zou krijgen dat ik zou kunnen ruiken naar oude kleren & verschaald zweet.

Dus dinsdagavond. Laat, vlak voor slapen gaan. Opnieuw plannen.
‘Met die sokken kan ’t nog net,’ dacht ik, ‘want desnoods heb ik nog wel een paar in de sokkenmand liggen. Misschien wat dunner, vanwege oud & bezig te slijten, een dag lang wat ruimer in m’n schoenen lopen wellicht, maar afdoende. Onderbroeken ook geen probleem. Sinds de reparatie door Ma heb ik aan broeken ook geen gebrek. T-shirts heb ik zowiezo te over.’
Alleen die t-shirts met lange mouwen. Dat werd toch wel tijd.

Ik had de keus tussen woensdagavond na werk & donderdagavond na werk. Onmiddellijk na thuiskomst snel de was er in. Zodat ’t klaar zou zijn voordat ik naar bed ging. Konden de bedoelde t-shirts nog net drogen voordat ik de volgende ochtend weer richting werk vertrok.
– Vrijdag zou ik pas in de middag met werken hoeven beginnen.
– Donderdagavond zou ik minder lang nazitten op m’n werk.
– Ik had nog 1 paar sokken. Nog net genoeg tot vrijdag.
– Wanneer wilde ik patat eten na afloop van m’n werk? (Traditie! Tradities moet je niet doorbreken, hooguit verplaatsen naar een andere dag).
Allemaal motivaties. Ik had er nog wel meer. Traden misschien wat minder op de voorgrond, maar ook details beïnvloedden uiteindelijk m’n keus voor de was op donderdagavond. Ach, ’t zijn details in andermans ogen, maar ik hield me ermee bezig. ’t Is een zelfstandig huishouden, van 1 persoon, ik hoef niemand verantwoording af te leggen, behalve als ik ruik, elke dag ben ik de enige die ik tegen kom als ik voor de spiegel sta, & elke dag ben ik degene die de langste conversaties met mezelf houdt. Niet hardop, de buren zouden kunnen gaan denken dat ik wel heel erg vereenzaam als ik murmelend over straat ga, maar zachtjes in mezelf, onhoorbaar dienen 100-en gedachtes zich dagelijks aan. Zo ook voor de kwestie van de was.

’t Werd dus donderdagavond. Hoewel ik woensdagavond nog even moest nadenken, onderweg van huis naar werk.
‘Is ’t nou woensdag patatdag of donderdag?’
Ik was immers niet anders gewend dan donderdag.
Ik kon nog net remmen voor m’n vaste patatleverancier. Dezelfde als de bamischijfleverancier. & De pikantoleverancier. 1 & Dezelfde persoon.

Donderdagavond alle kleren bij thuiskomst uitgetrokken. Een ietwat onwennig liet ik ’t mezelf gebeuren: ’s avonds de kleren uittrekken om ze onmiddellijk in de wasmachine te gooien & snel andere kleren aan om niet in m’n nakie in de koude keuken voor de wasmachine te hoeven staan.
Toen ik 2 uur later de pas gewassen was er uit wilde halen ontbraken mijn langmouwige t-shirts. Die vond ik terug op de plek waar ik me had verkleed. Op een hoopje. Vergeten in de haast de wasmachine te laten draaien.
Ze verlangden ernaar gewassen te worden, zo voelde ik ’t zelf ook, maar ze zouden nog even 2 dagen moeten wachten. Tot ’t moment dat er weer ruimte was in mijn schema.

Tot zover ’t weekoverzicht van Zijperspace.

wachtkamer

‘Zo, wat een drukte hier,’ zei ik bij betreding van de wachtkamer.
Om ’t ijs te breken.
Alle stoelen bezet. ’t Meisje dat voor me bij de receptie was geholpen, had een staanplaats langs de muur. Ik nam de andere muur voor m’n rekening.
Alleen ’t nederlandse stel reageerde: ‘Morgen,’ & een glimlach.
Ik haalde m’n boek tevoorschijn. Hield de 1e 5 minuten de schijn op dat ik las, om toen pas tot me door te laten dringen wat de letters zeiden.
’t Stel was aan de beurt. 2 Stoelen vrij, dus ik kwam naast ’t meisje te zitten. Schuins gluurde ik over de bladzijdes heen naar waar zij mee bezig was. Een boek over de nederlandse taal. Op de pagina waar ze gebleven was, werd besproken hoe ’t woordje ‘er’ te gebruiken.
Misschien was ik wel de enig overgebleven nederlander, bedacht ik me, terwijl ik uit m’n boek opkeek.. Schuin tegenover me zaten 3 mollige antillianen, moeder & 2 dochters zo te zien. Ze brabbelden onverstaanbare grapjes, waar alleen zij om konden lachen. Daarnaast een oude turkse man. Al stijf in de heupen, bleek toen-ie even later de behandelkamer mocht betreden. & Aan ’t eind van ’t rijtje waarschijnlijk de enige nederlandse: een oude volkse vrouw, diep gegroefd in ’t gezicht, zoals ze vroeger alleen uit de Jordaan mensen konden leveren. Oja, er was ook nog ’t meisje naast m’n buurvrouw, die zou ook wel nederlands zijn: blond haar. Maar verlegen, er kwam geen woord uit toen ’t stel de behandelkamer verliet, door de wachtkamer richting klapdeuren liep & ‘Goedemorgen’ groette.
Niemand zei zowiezo iets, behalve de antillianen. Iedereen z’n eigen wereldje, ook de antillianen. Ik m’n boek, m’n buurvrouw haar cursus nederlands. Ze haalde haar aantekenschrift erbij. Nederlandse woorden met hun vertaling. ‘Een beekje’ bleek ‘sopa’ te betekenen in haar taal.
’t Nederlandse meisje verderop in m’n rij keek om zich heen. Stond op een gegeven moment op, liep de andere ruimte in, naast onze wachtkamer, waar ’t personeel de hele tijd af & aan had gelopen. Nu hadden ze inmiddels pauze & was ’t er rustig. Ik keek wat ze deed.
Ze kwam weer terug. Met in haar blik een vraag. Ik keek naar haar vraag in de ogen. Daarom stapte ze waarschijnlijk op mij af. Of omdat ik er ’t meest nederlands uitzag.
‘Weet je waar wc is?’ vroeg ze, hoofd naar me toe gebogen, beleefd.
Daarom was ze verlegen: ze sprak de taal niet goed.
‘Weet ik niet. Misschien achter de klapdeuren richting receptie,’ wees ik.
Iedereen keek mee, niemand zei wat.

‘De heer Zijp,’ werd er omgeroepen.
Ik volgde de stem van de dame de behandelkamer in.
‘Goedemorgen,’ zei ik.
Ze gaf me een hand & stelde zich voor.
‘Ton,’ zei ik, dat van Zijp wist ze al.
‘Trekt u uw broek maar uit, onderbroek ook, & dan kunt u hier gaan liggen.’
Ze legde een nieuw doek klaar waar ik op kon liggen.
‘Mag ik ’t ook laten hangen?’ vroeg ik. ‘Anders duurt ’t zolang om m’n schoenen aan & uit te trekken.’
Vond ze goed.
’10-4-’64,’ las ze langzaam m’n geboortedatum voor.
Ik had ondertussen al de houding aangenomen die ze van me had verlangd. Ze had een handdoek eroverheen gelegd.
‘Dan wordt jij dit jaar ook 40,’ zei ze met een lach.
‘Jij ook?’ vroeg ik.
‘Ja, morgen.’
‘Oh, alvast gefeliciteerd.’
‘Dank je.’
De dokter kwam binnen. Stelde zich ook voor. Moeilijk te verstaan met ’t zoemen van de computer naast me.
‘Ton,’ zei ik weer. ‘Zijp’ voor de zekerheid er achteraan.
Hij ging aan de gang.
Toen-ie klaar was zei hij: ‘Ik ben er maandag klaar mee. Dan kunt u bellen over de uitslag. Dan kunt u zich nu aankleden.’
Hij verliet de kamer.
Ik stond op. Trok m’n onderbroek op.
‘Ga je ’t vieren?’ vroeg ik.
‘Ja,’ zei de assistente met zichtbaar plezier in de ogen. ‘Maar niet morgen.’
Ik keek vragend, terwijl ik naar beneden reikte voor m’n broek.
‘Van de week heb ik een hernia gekregen,’ vertelt ze met een lach. ‘Ik dacht: God, moet ik dat krijgen nu ik bijna 40 ben? Dus daarom doe ik ’t nu maar even rustig aan. & Dan vier ik ’t later. Vier jij ‘t?’
‘Ja, ik vier m’n verjaardag altijd. Maar m’n 40e nog even wat groter.’
‘Ik ook.’
We zeiden ’t beiden alsof we ’t vanzelfsprekend vonden.
‘Maar dan ben jij dit jaar ook op een zaterdag jarig,’ bedacht ik me.
‘Ja, lekker hè.’
‘Dan wordt ’t zowiezo extra druk.’
Ik trok m’n riem vast. Schikte de boel nog een beetje.
‘Veel plezier dan morgen,’ zei ik.
‘Dank je, jij ook straks.’
‘Goedemorgen,’ zei ik luid toen ik door de wachtkamer richting klapdeuren liep.
Er was iemand die wat terug mompelde.

We blijven de dingen groeten in Zijperspace.

deken

De zon kondigt zich al aan met een helder blauwe lucht, een enkele kleine pas gewassen wolk ertussendoor. ’t Doet ’t wit nog witter glanzen. In de flat achter m’n huis zie ik vlekken zon die de ramen van m’n bovenburen daar projecteren.
Vogels hebben nog niets te doen, kwetteren een beetje voor zich uit, timide, verveeld. Hun takken zijn bezet, hun voedsel verborgen. Een enkeling vliegt een beetje heen & weer, daarbij de takken opschrikkend, zodat deze zich nog wat sneller van ’t winters masker moeten ontdoen.
De natuur lijkt zich te schikken, te buigen bij deze nachtelijke overrompeling. ’t Had even niet opgelet, maar weet de consequenties ervan te dragen. Onder ’t gewicht neigen vele takken schuin voorover, ze geven zich gewonnen, waarschijnlijk in de veronderstelling dat dooi ze straks wel zal redden.
Als de zon zich bevrijd ziet van een wolk, maar voor mij & m’n tuin nog steeds verborgen blijft achter de flat, weerkaatst ’t landschap ’t licht als in de beste films in Technicolor. Niet te grauw, niet te somber, niet te mat, maar zacht, mild, subtiel tekenen zich kleuren af. De rode bloempjes van de appelstruik duiken olijk op tegen de overwegend witte omgeving.
Langzaamaan ontwaken de bomen, als uit een winterslaap. Ze schudden zich wakker door zich te ontdoen van klodders te zwaar wegend sneeuw. 1st Was er 1 boom die z’n takken ervan ontdeed, maar naarmate ’t lichter wordt, de zon meer vlekken vertoont op de muren van m’n achterburen, de gloed boven hun dak feller wordt, vallen er van meer bomen kleine sneeuwballen naar beneden. Zelfs de geraamtes dunne sprieten die mijn tuin afgelopen zomer vrolijk met groen & bloemen hebben gesierd, lijken weer tot leven te komen. Als een restant guldenroede zich van z’n vracht heeft ontdaan, schommelt ’t voldaan een paar tellen heen & weer. ’t Decor wordt geleidelijk aan opgebroken. Je kan de bevrijde takken hun ruggen zien rechten. Ze kijken vervolgens weer stoer de wereld in.
Sneeuw is gestold, gekristalliseerd water, besef ik me weer als ik ’t hoor spetteren op ’t balkon boven me. Vlak voor m’n neus langs valt een druppel. ’t Deken begint gaten te vertonen die recht naar beneden wijzen. Door de gaatjes heen kan je ’t grijs, ’t grauw alweer naar buiten zien schijnen. Ik zie de sneeuw al somber in elkaar kruipen. ’t Is weer zijn beurt zijn schouders te buigen. ’t Beseft dat z’n rol er alweer bijna op zit. Zodirect duikt de zon vanachter de flat tevoorschijn om m’n illusie definitief weg te nemen.
De kinderen die me daarstraks vroeg deden ontwaken zitten al lang & breed in ’t klaslokaal. Hun luide geschetter is inmiddels door de vogels overgenomen.

De wereld wordt weer kaal in Zijperspace.

klak

Alle vaders luisterden op zondag naar klassiek, maar die van mij, die van ons, naar jazz. Elke zondag weer. Daarbij ijverig in z’n jazzencyclopedie noterend, bandjes spoelend, vingers klakkend.
’t Waren er 3 of 4. Hij gooide ze de lucht in, zo ongeveer vlak boven z’n schouder. Meestal zat-ie dan wat voorover gebogen, over z’n plank. De plank waar-ie al z’n boeken op kon leggen, z’n typemachine, z’n aantekeningen kon maken. Voorover gebogen zat-ie te luisteren naar z’n muziek. & Als-ie genoot sloeg-ie met z’n vingers.

Klak.

Daaraan kon je zien dat m’n vader jong was geweest. Maar dat wisten we niet. Wij dachten juist dat ’t vertelde dat-ie oud was. Dat ’t iets was uit voorbije tijden. Wij kenden hem niet anders dan oud, dus al z’n gedragingen zouden wel gelijk zijn aan z’n leeftijd. Z’n ouder zijn dan wij.

Klak.

M’n vader vermaakte zich. Voor zich enkele aantekeningen. Of die encyclopedie. 1 Van de 2 delen. Jazzrecordings tot & met de jaren 40.
Hij richtte z’n hoofd op om m’n moeder aan te kijken. Een zoete glimlach, z’n slechte tanden nog net verborgen. Een spitse neus naar voren. Gericht op m’n moeder. Ik geloof dat m’n moeder die blik niet kon weerstaan. Ik kan me niet herinneren dat m’n vader in haar ogen ooit iets verkeerd deed op zondag.

Klak.

Z’n blik weer gericht op ‘tgeen hij mee bezig was. Jazz, genealogie, plantjes. Alles even secuur. & Toch elke keer z’n vingers die boven z’n schouders uitstegen. Een klakkerdeklakklakkende klak. 3 Vingers. Of 4. We wisten niet hoe hij de truc deed.

Klak.

We gingen naast ‘m staan. De hand gereed. Vingers uit elkaar. De andere hand erbij, om voorzichtig aan de vingers aan te geven waarvan we dachten dat die moesten klakken. Tegen elkaar aan moesten slaan. & Om ons vermoeden over ’t geluid uit te drukken. Een vinger die wijst naar ’t toekomstige geluid dat in de ene hand ligt bezworen.
Pa deed ’t voor. Nooit te veel, zodat we ’t exact konden kopiëren. Alleen om aan te geven dat ’t precies op de muziek ging. Zijn muziek. Jazz, soms ‘t Kliekske. & Met z’n oude, veel oudere vingers, waar kloven in stonden, waar z’n nagels breed stonden, de knokkels veel duidelijker dan bij ons naar buiten wezen, ’t eelt verhard, de randen grijzend of misschien wel bruin verwordend van door ons vermeende ouderdom, gaf-ie aan hoe ’t ging, dat geluid.

Klak.

Z’n hand boven de schouder. Vingers lichtelijk van elkaar gespreid. Duim lichtelijk naar voren. Gebogen naar de palm.
& Daar tussenin ergens een truc, waar wij niks van wisten.
De arm naar beneden, snel, tot vlak naast z’n middel. & Vervolgens:

Klak.

Snel op elkaar volgende vingers. Niets meer. Maar voor ons een zweepslag. Een zweepslag van geborgenheid, van zondagsrust, van op je eigen kamer zitten & de tijd van de wereld hebben om te spelen, met tussendoor een kopje soep. Een zweepslag op ’t juiste moment.
Onze vader wist alles van ’t juiste moment. Wist ook alles van jazz. Daar wilden wij echter niets van weten. Wij wilden:

Klak.

& Dan liefst van klakkerdeklakklakkende klak in Zijperspace, supersnel.

schrijf maar naar Man0

Zo kreeg ik heden ten dage een meeltje toegestuurd van iemand die geen raad wist met de hierna volgende kwestie:

Lieve Man0,

Jij bent de grootste vrouwen-man die ik ken, en in die zin de aangewezen persoon om dit te vragen: wat vind jij van lichaamsbeharing bij vrouwen? En wat is er aan de hand dat mannen een vrouw liefst zo kaal mogelijk hebben, en met een enorme vanzelfsprekendheid (en intolerantie) kunnen zeggen dat bijvoorbeeld okselhaar ‘natuurlijk echt niet kan’?

Sorry voor ’t late reageren. Op ’t moment dat ik bovenstaand meeltje binnenkreeg ging de telefoon. Ik kreeg een vriendin (om even aan te geven hoe hoog ’t gehalte vrouwen-manheid door mijn zijn stroomt) aan de lijn.
Aan ’t eind van dat gesprek hebben we gelijk even besproken wat er gedacht moet worden van lichaamsbeharing, maar wat dat betreft ben ik geloof ik roomser dan de paus, waarbij de paus de vrouw in z’n algemeenheid moet voorstellen & ’t roomse geloof de passie voor of de afkeer van (daar ben ik nog niet over uit) ’t begroeien van ’t vrouwelijk lichaam met haar.
Die vriendin vond ’t afschuwelijk: een vrouw die een ‘bos’ onder haar oksels uit had groeien, anno 2004 is dat iets dat écht niet meer kan. Misschien bij alto’s, maar bij vrouw-vrouwen toch écht niet. Zo zei ze ‘t.

Ik probeerde de vrouw met plukjes geciviliseerd haar nog een beetje te verdedigen, wist me in gedachten nog wel van een ver verleden zo’n vrouw voor te stellen (of was dat een meisje?), m’n neus wroetend in haar druppeltjes traag druipend zweet na gedane arbeid, vond ’t damals best aantrekkelijk, vooral bij zonlicht of anders iets met kaarsen of de beperktheid van studentenkamerbelichting, maar wist ondertussen dat ik dat inderdaad niet zomaar moest gaan verkondigen.
Alles moet tegenwoordig kaal, zei ik tegen de vriendin aan de andere kant van de lijn, niks mag iets van beharing vertonen zolang ’t niet boven op ’t hoofd of in de vorm van wenkbrauwen of wimpers is. Ik kan geen pornosite bezoeken of ik word geconfronteerd met frontale naaktheid in al z’n details, tenzij je zogezegd seksueel lichtelijk gestoord bent, een fetisjist bent of een andersoortige afwijkende belangstelling hebt die resulteert in een liefhebberij voor grote bossen haar op de pubis, dan kan je terecht bij daarin gespecialiseerde onderafdelingen van zo’n exploitant van plaatjesseks.

Maar goed, ik vind ’t niet meer dan normaal, haar, weet echter wel dat er een dermate grote gewenning tussen m’n oren heeft plaats gevonden dat ik, mocht ik mij in die situatie bevinden ’t te kunnen controleren, niet anders meer verwacht dan dat ik ’s ochtends vroeg, na gezellig samenzijn, niet wakker wordt met haar op m’n tong.

& Ik sta er elke keer weer verbaasd over dat vrouwen daar zo makkelijk in meegaan, er zelfs ’t voortouw in nemen. Je krijgt dan soms echt reacties, zoals genoemd telefoongesprek, dat vrouwen je voor gek verklaren omdat je er geen bezwaar tegen zou hebben. Nu is ’t inmiddels al zo ver, zoals reeds vermeld, dat ikzelf ook vreemd opkijk als ik enkele sprietjes onder de oksel ontwaar.
Men weet niet meer wat natuurlijk is, wat de functie van ’t haar op genoemde plekken oorspronkelijk is & totaal onwetend gaat men van hatsjekiedee, zet men ’t mes er in, ’t scheermes in dit geval, & ontdoet men zich van alles dat naar boswandelingen & survivaltochten riekt. & Allengs blijken zoveel vrouwen die mode van scheren te hebben overgenomen dat ’t niet meer ‘anno 2004’ is om ’t te laten staan.

Zo stond ik er ook verbaasd over dat zoveel vrouwen bereidwillig zijn een string te dragen, terwijl ik dat júist dé methode vind om de ‘reet’ van de vrouw (ik zie me gedwongen ’t zo uit te drukken) nog nadrukkelijker aanwezig te laten zijn. & Dat dient uiteindelijk om de man te bekoren. Terwijl nota bene elke vrouw met string zal zeggen dat ze ’t alleen maar dragen omdat ’t broekrandje dan niet door de stof van de rest van de kleding zichtbaar is.
Ik keek nooit naar billen, totdat ik weet kreeg van de string & de daarbij behorende appetijtelijkheden.

Misschien is dat laatste voor jou niet zo van belang, maar ik neig er een beetje naar te denken dat dit verschijnsel een zelfde oorzaak heeft als ’t verwijderen van ’t lichaamshaar. Vrouwen laten elkaar zien tot hoever ze durven gaan (ik las er vanmiddag over in de roman ‘Hajar & Daan’, waarin over scholieren gesproken werd die ‘tzelfde gedrag tentoonspreiden), vinden dat vervolgens normaal & weten uiteindelijk geheel niet meer wat oorspronkelijk & dus natuurlijk is, terwijl ze geheel onbaatzuchtig de stereotiepe blik van de man hebben bevredigd.

Ik heb daar overigens, in die 2-strijd bevind ik mezelf, lang niet altijd bezwaar tegen. Ik mag inmiddels graag kijken & genieten van ’t uitzicht, maar ik heb daarbij wel de neiging om dit te melden aan m’n vriendinnen. Ze luisteren over ’t algemeen geïnteresseerd met gespitste onthaarde oren naar mijn relaas over ’t zojuist aanschouwde strakke, van alle extra franjes ontdane lichaam.

Vrouwen in velerlei gedaantes & met evenzoveel problemen & vraagstukken kunnen altijd terecht in Zijperspace.

bekentenis

Ik dacht: ‘Nou moet ik haar naam gebruiken zonder dat ze door heeft dat ik ‘t 1st niet wist.’
& Ik keek hoe ze binnentrad, mensen gedag zei. Ik wachtte tot er een blik mijn kant opkwam & hield me ondertussen bezig met m’n werk. Pakte glazen, schonk ze vol, verlegde viltjes, verving doordrenkte, nam een bestelling op, herhaalde die om zeker te weten dat ik ’t goed verstaan had & om ’t bovendien op ritme tijdelijk in m’n hoofd te stampen, gooide een leeg pak appelsientje in de prullenbak & noteerde nog iets op een bonnetje van een klant, terwijl ik nog even snel keek of ze mij wel in de gaten had. Ik zag ‘r nog net vertrekken richting wc.
Ik ging maar ‘ns glazen halen, een onzekere inspectietocht, om info in te winnen bij Jasmijn, die duidelijk meer wist.
‘Ja, ik heb een sms-je gestuurd,’ zei ze. ‘Leuk, hè.’
‘Hartstikke leuk,’ reageerde ik, ‘maar ik weet straks toch niets te zeggen.’
‘Maar ze is nu naar de wc.’
‘Dat had ik gezien.’
Want barmannen houden alles in de gaten. In ieder geval dat gedeelte waar ze belang bij hebben.
‘Ik kwam iemand tegen,’ zei ze, toen ze van ’t toilet terugkwam.
‘Ja, we vonden ’t al lang duren voor een simpel plasje,’ zei ik dapper, de conversatie uit m’n tenen sleurend.
Waarop ze Jasmijn ging vertellen hoe ’t met haar ging.
Ik besefte me dat ik een excuus had om door te schuiven, weg te duiken van een mond vol tanden, een onhandige houding die de barman niet staat te ontwijken, wierp een blik richting bar, zag m’n collega’s bewegen & murmelde dat ik maar weer ‘ns aan ’t werk moest. Een beweginkje van ‘glazen ophalen’ & ik kon gaan.

Er zijn van die momenten dat je niet beseft hoe je iets gedaan kan hebben wat je hebt gedaan. Daarvoor worden vaak penitentiaire inrichtingen beschikbaar gesteld, bestemd voor mensen waarvan gedacht wordt dat zij zich wel héél erg niet in de hand hadden, maar de meeste handelingen die worden verricht zonder dat er een streven was, een direct bewust streven, waarbij ’t geweten voor een tel de macht over ’t stuur kwijt was, worden niet afgestraft, worden vaak niet ‘ns opgemerkt, gaan aan eenieders aandacht voorbij, behalve aan degene die van zijn eigen muis een stoet olifanten bouwt, met de slurven aan elkaars staarten gebonden.
Terwijl ik doorschoof, onderweg naar mijn bar, naar mijn werk, een massa klanten stond te wachten op mijn bediening, had ik klaar als excuus, terwijl ik me een weg moest banen uit een kluwen van mensen, waar vrouwen een groot bestanddeel van uitmaakten, & een specifieke vrouw bovendien waarvan ik sinds kort de naam wist, maar waarbij ik niet wist hoe die onopvallend te gebruiken, zonder notie, zonder overdrijving; terwijl ik doorschoof pakte ik de bewuste vrouw bij de schouders, niet zomaar 1 schouder, nee, met beide handen had ik ze aan weerskanten op een gegeven moment beet, & stilletjes trok ik aan haar rug voorbij, alsof ik haar lichaam nodig had ter ondersteuning van die beweging. Me onmiddellijk beseffend dat ik dat in ’t dagelijks leven, toch?, ik was zoiets toch niet gewoon, toch?, dat dit toch van een bepaalde mate van onbetamelijkheid getuigde die ik mijzelf niet eerder had zien doen.
Gelukkig dat niemand keek. & Zij was te druk in gesprek met Jasmijn om ook maar iets verdachts op te merken.

‘Uhm,’ begon ik verlegen.
‘Jij? Jij verlegen?’ had ze even daarvoor gezegd.
‘Ja, hartstikke soms,’ had ik gereageerd, ‘& nu helemaal, want ik moet je eigenlijk iets bekennen.’
‘Wat?’
‘Daar ga ik 1st maar even moed voor indrinken, zodirect achter de bar. Dan kom ik bij je terug als ik ’t durf.’
‘Uhm,’ begon ik dus verlegen, toen ’t zover was, de bar was dicht, er stond me niets anders meer te doen dan opruimen & wegruimen. ‘Kijk, ik schrijf elke dag een stukje tekst. & Die plaats ik dan op m’n eigen site. & Weet je nog dat je met een vriendje hier was & dat ik zei dat dat ‘m niet zou kunnen zijn voor jou?’
Een knik, een blik die dat wat komen moest uit m’n mond probeerde te trekken.
Daar tegenover een zenuwachtig hupje, een wip op ’t andere standbeen, een wenkbrauw die zich probeerde te kronkelen in de juiste plooi, een druppel die van onder de haargrens kwam jeuken over de voorhoofdsrimpels, een mond die gedwongen werd verder te gaan.
‘Daar heb ik dus een verhaaltje over geschreven.’
Was dat de hele bekentenis? Misschien, maar zo had ik er nog niets aan.
‘& Ik dacht nu dat ’t misschien wel zo eerlijk zou zijn als ik je dat stukje ‘ns liet lezen. Heb jij i-meel?’

Ik kuste Jasmijn gedag, ik kuste Jojanneke gedag. Berdien kreeg een zoen, nadat ze me aanviel in m’n nek. Ik zwaaide naar Pieke, wuifde naar Suzanne, zei dat Simone toch echt moest gaan, & moedigde amerikaanse toeristen aan hun glas te legen & buiten te wachten tot hun vriendin van ’t toilet afkwam. & Net op ’t laatste moment zag ik dat ze de deur uitging. Op ’t punt stond door de deur te gaan.
‘Doeg, Kim,’ riep ik.
Ze keek om. Blies me een handkus.
‘Nee, da’s niet echt,’ mompelde ik voor me uit.
‘Doeg, Ton,’ zei ze lachend. ‘Ik hou van je.’
Ze zei ’t echt, vlak voordat ze de deur achter zich dichttrok. Maar zulke opmerkingen zijn natuurlijk voor velerlei uitleg vatbaar.

Ach, u had erbij moeten zijn, op dat moment in Zijperspace.

principes

Voor hem was ik bang. Op een gegeven moment zou ik met hem de confrontatie aan moeten gaan. Liegen of barsten. De waarheid vertellen of die juist verbloemen, opleuken misschien hooguit.
& Nu kwam-ie bij mij de winkel in lopen. In 1 van z’n meest positieve buien. Brede glimlach, een zonnig gezicht, alsof-ie elke straal die vandaag had geschenen had opgevangen, sportief jasje, flodderig over z’n blouse openhangend.
Ik had ‘m eerder nors gezien, gehaast, een geagiteerde blik van dingen die ervoor zich hadden afgespeeld.
‘Ik heb wat lege flessen,’ zo meldde hij nu.
‘Ja, zet maar neer,’ zei ik.
Hij pakte de tas uit & ik stopte de flessen in de daarvoor bestemde kratten, telde ondertussen ’t statiegeld. Terwijl m’n blik bevangen werd door de grote hoeveelheid Leffe Tripel die retour kwam. Meer dan gewoonlijk. Slechts een paar Duveltjes.
Ik had van de week nog een opmerking gemaakt naar collega Jan. Dat we Leffe Tripel ook niet meer in ’t schap hadden staan. Blond & Bruin wel, want die waren op grote fles leverbaar, maar dat was voor de tripel niet ’t geval. Radieuse mocht wel in kleine fles verkocht blijven worden omdat ’t een uniek bier was, maar de tripel zouden we gewoon niet meer aanbieden; was dat de bedoeling?
& In m’n achterhoofd doelde ik met m’n vraag op deze man. Ik wist dat-ie ooit weer de winkel in zou stappen.
‘Je hebt totaal € 1,40 statiegeld,’ riep ik de man na die tijdens mijn tellen verder de winkel in was getrokken. ‘Dan kunnen we ’t samen onthouden.’
& Ondertussen hield ik met een schuin oog in de gaten welke kant hij op zou gaan. Hoewel dat niet nodig was: ik wist ’t toch wel.
Hij bleef stilstaan. Keek naar de bovenste plank. Een leemte, ik zag precies voor me waar hij die leemte lokaliseerde.
‘Ja, we hebben geen Leffe Tripel meer,’ zei ik luid.
‘Ik kon ’t al niet vinden,’ zei hij. ‘Krijgen jullie van de week weer binnen?’
Dit was de crux. Hier ging ’t om. Rechte rug of slap voorover buigen. Mond open of naar lucht happen. Mee lachen of hem serieus van uitleg voorzien. In de ogen kijken of zeggen dat ’t een plannetje van m’n collega was.
‘Nee, we zijn ermee gestopt,’ zei ik.
Een weg van geen terugkeer, hoorde ik mezelf denken. Heldhaftige muziek zwol aan.
Ik keek ‘m aan. Met een glimlach. Beetje bravoure in m’n houding: de kassa-miep doet stoer.
‘We wilden ‘ns van Leffe af. ’t Wordt gemaakt door Interbrew. & Dat is verneukeratief voor de belgische biercultuur. Interbrew is al jaren de grootste. Koopt kleinere brouwerijen op. Om ze daarna te slopen. Zo ook hun bier. Al dat bier wordt zoeter, als ’t door Interbrew gebrouwen wordt. We wilden dus weer ruimte creëren voor de kleinere brouwerijen. We vonden dat die meer de aandacht moesten krijgen van ons. Dan blijft ’t aanbod speciaal. Dan blijven wij speciaal. Vinden we belangrijk.’
‘Dus ook geen Blond of Bruin?’
‘Die hebben we alleen nog op grote flessen. Daar sta je nu voor.’
‘Nee, dat hoef ik niet. Maar wat staat daar dan? Die rode fles?’
‘Dat is Leffe Radieuse. Een perfect bier. Is gebrouwen zoals de brouwer dat zelf wil. Gewoon een kwaliteitsproduct, geen concessie naar de verdergaande vervlakking van de smaak.’
‘Wat is ’t dan?’
‘Een heel fruitig biertje. Beetje bruinrood van kleur. Complex, je proeft meerdere dingen tegelijk. Mooi bier. Niet zoet.’
‘Nee, dan hoef ik ’t niet.’
Hij kwam weer terug naar de kassa. 3 Flesjes Duvel in z’n hand.
‘Ja, we proberen hier af & toe ook nog principieel te zijn,’ legde ik verder uit, glimlach ter ondersteuning, ‘want als wij ’t niet doen, de supermarkten doen ’t zowiezo niet.’
Hij glimlachte terug. Hij was nog steeds in een goed humeur, ik had op ’t juiste moment geschoten, correcte lading.
‘Statiegeld was € 1,40,’ sloeg ik aan op de kassa. ‘Dan wordt ‘t € 2,80 alsjeblieft.’
Hij betaalde, stopte z’n flesjes in z’n tas & vertrok.
‘Nu hebben we nog meer ruimte voor heel speciale bieren,’ verpestte ik ’t op ’t laatste moment, om toch nog even in vertrouwen wat extra communicatie te hebben, om geen afscheid te hoeven nemen van zelfgenoegzame principes die ik met verve wist te verantwoorden richting klant.
Een laatste blik achterom terwijl hij de deur achter zich sloot. Een frons op z’n voorhoofd.

De heldhaftige tonen waren verworden tot armetierig tromgeroffel in Zijperspace.

overzichtelijk

Er viel iets. Op de grond. Zo klonk ‘t in ieder geval. Een plof op m’n vloerbedekking.
Mijn oren zijn gespitst op dit soort geluiden. Gewoonlijk hoor ik ook ’t verschil tussen een dubbeltje & een stuiver dat uit de portemonnee op de grond valt. Klant aan de andere kant van de toonbank duikt met z’n blik achter de flits van ‘t muntje aan, met de vraag op z’n gezicht getekend hoeveel armer hij wordt als-ie ’t weg laat rollen, tussen de fusten, onder de planken door. & Ik geef geruststellend aan dat ’t slechts om een duppie gaat.
Vallende objecten dus, daar ben ik in gespecialiseerd. Waarom eigenlijk? Wil ik meteen weten waarover de controle verloren is & wat de consequenties daarvan kunnen zijn? Ligt er misschien aan ten grondslag dat ik de wereld overzichtelijk wil houden, in staat blijf ‘t te kunnen behappen, zich niet voordoet als een jungle van onbekende geluiden?
Er viel een stukje. Ik dacht onmiddellijk: dat komt uit m’n dubbelgeslagen boterham vandaan.
Want: dat is me al vaker gebeurd met salami als beleg.
Want: ’t geluid komt van onderen tot mijn oren, niet van ver weg.
Want: ’t klinkt dof, dus heeft de vloerbedekking ermee te maken.
Want: er is geen alternatief, hier in ’t huis waar ik de enige ben die de dingen beweegt, de dingen tot beweging aanzet.
Ziet u: ’t leven is overzichtelijk. Er zijn niet veel elementen die noemenswaardige invloed op de verandering der dingen kunnen hebben, een verandering van positie, een verandering van vorm, of een verandering van hoedanigheid. Ik ben almachtig, behalve over ’t dierenrijk, maar die negeer ik, vooral uit angst voor de angst.
Om de laatste opmerking even nader uit te leggen: ratten & muizen bestaan bijvoorbeeld niet hier, tenzij ze zich daadwerkelijk voordoen. Dat maakt weliswaar m’n angst groter zogauw zij zich wél laten zien, maar gedurende de tijd van ’t niet verschijnen waan ik mij in ieder geval in een schijnbaar veilig universum. Af & toe lastig gevallen door fantasieën & nachtmerries, helaas dat is de consequentie, maar daar is ook wel mee te leven, zo houd ik mezelf voor.
Ik ging dus zoeken, stukje brood in m’n hand. Tilde de meubels op, in zoverre ze zich daarvoor lenen. Wist ondertussen hoe ’t er uit zou moeten zien. Ongeveer dan, want ’t kon een hele plak zijn, maar ook een reeds behapt stukje, een stukje waar ik m’n tanden al in had gezet. Maar zeker niet te klein, want dan krijgen we weer een ‘want’, want zo klonk ’t niet.
Zo kan een dubbeltje nooit een stuiver zijn, & zeker niet een hele euro. Die vertonen andere geluiden.
Ik ben net niet op m’n knieën gaan zoeken, dat leek me te veel gevraagd. Ik was tenslotte nog met m’n ontbijt bezig. Ik had de helft van m’n boterham nog in m’n handen (waar waarschijnlijk een stukje salami aan ontbrak). Dat ik naar ’t raam was gelopen om in gedachten & al etend naar ’t leven buiten te kijken, dat vind ik tot daar aan toe, maar voor de rest dient ’t ontbijt genuttigd te worden met iets eronder, zodat de kruimels opgevangen kunnen worden. Of stukjes salami die tussendoor de dubbelgeslagen boterham glippen.
Ik kon ’t niet terug vinden. ’t Lag niet tegen de rand van de prullenbak, niet onder m’n schoen die klaarstond om straks gedragen te worden, niet onder de stoel voor m’n computer & niet onder ’t randje van de kachel, ook niet tussen de wirwar van draden die mijn leven de hedendaagse luxe & randvoorwaarden van mijn bestaan bieden.
Dus gaf ik ’t op. Ik stak ’t restant van de maaltijd in m’n mond & ben gaan schrijven.

Zodat men weer op de hoogte is van de laatste ontwikkelingen in Zijperspace.

reünie

Ik zette m’n fiets voor ’t raam. Schuin, waardoor ik meteen naar binnen keek. Ik herkende Henriëtte onmiddellijk. Zij moest echter even beter kijken wie haar gedag zei vanonder een groene pet.
Ik liep naar binnen. Zei m’n gewoonlijke ‘Goedenmiddag’, met de hand ½ geheven naar Wieger. & Keerde me vervolgens meteen om naar Henriëtte.
‘Hoi, Henriëtte.’
Vooral om meteen te laten blijken dat ik haar naam niet vergeten was. Juist omdat ik daar vaak wel last van heb. Als genoegdoening voor mezelf. Zie je wel dat ’t nog werkt, dat geheugen. Om die constatering even later te ontnuchteren door vast te stellen dat ik alleen nog namen weet van mensen van een bepaalde periode. Een bepaalde periode in m’n jeugd.
‘Kom er even bijzitten,’ nodigde ze me uit.

‘Jij had een leuke tekst op de reünie-site,’ merkte ze op.
‘Oh, was dat niet 1 van m’n broers?’
‘Ik dacht dat jij ’t was.’
‘Ja, ik zal ’t wel zijn geweest. Ik ben nl veel grappiger dan m’n broers.’

‘Ik had wel zin om er heen te gaan,’ zei Henriëtte, ‘maar toen ik op de lijst keek, zag ik heel weinig mensen van mijn tijd staan.’
‘Ja, dat is waarom ik me zowiezo opgeef,’ zei ik. ‘Want als niemand zich opgeeft, dan denkt iedereen de hele tijd dat er niemand van ‘tzelfde jaar zal komen.’
‘Da’s ook wel waar. Maar ben jij op de laatste reünie geweest?’
‘Nee, dat wist ik veel te laat.’
‘Ik wel. Er was maar 1 persoon aanwezig van mijn jaar. & Dat was bovendien iemand die ik altijd probeerde te vermijden.’
‘Eigenlijk ben ik ook wel bang dat dat mij zal gebeuren.’
Maar ik heb altijd m’n broers nog, dacht ik er achteraan.

‘Ik wil Sieger wel ‘ns zien,’ zei Henriëtte. ‘Die heb ik geloof ik al 20 jaar niet meer gezien.’
‘Nou, die is wel dikker geworden,’ zei ik plompverloren.
‘Oh, jij hebt ‘m nog wel gezien?’
‘Nou, ja, dat moet ook alweer 2 of 3 jaar geleden zijn. Hij was in ieder geval wat in de breedte gegroeid. Maar je hebt ‘m 20 jaar niet gezien?’
‘Ach, ’t kunnen er ook 17 zijn, of 18. Dat weet ik niet precies. Toen woonden we samen. & Daarna ging hij terug naar Den Helder.’
‘Ja, ik ben nog wel ‘ns langs geweest bij jullie. In de Jordaan.’
‘Hij woont volgens mij tegenwoordig in Hypolytushoef.’
‘Oh ja, dat kan best wel kloppen. Schrijft daar voor ’t Noordhollands Dagblad. ’t Moet al een paar jaar geleden zijn dat ik ‘m heb gezien. Want zo vaak kwam-ie niet meer in Den Helder, dacht ik. Maar hij was wel dikker geworden.’
Ik ook, dacht ik erbij, maar bij mij schijnt ’t niet op te vallen.

‘M’n vader zit nu in De Koogh,’ zei ik.
‘Oh, daar gingen we een hele tijd koffie drinken. Even naar de overkant tijdens de pauzes. Toen vonden we ’t op ’t Joco saai. Een clubje vriendinnen.’
‘Ja, kan ik me nog wel herinneren.’
‘Met Ariska & zo. & Micha.’
‘Ik ben Ariska laatst nog tegengekomen.’
Haar handen onder ’t exceem. ‘Psoriasis’ zei ik, want ik wist wat ’t was.
‘Heb je te veel stress?’ vroeg ik toen.
‘Dat zou best kunnen,’ zei Ariska. ‘Maar ik wordt er gek van.’
Ze wreef over haar hand. De hand die bedekt was door een dunne witte handschoen.
‘Ik kan bijna niet slapen van de jeuk. Nu ga ik naar de specialist. Heb een beetje bombarie gemaakt, waardoor ik eerder aan de beurt ben. Ik kan m’n werk niet doen. Ik kan toch geen kindertjes de wereld opbrengen met van dit soort handen. Da’s niet fris.’
Ze had nog wel de twinkeling in de ogen. Die nog steeds zeiden dat er een gekke opmerking kon volgen, of dat ze me beet zou pakken, maar nu met een zweem van treur. De energie was er een beetje uit.
Toen haar tram eraan kwam, pakte ze me inderdaad vast: ‘Nou, schat, ik moet gaan.’ & gaf me 3 zoenen. Van die klinkende.

‘Ik ging vooral altijd met die 2 zusjes om’ ging Henriëtte verder.
Ze noemde 2 namen.
‘Ja, volgens mij heb ik 1 van hen pas nog in de Melkweg gezien.’
‘Dat moet Micha zijn geweest.’
’t Kan ook zijn dat ze Monica zei, of Maartje. ’t Waren geen meisjes waar ik mee omging. Maar zusjes waren ‘t, dat wist ik, met zwart haar.
‘De Melkweg was voor haar jarenlang haar 2e huis,’ zei Henriëtte.
‘Ik heb nog een tijdje met ‘r staan praten.’
Maar waarover, vroeg ik me af. Zij maakte een grappige opmerking, dat wist ik nog. Beetje cynisch. & Om mezelf een houding te geven had ik er om gelachen. ’t Was me vooral opgevallen dat ze ouder was geworden. Zware kraaienpoten, die ze nog steeds eigenwijs met eyeliner probeerde weg te poetsen. & Een kapsel dat ik niet kon plaatsen. Dat wist ik nog: een kapsel dat ik niet kon plaatsen.
‘Ik zie haar nog vrij vaak,’ zei Henriëtte.
Dan zal ik ’t maar niet meer over die ontmoeting hebben, dacht ik.

‘Je bent dus nog vrijgezel?’ vroeg Henriëtte.
‘Ja, & ik vermaak me prima,’ zei ik. ‘Ach, af & toe een beetje seks heb ik wel behoefte aan, maar sinds een aantal jaar ben ik wel tevreden met m’n vrijgezellenbestaan.’
‘Ja, jij was altijd wel een einzelgänger.’
Dat vond ik zelf ook, maar dan vooral omdat ik me eenzaam voelde. Dat moest dus ontkend worden. Of gerelativeerd. Eenzame einzelgängers bestaan niet.
‘Nou, ik zat anders altijd bij geel beneden tussen allemaal meisjes in. Ik was de enige jongen in een groep van 10, 15 meisjes. Zo is ’t nog steeds.’
Zo, dacht ik, nu ben ik niet eenzaam meer, maar nog wel een einzelgänger. Maar dat weet Henriëtte niet.

‘Ik betaal Ton z’n biertje wel,’ zei Henriëtte tegen Wieger, de barman. ‘Ik nodigde ‘m uit om bij me te komen zitten.’
Wieger keek me aan: ‘Laat jij je door de vrouwen trakteren?’
‘Wieger, ik ken alleen maar dames.’
Ze lachte. Wieger een brede glimlach.
‘Dan zie ik je wel op de reünie,’ zei ze toen & keerde zich om.
‘Zo, ga ik nu even een spelletje spelen in de kelder,’ zei ik tegen Wieger.

Weer even lekker in m’n eigen Zijperspace.