Ontdooid

’t Brood is nog niet ontdooid, dus ik heb nog even.
Hoewel ik betwijfel of ik daadwerkelijk wel tijd heb als ik mezelf een rijtje voorspiegel van wat ik (nu nog) in deze dag wil stoppen.
Kriebel in de keel doet zich niet gelden & als ik ’t vergelijk met voorgaande jaren lijkt de loopneus mijn lichaams antwoord op ’t herfstige verschijnsel van de boom verlatende blaadjes. Dat betekent dat buiten een mogelijkheid is & dat ’t volgens onze MP tot 6 uur nog niet zo streng is daar.

Ik heb dus in m’n hoofd al kilometers gefietst, div parken & bossen bezocht, bomen betast & gallen geregistreerd, zonder daar bewust allitteratie bij te willen combineren. ’t Is mooi meegenomen, dat laatste, maar ik spreek mezelf toe dat ik beter niet kan dromen & met mezelf oreren, want ’t leven duurt, de dag nog meer, tenslotte niet al te lang. & In die korte tijdspanne wil ik ook nog even kringloopwinkels inspecteren op de aanwezigheid van natuurboeken.
Routes worden intern gevisualiseerd, & doordat Maps al zo vaak hier is gebruikt. worden vroege suggesties automatisch aangepast omdat ik fietsend A’dam toch zeker beter ken dan zo’n verreweg satellietjesnetwerk.
Al mijmerend & tijd verdoend. Ik had er al kunnen zijn.

Hoewel, m’n brood…
’t Is jammer dat ik ‘m altijd als is ’t een taartje moet beleggen. ’t Zou zeker 5 min schelen als ik gewoon kaas op de met boter besmeerde snee zou leggen, dubbel zou vouwen & na gedane vreetarbeid ’t huis zou verlaten.
Maar nee, hier moet er van-alles-wat op gelegd & gesmeerd worden, zodat ’t een perfecte combi wordt van smaak & voedingswaarde. & Die gelaagdheid, waarbij de afzonderlijke elementen ’t nut niet kunnen inzien van aanwezigheid van zoveel concurrentie, zorgt ervoor dat ’t in alle rust genoten moet worden, want anders burpt de boterham ipv ondergetekende consument.
Ik heb er ooit over nagedacht & ’t uiteindelijke tevoorschijn gekomen concept ongemerkt uitgebreid & geperfectioneerd, waarbij ik ’t resultaat van z’n ingrediënten lekkende boterham over ’t hoofd heb gezien.

Maar goed, ’t broodje lijkt ontdooid.

Laat de dag maar beginnen in Zijperspace.

Jeweetwel

Zoals elke ochtend dat ik de deur niet uit hoef, eet ik veel te laat. Ondertussen is ’t m’n 3e & leef ik in een ander tempo. Vroeg opstaan helpt niet. ’t Hongergevoel kan ik ondanks zo’n maatregel evengoed uren ontkennen. Ik heb genoeg te doen, word continu afgeleid & vlak voor ik dan toch écht op wil staan uit mijn stoel, besluit ik om te kijken of er nog mail of nieuws heet van de plank klaar ligt.
Wat opnieuw uitstel betekent.

Meestal niets heets dus, plankwijs.
Als je niet precies weet wat de wereld zou moeten horen, vergeet diezelfde wereld dat je ergens anders verkeert. Niet erg, want dan kan ik me concentreren & daardoor lekker zelf dat ontbijt vergeten. Want naarmate ’t uitstel duurt, wordt de hongerroes groter. Je voelt steeds minder, alleen ’t wazige van eerder op de dag wakker te zijn geworden gaat steeds meer overheersen, nogmaals uitvergroot.

Plus al die dingen waar ik me in verdiep. Die krijg ik gratis kado. Ze slepen me mee. Er gaan steeds deuren open, terwijl ik de deuren naar buiten nog hermetischer sluit, om mezelf te laten zien dat er nog veuls te veul vragen zijn die ik nog moet bestuderen & dat er orde geschapen moet worden in mijn overzicht van wat ik begrijp.
Als ik m’n archief van eerder als onbegrijpelijk te boek staande aantekeningen zou laten printen kan ik beter zelf een deugdelijke nieuwe printer kopen.

3 Dagen binnen dus. Zelfbewuste lockdown vanwege neus die loopt.
Terwijl ik denk dat ik misschien wat frisse lucht nodig heb, dat m’n stoffige huis de loop veroorzaakt & dat ik de benen beter geschikt vind die taak over te nemen van de neus, merk ik dat tijdens dat korte uithuizig zijn juist dan de verschijnselen zich in alle ernst voor gaan doen.
En plein public van mensen onderweg naar de Super ben ik dan bewust van elke veeg die ik met m’n hand richting lopend snot geef. Alsof straffen, maar heimelijk zoals ouders hun kinderen in ’t openbaar openbaar proberen terecht te wijzen. Ter voorkoming van openbare wijzende blikken vol verwijt.

Ondertussen gebeurt er veel ondanks mijn gebrek aan beweging. Anderen zitten niet stil & zorgen er voor dat ik begeleiding voor geestelijk kreupelen krijg. Een ‘maatje’ heet één van die mogelijkheden nu gerealiseerd. Die kan straks dan koffie met me gaan drinken. Of een wandelen, kuieren, welk werkwoord ik belief.
Klinkt leuk, uitdagend, of eigenlijk geruststellend, maar dan moet daar halverwege m’n aangezicht eindelijk eens gestopt worden met die vloeibare jeweetwel.
Als je er een zakdoek tegenaan drukt is er niets van terug te vinden. Wrijf je gedachteloos langs de neus dan zit je vinger onder ’t vocht.

Binnenkort misschien een test doen & dan vragen om een schriftelijk bewijs dat ik toestemming heb om buiten te zijn, aangezien ik snot & kriebel toch ook uitlaten moet.

Alsof ’t de huisdieren zijn van Zijperspace.

Houdini

Ondertussen heb ik wel door dat een toevallig passerende vlieg niet vanzelfsprekend een doorsnee vlieg is als ‘huisvlieg’ (wordt ook wel ‘kamervlieg’ genoemd), ‘strontvlieg’ of, redelijk moderne tendens bij ’t benoemen, ‘fruitvlieg’.
Nou zijn de 1e voorbeelden daadwerkelijk soorten. Ze hebben een eigen, wetenschappelijke naam. Op dezelfde volgorde: Musca domestica & Scatophaga stercoraria. De fruitvlieg is onder te verdelen in meerdere fruitvliegen (Drosophilidae), waarbij de in NL meest bekende de bananenvlieg wordt genoemd & de uit Japan afkomstige invasieve exoot de Suzuki’s of de Aziatische fruitvlieg hem tegenwoordig gezelschap houdt bij ’t doorboren van de schil van diverse soorten fruit.

Maar ik weet dus ondertussen dat als ik een willekeurige vlieg fotografeer, ik er beter niet vanzelfsprekend vanuit moet gaan dat ik de huisvlieg tot stilstand heb bedwongen. Wikipedia heeft me al lang geleden laten weten dat de sterk gelijkende kleine kamervlieg (Fannia canicularis, waarbij ‘Fannia‘ al aangeeft dat-ie tot een andere familie behoort) gemakkelijk verward kan worden met de eerstgenoemde, die zijn soortnaam laat beginnen met ’t familiegedeelte ‘Musca‘.

Sterker nog, ’t gebeurt me regelmatig dat ik denk er 1tje voor me te hebben die enigszins verschilt van wat ik eerder heb gezien.
Je neemt in zo’n geval dus een foto, gooit de redelijk goede identificatie-app ObsIdentify (door regelmatige gebruikers inmiddels ‘Obs’ genoemd) er overheen, & krijgt vervolgens te horen dat ’t niet verder op naam te brengen is dan ‘Fannia spec.’. Waarbij ‘spec.’ zoveel wil zeggen dat ’t niet op soortnaam te brengen is.
& Dat ’t van stront houdt, maar daar wilde ik ’t even niet over hebben. Er zijn momenteel belangrijker dingen om te vertellen.

Dus ik had een aha-erlebnis bij ’t zien van zo’n dertien-in-een-dozijn-vlieg toen ik iets in m’n keuken zag rondvliegen. Aangezien ik een leesbril zou moeten dragen als ik al dat pietepeuterige dat zich door de mens insect laat noemen wil onderscheiden als iets dat meer is dan gewoon een vlek, neem ik ’t risico niet iets verrassends te hebben ontmoet & daaraan voorbij te zijn gegaan, & maak, indien mogelijk, daarom een foto. Dat gaat vaak sneller dan ’t zoeken naar de genoemde bril, ook al ligt-ie in 5 versies verspreid over m’n woning.

Dat leverde mbv van Obs de Houdinivlieg als uitkomst op. Met een in dit soort situaties gegeven zekerheid van juiste herkenning tegen de 100%.
’t Spijt me, maar ondanks dat er op aan ObsIdentify gerelateerde website werd vermeld dat deze vlieg ‘vrij algemeen’ is, was ik me niet bewust van een eerdere ontmoeting, in levende lijve noch in enige informatievoorziening over ’t beestje.

Helaas kreeg ik slechts 1 pagina zoekresultaat toen ik op z’n naam naar meer wetenswaardigheden ging zoeken. Waarbij elke voorgeschotelde link me niet meer opleverde dan de bevestiging van ’t bestaan van deze schijnbare vliegversie van een ontsnappingskunstenaar.

Maar natuurlijk ook z’n wetenschappelijke naam: Cacoxenus indagator.
Z’n soortnaam blijkt in archaïsch engels te staan voor ‘investigator’. Dat dit niets te maken heeft met de man die zijn naam aan de NL-betiteling van deze vlieg heeft gegeven, komt waarschijnlijk doordat Houdini nog ter wereld moest komen toen de wetenschappelijke naam al was geboren.

Verder speurwerk leerde dat dit vliegje een broedparasiet is van de Gehoornde metselbij. Als die laatste even niet oplet, legt de Houdinivlieg eitjes in een broedgang op stuifmeel dat eigenlijk bestemd is voor de kleintjes van de metselbij. De Houdini-ei komt echter eerder uit & eet als larve een groot deel van de voedselvoorraad op.
Aangezien de metselbijlarve zodoende niets anders te eten heeft dan de uitwerpselen van de vlieg, sterft deze. & Uit de nestgangen bevrijdt de van larve tot imago ontwikkelde profiteur zich aan ’t eind van ’t groeiseizoen als Houdinivlieg.

Alleen ’t tijdstip van verschijning roept nog vragen op in Zijperspace.

Botox

Vreemd blijft ’t dat ik goed ben in ’t plannen van m’n aankomst, maar slecht in ’t plannen van m’n vertrek. Op ’t laatste moment thuis bedenk ik dat ik binnen 5 min m’n tanden moet poetsen, m’n kleren aan moet trekken & daarbij rekening moet houden dat ik vast wel weer op ’t laatste moment naar de wc zal moeten.
Dat is dan 1 van 2 redenen waarom ik iedereen voorbij schiet in ’t verkeer, geen meter probeer te verliezen in bochten en schuin oversteek als ik m’n weg aan de overkant moet vervolgen.
De 2e is dat ik niet anders kan. Er zit vuur in m’n fietsbenen.

Dus kwam ik precies op tijd & hoefde ik niet buiten te wachten tot de exacte tijd van afspraak aan zou breken. Covid regeert.
Nr 50 werd sinds 1 september door ’t nummerschermpje definitief vertoond, leerde ik van een A-4tje aan de muur: voortaan verplicht online de afspraak te maken plus alle andere regels die ik via dezelfde weg uit m’n hoofd had geleerd.
Ondanks dat was er nog 1 wachtende voor me, zo te zien.

‘De heer Zijp,’ werd er evengoed onverwachts geroepen.
Zo nauw hoefde een wachtende ’t toch niet te nemen met de regels.
Ik had geen woord in m’n boek kunnen lezen. Die moest snel terug & m’n mouw (wilde ik links of rechts; welke ader deed ’t ook alweer altijd goed?) opgestroopt.
Routineus plofte ik mezelf in de stoel met schuin hangende armbeugels op ’t moment dat tegelijkertijd je geacht wordt iets te overhandigen aan de bloedprikker.
‘Shit, labbriefje vergeten,’ verzucht ik als verklaring voor m’n gezicht dat in de war zit.

100 Meter voor ik weer aankom check ik hoe lang ’t me heeft geduurd. Precies een kwartier, zoals ik vergoelijkend had verklaard bij vertrek.
‘Doe rustig aan,’ had hij gezegd.
Maar hij kent ’t verhaal van m’n fietsbenen niet, noch die van de wegen die scheef staan in mijn optiek & niet recht.

Zo routineus daarnet mijn ploffen, zo ongemakkelijk nu mijn zweet.
‘Pff, & nu begin ik te zweten.’
Hij zal me nu wel onder de zuchters scharen. Hen die altijd iets ongemakkelijks voelen & dat moeten uiten indien iemand in de buurt.
‘Van ’t fietsen?’ vraagt-ie.
‘Ja, maar ik zweet altijd veel. Ik ben ’t gewend.’

Terwijl hij mijn buisjes plus de juiste stickers selecteert (‘O, je moet nog even dit invullen,’ tussendoor als opdracht voor mij), noemt hij ’t woord ‘Botox’.
‘Dat helpt als je veel zweet,’ legt-ie uit.
‘Nou, ik heb van de week Famke voor ’t 1st gezien, met haar lippen…,’ probeer ik te vertellen.
Maar hij onderbreekt me: ‘Nee, dat is iets anders wat ze in lippen doen. Dat helpt niet tegen zweet.’
Hij geeft ’t middel van Famke een naam. Z’n licht buitenlands accent maakt ’t woord voor mij ongrijpbaar. Ik vermijd ’t door verder te gaan over Botox.
‘Hoe werkt Botox dan bij zweet?’
”t Blokkeert de zweetklieren,’ legt-ie uit. ‘Ik heb last van zweet onder m’n oksels, daarom weet ik dat. Ik laat me er aan behandelen. 1 Keer in de 3 maanden. Dan is ’t uitgewerkt.’
M’n bloedstroom belandt ondertussen in de buisjes. Ik merk die van m’n zweet al niet meer op.
‘Hoeveel kost zo’n behandeling dan?’
‘Ik denk zo’n € 400,-.’
Zo vaak laat-ie dus niet z’n oksels behandelen. Anders had-ie ’t bedrag tot achter de komma kunnen noemen, denk ik ’t salaris van een bloedprikker te kunnen inschatten.
‘Dat is voor mij al bijna de helft van wat ik elke maand krijg,’ sluit ik ’t onderwerp.
Niet bewust. Maar ik had wel kunnen bedenken dat daarna niemand zou durven reageren.

Zijperspace blijft voorlopig gevuld met eerlijk verdiend zweet verkregen van de snelste route.

Posttroost

Telefoon.
Net nadat ik wakker word van een namiddagdut. Doodop in slaap gevallen van voor de naderbij komende regen uit proberen te fietsen.
De 1e 2 zinnen versta ik wel, maar registreer ik niet. Dat de stem verkeerd klinkt komt wel aan.
‘De hond is weggelopen.’
‘De oppashond?’
‘Ja, wil je helpen zoeken? Ik ga nu naar ’t Flevopark.’

Snel weer aangekleed. M’n shirt nu nog maar lichtjes nat. 2 Biertjes mee voor als we straks weer opgelucht kunnen zijn. Koelelementen om dan niet geforceerd te hoeven zuchten. Je moet overal aan denken om straks de paniek voorbij te zijn.

Na een ronde in ’t Flevopark toch maar bellen, want nog geen zoekende hond gezien.
‘Gevonden,’ klinkt ‘t. ‘Hij staat voor z’n huis.’
Niet in ’t Flevopark dus, vraag ik dom om bevestiging dat ik op de verkeerde plek ben.
Ze geeft ’t adres door.
‘O, dan moet ik weer terug,’ constateer ik opnieuw overbodig.

Ik stuur een bericht dat ik voor de deur sta. Vreemde deur, maar zij komt ondanks dat toch te voorschijn.
Als ze open doet, komt de spanning los. De paniek van afgelopen uur. De verantwoording voor de hond van iemand anders doen oogrimpels all over the place verschijnen. Ze persen de tranen die bedwongen willen worden toch naar buiten.

Ik stap op haar toe, doe mijn armen wijd. Over haar schouders die nog bezig zijn met schokken.
Ze zijn hoekig. Met mijn armen die aanraking van anderen ook niet meer gewend zijn voegt ’t niet.
‘Oja,’ schiet ’t hardop bij me te binnen, ‘afstand houden.’
Armen laten fluks los. Schouders voegen zich weer naar ’t alleenlichaam.

Maar bij een volgende vloed van naweeënde paniek wrijf ik zacht met m’n vingers over haar wang. Die hebben hun herinnering over hoe dat moet nog niet losgelaten.
Troost ontvlucht ’t lichaam niet, waag ik te denken.

Je moet er alleen niet vol mee in de aanval tegen tranen na een periode van geheelonthouding in Zijperspace

Nuvveus

Momenteel werkt ’t nu 1maal zo dat als ik iets gedwongen moet doen, & dan met name iets waar ik niet sterk in ben, of wat ik doorgaans probeer te ontwijken dan wel iets wat in nog grotere kopzorgen zou kunnen uitlopen, dit resulteert in buitengewone stress die neigt naar hyperventilatie. Ik ga rondjes lopen, in zoverre dat mogelijk is in mijn met boeken gevulde binnenshuis, slaak van diep uit m’n lichaam komende zuchten & gooi mijn gedachten in een continu herhalende loop (engelse uitspraak).

Een cv opstellen was ditmaal de oorzaak. Weliswaar had ik die al grotendeels eerder samengesteld, maar er werd gevonden dat er een opknapbeurt nodig was.
‘tGeen waarschijnlijk terecht was, maar geenszins een welkome suggestie. Opschrijven wie je bent, gestaafd door behaalde diploma’s, werkervaring die door naam & toenaam waren na te gaan, plus achtereenvolgende hobby’s & kwaliteiten. & Dat opgesmukt in een modern jasje dat men tegenwoordig een template noemt (engelse uitspraak).

Ik raak dan vast in de techniek. Hoewel ik veel schrijf, ben ik slecht bekend met de veelzijdige trucjes die mogelijk zijn binnen de verschillende onderdelen van word (engelse uitspraak).
Ook vast in de regels. Waar je naam moet staan, waar de opleidingen. Van lang geleden naar onlangs of juist andersom; wanneer welk vrijwilligerswerk & uitgedrukt in procenten; in welke mate ben je die 7 talen machtig?
Cut!
(NL-uitspraak)
(na een korte pauze)
(gevolgd door een volgende)

Die volgende duurde dermate lang dat ik een dag rust moest nemen. Sommige mensen noemen dat een overdosis aan prikkels. Ik kan ’t niet anders onder woorden brengen dan dat ik niet meer bij mezelf terecht kan.
Men mag mij van alles vragen, maar hoewel ik weet dat ik ’t antwoord in m’n hoofd heb, ’t achterliggende verhaal desnoods klaar heb liggen ergens van binnen: ik kan de knop van de la niet vinden waar ’t uitgebreid beschreven opgeslagen ligt. & Zelfs als ik de kladjes met de uitgebreide notities toch tevoorschijn weet te toveren, vraag me niet hoe, plots spreek ik de taal van al ’t geschrevene niet meer.

Dus vraag ik me op zo’n moment af of mijn zijn nog wel functioneert, of mijn ik wel in geschreven woorden bestaat. Waar is ’t begin van mij als ik ’t 1e woord niet kan vinden, vraag ik mezelf.
Waarbij ik die vraag wél kan formuleren, zie ik geen verhaal, woorden noch interpunctie, om in staat te zijn mijn taal te spreken zodat verteld kan worden waarom ik niet daarover spreek.

Ik banjer in cirkels. Loop denkrondjes. & Voel, daar waar ik uitspook in die spaarzaamheid aan gedachten, nagenoeg niets dan: ‘Stop.’

Welke taal ik maar wil in Zijperspace.

Getypt

Ik heb mezelf een groot deel van de dag vermaakt met typen. Daar heb ik vervolgens een onprettig gevoel in m’n rug aan overgehouden, maar dat had ik er bij elke scheut toch evengoed best voor over.
Dus bij ’t zoeken naar ontspanning bleef mij niets anders over dan mijzelf op de bank te leggen, weliswaar in de hoop dat de nek niet op zou spelen, maar vooral met als uitgangspunt dat de rug er baat bij zou hebben & dat op zou wegen tegen ander euvel. Zeker aangezien die zich toch nog moest ontwikkelen tot een onaangename gradatie van pijn, stijf of lastig.

Helaas had ’t typen dermate obsessief plaatsgehad, dat ik ’t trommelen van m’n vingers nog even niet los kon laten. Ouwejongenskrentenbroodherinneringen borrelden boven & schotelden me beelden voor van correctielinten, tipp-ex & witte velletjes waarvan de naam al een lange tijd uit mijn redelijk omvangrijke schemergeheugen, waar alles geleidelijk aan getrokken wordt naar ’t nog moeilijk waarneembare, zijn verdwenen.
Hoe gelukkig ik mezelf mocht prijzen dat ik, met dat als meegebrachte bagage, tegenwoordig gebruik mag maken van de mogelijkheden backspace & delete.

Mijn vader prefereerde tipp-ex. Alles wat uit zijn typemachine rolde werd immers 1st middels kopieermachine vermeerderd, waardoor de dikke laag (zeker tegen ’t einde van ’t potje) als vanzelf onzichtbaar werd. & Wat er mogelijk nog wel daarvan zichtbaar bleef, viel niet op in ’t gezelschap van de typeletters, die ook zo hun kuren hadden.

Maar toen mijn tante van mijn neef de opdracht kreeg zijn proefschrift uit te typen, waar ze wel een paar maanden mee bezig was, deed, door de introductie van de electrieke typemachine die neeflief voor deze klus had aangeschaft voor tante, ’t correctielint zijn intrede in de wereld van ongekende mogelijkheden waar wij inmiddels in beland waren.
We wilden allemaal wel een extra visite afleggen bij Tante Wil, die zonder kracht te zetten een fraaie demonstratie gaf van haar met 65% gestegen typesnelheid. Onderwijl maakte ze ijverig fouten, zodat ’t correctielint ook in al haar glorieuze efficiëntie getoond kon worden.

Toen de electrische typemachine uiteindelijk ook in ons huis arriveerde, bleek zo’n correctielint echter van een bepaalde prijskaart te zijn voorzien, dat mijn vader zijn grote hobby vakantie in ’t buitenland bedreigd zag.
We moesten voortaan toestemming vragen om zijn masjien te gebruiken, verantwoording afleggen over ’t doeleind & daarbij minstens 4 keer ’t woord ‘school’ laten klinken, liefst gelardeerd met een dreiging van ‘onvoldoende’.
Als we dan maar geen fouten maakten om daardoor overbodig correctielint te gebruiken.
Er was ook nog tipp-ex tenslotte.

& Dan konden we weer aan de gang met ’t verdunnerflesje, zodat de witte vloeistof uit ’t tipp-expotje ’t weer wat langer vol zou houden. Maar tijdens ’t aanstampen van die druppels in ’t keiharde wit spoten de correctiedruppels ’t potje uit, met als doel ’t schijnend blauw van Pa’s typemachien. Extra verdunner plus wc-papier bleken nodig om weer onschuld op ’t apparaat te poetsen.

Uiteindelijk was ’t omdraaien van ’t correctielint (de spoel links rechts zetten & andersom) de enige oplossing om jezelf te vrijwaren van zonden, daarbij wel zeer goed oplettend dat bij deze wisseltruc de moeilijk te verwijderen witte-lint-vlekken geen bezit gingen nemen van je vingers. Want bij ontdekking kreeg je dan toch nog een verbod van 2 weken met als toetje een week later een toespraak als je uiteindelijk daardoor een dikke onvoldoende voor je Aardrijkskunde-verslag had gekregen.

Wat een zegen voor Zijperspace, die Del & B-space om naar uit te wijken.

Kortst

Volgens mij wordt ’t morgen herfst. Hoewel je dat tegenwoordig nooit met zekerheid kan zeggen, want als je online gaat zoeken (een vervanging voor ’t veel kortere ‘googelen’, wat ik dit keer eens niet wilde gebruiken) blijkt steeds weer dat er bepaalde definities van begin & eindpunt van jaargetijden bestaan, waar de gewone burger geen weet van heeft in z’n dagelijkse omgang met de dingen.

Ik zal vast niet de enige zijn die zichzelf de vraag bedacht heeft waarom de herfst meer herf is dan andere herfen (of schrijf je dat mv met een ‘v’?).
Bedachtsel 2 was dat ik ’t na zo’n verwondering ’t misschien maar even bij de buurlanden moest zoeken. Die buren dan die hun taaloorsprong in dezelfde familie hadden liggen. Duits & Zweeds bijv. Hun ‘Herbst’ & ‘höst’ eindigt immers ook op een vergrotende trap.
Kom ik daar toch meteen een zinnetje tegen van een duitser die ooit de bittere betekenis van ‘herb’ in contact heeft gebracht met herfst:

Der herbe duft des herbstlaubs

Oftewel: De bittere geur van herfstbladeren.
In de herfst is blijkbaar de meest bittere tijd van ’t jaar. Waarom dat dan? Zou ik de duitsers graag willen vragen, maar ik geloof niet dat ze de zin van deze pietluttigheid zullen begrijpen.

Nog ff bij de zweden wezen kijken: ‘hö’ betekent hooi.
Misschien dat hooi ook wel bitter smaakt. Ik heb ’t zelf nooit geprobeerd, maar we zouden ’t in dit geval paarden & konijnen kunnen voorleggen.
Ik verwacht echter niet al te snel een antwoord van hen. Eerder vooral vrolijk gesmak.
Maar ik was wel zo pienter te bedenken dat hooi ook zo’n najaarsproduct is. ’t Seizoen met ’t meeste hooi => hooist.
Zweden spreken dat dus uit met een ‘eu’, voor alle duidelijkheid.

Daar was ik dus mee bezig afgelopen uur, omdat ik besloten had om eens te proberen een kort stukje te schrijven. Want had niet veel tijd.

Nu is er haast in Zijperspace, hoewel totale onbegrip over haa heerst.

Uitlaten

We gaan een rondje lopen met de honden, die beiden wat langer op bezoek zijn. Ze kennen me ondertussen. ’t Was te merken aan de manier waarop ze me daarnet bij binnenkomst begroetten. Totaal ongegeneerde genegenheid was m’n deel, zodat ik niet anders kon dan m’n menselijke reserves enigszins te laten gaan.
Ze voelen die reserves heus wel, maar ’t is alsof ze dat juist zo ongemakkelijk leuk aan me vinden.

Ieder neemt er 1 aan de riem. & Terwijl wij elkaar weer op de hoogte brengen van de status quo, tussenrapportjes overleggen, ontdekken zij de wereld opnieuw. & Opnieuw.
De neuzen worden gevuld door vele werelden, gelaagd in dimensies.
& Dan schieten ze plots wakker uit hun concentratie van ’t moment & vragen ze zich af waar wij toch mee bezig zijn & wat de weg is die ze moeten volgen.

Midas was ver voor hen mijn blindegeleidehond.
Ik wist niet waar ik stond, evenmin hoe ik me uit moest drukken. Zo had ik nog wel meer dingen toentertijd die me een geestelijke ongemakkelijkheid bezorgden die zich aan liet voelen als een handicap.
Midas liet me uit, maar ik mocht bepalen waar de weg ons heen zou leiden. & Ondanks dat de natuur mij toen nog niet in details kon boeien (was dat maar wel zo geweest, dan was de beleving minder introvert geweest), waren groen, onverhard & strand de leidraad. Dan kon Midas los & kon ik me verwonderen over wat zijn zoektochten behelsden.

Hier zijn we in ’t stadse. Als je geen hond hebt om uit te laten, is groen geen vanzelfsprekendheid. Maar de noodzaak van poep- & plasplekken doet je anders naar de indeling, de architectuur van de plattegrond, kijken. De huppeltjes van de jonge honden als de nabijheid zich doet voelen, tekent die locaties plots veel duidelijker af. Alsof ze een vriend naderen, een vertrouweling. Wellicht een wind van bekende onbekenden die hun neuzen tegemoet vlaagt.
Ontroerend als dat hun achterste in hun enthousiasme hoger doet uitkomen dan de voorkant.

Zo was Midas niet. Wellicht wel geweest, maar hij was tot brompot verworden. Toch met een evenwichtige geest. Hij kende z’n taak, meende ik toen te geloven. Ik moest ‘m er alleen niet te vaak aan herinneren. Hij was immers ook nog steeds hond. Of ik dat niet wilde vergeten.
& M’n jongere broer was er ook nog. Die had zich, in afwezigheid van de ouderen die ’t huis ontvlucht waren, de hond toegeëigend, waar m’n ouders zich dat hadden aan laten leunen, die situatie.
Ietwat ongemakkelijk toen ik terug kwam, in erbarmelijke staat.
Als er toen al mobieltjes hadden bestaan, zou ik elke dag teruggefloten zijn door m’n broer. In gezwinde pas had ik dan Midas thuis moeten brengen om hem zijn dagelijkse ronde te laten lopen. Doordat ik zogenaamd van niets wist liep ik nog even door na dat in die tijd onmogelijke belletje.

De 2 hebben ondertussen maniertjes geleerd. In ’t belang van hun veiligheid.
Maar waar wij ze vroeger ‘Naast’, ‘Lig’ & ‘Los’ bijbrachten, gaat ’t bij hun vooral om ‘Zit’ aan de rand van de stoep. Zodat wij ’t verkeer kunnen inschatten.
’t Voelt als een opluchting te zien dat ze er opgeruimd & snel aan gehoorzamen. Laten we ’t maar doen, ik kijk ondertussen alvast rond waar ik straks naartoe kan snellen, dat is ong de instelling van de 2. De 1 wat gewiekster & schijnbaar ongeïnteresseerder dan de andere. Als ’t er maar snel op zit, dat lijkt ’t belangrijkste doel.

Van Midas wist je ’t nooit. Hij was hooguit blij als m’n moeder binnen kwam, zo lijkt ’t ondertussen.
Maar die herinnering is getekend door een hoofd dat rust moest vinden. ’t Traag sjokken van hem was voldoende om in enige mate een zwaarte te bezweren. ’t Ging in ijzig langzaam tempo, maar Midas had geduld. Wat moest hij immers thuis op de bank, door geen enkel interessant geurtje getriggerd? ’t Was voor hem alleen maar winst als ’t nog lang zou duren, die toestand van mij.

De honden herkennen de deur als vanzelf. IJverig blijven ze ervoor staan hijgen. De deur floept plots open, wat hun vrolijk springen in de hal nog noodzakelijker maakt. ’t Doet niet onder voor hun komst in de buitenlucht een klein half uur eerder.
Laat ze vooral niet te snel slijten, zoals honden doorgaans in onze tijdslijn doen.

Zodat er minder angst is voor hechting in Zijperspace.

Instaspaced (LIII)

Ik heb ’t even nagerekend: die cicade daar linksonder de jonge, nog niet in staat tot vliegen, zuringrandwants, past om precies te zijn 74,34 keer in ’t lichaam van de ander, die hij desondanks enigszins ongeïnteresseerd aanschouwt, terwijl hij vlak na ’t nemen van de foto wegsprong uit schrik door een beweging van een onhandige fotograaf, terwijl de stylist nog niet aan bod was gekomen om de boel op te leuken door dat kleurrijk kleintje wat meer te voorgronden, als dat ww al bestaat in ’t beroepsjargon; ‘Welk beroep dan?’, sjist de volgende kandidaat vantussen ’t gebladerte, ‘& Wat bedoel je eigenlijk met die 74,34 & sinds wanneer ben ik kandi…’, klonk nog net uit de keel van z’n grootste predator.

& Zo is er weer een verhaal voorbij in Zijperspace voordat ’t daadwerkelijk beëindigd leek.
(Foto [in betere kwaliteit, want rottig kopiëren als je je eigen foto’s ergens anders wil plaatsen & ‘t je onmogelijk wordt gemaakt door FB] & tekst eerder geplaatst op Instagram.)